Een contract met God - Will Eisner
Het begrip graphic novel werd niet gemunt door Will Eisner, maar kreeg door hem wel ruime bekendheid. Ook Eisner gebruikte de term in negatieve zin, met de bedoeling zich ergens tegen af te zetten. Zijn album Een contract met God (1978), dat aan de bakermat stond van het genre, was geen comic, geen strip, geen makkelijk verhaal met superhelden die tijdens de kantooruren de wereld zuiveren van alle onheil. Bovendien wilde Eisner breken met de rigide plaatindeling van strips.
De peetvaders van de graphic novel, Art Spiegelman, Robert Crumb en Will Eisner richtten zich op volwassenen en alle lezers die niet alleen maar op zoek waren naar een verzetje. In tegenstelling tot de figuren uit het Gouden Tijdperk (jaren veertig, mid-jaren vijftig) en het Zilveren Tijdperk (mid-jaren vijftig, jaren zestig) van de Amerikaanse strip werden nu eens echte mensen getekend, met kleine kantjes en zonder bovennatuurlijke krachten. Werd de karikatuur toch ingezet, dan was dat meestal om de zwartgallige aspecten van het bestaan in de verf te zetten of met bittere ironie te lijf te gaan.
Een contract met God is daar een mooi voorbeeld van. Het album bundelt vier verhalen met eenzelfde setting: Dropsie Avenue, een straat in de Bronx geflankeerd door tenements — de typische appartementsblokken die in de jaren twintig zijn gebouwd om de stroom immigranten na de Eerste Wereldoorlog te huisvesten. Een contract met God speelt nog iets later, in de jaren dertig, wanneer veel joodse koppels ondanks de crisis een eerste generatie kinderen op de wereld hebben gezet. Geldgebrek, gefnuikte dromen en de werking van het noodlot zijn de basisingrediënten van alle verhalen.
Eisner memoreert, kortom, zijn jeugdjaren in dit album. Midden jaren zeventig bedacht hij dat het tienerpubliek waar hij Spirit voor had getekend samen met hem ouder was geworden. Die dertigers wilden allicht iets anders dan de prentjes met superhelden van weleer.
'De huismeester' draait rond ene meneer Scuggs. Als de huurkazerne "een passagiersschip is, verankerd in een zee van beton", dan is hij "de kapitein". Een kapitein die weliswaar in de kelderverdieping leeft. Met zijn kale knikker en Duitse krachttermen lijkt hij zo weggestapt uit de Weimar-republiek zoals George Grosz haar tekende. Hoewel hij als rechterhand van de huisbaas de machtigste man is in het gebouw, blijft hij een eenzaam figuur. Hij heeft enkel een hond en een paar wanden met pin-ups om hem gezelschap te houden. Die ene poging waarbij hij zijn natte dromen toch tracht na te streven, wordt zijn ondergang. Typisch voor de ambiguë Eisner: Scuggs' ogenschijnlijk hulpeloze slachtoffer redt zich uit de benarde situatie met een nietsonziende list.
'De straatzanger' gaat over een drankzuchtige boekhouder die operazanger wil worden en ook best een potje kan zingen. Seks met een verlopen diva-met-connecties verhogen kort de kans op welslagen, maar ook hier worden dromen eigenhandig verkwanseld. De straatzanger kan bovendien niet met geld omgaan en zijn zwangere vrouw zal dat bekopen.
In 'Cookalein' wordt het actieterrein deels verlegd van Dropsie Avenue naar een vakantieoord waar jonge joden samenkomen in de zomermaanden. Hun vakantie blijkt echter vooral te dienen om de buitenechtelijke liefde te bedrijven of om een goede (lees: beter bemiddelde) partij te vinden. De expliciete seksscènes in 'Cookalein' zijn te interpreteren als een welgemeende fuck you ten aanzien van de (overigens dit jaar opgeheven) Comics Code Authority.
Het titelverhaal is het beste, meest ontroerende werkstuk van Eisner. De vrome jood Frimme Hersh denkt het lot te slim af te zijn door met God een contract af te sluiten. Maar het contract deugt kennelijk niet: het door Hersh liefdevol bejegende meisje Rachele sterft — een verhaallijn geënt op wat met Eisners dochter Alice gebeurde; zij stief op haar zestiende aan leukemie.
'Een contract met God' laat interessante vragen open. Wordt Hersh door het noodlot getroffen omdat hij het contract eenzijdig heeft opgesteld? Omdat hij het waagde voorwaarden te stipuleren? Of doodeenvoudig omdat er geen God is? En wanneer hem dat tweede — fatale — ongeluk overkomt, komt dat dan door ongelukkig toeval of door een zich wrekende God?
Het probleem van het lijden is de vraag waarom een almachtige en goede God, zoals voorgesteld door de monotheïstische religies, kwaad en lijden in zijn schepping zou toestaan. Epicurus was de eerste die het probleem filosofisch formuleerde en bestudeerde. De volgende reductio ad absurdum wordt wel de paradox van Epicurus genoemd.
Er bestaat kwaad, dus God is ofwel niet in staat, ofwel niet van zins het op te heffen.Een oplossing voor zo'n probleem wordt een theodicee genoemd. De oplossingen minimaliseren meestal één van de premissen van Epicurus, onder andere door een andere definitie van kwaad, almacht en goedheid te introduceren.
Als God het kwaad niet kán opheffen, is hij niet almachtig.
Als hij het niet wíl opheffen, is hij kwaadaardig.
Als hij het niet kán of niet wíl opheffen, waarom zou je hem God noemen?
Als hij het kán en wíl opheffen, waar komt het kwaad dan vandaan?
Een andere definitie van lijden: het lijden speelt zich slechts in onze verbeelding af.Een andere optie is het probleem van het lijden in een breder perspectief te plaatsen. Dan komen zaken als verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van de mens in beeld, in combinatie met de verplichting om met de bekende en verborgen consequenties van keuzes te leven. Veel religies postuleren een eeuwig leven en daarvan afgeleid een volmaakt en eeuwig hiernamaals, in tegenstelling tot het aardse bestaan. Het aardse lijden valt daardoor in het niet, bezien vanuit het perspectief van de volmaakte eeuwigheid. In sommige religies wordt het aardse lijden gerechtvaardigd als een morele voorbereiding op de eeuwigheid.
Een andere definitie van almacht: God heeft ervoor gekozen om zijn macht te beperken, om zo samen met de mensen het kwaad uit te roeien. Of: God is niet almachtig, maar strijdt samen met de mens tegen het kwaad en hoopt zo uiteindelijk het kwaad te overwinnen.
Een andere definitie van goedheid: Gods goedheid hoeft niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met ons begrip van goed. Bovendien kan God slechte dingen uiteindelijk laten uitlopen op goede dingen.
Tijdens het lezen van Een contract met God probeerde ik te na te gaan wat Eisner nu doet dat hij niet in klassieke stripverhalen kwijt kon. Het is bijvoorbeeld niet zo dat het hele album uitblinkt in originele bladspiegels; Eisner houdt nog stevig vast aan gewone hokjes — drie, vier, vijf of zes op een pagina. De paar grote panelen — geïnspireerd op de houtsnedes in de romanbewerkingen van Lynd Ward — gebruikt hij voor beeltenissen van molenwiekende hoofdpersonen, voor een losse tekening begeleid door een stukje tekst waar Eisner duidelijk tevreden over was, en voor illustraties waarin er iets met het perspectief gebeurt, meestal met betrekking tot de huurkazernes.
Of dit nu plots kunst is, interesseert me niet. Het is prachtig getekend, dat zeker. Gedetailleerde gezichten krijgen soms een kitscherige oogopslag als ze door emoties getekend worden. Dat was leuk. De verhalen vond ik mager. Ik vraag me af waarom iemand die het betere werk van Isaac Bashevis Singer kent naar een Will Eisner zou luisteren.
Noot aan zelf: Eisner schijnt te figureren in die dikke pil van Michael Chabon over de geboortejaren van de Amerikaanse strip, De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay. Reden om dat boek eindelijk eens op te pakken.
Will Eisner, Een contract met God : 4 verhalen uit de Bronx
210 p.
Uitgeverij Atlas, 2004
Oorspr. A contract with God and other tenement stories (1978)
Vertaald door Hedy Stegge, Mat Schifferstein en Stichting Sherpa

Illustatie Will Eisner, uit het titelverhaal 'Een contract met God'
____
