"Geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars, en dat geldt nergens zo sterk als in de wetenschapsgeschiedenis." Zo staat het op de kaft van Het kerkhof van de wetenschap. Met de stukken in dit boekje, eerder verschenen in de wetenschapsbijlage van het Parool, wil Hans van Maanen eerherstel geven aan de wetenschappers wier opvattingen de toets der kritiek niet konden doorstaan. Zij zijn immers niet de onnozele halzen voor wie we hen dreigen te verslijten.
Het is simpel. De geschiedenis van de wetenschap bevat meer dwalingen en weerleggingen dan ijzeren theorieën. Dat is niet erg en moet zeker niet worden verdoezeld, vindt Hans van Maanen, want "het vormt de kern van het onderscheid tussen godsdienst en wetenschap, tussen zekerheid en twijfel, tussen astrologie en astronomie".
Essentieel in de wetenschap is het wieden van foute opvattingen. Maar omdat we meestal de succesverhalen van de wetenschap te horen krijgen — met Galilei, Newton, Darwin en Einstein als boegbeelden — vergeten we dat snel. We hebben de neiging de moderne inzichten als de enig mogelijke, de noodzakelijk juiste, te zien. Omdat het heden de maatstaf voor het verleden wordt, wordt de kwaliteit van de oude opvattingen afgemeten aan de huidige. Die reflex is fout, zegt Van Maanen.
De moderne wetenschap deugt niet. De wetenschap van de zeventiende eeuw deugde niet, die van de achttiende en de negentiende eeuw zat eveneens vol fouten, dus er is geen enkele reden om aan te nemen dat die van de twintigste eeuw wel klopt. Natuurlijk, de missers van de theorieën uit vervlogen tijden zijn eruitgehaald — dat is vooruitgang — maar ‘onomstotelijk’ zijn wetenschappelijke theorieën nooit.
Als
Het kerkhof van de wetenschap dus iets wil, is het aanmanen tot bescheidenheid. Mensen die vroeger foutieve ideeën aanhingen, waren niet dom, en nogal wat slimme mensen van nu zullen er later helemaal naast blijken te zitten. De juistheid van een theorie heeft immers weinig te maken met de intelligentie van de wetenschapper. Franz Joseph Gall (1758-1828) ontwikkelde rond 1800 de frenologie: de theorie die stelt dat aanleg en karakter bepaald worden door de groei van bepaalde hersendelen. Het karakter zou dan afgeleid kunnen worden uit de vorm van de schedel, die bepaalde knobbels zou vertonen. Niet juist, bleek later. De lijst aanhangers van de frenologie was echter indrukwekkend: van Bismarck, en
Marx tot
Balzac en de
Brontës, van de Amerikaanse president Garfield tot de Britse koningin Victoria.
En wat te denken van al die knappe koppen aan het begin van de negentiende eeuw die er rotsvast van overtuigd waren dat er op Mars intelligente wezens wonen? Niet het bewijs voor buitenaards leven hield hen bezig, dat vonden ze overbodig, maar het probleem hoe met dat leven in contact te komen.
De wiskundige Karl Friedrich Gauss kwam in 1802 met het voorstel dennen in de steppes van Siberië te planten in de vorm van een meetkundige figuur die de stelling van Pythagoras zou illustreren. De Weense astronoom Von Littrow wilde kanalen in de Sahara graven om die met benzine op te vullen en ’s nachts aan te steken, en zo waren er ook plannen om via grote, beweeglijke holle spiegels boodschappen in het Marsoppervlak te branden.
De kleine afwijking wordt vermenigvuldigdHet kerkhof van de wetenschap beschrijft kort de voornaamste dwaalsporen van 2500 jaar wetenschap: geografische, astronomische, biologische, medische en logische misvattingen. De nadruk ligt duidelijk op de natuurwetenschappen — "in de sociologie en de psychologie wordt nu eenmaal meer beweerd dan weerlegd".
Ik heb veel gehad aan dit boek. Mijn kennis van de hedendaagse natuurkunde is al twijfelachtig, maar de kennis van de
voorgeschiedenis van veel begrippen bleek één grote ramp. Nooit geleerd op school. Voorbeeld. Als iets eenmaal beweegt, blijft het gewoon eenparig (met dezelfde snelheid) bewegen — dat wist ik. Ik wist
niet dat men vroeger geloofde dat een beweger of
impetus nodig was voor beweging. Ander voorbeeld. Warmte is inderdaad een beweging van moleculen. Maar dat men vroeger aan warmte in termen van een
stof dacht?
Ook de voorhistorie van het begrip 'electriciteit' was me niet bekend. William Gilbert (1544-1603) deed onderzoek naar statische elektriciteit, met behulp van barnsteen. Het Griekse woord voor barnsteen is 'elektron', waarop Gilbert besloot om de statische lading van barnstenen 'elektrische kracht' te noemen. Gilbert betoogde dat elektriciteit en magnetisme van elkaar verschilden. Zo beweerde hij (ten onrechte) dat magnetische aantrekkingskracht bij hitte in stand bleef, terwijl elektrische aantrekkingskracht verdween. James Clerk Maxwell (1831-1879) toonde aan dat beide effecten onder dezelfde noemer vielen: elektromagnetisme.
Gilberts magnetisme was de onzichtbare kracht die vele andere
natuurfilosofen, zoals Johannes Kepler (ten onrechte) gebruikten om de bewegingen die zij in de natuur zagen te verklaren. Het magnetisme werd door William Gilbert ‘animistisch’ verklaard. Het beslissende verschil met iemand als Galilei is dat deze zich niet liet verleiden tot het beantwoorden van de vraag waarom een voorwerp viel en wat dan de ziel van de aarde was, maar eerst eens wilde weten hoe snel een voorwerp eigenlijk viel. Bovendien bedreef Galilei wiskunde, terwijl Gilbert nog in
kwalitatieve uitspraken bleef steken.
Af en toe maakt de opheldering van een hardnekkig misverstand de weg vrij voor een heel vruchtbare nieuwe wetenschapstak. Volgens de Duitse arts Georg Ernst Stahl (1660-1734) bevatten alle brandbare materialen iets dat
flogiston werd genoemd — een substantie zonder kleur, geur, smaak of gewicht, die de eigenschap van hitte in zich droeg. Flogiston zou uit het materiaal vrijgemaakt worden door verbranding. De Franse scheikundige Antoine Lavoisier (1743-1794) geldt als omverwerper van de flogiston-theorie, en daarmee als grondlegger van de moderne scheikunde.
Lavoisier hield vast aan de regel dat er tijdens een scheikundige reactie nooit massa verdwijnt of bijkomt. Het probleem daarbij was, dat gassen moeilijk te wegen waren. Lavoisier ontwierp ingenieuze apparatuur waarmee hij gas in een afgesloten vat kon houden en dus kon nagaan of er sprake was van gewichtsverandering. Zo verbrandde hij zwavel en fosfor, en ontdekte dat het gewicht van de lucht inderdaad afnam terwijl de gevormde zwavel- en fosforverbindingen navenant zwaarder waren geworden. Hij concludeerde dat de lucht — of, waarschijnlijker, een of andere stof uit de lucht — aan de reactie had deelgenomen.
Een race met de Britse onderzoeker Priestley en de Duitser Scheele resulteerde in de ontdekking van zuurstof. In een artikel uit 1777 toonde Lavoisier aan dat verbranding niet het ontwijken van flogiston is, maar het reageren met zuurstof. Niet de roest en het erts zijn elementair, maar de metalen. Toen hij zich er ook nog van overtuigd had dat water is samengesteld uit waterstof en zuurstof, was hij klaar voor een frontale aanval op de alchimie en de flogiston-theorie en kon hij de nieuwe scheikunde van de grond af opbouwen.
Bij momenten is de geschiedenis van de wetenschap best aandoenlijk. Niet in het minst omdat grote theorieën vaak onderzocht dienen te worden met weinig tot de verbeelding sprekende methodes en proefobjecten. Het Lamarckisme werd onder meer getest door muizenstaarten af te hakken. Lintwormen speelden een belangrijke rol bij het onderzoek naar
spontane generatie. Bij het vraagstuk van de
preformatie werkte men met kippeeieren.
Het kerkhof van de wetenschap had voor mij ook nut wanneer het kordaat een paar belangrijke issues uit de twintigste-eeuwse natuurkunde aankaartte, zoals de relativiteitstheorie, de quantummechanica en de chaostheorie.
De quantummechanica lijkt voorgoed komaf te hebben gemaakt met het determinisme. Dat is een filosofisch concept dat stelt dat elke gebeurtenis of stand van zaken veroorzaakt is door eerdere gebeurtenissen volgens de causale wetten die de wereld regelen en beheersen. Dit sluit bij een radicale interpretatie (het harde determinisme) in feite de menselijke vrije wil uit, vermits daarvoor in een rationeel universum geen plaats is. De klassieke definitie is afkomstig van de Fransman Pierre-Simon Laplace (1749-1827):
Een intelligentie, die, op een zeker moment, alle krachten die in de natuur werken, en de toestanden van alle elementen, waaruit deze is opgebouwd, zou kennen, zou, als ze overigens groot genoeg was om al deze gegevens te kunnen analyseren, in een enkele formule de beweging van de grootste lichamen in het heelal en die van het kleinste atoom beschrijven: niets zou hiervoor onzeker zijn, en de toekomst, net zoals het verleden, zou tegenwoordig zijn in haar ogen. De menselijke geest, die de sterrenkunde zo volmaakt heeft leren beschrijven, vormt een flauwe afspiegeling van zo'n intelligentie.
Als we zijn redenering volgen zegt hij dus
volgens Wikipedia het volgende: 1. De huidige toestand van het universum is een gevolg van een vorige toestand. 2. De huidige toestand is dan weer een oorzaak van de toestand die daarop volgt. 3. Stel nu dat een intelligent wezen (geest) op gelijk welk ogenblik een precies inzicht zou hebben in de krachten van de natuur die hierbij aan het werk zijn... dan zou het zowel de toekomst als het verleden van om het even welke entiteit kennen. Hans van Maanen somt in zijn boek echter de bezwaren op tegen het determinisme die in de loop van de twintigste eeuw werden geformuleerd.
Zo’n intelligent wezen dat de toekomst kan voorspellen, zou dat zelf niet complexer zijn dan het hele universum — en zou het bovendien niet ook zichzelf in de beschouwingen moeten betrekken? Hoe zal zijn gedrag zich ontwikkelen, en hoeveel invloed heeft dat weer op de wereld?
Meer fundamentele problemen kwamen met de opkomst van de niet-klassieke natuurkunde, de quantummechanica, die zich bezighoudt met sub-atomaire deeltjes.
Toeval bestaat echt, zegt de moderne natuurkunde. Radioactieve stoffen hebben in hun atoomkern naar verhouding te veel deeltjes, en die raken ze kwijt in de vorm van straling (of van deeltjes, dat komt op quantumniveau op hetzelfde neer). Hoewel we zeker weten dat na bij voorbeeld een jaar de helft van de atomen in een radioactieve stof zal zijn ‘vervallen’, is het onmogelijk te voorspellen welk atoom op een gegeven moment een deeltje zal wegzenden. De keten van oorzaak en gevolg is hier gestopt: er is geen diepere oorzaak achter het uitzenden van een deeltje.
Nog duidelijker blijkt dit als we waarnemingen in de quantummechanica willen interpreteren. We kunnen hier niet meer met zekerheid zeggen waar een elektron zich op een gegeven moment zal bevinden: we kunnen slechts zeggen dat het waarschijnlijker is dat het zich op de ene dan op de andere plaats bevindt.
Maar zelfs al volgt de wereld strikt deterministische wetten dan zal de mens er toch niet in slagen de toekomst te voorspellen. Edward Lorenz (1917-2008) toonde in de jaren vijftig aan dat gekoppelde differentiaalvergelijkingen instabiel kunnen zijn. Dat betekent dat fouten in de numerieke berekening in de tijd steeds groter worden. Lorenz wou het weer voorspellen maar merkte dat bij voorzichtig afgeronde getallen (lees: met afwijkingen van een duizendste) de computer al een volstrekt ander weerpatroon liet zien. De kleine afwijking wordt vermenigvuldigd tot een steeds grotere onzekerheid. Als dat zo is, dan is volgens het bekende beeld de vleugelslag van een vlinder in Brazilië al voldoende om een wervelstorm in Texas te veroorzaken.
Een andere knauw in onze hang naar het absolute, het onwrikbare, gaf Albert Einstein (1879-1955) een paar decennia eerder. Einstein verwierp het bestaan van ether. Als we eenvoudig als axioma aannemen dat de lichtsnelheid altijd gelijk blijft of we meebewegen of niet, dan hebben we zo'n vast referentiekader niet nodig om een goede natuurkunde op te bouwen. Van Maanen:
Ruimte en tijd, die in de newtoniaanse fysica absoluut vastlagen, kunnen best relatief worden. Ze zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de waarnemer beweegt — niet ten opzichte van de ether, maar van hetgeen hij waarneemt. Een trein lijkt langer voor iemand die meerijdt dan voor iemand die niet meebeweegt, en een klok in de trein loopt langzamer. Normaal gesproken zijn de verschillen niet meetbaar, maar zodra we te maken krijgen met snelheden in de buurt van de lichtsnelheid, gaan deze ‘relativistische effecten’ optreden.
Waar Einstein níet mee kon leven is de onzekere aard, het relatieve karakter van subatomaire deeltjes, dat door Niels Bohr (1885-1962) en Werner Heisenberg (1901-1976) werd gepropageerd. Als onze instrumenten erop gericht zijn het deeltjeskarakter waar te nemen, zien we een deeltje zodat het golfkarakter zich aan onze waarneming onttrekt, en andersom. We kunnen niet meer zeggen wat licht werkelijk is, alleen nog maar hoe het zich aan ons voordoet in de proefopstelling. De waarneming beïnvloedt onontkoombaar het verschijnsel, en het is zinloos te filosoferen over de vraag hoe het verschijnsel zou zijn als we niet meer kijken. Het lijkt, zo zei Bohr, een beetje op experimenten in de psychologie: we kunnen niet iemand ondervragen zonder hem tegelijk aan het denken te zetten en dus te veranderen.
Toch was het niet al relativisme wat de klok sloeg in de twintigste eeuw. Bepaalde soorten kennisrelativisme werden een krachtig halt toegeroepen. De Amerikaanse taalkundigen Edward Sapir (1884-1939) en Benjamin Lee Whorf (1897-1941) beweerden in de naar hun genoemde hypothese dat wij de wereld ontleden volgens de regels die zijn neergelegd in onze moedertaal. In de woorden van Whorf: "De categorieën en indelingen die we uit de wereld van verschijnselen halen, zijn er niet omdat ze iedere waarnemer aanstaren; integendeel, de wereld is een kaleidoscopische stroom indrukken die in onze hersenen moet worden georganiseerd — en dat wil zeggen door het taalsysteem in onze hersenen."
Maar het feit alleen al dat Whorf kon uitleggen wat de verschillen tussen
Hopi en Engels dan precies waren — hun voorbeelden — pleit tegen zijn hypothese. Als Aboriginals Engels leren kunnen ze best 'drie, vier, vijf' etc. leren gebruiken — woorden die ze in hun eigen taal niet hebben. Bovendien is het duidelijk dat mensen die eenzelfde taal spreken niet allemaal hetzelfde denken. Exit Sapir-Whorfhypothese dus. Merkwaardig genoeg dook ze aan het begin van de jaren zeventig opnieuw op in iets andere vorm bij wetenschapsfilosofen zoals
Kuhn en
Feyerabend. Nieuwe theorieën bepalen nieuwe waarnemingen zeiden ze. Van Maanen is formeel: "Hier is sprake van een achterstand van zeker twintig jaar van een aantal wetenschapsfilosofen op taalkundigen."
Wetenschappelijke folklore: het magnetisch perpetuum mobile van John Wilkins (1861). Als de magneet (A) sterk genoeg is om het balletje (E) de helling op te trekken, is er geen enkele reden waarom hij het door het gat (B) zal laten vallen.
Uithoudingsvermogen
Over wetenschapsfilosofie gesproken. Net zoals
Het kerkhof van de wetenschap ooit ijzersterk gewaande theorieën oplijst die inmiddels tot de folklore behoren, fungeert het boekje ook als belangrijke kanttekening bij de straffe theorieën die door filosofen zijn geopperd over wat dat nu überhaupt betekent, wetenschap bedrijven.
De logisch-positivisten van de Wiener Kreis (1920-1938) [zie ook
A.J. Ayer op YouTube] dachten bijvoorbeeld voorgoed te hebben uitgemaakt wat wetenschap onderscheidt van filosofie. Hun aanpak wordt ‘logisch’ genoemd omdat zij de moderne logica als instrument wilden hanteren om waar van onwaar te onderscheiden, en ‘positivistisch’ omdat zij vonden dat de wetenschap alleen uitspraken moet doen over dingen die wetenschappelijk zijn waar te nemen. Volgens
Schlick,
Carnap,
Neurath et les autres heeft een uitspraak pas zin als hij ‘geverifieerd’ kan worden. Van Maanen vat de redenering zo samen:
Er zijn twee soorten beweringen: zinnige en onzinnige. Een zinnige bewering is een bewering waarvan men kan zeggen of hij waar is of niet – ‘de straten zijn nat’, of ‘morgen is het zondag’. Kan men daarentegen van een bewering niet uitmaken of hij waar is of niet, dan is de bewering zinloos, en hebben we te maken met metafysica. Dat gebeurt bijvoorbeeld, als zo’n bewering een zinloze term bevat. Zinnen die gaan over het ‘eeuwig zijnde’ of ‘de levenskracht’ of ‘God’ zijn zinloos, want het is onmogelijk om aan te geven wat het niet uitmaakt of de uitspraak waar is of onwaar. Wie niet gelooft dat de straten nat zijn, kan naar buiten gaan en kijken, wie de zin ‘al het Zijnde streeft naar het Absolute’ niet gelooft, kan dat niet. Daarom is de laatste zin pure metafysica, hij draagt niets bij aan onze kennis van de wereld. Talloze problemen waarmee de filosofie zich eeuwenlang heeft beziggehouden, berusten op dergelijk zinleeg taalgebruik, en het is de taak van de filosofie deze schijnbaar diepzinnige uitspraken te ontmaskeren.
In eerste instantie lijkt er geen speld tussen de krijgen, maar toch is hier vanalles mis mee. Om te beginnen kan dit uitgangspunt zelf niet geverifieerd worden, en wordt het daarmee pure metafysica. De meeste wetenschappelijke stellingen — triviale zoals 'Alle raven zijn zwart', maar ook wetten als 'Iedere scheikundige verbinding heeft een constante gewichtssamenstelling' — kunnen niet volledig geverifieerd worden. Daarbij, veel vakken zoals ethica, esthetica, psychologie en sociologie worden na het uitbannen van alle metafysica ook onbruikbaar kaal.
Karl Popper stelde er daarom het
falsificatiebeginsel tegenover, en verving 'zinvol' of 'zinledig' met 'wetenschappelijk' of 'onwetenschappelijk'. Een uitspraak is pas wetenschappelijk als het de voorwaarde expliciteert voor zijn eigen weerlegging, volgens de formule: 'Als
dit niet blijkt te kloppen, dan deugt mijn theorie niet.' Een uitspraak moet kunnen gefalsifieerd worden. Duikt er een uitzondering op, dan dient de 'wet' onmiddellijk afgevoerd.
Van Maanen wijst op de nieuwe manco's van deze al even aantrekkelijke theorie. De geschiedenis van de natuurwetenschap toont dat er bij het verwerpen van een theorie, zo blijkt wel uit voorbeelden als flogiston, ether en warmtestof, meer komt kijken dan alleen de foute voorspelling. De theorie kan worden
bijgesteld, de waarnemingen kunnen worden
betwijfeld, de competentie van de onderzoekers kan
ter discussie worden gesteld, enzovoort. Om een standpunt te verdedigen zijn er altijd wel argumenten te vinden, en wetenschap omvat heel wat meer dan alleen weerlegbare uitspraken waarover puur rationeel onderhandeld kan worden. Als dat niet zo was, waren we snel uitgepraat, zegt Van Maanen.
Een theorie die samenhangend en logisch is en veel oude en nieuwe verschijnselen kan verklaren kan het daarom heel lang uithouden. De zeventiende-eeuwse opvattingen over elektriciteit, of de evolutietheorie van Jean-Baptiste de Lamarck (1744-1829) waren allebei uitstekende wetenschappelijke theorieën: ze verklaarden wat verklaard moest worden, ze voorspelden nieuwe verschijnselen, ze gaven aanleiding tot veel vruchtbaar onderzoek, en voor wie niet beter wist, klopte het allemaal. Maar ze werden weerlegd toen er feiten op tafel kwamen die niet met de uitgangspunten strookten.
Nog een extremer voorbeeld: het stelsel van Claudius Ptolemeus van Alexandrië, ontworpen in de tweede eeuw van onze jaartelling, slaagde er bijna perfect in alle onregelmatigheden te verdisconteren. Het voldeed dan ook anderhalfduizend jaar. Onregelmatigheden werden weggewerkt met lapmiddelen als
epicykels, deferenten en excenters.
Vaak is het niet gewoon wachten op wíe een theorie de doodsteek geeft, maar wát. De vreemde lijnen op Mars werden achtereenvolgens geïnterpreteerd als kanalen, breuken in het oppervlak, stroken vegetatie en bevingsgebieden. Het duurde echter tot de tijd van de kunstmanen (met als eerste de
Mariner 9 in 1971!) voordat werkelijk duidelijk werd dat de kanalen volstrekt niet bestaan en niet anders dan gezichtsbedrog zijn geweest.
Hebben we het nog niet gehad over psychologische en sociologische factoren die spelen in het wetenschappelijke bedrijf. De invloed van autoriteiten, of van clan-mentaliteit. Vaak blijken de voorkeuren van deze of gene theorie behoorlijk nationaliteitsgebonden. En niet iedereen durft zomaar de theorieën van grootheden als Newton en Linneaus aan te vallen, hoewel ook zij er dikwijls helemaal naast zaten.
Wat clan-mentaliteit betreft, biedt de theorie van het vitalisme een mooie case study. Op de vraag 'Wat is leven?' luidt het antwoord dat tegenwoordig het meeste opgang doet dat ‘leven’ een kwestie van organisatie is: levende wezens vormen een ingewikkelde organisatie van op zich niet-levende dingen. In de jaren twintig en dertig was het
vitalisme echter zeer populair onder biologen: de doctrine dat het leven niet alleen als mechanisme verklaard kan worden, maar een onstoffelijke element aangeduid als de 'essentiële vonk' of energie noodzakelijk acht. Sommige mensen die geloofden in vitalisme vergeleken dit element met de ziel. Bij de populariteit van het vitalisme, zegt Van Maanen, zal zeker een rol hebben gespeeld dat zij de behoefte hadden hun vakgebied te verdedigen tegen de steeds verder oprukkende natuur- en scheikunde.
Hun studie-object, het leven, dreigde ‘weggreduceerd’ te worden. Maar fysica en chemie werden met succes ingelijfd in de biologie, en in die opbloei werd het vitalisme naar de achtergrond gedrongen. Althans, de hele vraag naar ‘het wezen van het leven’ werd van de wetenschappelijke agenda afgevoerd. (…) Het vitalisme is een zachte dood gestorven, niet zozeer omdat het weerlegd was — het is even onweerlegbaar als zijn tegendeel — maar omdat het onvruchtbaar was: het is veel interessanter om te veronderstellen dat het leven wel met behulop van chemie en natuurkunde kan worden opgehelderd.
Ook de affaire-Fleischmann en Pons legt de typische gevoeligheden van bepaalde actoren in het wetenschappelijke bedrijf bloot. Bij typische kernfusie — het samensmelten van lichte atomen tot zwaardere — zijn extreem hoge temperaturen nodig. Denk aan de zon: in de zon smelten waterstofatomen samen onder invloed van de enorme druk in de kern bij 15 miljoen graden. In 1989 publiceerden de elektrochemici Martin Fleischmann en Stanley Pons echter een wetenschappelijk artikel waarin ze zeiden kernfusie onder veel mildere condities te hebben bereikt. Het ging om een bij-effect van een elektrochemische reactie aan een palladium-elektrode waar waterstof werd gevormd. Waterstof lost op in de palladiumelektrode en de twee wetenschappers meldden dat bij hun opstelling meer energie vrijkwam dan ze er in stopten. Er bleek weinig van te kloppen. Van Maanen:
De hele affaire — die overigens ook in de jaren na de eerste aankondiging nog af en toe opflakkerde — heeft vooral een verrassend diepe kloof duidelijk gemaakt tussen natuurkundigen en scheikundigen. Natuurkundigen waren van meet af aan skeptisch, terwijl scheikundigen algemeen de kant van Fleischmann en Pons kozen. De scheikundigen leken de behoefte te hebben die arrogante natuurkundigen eens een lesje te leren: waar de kernfysici al jaren machteloos werkten aan hete fusie, deden twee chemici het simpel met koude. Waar de kernfysici miljarden verslindden aan enorme apparaten, hadden de chemici genoeg aan een jampotje.
Geloof spectaculaire claims niet voordat het artikel is verschenen in een vakblad, adviseert Van Maanen, en dan nog is het afwachten wat de rest van de wereld ervan vindt. Maar dat geldt eigenlijk voor iedere wetenschappelijke publikatie.
In bepaalde gevallen kunnen theorieën succesvol worden juist omdát ze tegen de wetenschappelijke mainstream invaren. Zoals de homeopathie. De geneeskunde had aan het eind van de achttiende eeuw bepaald geen goede naam. Geneesheren stonden tegenover de meeste ziekten machteloos, en als zij eens ingrijpen dan was het met zoveel geweld dat de patiënten het vaak niet konden navertellen. Buitengewoon giftige drankjes op basis van kwik en arsenicum hadden de voorkeur, en aderlaten, verhongeren en anderszins mishandelen behoorden tot het vaste repertoire, schrijft Van Maanen. Toen kwam Samuel Hahnemann (1755-1843) met zijn zachtaardig alternatief.
Soit. De theorie uit het boek die me zelf het meeste bezighoudt, is de moderne evolutietheorie. Van Maanen noemt het terecht een "centraal dogma" van de evolutiebiologen dat het milieu geen enkele manier het erfelijk materiaal kan beïnvloeden. Het op de volgende generatie over te dragen erfelijk materiaal zit veilig weggeborgen in de geslachtscellen (zaadcel en eicel), en het verandert alleen door toeval of door beschadigingen, bijvoorbeeld door radioactiviteit.
Blijft die theorie in zijn pure vorm standhouden? Werkt de polemische furor van haar voornaamste promotoren geen vooroordelen in de hand? Ik voel in hun betoog vaak een hoera-stemming die ik nooit helemaal begrijp. Zo vrolijk is die hele natuurlijke selectie niet.
Hoe bewijsbaar is die hele evolutiebiologie eigenlijk? Ik moet denken aan het voorbeeld dat
Bert Theunissen gaf in zijn
Diesels droom en Donders' bril — nog zo'n boek dat aantoont hoeveel groezeliger het wetenschappelijk bedrijf is dan de kant-en-klare weetjes op de middelbare school doen uitschijnen. Theunissen noemt het geval van Sherwood Washburn en Sarah Blaffer Hrdy. De theorieën van Washburn, voor wie de ontstaansgeschiedenis van de mens te karakteriseren als de evolutie van de jagende man in een door de man gedomineerd groepsgebeuren, paste goed bij de verklaring van de rechten van de mens, met als uitgangspunt dat iedereen gelijkwaardig is. Alleen lieten nieuwe apenstudies daarna zien dat haremvorming en mannelijke dominatie niet bepaald standaard waren. Zowel mannen en vrouwen hadden een sociale rol te vervullen in de groep. Hrdy, niet toevallig een antropologe met een feministische achtergrond, maakte er haar levenswerk van de theorieën van Washburn in vraag te stellen en de rol van de vrouw en het individu in het groepsgebeuren uit te klaren.
Is
Het kerkhof van de wetenschap, verschenen in 1991, zelf al gedateerd? Bij mijn weten alvast op één punt. De Britse wiskundige Andrew Wiles heeft in 1994 het bewijs van de laatste stelling van Fermat
geconstrueerd. Verder ontdekte ik een redactiefoutje —
John Passmore is een Australische filosoof, geen Amerikaanse.
Maar Van Maanen is niet genoeg te prijzen. Laat zijn artikels dan soms te kort zijn voor de leek om alle bewijsvoering comfortabel te kunnen absorberen. Daarvoor bestaan weer andere boeken. Over de twisten tussen de peetvaders van de geologie heeft
Salomon Kroonenberg prachtig geschreven. Tegen Sapir en Whorf ken ik hartstochtelijke bladzijden van
Steven Pinker. Enzovoort.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> lees enkele hoofdstukken op
de website van Hans van Maanen> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Hans van Maanen, Het kerkhof van de wetenschap
171 p.
Uitgeverij Boom, 1991
Topics (met de wetenschappers die hebben bijgedragen tot de discussie):
Het geocentrische wereldbeeld (Apollonius, Hipparchus, Ptolemeus, de
Almagest, Copernicus, Kepler, Galilei, Newton): 11
De maan van Venus (Fontana, Lambert, Stroobant): 18
Leven op Venus (Lomonosov, Flammarion): 20
De wet van Bode (Bode, Titius, Piazzi, Le Verrier): 21
Kanalen op Mars (Gauss, Von Littrow, Schiaparelli, Perrotin, Thollon, Lowell, Lampland): 23
Fossiele getuigen van de zondvloed (Scheuchzer, Van Marum, Cuvier, Von Siebold): 28
Neptunisme — de oeroceaan (Werner, plutonisten zoals Hutton): 32
Catastrofisme (Hutton, Cuvier, Lyell): 35
De ouderdom van de aarde (Thomson, Becquerel, Alvarez, Smit): 37
Impetus — inwendig bewegend vermogen (Aristoteles, Stevin, Philoponos, Buridan, Tartaglia, Santbech, Galilei, Newton): 41
Angst voor het ledig (Galilei, Torricelli, Pascal, Boyle, Linus): 45
Een stof brandt als er flogiston in zit (Stahl, Becher, Lavoisier) : 48
Warmte is een stof (Lavoisier, Laplace, Thompson): 51
De magnetische ziel (Gilbert, Galilei): 55
Elektrische uitvloeisels (Nollet, Van Musschenbroek, Cabeo, Newton, Hauksbee, Dufay, Cunaeus, de Leidse fles, Réaumur, Franklin, Collinson, Hoch, Coulomb, Thomson): 57
Lichtdeeltjes (Euclides, Snellius, Da Vinci, Kepler, Grimaldi, Newton, golftheorie: Huygens, Euler, Franklin, Young, Fresnel, Foucault, fotonen: Einstein, Bohr): 66
Ether (Descartes, Newton, Michelson, Morley, Lorentz, FitzGerald, Einsteinn
70
N-straling (Blondlot, Charpentier, Lummer, Wood): 74
Polywater (Fedjakin, Derjagin, Bernal, Lippincott, Donahoe, Rousseau): 79
Koude kernfusie (Pons, Fleischmann): 82
Spontane generatie — het ontstaan van levende wezens uit dode materie (Redi, Spallanzani, Schelling, Rudolphi, Remser, Lamarck, Darwin, Steenstrup, Pasteur, Oparin): 87
Preformatie — levende vorm al bij conceptie aanwezig (Aristoteles, Fabrizio, Harvey, De Graaff, Swammerdam, Malpighi, Hartsoeker, Van Leeuwenhoek, Linnaeus, Vallisnieri, De Maupertuis, Von Baer, Hertwig, Fol): 91
Lamarckisme — het idee dat een individueel organisme karakteristieken, die het verworven heeft tijdens zijn leven (door de druk der omstandigheden of door gewoonte) aan zijn nakomelingen kan doorgeven (Lamarck, Wetherill, Weismann, Darwin, Wallace, Mendel, De Vries): 95
Aderlaten (Podalekrios, Broussais, Bouillaud, Louis): 99
Vitalisme — in elk levend wezen zit 'iets' wat niet in dode dingen zit (Aristoteles, Harvey, Stahl, Buffon, Driesch, Roux): 102
Criminologie — misdaad verklaren uit de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van de dader (Lombroso, Garofalo, Ferri): 106
Besmettelijke ziekten door kwalijke dampen (Chadwick, Sydenham, Von Pettenkofer, Fracastoro, Van Leeuwenhoek, Pasteur, Koch): 109
De malariabacil (Pasteur, Koch, Klebs, Tommasi-Crudeli, Marchiafava, Griffini, Laveran): 112
Telegonie — het verschijnsel dat nakomelingen soms de eigenschappen aannemen van een eerdere seksuele partner van hun moeder (Beecher, Darwin, Spencer, Ewart, Mendel): 115
Frenologie — hersenvergelijking (Gall, Spurzheim): 117
Homeopathie (Hahnemann, Avogadro): 121
Axiomatiek (Euclides, Descartes, Newton, Spinoza, de verzamelingeleer van Cantor, Gödel, het vermoeden van Goldbach): 129
De kwadratuur van de cirkel,
de verdubbeling van de kubus,
de driedeling van de hoeken (wat rest: de laatste stelling van Fermat): 132
De rekenliniaal (Napier, Gunter, Oughtred, Delamain, Watt, Mannheim):b136
Het perpetuum mobile (Fludd, Wilkins, Von Helmholtz, Carnot, Watt): 139
Het logisch-positivisme en de Weense kring (Schlick, Carnap, Neurath, Kraft, Frank, Gödel, Russell, Popper, Wittgenstein): 144
De hypothese van Sapir en Whorf — wij ontleden de wereld volgens de regels die zijn neergelegd in onze moedertaal (Sapir, Whorf, Kuh, Feyerabend): 148
Determinisme (Newton, Laplace, Heisenberg): 151
Weersvoorspelling (Von Neumann, Lorenz): 154
____