maandag 31 januari 2011

Dertig! - Mike Gayle

In februari 2005 schreef ik een lange brief van 48 kantjes. Een vriendin vierde haar achttiende verjaardag en de brief was mijn cadeau. Hij begon met een luimig citaat van een Amerikaanse dichter. A diplomat is a man who always remembers a woman’s birthday but never remembers her age. Maar de brief was ernst. De vriendin (meer dan tien jaar jonger dan ik) en haar verjaardag maakten duidelijk dat ik een generatie opgeschoven was, en ik moest die pijn van me afschrijven.

Zij was geboren in 1987 en dat had nogal wat consequenties. Zoals een populaire meme uit die dagen, door veel late twintigers naar elkaar doorgemaild, luidde: ze was te jong om zich de explosie van de Challenger te herinneren. Voor haar had aids altijd bestaan. Ze had nooit met een Atari of Commodore 64 gespeeld. Ze wist niet wat er bedoeld werd met ‘Even Apeldoorn bellen.’ Ze had nooit de Komeet van Halley gezien, wist niet waar de naam Rammstein vandaan kwam en wat Uitzendingen door derden zijn. De namen Ron Brandsteder, Chriet Titulaer en Wim Offeciers zeiden haar niets. Ze had nooit op een BMX-fiets gereden, door een viewmaster gekeken, of een Raider gegeten. Ze wist niet wat een Punica-oase was, wat de ECU was, wat Danny Verbiest deed voor hij in de huid van Samson kroop.

Het jaar 1987 maakte deel uit van wat ik toen de Heilige Drievuldigheid 1986-1987-1988 noemde: steeds als ik een gelukkige jeugdherinnering ophaalde en naging uit welk jaar die stamde — aan de hand van gelijktijdige gebeurtenissen die wel precies te dateren waren, bleek het steeds om een van die drie jaren te gaan. En nog altijd maken documentaire beelden uit die tijd mij week, omdat mensen er daarop precies zo uitzien als toen ik voor het eerst mensen zag.

(1987. Er is nog Schooltelevisie op tv. Liefhebbers van Australische soaps kijken niet naar Home and Away, maar naar Zonen en Dochters. Op de BRT, dat spreekt. VTM, of andere commerciële stations bestaan eenvoudigweg niet. Het hippe, vingervlugge, bonte Ketnet evenmin. ’s Avonds zorgen alle kinderen dat ze voor de buis zaten voor rustige programma’s als Liegebeest en Merlina. In die dagen is het nog de normaalste zaak van de wereld om daarnaast ook af te stemmen op de Nederlandse televisie met toppers als Sesamstraat, De Fabeltjeskrant, De Grote Meneer Kaktus Show en het Jeugdjournaal. Qua tekenfilms is het nog wachten op The Simpsons. Intussen kijken we naar De Snorkels, en epische animatiereeksen als De Tovenaar van Oz en Nils Holgersson.)

In de brief probeerde ik haar het verschil tussen een tiener en een late twintiger uit te leggen. Bottom line: voor een achttienjarige lijkt alles nog taps toe te lopen in de richting van zijn of haar leven. Het leven is één groot decor waarin hij vrijelijk beweegt en de hoofdrol speelt. Alles is op zijn maat gemaakt. De meeste reclames zijn op hem afgestemd. De helft van de televisiekanalen beoogt hem als doelgroep. Op die leeftijd is het een feest om je duidelijk te onderscheiden van je ouders, die nieuwe maatschappelijke of technologische ontwikkelingen niet altijd even goed kunnen volgen, evoluties waar jij, de adolescent, nauwelijks bij stilstaat. Toen ik kind was leek die generatiekloof nog iets dieper. Immers, wat in de jaren tachtig oud was, namelijk de jaren zestig en zeventig, was expliciet oud. Beelden uit die twee decennia werden grotendeels in zwart/wit opgenomen en waren bijgevolg historischer van karakter. Het was niet moeilijk om je tegen dat soort oubollige dingen af te zetten.

(1987. Het jaar waarin ik voor het eerst naar de cinema mag (Hector). Een tijd van glitter, glamour, breed uitgesmeerde synthesizerpartijen, bliepgeluidjes, potsierlijke choreografie, pastelkleurige maatpakken, leren jekkers en big hair. De mensen rijden rond in een Ford Escort, Audi 100 of Opel Kadett en dragen truien met een v-tip. Nintendo, Nike Air-sportschoenen en Swatch-horloges zitten in de lift. Paul Simon brengt Graceland uit, U2 Joshua Tree, Prince Sign O’ The Times. Gorbatsjov publiceert een boek waarin hij zijn wereldvisie uit de doeken doet, met termen als ‘glasnost’ en ‘perestrojka’. De Herald of Free Enterprise kapseist. Johnny Logan wint in Brussel het Eurovisiesongfestival. Eric Geboers wordt wereldkampioen motorcross 250 cc. In Joegoslavië is net de vijfmiljardste wereldburger geboren. Er komt een rookverbod in België in de meeste openbare gebouwen. Aan het roer in België staat nog altijd Wilfried Martens. Veel drieletterwoorden in het nieuws: ETA, IRA...)

Ben je de vijfentwintig gepasseerd, dan is dat de eerste keer in je leven dat je met recht kunt buigen op iets wat je een zekere levenservaring mag noemen. Je bent nog niet oud, maar toch al ouder. Je merkt het aan tal van dingen. Leeftijdsgenoten zie je met hun eerste of tweede kind op de schouders. Oud-klasgenoten zijn kalend of worden dikker. Je temporiseert even en brengt je huidige leven in kaart. Wie zijn mijn vrienden? Waar wonen ze? (En meteen schieten al de namen je te binnen van diegenen die eens je vrienden waren, maar nu hopeloos uitgezwermd zijn.) Wat heb ik aan ze? Houd ik van mijn partner? Wat doen we samen en waarom? Zie ik mezelf binnen tien jaar nog altijd hetzelfde werk doen? Onbewust loop je het lijstje af met ik-ben-in-elk-opzicht-een-echte-volwassene-punten om te kijken of je iets kunt afstrepen: geld hebben, het kunnen en mogen uitgeven, een auto bezitten die niet bij elkaar wordt gehouden door plakband en goedhartigheid, een hypotheek hebben, de onbereikbare grens van tweeëneenhalf jaar in een en dezelfde relatie doorbreken, trouwplannen hebben, enzovoort.

Vele late twintigers, vroege dertigers hebben een eigen huis, en al bezuinigend, tobbend en sparend, genieten ze toch vooral van die nieuwe zelfstandigheid. Eindelijk kan je gaan en staan waar je wilt, eten wanneer je wilt. En toch stel je bij jezelf vast dat die zelfstandigheid niet gepaard gaat met anarchisme. Je houdt opvallend veel rituelen over die je destijds bij je ouders hebt verfoeid. Wat eerst zo leuk had geschenen, de kamer vrijelijk volgooien met allerlei rommel, komt je nu decadent voor, en met een zeker schaamtegevoel zorg je ervoor dat het huis er ten allen tijde min of meer netjes bij ligt. Verantwoordelijkheid blijkt niet iets dat je per se verdient, maar wordt je vroeg of laat gewoon in de schoot geworpen, omdat je nu eenmaal een bepaalde leeftijd hebt bereikt. Daar voel je je eerst zeer onwennig bij, maar je temperament, dat zich tegen je dertigste behoorlijk heeft gematigd, zorgt ervoor dat je die verantwoordelijkheid met waardigheid draagt.

(1987. Onschuld. Veel onschuld. Jommeke in Zonnedorp. Ik bouw 'kampen' in bomen. Doe experimenten uit de chemiedoos. Spaar postzegels — maar geen Belgische, want die vind ik te grijs. Ik speel Stratego, Pim Pam Pet, Uno. Ik snooker. Speel met Lego. In klas houd ik spreekbeurten over slangen — ik wil absoluut een terrarium maar pa en ma steken daar een stokje voor. Op de speelplaats kwartetten, voetbalplaatjes, draaitollen ('kaptokken'). Oneindig veel strips — iets wat je op je negende rangschikt onder ‘boeken’, maar nu bijna even snel leest als je ze kunt doorbladeren. Bij meter amuseer ik me met een doos Romeinse soldaatjes of kijk ik naar F1 op tv. Mijn twee jaar als misdienaar gaan in. De familiebanden worden nauwer aangehaald dan nu. Dat komt door de bindende factor van meter, die op elke 'zaligen hoogdag' audiëntie hield bij haar thuis. Zeven zonen en dochters, hun partners, en een zoo vol joelende kleinkinderen.)

Met dertig vind je van jezelf dat je je beter kunt beheersen, dat je makkelijker genoegen schept in de aangename dingen van het leven, de meest eenvoudige dingen ook: binnenvallend zonlicht vind je mooi, het aluminiumbedrijf maakt je dag goed wanneer ze eindelijk de handgreep op de voordeur komen aanbrengen, je wordt ontroerd door de kat die spontaan op je schoot komt slapen. Die Bond Zonder Naam-achtige kleine voldoeningetjes had je niet voor mogelijk gehouden op je achttiende. Het hoeft allemaal niet zo wild en groots meer als toen je puber was. Achtergrondmuziek (soundtracks, zachte jazz) vind je niet langer melig of futloos, maar aangenaam geroezemoes, een behaaglijke muzikale omlijsting en accentuering van je huiselijke leven. Veel leeftijdsgenoten die als tiener en begin-twintiger fanatiek met muziek bezig waren, hebben daar door hun werk plotseling geen tijd meer voor. Dan wordt de platenverzameling op zolder gezet, netjes verpakt in gelabelde dozen, klaar om jarenlang iets meer aangeraakt te worden. De hele jongerendecadentie op tv begint je op de zenuwen te werken.

(1987. Boeken worden gepubliceerd die ik in een verre toekomst, tien à vijftien jaar later, zal lezen. Een heilige van de horlogerie, W.F. Hermans. De pupil, Harry Mulisch. Vertalingen van Patrick Süskind (De duif), Georges Bataille (Het oog) en Ernest Hemingway (De hof van Eden). Claus brengt twee dichtbundels uit: Sonnetten en De sporen.)

Bovenal is er het besef dat je niet meer tot de jongste generatie behoort. De typische adolescenten-illusie dat de tijd tot stilstand is gekomen is rondom je persoontje, verdampt langzaam. Je bent minder ontvankelijk bent geworden voor trends en hypes. Iedereen spreekt je aan met 'meneer'. Je interesses hebben zich verbreed, zijn grote menseninteresses geworden die je een gevoel van zelfvertrouwen geven. Over steeds meer dingen kan je met autoriteit spreken. Je hebt al aardig wat gereisd, meer plekken zijn geladen met herinneringen en die worden steeds belangrijker voor je. Op je dertigste ben je een stuk beter in weetjesquizen dan op je achttiende. Eenvoudigweg omdat je al langer op de aardbol rondloopt. Alles komt terug, en die eeuwige wederkeer zorgt ervoor dat kennis van data, feiten, namen steeds dieper in je geheugen zit verankerd. Je referentiekader wordt groter, en dat maakt het makkelijk alle schijnbare nieuwigheden die je op je pad treft te plaatsen. Iedere dertigjarige heeft al meer sterfgevallen meegemaakt in zijn naaste omgeving dan hem lief is. Het bezorgt hem zicht op de sterfelijkheid van zijn ouders.

(1987. De ivoorsnavelspecht sterft uit. De Campephilus principalis was de grootste specht van Noord-Amerika. Hij leefde aan de golfkust van de Verenigde Staten maar is daar sinds het midden van de twintigste eeuw niet meer waargenomen. Er was ook een populatie ivoorsnavelspechten op Cuba, maar ook daar is hij sinds 1987 niet meer opgemerkt. Oorzaak van het teloorgaan van de soort is het verlies aan geschikte leefgebieden met veel oud en vermolmd hout.)

Dertig jaar, dat is meer dan een kwarteeuw. Opeens lijkt die tweeduizend jaar geschiedenis na Christus een stuk minder lang. Vroeger had je zonder meer aangenomen dat de wereld in 1507 — ik zeg maar wat — niet veel verschilde van de wereld vijftien jaar later, in 1522. Dat trek je nu in twijfel. Simultaan met het ontzag voor duur is het inzicht in de ongeschreven wetten van het leven. Na je vijfentwintigste stel je vast dat de wereld een stuk minder maakbaar is dan je op je achttiende wel had gewild. Je kan het leven niet zomaar naar je hand zetten. Iemand die intelligent is, schopt het ver. Beschik je over de juiste middelen, dan schop je het verder. Loop over van energie en doorzettingsvermogen en je komt nóg een heel stuk verder. Krijg je daarenboven nog eens de juiste kansen, omwille van je afkomst, of omdat je op het juiste moment op de juiste plek was, en je maakt het helemaal. De carrièrepiramide blijkt kortom maar ten dele democratisch. Iemand die zoals ik uit een arbeidersgezin komt, zal het een stuk minder vanzelfsprekend vinden om bijvoorbeeld een eigen firma op te richten dan iemand die uit een middenstandersgezin komt. Die harde statistische waarheid leer je pas kennen wanneer het half te laat is.

Pakweg vanaf je vijfentwintigste raakt je krediet langzaam op, en op je dertigste schreeuwt de hele wereld je toe: ‘Toon nu maar eens wat je kunt.’ Op je dertigste maak je voor het eerst de afrekening van jezelf. Eens dertig geworden, heb je geen excuus meer en moet je al een paar verwezenlijkingen kunnen voorleggen. De lifestyle-magazines versterken dat gevoel maar al te graag en slaan je om de oren met artikelen over dertigers die (nog) iets willen maken van hun leven. Je schrikt van de verwezenlijkingen van beroemde mensen uit de geschiedenis. Niet de echte wonderkinderen, zoals Mozart, maar de succesvolle twintigers. Na je tweeëntwintigste, wanneer eenieders talenten gerijpt zijn, wordt de concurrentie eerlijk. Dan behoort in theorie alles voor iedereen tot de mogelijkheden.

(Op zijn negenentwintigste vindt Alexander Graham Bell de telefoon uit. Op zijn achtentwintigste herovert Napoleon Egypte; hij voert het bevel over 250 transportschepen, 35 oorlogsschepen, 38.000 manschappen, 1200 paarden en 171 kanonnen. Op zijn zevenentwintigste stikt Jimi Hendrix in zijn eigen braaksel. Op zijn zesentwintigste wint Orson Welles een Oscar met Citizen Kane. Op zijn vijfentwintigste sterft John Keats, wiens werk tot de beste Engelse poëzie ooit wordt gerekend. Op zijn vierentwintigste schiet Lee Harvey Oswald president Kennedy dood. Op zijn drieëntwintigste ontwikkelt Newton zijn kleurentheorie, het integraalrekenenen en de algemene wet van de zwaartekracht. Op zijn tweeëntwintigste sterft Buddy Holly, een van de pioniers van de rock ’n roll. Op zijn eenentwintigste wordt Yves Saint-Laurent directeur van het modehuis Dior. Op zijn twintigste vindt Samuel Colt het naar hem genoemde vuurwapen uit. Op zijn twintigste zegt Arthur Rimbaud, de grootste vernieuwer van de Franse poëzie, nooit meer een literaire tekst te zullen schrijven. Op haar negentiende wordt nationale heldin Jeanne d’Arc op de brandstapel gezet. Op haar achttiende schrijft Françoise Sagan het meesterlijke Bonjour tristesse.)

Flashbacks
Waar ik eigenlijk naartoe wou: de roman Dertig! van Mike Gayle heeft me nuttige diensten bewezen toen ik mijn brief schreef. Gayle zwengelde mijn gedachten aan over ouder worden en formuleerde gevoelens waar ik ook mee zat een stuk scherper dan ik zelf had gekund.

Dat was best verrassend voor een boek waarvan alleen de titel me had verleid. Gayle, een zwarte Londenaar, bedrijft al tien boeken lang een soort chicklit voor venten: geestige, herkenbare boeken voor lezers tussen de twintig en dertig jaar zonder veel literaire bagage. De verhalen gaan dikwijls over de problemen van alleenstaande mannen uit de grote stad met een interessante baan en een levendige belangstelling voor seksualiteit.

Zo ook in Dertig! Matt Beckford is een knappe man die het troosteloze Birmingham van zijn jeugd achter zich heeft gelaten en nu carrière maakt in New York als computerdeskundige. Zijn dertigste verjaardag ziet hij met vertrouwen tegemoet: zijn financiën, zijn baan en zijn liefdesleven met de mooie Elaine zijn op orde. Maar dan zet zijn vriendin een punt achter hun relatie.

Ik begreep er niets van. ‘Wat kun je niet langer voor je houden?’
‘Dit,’ zei ze uitdrukkingsloos. ‘Jij. Ik. Wij. Ik… ik… ik denk niet dat ik nog van je houd. Zo, ik heb het gezegd. Nu mag je me haten.’ Tot Elaines ontzetting gaf ik toe aan een onbeheersbare behoefte om te lachen. ‘Lach je me uit?’ vroeg ze, terwijl ze me strak aanstaarde.
‘Ik weet dat je zult denken dat ik dit alleen zeg om het je betaald te zetten,’ zei ik, terwijl ik haar blik doorstond, ‘maar de waarheid is dat ik precies hetzelfde voel.’
En met de griezelige symmetrie die stellen vaak ontwikkelen als ze zoveel tijd met elkaar hebben doorgebracht dat ze het idee hebben dat ze de ander zijn, barstten we in lachen uit en fluisterden toen tegelijkertijd: ‘Wat een opluchting.’
Diep vanbinnen is Matt natuurlijk niet gelukkig met de hele situatie, maar de pijn wordt snel verzacht door het uitzicht op nieuwe carrièremogelijkheden in Australië. Om helemaal op te knappen spendeert Matt de paar maanden voor hij naar Down Under afreist in Engeland, bij zijn ouders. Hij begint wat met zijn vroegere vriendinnetje Ginny, zoekt zijn oude vrienden op en zal uiteindelijk zijn dertigste verjaardag vieren tijdens een klasreünie. Daarna gaat het naar Australië. End of story.

Dertig! is moeilijk om door te komen. De schriftuur van Gayle is die van de betere lifestyle-column. Het leest allemaal lekker weg, maar er blijft weinig hangen. Het boek telt ook veel te veel pagina's voor zo'n dun verhaal. Het gaat Gayle duidelijk niet om de spankracht van de literatuur, maar om het wollen deken-gevoel van de genrefictie: de wetten van het genre zijn bekend en goedgekeurd door de lezer, dus mag de gezelligheid eeuwig blijven duren. Heel knus in dit soort boeken is bijvoorbeeld de prullaria-cultuur. Er wordt bij Gayle minder geshopt dan in tradtionele chicklit, maar kledij en persoonlijke spulletjes spelen een belangrijke rol.
Mijn la met ondergoed is niet langer mijn persoonlijke wapenuitrusting voor de verleidingsoorlog. Het is tegenwoordig een veilige haven; vredig, rustig en warm. Ik hou van mijn grote onderbroeken. Ik had een la met ondergoed dat zo sexy was dat ik hartkloppingen kreeg als ik hem alleen maar opendeed. Nu heb ik de ondergoedla van een oma. Praktisch, praktisch, praktisch.
Maar goed. Wat mij in Dertig! interesseerde waren niet de stijl, of het verhaal, maar de flashbacks. Een paar keer laat Gayle zijn held de balans opmaken van zijn leven, en tussen de dikke lagen schuimige humor vielen dikwijls alinea's te rapporteren die mij raakten, omdat ze zo schrijnen. Matt zoekt immers de ankerpunten van zijn vroegere Engelse leven op, maar tien jaar tussentijd laat zich niet uitvlakken.

Over toekomstdromen:
De namen die hij noemde was ik allang vergeten. Zoals Peter Whittacker (toen: de jongen die het meest in aanmerking kwam om een professionele atleet te worden — nu: verkoopadministrateur bij een bedrijf in dubbele beglazing), Gema Piper (toen: het meisje dat het meest in aanmerking kwam om naar Oxford te gaan en de nieuwe Kenneth Branagh te worden — nu: gesignaleerd in een wasmiddelenreclame op televisie), Lucy Dunn (toen: het meisje dat het meest in aanmerking kwam om haar leven lang ‘aardig maar saai’ te blijven — nu: een radioproducer bij het BBC-programma Pebble Mill) en Chris Adams (toen: de jongen die altijd een urinelucht om zich heen had hangen — nu: chef in een winkel met natuurlijke voeding).
Over uitgaan:
Het smaakvolle veloursbehang vol nicotinevlekken probeerde uit alle macht te overleven, net als het grootste gedeelte van het personeel. Sinds mijn laatste bezoek was er een terras bijgekomen en hadden de toiletten een grote opknapbeurt gehad. Toch wisten ze hier nog steeds de warmte van een echte Engelse pub vast te houden: het was een plek om achterover te leunen, te relaxen en met vrienden te praten, wat heel wat prettiger was dan doodgeranseld worden door flitsende verlichting en ononderbroken muziek van de hitlijsten. In New York wilde Elaine me altijd meeslepen naar het soort drinkgelegenheden waar zij en haar wij-werken-in-de-reclame-collega’s kwamen, wat altijd belachelijk moeilijk te vinden bars waren met te duur bier in flesjes, te harde muziek en te weinig zitplaatsen. Mijn knieën deden al pijn als ik er alleen maar aan dacht.
Over zijn oude school:
Wonderlijk genoeg voelde ik me gedwongen een bezoek aan de jongenstoiletten te brengen, alleen al om te herinneren hoe walgelijk ze toen waren. Ik was verbaasd en behoorlijk geschokt toen ik zag dat ze nog net zo waren als in mijn herinnering; grafitti op de deuren, mysterieuze brandplekken op de muren en op het plafond boven mijn hoofd een laag van twintig tot dertig jaar naar boven geschoten propjes toiletpapier. Maar op andere plekken was er veel veranderd. Ik ontdekte dat de vroegere afdeling Engels op de derde verdieping nu blijkbaar de afdeling aardrijkskunde was. De vroegere afdeling aardrijkskunde op de tweede verdieping was nu de nieuwe afdeling bedrijfskundige opleidingen. De afdeling geschiedenis was nu de afdeling wiskunde en waar het vroegere lokaal voor bijbel- en muziekles naartoe was verhuisd, was een raadsel. Ik eindigde mijn wandeling door de school bij de kunstafdeling en zocht het lokaal. De deur was op slot en ik gluurde naar binnen door de ramen van draadglas.
Over gewoontes die beginnen in te slijten:
Het was alsof ik op mijn negentiende een enorme enquête over het leven had ingevuld, waarvan de resultaten na mijn zevenentwintigste verjaardag bekend waren geworden. Plotseling vielen de puzzelstukjes op hun plaats en was het leven niet zo compliceerd meer. Eindelijk wist ik wat ik wel en wat ik niet wilde en daar hield ik streng aan vast. Favoriet Indiaans eten: kip Tikka Massala, favoriete televisieprogramma's: nieuws, sciencefictionfilms, komische televisieseries en herhalingen van alles wat ik in de jaren zeventig en tachtig had gezien. Favoriete muziek: zangeressen/liedjesschrijfsters, muziek uit de jaren zeventig en tachtig en alles waar ik als student naar luisterde. Ik had al zes jaar precies hetzelfde kapsel (rondom kort) en ik had drie exact dezelfde spijkerbroeken omdat ik bang was dat Levi’s ergens in de toekomst zou stoppen met de productie van dit type. Ik kende mezelf, ik wist precies wat ik van het leven wilde en ik was gelukkig.
Dat betekende niet dat ik niet van nieuwe dingen hield. Want dat deed ik wel. Wat ik bedoelde was dat de nieuwe dingen die ik in mijn leven binnenliet grotendeels variaties waren op de oude dingen die al in mijn leven aanwezig waren — variaties op een erg strikt thema. Elaine [tweeëntwintig jaar, AvdB] vond het krankzinnig dat deze status-quo me zo gelukkig maakte, maar ik legde haar uit dat het leven is bedoeld om van je fouten te leren en niet om te proberen er een paar nieuwe bij te maken. Dus na een rampzalige flirt met pastelkleuren, beige en zelfs geel, besloot ik uiteindelijk dat donkerblauwe en zwarte kleding mijn kleurkeuze was voor het leven. Al snel ontdekte ik dat je er nauwelijks vlekken op zag en dat ik bijna alles wat ik bezat bij elkaar in de wasmachine kon stoppen, zonder dat ik bang hoefde te zijn dat de kleuren doorliepen. Ik hou van oud. Getest en in orde bevonden.
Over zijn ouders:
Ik weet dat het een beetje hard klinkt, maar denk eens na. Je houdt verschrikkelijk veel van je ouders, ze hebben je op deze wereld gezet, ze geven je alles wat je nodig hebt en ze zijn normaal gesproken aardig tegen je. Maar diezelfde mensen, de mensen die al deze geweldige dingen hebben gedaan, weten dat hun vroegere goedheid tegenover jou ze Macht geeft: de Macht om je op stang te jagen zoals niemand anders dat kan, de Macht om elk knopje op te sporen dat je verborgen houdt voor de buitenwereld; en de Macht om ze allemaal tegelijk in te drukken zodat je gegarandeerd tot razernij wordt gebracht, ogenschijnlijk door iets heel onnozels. Ouders weten precies wat ze doen. Het is een sport voor ze, iets om zich mee bezig te houden als ze zich vervelen. En op de dag dat het je kinderen ergeren tot op de grenzen van de waanzin van het volkslied het podium opstappen om haar gouden medaille in ontvangst te nemen.
Over het burgerlijke huishouden:
Als je op je dertigste een pak melk openmaakt, koop je een nieuw pak — en probeer je daar niet aan te ontkomen door een paar druppels na te laten; na gebruik maak je het bad direct schoon met de middelen die daarvoor bedoeld zijn — en dat betekent dat snel afnemen met een natte handdoek niet genoeg is; je leent geen sekse-afhankelijke scheerapparaten zonder uitdrukkelijke toestemming. Deze set nieuwe regels maakt het leven vreemd behaaglijk en helpt de scherpe kantjes van de mindere momenten in het leven te polijsten.
Over verloren onschuld:
Om een echt verlies te voelen moet er een groot, diep gat in je leven geslagen zijn. Een gat dat zo groot is dat wat je er ook in gooit, waarmee je het ook probeert te vullen, het nog steeds een enorme leegte is. Toen jullie vrienden waren en met elkaar omgingen en elkaar elke dag zagen, zou hij een leegte achtergelaten hebben en zou je meer voelen. Maar de realiteit is dat jullie allang niet meer zo’n vriendschap hadden. Wat niet uitmaakt, dat gebeurt voortdurend. Het enige nare daaraan is dat als zoiets als dit gebeurt, je de persoon die je kwijt bent niet mist omdat je al lang geleden over zijn gemis heen was. Wat jij mist is de leegte die hij achter had moeten laten.
Typisch voor dit genre is het grote zelfbewustzijn van de personages in combinatie met de onmogelijkheid om boven de eigen persoonlijkheid uit te komen. Dat resulteert dan in neurotische lijstjes en sarcastisch commentaar ("Dagen tot aan mijn dertigste verjaardag: 81; Gemoedstoestand: Kan ermee door, geloof ik").

Het leven doet de personages van Gayle denken aan een soapserie, in plaats van omgekeerd. Ze grijpen zelfs terug naar de scenario's van soapseries om te weten hoe het verder moet: "Misschien moeten we een paar betere tekstschrijvers inhuren."

(Gebaseerd op notities van 1 november 2004.)

Mike Gayle, Dertig!
357 p.
Uitgeverij Sirene, 2004
Oorspr. Turning thirty (2000)
Vertaald door Corry van Bree

____

zondag 30 januari 2011

Gespot op blogspot dot com [23]

Bibliophilia Obscura ['books I consider obscure, but have huge underground followings']
> http://makifat.blogspot.com/

The Virtuosi ['a physics blog written by a bunch of graduate students out of Cornell']
> http://thevirtuosi.blogspot.com/

Free Listens ['reviews of free audiobooks and audio stories']
> http://freelistens.blogspot.com/

____

vrijdag 28 januari 2011

De eieren der Rampp-spoed - Michail Boelgakov

Vóór hij De meester en Margarita concipieerde, schreef Boelgakov enkele kortere werken, waaronder de SF-verhalen De eieren der Rampp-spoed en Hondenhart. Dat is niet zonder belang. De eieren der Rampps-spoed (1925) zou zijn enige boek worden dat heelhuids door de censuur raakte. Toen het na verschijnen toch in een kwaad daglicht werd gesteld door bolsjewistische critici die er, terecht, een kritiek in zagen op het Sovjetbewind, werd het alsnog verboden.

Zo komt het dat De meester en Margarita in de Sovjet-Unie tot midden jaren zestig enkel ondergronds te verkrijgen was, daarna tot midden jaren zeventig in een gecensureerde versie. Michail Boelgakov (1891-1940) was een gevaarlijke schrijver geworden.

De eieren der Rampp-spoed en Hondenhart draaien allebei rond wetenschappers wier wonderbaarlijke ontdekking wordt opgevorderd door het staatsapparaat. In Hondenhart slaagt een topchirurg er per toeval in een homunculus te creeëren. Daarop wordt hij bewerkt door een partijideoloog die zijn kans schoon ziet een doorkneedbaar ras van proletariërs aan te maken. In De eieren der Rampp-spoed vindt een bioloog een middeltje om levende organismen in ijltempo te laten groeien en te reproduceren. Ook bij hem is er een bureaucraat die zich van die vinding bedient, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Achteraan dit 'Kattegatboek' legt vertaler Marko Fondse het verschil uit tussen beide verhalen. Waar in Hondenhart (ook 1925) de wetenschapper voldoende humane trekjes en realiteitszin bezit, en zich niet zomaar wenst te lenen voor eugenetische foefjes, hebben we in De eieren te maken met een vakidioot die via een telefoontje makkelijk te intimideren valt en, wat erger is, met de omhooggevallen carrièrist Rampp die vooral aan zijn eigen positie denkt.

De twee boeken hekelen het onvoorwaardelijke geloof in de technische vooruitgang van vele communistische bonzen. Nieuwe technologie werd dikwijls geïmplementeerd zonder dat men goed wist welke consequenties er aan verbonden waren. Fondse vermeldt zijn naam niet, maar de vertellingen van Boelgakov krijgen iets visionairs als men de activiteiten van Trofim Lysenko voor ogen houdt: de foutieve Lamarckistische ideeën over erfelijkheid van deze Lysenko, die goed aansloten bij het marxistische gedachtegoed, bezorgden hem na 1945 een zeer grote politieke invloed onder Stalin — en de Sovjet-Unie een grote landbouwkundige achterstand.

Het verhaal van De eieren der Rampp-spoed is wel aardig. Hoofdpersoon is de al wat oudere, excentrieke zoöloog Persikov, een amfibiënspecialist. Boelgakov flirt met wat sinds H.G. Wells (The food of the Gods, een boek waar in De eieren wordt naar verwezen) een huizenhoog cliché is geworden: de mad scientist die ingrijpt in de natuur maar door zijn onoplettendheid monsters baart. Bovendien speelt het in op een van de oerbeelden die mensen hebben van wetenschappers: de wetenschapper als gevaar, want wegbereider voor onethische praktijken.

Persikov wil juist zijn microscoop verstellen omdat een rood lichtspiraaltje hem hindert bij de bestudering van een amoebenpreparaat, als zijn assistent hem wegroept. Als Persikov terugkeert zijn onder invloed van dat straaltje de amoeben angstaanjagend snel gegroeid. Ze planten zich ook als razenden voort en staan uiterst agressief ten opzichte van elkaar. Samen met zijn assistent bouwt Persikov daarna een aantal camera’s waarin dit rode straalspiraaltje sterk vergroot opgewekt kan worden, voor nadere experimenten.

Uit Königsberg kwamen per luchtpost speciaal bestelde lenzen en eind juli monteerden onder toezicht van Ivanov een aantal mecaniciens twee grote nieuwe camera’s, waarin de straal aan de basis de breedte van een sigarettendoosje en aan het einde een hele meter bereikte. Persikov wreef vergenoegd de handen en begon voorbereiding te treffen voor een reeks geheimzinnige en ingewikkelde proeven. Allereerst had hij een telefonisch onderhoud met de volkscommissaris van OK&W, waarbij de hoorn hem alle denkbare welwillende medewerking toekwekte, en daarna belde Persikov kameraad Spekinski-Varga, hoofd van de afdeling veeteelt der opperste staatscommissie. Persikov mocht zich in Varga’s warmste belangstelling verheugen. Het ging voor een grote buitenlandse order voor professor Persikov.
Het werkt. De kikkers die als proefdieren gebruikt worden, kweken als konijnen en worden zo groot als katten. Wanneer dit journalisten ter ore komt, en ook de GPU, de geheime dienst, er lucht van krijgt, is er geen houden meer aan. Op hetzelfde moment wordt het land immers getroffen door massale kippensterfte en de dubieuze ondernemer Alexandr Rampp (Rokk in het origineel, Russisch voor 'ramp', 'noodlot') krijgt officiële toestemming om Persikovs uitvinding te gebruiken om de kippenpopulatie te herstellen. Boelgakov geeft een heerlijke beschrijving van deze Rampp — ex-muzikant en het typevoorbeeld van de na 1917 omhooggevallen apparatsjik.
Lange tijd werd hij door de golven heen en weer geslingerd, beurtelings aan wal geworpen op de Krim, in Moskou, Toerkestan en zelfs Vladivostok. Er moest namelijk een revolutie komen om Alekandr Semjonovitsj z'n kwaliteiten aan het licht te brengen. Toen bleek dat deze man waarlijk groot en de foyer der 'Dromen' hem onwaardig was.
Rampp wordt aangesteld als directeur van de staatsmodelboerderij “Rode Straal”. Maar er loopt van alles mis: de kippeneieren raken verwisseld met de reptieleneieren die door Persikov voor andere doeleinden zijn besteld. Na bestraling komen er slangen en krokodillen uit de eieren die in geen tijd monsterachtige proporties aannemen, zich razendsnel voortplanten en de Sovjetburgers van een paar districten te grazen nemen. Boelgakov, van huis uit arts, houdt van het groezelige detail en Fondse heeft verlekkerd zitten vertalen.
De hele broeikas was één levende wormenbrij. Over de vloer van de kas schuifelde een ineenkrimpende en uitdijende slangenklont van sissende kluwens met rondtastend wiegelende, wriemelende koppen. Gebroken eierschalen slingerden over de vloer en knisterden onder hun lijven. Bovenin gloorde bleek een elektrische bol van reusachtige capaciteit die de hele kas in een angstaanjagende bioscoopverlichting zette.
Literatuurvorsers denken dat het feit dat Boelgakov de slangen uit 'vreemde' eieren laat komen, hem aanvankelijk door de censuur heeft geholpen, daar men de eieren als symbolen zag van buitenlandse inmenging waar de Sovjet-Unie zich moest tegen wapenen. Later zag men in dat Boelgakov de slangen expres liet stoppen aan de grenzen van het Sovjet-rijk, zodat men het verhaal onmogelijk niet kon zien als een kritiek. Persikov vertoont ook verdacht veel gelijkenissen met Lenin (zijn voornaam Vladimir, de talenkennis, de leeftijd) en je hoeft geen close reader te zijn om in de rode straal de allespenetrerende werking van de Sovjet-ideologie te zien.

Voor de moderne lezer, platgebombardeerd door blockbusters uit Hollywood, heeft De eieren van de Rampp-spoed iets folkloristisch. De humor — Rampp is een voormalig fluitspeler die met zijn muziek per ongeluk de slangen ontketent — is behoorlijk bête. Ik genoot vooral van de taal, zeker wanneer Boelgakov even voor het einde al zijn duivels ontbindt.

De finale stelt teleur, zoals ook het einde van The war of the worlds teleurstelt.

(Gebaseerd op notities van 30 juni 2005.)

Michail Boelgakov, De eieren der Rampp-spoed
121 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1970
Oorspr. Rokovije jajca (1925)
Vertaald door Marko Fondse

____

donderdag 27 januari 2011

Gevel-decoratie

Ik lees nooit gedichten op gevels, omdat het voor mij in eerste instantie een raadsel is wat ze daar staan te doen. Ze staan los van de andere discoursen in het straatbeeld. In plaats van de codes van de straat te stelen (zoals Barthes zei), schrijven ze zich in in de code van de gevel-decoratie. Het LED-bericht van Jenny Holzer op Times Square daarentegen (Protect me from what I want) functioneerde wel in die stedelijke omgeving. Het gebruikte de techniek van Times Square en de retoriek van het aforisme op een manier die perfect aansloot bij de dominante codes van Times Square en ze zo — heel even — uit balans bracht. Het ene moment was het daar, en het andere moment was het weer weg. We weten alleen dat het er ooit heeft gestaan, omdat er foto's van zijn overgebleven. De moralistische dimensie ervan is pas ontstaan door de foto, door de archivering. Voor mij was de tijdelijke verschijning van dat 'truism' veel meer poëzie dan een gedicht op een gevel van een café, wat veel meer tot de categorie van de Kiekeboe-gevelschildering of het grote Wafelenbakfries van Nero op de muur van de O.B. van Sint-Niklaas behoort.

Dirk van Bastelaere, in een reactie op dit stuk op nY

____

woensdag 26 januari 2011

Ik ben niets veranderd - J.J. Peereboom

Televisie is een medium dat schreeuwt om actie. Niemand kan minutenlang naar een stilstaand beeld kijken. Ook in biografieën houden we graag van afwisseling. Begin- en eindpunt zijn niet eens van belang, als we maar iemand zien evolueren. Roddelbladen werken, op hun manier, volgens hetzelfde principe: sterren worden gretig gelanceerd, om ze drie jaar later mooi van hun sokkel te kunnen schieten. In dagboeken mag het allemaal wat monotoner.

J.J. Peereboom was anglicist aan de Universiteit van Amsterdam en recensent voor, onder meer, NRC Handelsblad. Van 1958 tot 1971 verbleef hij in Londen en van daaruit seinde hij stukken door over Engelse literatuur naar zijn vaderland (niet zijn moederland; zijn moeder was een Engelse). "Ik schreef vooral informatieve stukken over boeken waarvan ik dacht: dit moeten jullie in Nederland absoluut lezen," zal hij later over die periode zeggen.

Zijn literatuuropvattingen waren behoudsgezind. Hij vond dat een roman inzicht moest bieden in menselijke verstandhoudingen. Zijn hart, las ik in een memoriam, ging uit naar de Angry Young Men — Kingsley Amis, John Osborne, Alan Sillitoe — maar Peereboom nam het ook op voor Graham Greene, Iris Murdoch, A.S. Byatt, Peter Carey, Joyce Carol Oates, en William Trevor. Trots was hij op de manier waarop hij het werk van Joyce Cary had aanbevolen aan Nederlandse lezers.

Die belezenheid kon Peereboom goed verstoppen in zijn persoonlijke notities. Een copieus journaal is Ik ben niets veranderd überhaupt niet. De notities, een honderzestigtal, wat niet veel is voor een periode die een paar decennia bestrijkt (1958-1976), zijn naar Peerebooms woonplaatsen ingedeeld. Eerst het Italiaanse Cortona, dan Chelsea, Hampstead, Laren en Amsterdam, met een intermezzo in de Ardèche.

Het zijn de zorgvuldig opgetekende gedachten van een ietwat grijze conservatief. De Engels-Nederlandse roots zal er wel voor iets tussenzitten. Peereboom vertelt met smaak het verhaal van een Duitse theoloog die naar Leiden kwam om te doceren, maar in dat vlakke land geen metafysische gedachten kreeg.

Tussen de regels gaat Peereboom er prat op geen rekening te houden met de waan van de dag. In een andere bui vindt hij die hele 'nuchterheid' van hem net een vreselijk begrip, dat hij gelijkstelt met gebrek aan intelligentie en verbeeldingskracht: "wij zijn te ver buiten bereik van ontroering en vreugde en verwondering om ons ergens anders druk over te maken dan de openbare orde". Peereboom is 'n beetje een houten klaas, die zich kreunend en blazend overeind hijst uit zijn stoel; maar dat betekent niet dat zijn zoon, ondanks alle sociale vooroordelen, geen balletdanser mag worden (p. 41).

Avonturieren zit niet in zijn bloed. Al vroeg in het boek heeft Peereboom genoeg van het leven in Italië. Dus zou hij eigenlijk gewoon naar het station moeten gaan, dat van Terontola, op de lijn Rome-Milaan. Maar zoiets doet hij nooit, hij blijft altijd overal tot de afgesproken tijd.

In romans lees ik soms tot mijn verbazing van mensen die het ineens te veel wordt: zij stappen bruusk uit de laatste trein in een gemeente waar zij niemand kennen, of zij springen op, halverwege een gesprek, en zijn in een oogwenk uit het zicht. Het lijkt mij altijd lastig: andere afspraken lopen in de war, je moet telefoneren of zelfs schrijven om excuses te maken. Misschien is het in werkelijkheid veel eenvoudiger, en excuses kunnen zeker iets heel aardigs hebben. Het bezwaar van niet bewust onhebbelijke dingen doen is bovendien dat men zich gaat verbeelden altijd normaal te doen, en dus gelijk te hebben.
Verderop (p. 56) overwint hij dan toch zijn weerzin tegenover reizen, denkend aan de tijd van voor de industriële revolutie, toen mensen alleen boeken en hun denkvermogen hadden om perspectief en onvermoede vergezichten te onderscheiden.

Wat me erg aansprak in dit boek waren Peerebooms rustige constateringen dat er toch wel erg veel blijft zoals het is. Meer nog: dat de wereld na roerige tijden snel weer verder doet op oude voet. "Vijftien jaar later is alles weer bij het oude, alleen cultuurkenners zien na een lange studie van elkaars boeken het verschil." In het licht daarvan heeft het wel iets dat de stem in dit Privé-domein al die jaren alleen iets zegt als ze de behoefte voelt opkomen. Dat geeft die opmerkingen, hoe summier ook, meer gewicht. Zo schoot ik in de lach wanneer Peereboom in 1970 aantekent:
Sinds de Wrights zich van de grond verhieven met een machine zwaarder dan de lucht heb ik geen verrassing meer ondervonden. De atoombom kan desnoods in aanmerking genomen worden als een verrassing tweede klasse; wat dat geploeter naar de maan en terug betreft, dat haalt niet eens de derde.
Nieuwe trends zijn er natuurlijk altijd, maar de impact van die trends wijt Peereboom vooral aan de lippendienst van al die mensen die er een prettige baan aan ontlenen, of, "nog erger", een filosofie.
De ontwikkeling van de beschaving is voor de pure soldaat niet vriendelijk geweest. Naar moed en spierkracht is weinig vraag meer. Overal heeft het woord zich tussengedrongen, en de groep beheerders van het woord heeft zich dan ook geweldig uitgebreid. Behalve de priesters zijn er nu de schrijvers, de wetenschapsmannen, de toneelspelers, de journalisten en de reclame-agenten die er zich op toeleggen om de mensen te bewegen zonder ze aan te raken.
Onbedoeld geeft Peereboom daar een prachtige illustratie van, wanneer hij in 1975 de onheilspartijen aanhaalt die luid roepen dat de volgende ijstijd misschien eerder komt dan het leek. Men dacht dus vijfendertig jaar gelden dat het snel kouder ging worden — niet warmer, zoals nu.

Veel cultuurpessimisme komt domweg voort uit het verglijden van de jaren. Gemopper en geklaag kan ook een verdedigingsreflex zijn. Het aanpassingsvermogen van de mens is niet oneindig rekbaar. Peereboom stelt vast dat mensen die in pakweg 1910 geboren zijn, "en dus de Eerste Wereldoorlog hebben meegemaakt, de terreur van Stalin, van de Grote Depressie, de terreur van Hitler, de Tweede Wereldoorlog, de atoombom, de dekolonisatie, de bevolkingsexplosie, de luchtvaart, de luchtvervuiling, de democratisering, de seksualisering en de televisering", toch klagen over de "krankzinnige wereld van de laatste tijd".

Bertrand Russell merkte ongeveer hetzelfde op. Wat zedenprekers meestal bekampen is maatschappelijke verandering — verandering ten opzichte van de toestand toen ze geboren werden. Lao-Tze was fel gekant tegen de aanleg van wegen, tegen paard en kar, tegen boten. Toen Flaubert geboren werd, waren al deze zaken al de gewoonste zaak van de wereld. Maar hij had dan weer een hekel aan spoorwegen.

De voornaamste bestanddelen van onze soort blijven dezelfde. Nog belangrijker dan die vaststelling is dat die natuurelementen ernstig genomen moeten worden. Peereboom knikt goedkeurend bij een boek van Anthony Storr, Human aggression. De keerzijde van die gedachte is dat we best wat meer appreciatie mogen opbrengen voor de dingen die zijn wat zij zijn. Een kwartiertje denken aan een volgende oorlog, zegt Peereboom, aan explosie, branden, ruïnes, ontvolkte landen, ontmenselijke kinderen, is een heilzaam recept voor acute onlustgevoelens. De gezapigheid moet in ere hersteld worden.
C.G. zat hier gisteren te betogen in de trant van ‘de Russen worden natuurlijk gesteund door een geweldige overtuiging, dat is toch een betere toestand dan bij ons, waar iedereen maar zo’n beetje doet, en niemand weet wat hij eigenlijk wil’. Ik stelde er geduldig tegenover dat niet weten wat zij eigenlijk willen de ware staat is van mensen die aan hun eerste behoeften voldaan hebben, en dat alleen een behoefte aan bedriegerij vervuld kan worden door een overheid die gaat opgeven wat het dan wel is.
De woelige jaren zestig ziet Peereboom dan ook met enige meewarigheid aan. Grote idealen heeft hij niet, "alleen voordelen", en hij staat zeer wantrouwig tegen idealisten die het beste voorhebben met de hele mensheid. "A tree, a rock, a cloud, zei de man in het verhaal van Carson McCullers tegen het jongetje in het café: die moet je eerst leren liefhebben, en vandaar je opwerken tot mensen."
november 1965. — Irritante frasen van de tijd: ‘In onze materialistische wereld’ — vergeleken bij welke wereld waar het niet de eerste zorg was van de mensen om zich materieel in stand te houden, en de tweede om zich een zo groot mogelijk aandeel te verschaffen in wat er beschikbaar was boven het levensminimum? Het zou beter zijn om van ‘onze welvoorziene wereld’ te spreken; en al die kijkers bij hun televisietoestellen, die zijn in ieder geval niet bezig met de behartiging van hun materiële welzijn.
Ergers nog: ‘the dilemma of modern man in a world without God’, dat ik weer tegenkwam in een lezenswaardig boek: Robert Brustein, The theatre of revolt. Wat is dat voor een dilemma? Toch naar de kerk gaan of zelfmoord plegen? Wij kunnen het vervangen door agony of despair, of gewoon zinloosheid, dan laat de frase zich tenminste beoordelen. De wereld is helemaal niet zonder God, die integendeel beschikbaar is in allerlei variëteiten, te veel om op te noemen, en wie er een wil omhelzen is verzekerd van geloofsgenoten van alle intelligentiequotiënten. Nee, dat is voor meneer niet goed genoeg, in die variëteiten kan hij toevallig niet echt geloven. Het is mij best, zo niet dan niet: maar het is ondoenlijk om god aan alle individuele smaken aan te passen. Het komt mij voor dat de behoefte aan God verward wordt met de behoefte om ons onafgebroken prettig te voelen. Wij voelen ons lang niet altijd prettig; in plaats van daar rondborstig over te klagen, kunnen wij proberen het publiek te imponeren door over de dood van God te spreken.
Het is een wonder dat die gezwollenheid weer grif wordt opgenomen in de cultuurtaal. Een wonder: is dat niet iets voor u?
De voornoemde Bertrand Russell figureert zelfs nog even in deze notities. Achtentachtig jaar oud is hij in 1961, en hij protesteert met duizenden voorstanders van eenzijdige kernontwapening voor het Ministerie van Defensie. Het lijkt burgerlijke ongehoorzaamheid, maar Peereboom citeert met instemming een ingezonden brief in de New Statesman: alles was netjes met de politie geregeld. "De mensheid stond op het punt zichzelf te vernietigen, daarom hebben wij met de politie afgesproken dat wij twee-en-een-half uur op straat zouden gaan zitten."

Intellectuelen zijn niet per se achtenswaardige mensen, vindt Peereboom. In de eerste plaats zijn ze slachtoffers van hun eigen onrust en eigenwijsheid. "Vervolgens kunnen zij plezier krijgen in de ontdekkingen die zij doen, maar ik zie niet dat mensen die voor hun eigen rekening proberen te praten over het algemeen levenslustiger zijn dan zij die gewoon anderen nadoen." Een overtuiging is meer een kwaal dan een kracht, in de ogen van Peereboom. Het ziekelijke zit gewoonlijk niet in de ideeën zelf die denkers aanhangen, want die zijn achtenswaardig, alleen in de continuïteit ervan. In absolute toepassing pakken alle overtuigingen verkeerd uit. "Men moordt voor de liefde, men maakt kapen voor de vrijheid, men vervalst zich voor een moraal."

Peereboom is de eerste om ook zijn eigen abstracte ideeën te relativeren. Ergens heeft de auteur het over het rare verlangen die ongelezen boeken kunnen opwekken, en de teleurstelling die op dat gevoel volgt, eens de boeken gelezen zijn. Of ze bevatten niets interessants, of ze doen dat wel, maar dan wordt het plezier bedorven door de gedachte dat je alles na een week vergeten zal zijn. Maar dat is ook weer niet erg: "Pas als de geest dood is," staat er een paar bladzijden verder, "voel je dat je met twee benen in de maatschappij staat". Er gaat genoeg bekoring en wijsheid uit van de oppervlakte.
Om de gangbare tegenstelling van diep en oppervlakkig behalve in schrijven ook in conversatie te vermijden, moet ik soms midden in een zin pauzeren, totdat zich een ander woord aanbiedt; ik heb mij al bij herhaling afgevraagd of het eigenlijk maar een pose is. Bij nader onderzoek blijkt dat toch niet zo te zijn. Dat wij een werkelijkheid onder de oppervlakte hebben te zoeken, bij ons zelf of andere verschijnselen, wil er bij mij niet in. De werkelijkheid wordt oppervlakkig waargenomen of zij wordt vervalst. Er blijft altijd een willekeur in het gebruik van die ruimtelijke termen, maar bij mij tenminste is oppervlakte een betere aanduiding dan diepte voor de verblijfplaats van mijn stiekeme en onvermoede behoeften, onvervulde persoonlijkheid en oude vrezen. Een heel stuk van mijn leven heb ik verspild met in mijn duistere zelf te zoeken naar ophelderingen; er kwam er nooit een.
Dat de elementen van de werkelijkheid, bij onszelf of in de buitenwereld, moeilijk te vatten zijn komt niet doordat zij zich onder elkaar verbergen, maar door hun grote hoeveelheid en hun vluchtigheid. Wat er desnoods in de diepte gesitueerd kan worden, zijn alleen theorieën en beginselen: geld maakt niet gelukkig, de mensen zijn gelijk, wij zoeken een zin in het leven — al die halve waarheden, half in de zin dat zij zelf en hun tegendelen allebei in zekere mate waar zijn. In een grafiek van een levensopvatting kan men zich die ideeën voorstellen gerangschikt onder de ervaringsfeiten waar zij aan ontleend zijn, en hoe meer zij er in aanmerking nemen, hoe dieper — als het papier anders ligt worden zij natuurlijk juist hoger.
Wat ik hiermee probeer te verduidelijken is waarom diepzinnigheid futiel is op zichzelf. De werkelijkheid waar de ideeën model in brengen moet aan de oppervlakte herkend worden, en het lijkt mij op het ogenblik dat dat het moeilijkste deel van het werk is: de kunst is niet om zo gauw mogelijk de duik naar de diepte te maken, maar om hem zo lang mogelijk uit te stellen.
Vreemd voor iemand die meer dan duizend recensies heeft afgescheiden, is het gebrek aan literatuur in Ik ben niets veranderd. Een handvol boektitels heb ik genoteerd, niet meer. Misschien bewaarde Peereboom zijn journalen liever voor de gedachten die eens niet door lectuur waren ingegeven, dat kan. Ergens wordt het verschil tussen Engelse en Hollandse literatuur uitgelegd (p. 21), en het verschil tussen de toneelstukken van Pinter en Ionesco (p. 33). Peereboom was een theaterbezoeker die afkerig was van declamatie, en wilde "dat iedereen gewoon stond of hing en de woorden uit zijn mond liet vallen als bonen uit een gescheurd zakje".

Peereboom schrijft mooi over eenvoudige genoegens. Hij kan heel wat tijd zoek maken met het lezen van stadsplannen (p. 40) of met het bedenken van lastige vragen in de trant van Max Frisch ("Hoe goed zouden wij elkaar willen leren kennen als het kon?", p. 167). Goed, soms is er twijfel, over een onvervuld leven, zeker in het aanschijn van een onbereikbare vrouw; en ergernis, omdat zijn nachtelijke dromen niet de onmetelijke betekenis hebben die ze bij anderen schijnen te krijgen (p. 76). Dan keert de rust weer, en beseft Peereboom hoe andere mensen eentonige jobs volhouden: door het gevoel van meesterschap over hun werk.

Ergens berekent Peereboom dat wanneer hij zeventig jaar te leven heeft, er maar ongeveer 25.000 dagen voor hem klaar lagen. "Dat wil zeggen, als je 250 gulden zou nemen en ze wisselen in centen en die op een tafel uitstorten, dan zag je al je dagen voor je liggen. Dan kon je bovendien op de grond schuiven wat je al gehad had." Of hij na 1976 nog spectaculair van opvattingen is veranderd, daar moeten we een volgend Privé-domein voor raadplegen, Vraag me niet waarom. Wordt dus vervolgd. Al is des schrijvers eigen prognose niet bepaald gunstig.
Het komt zelden voor, dat men zich voelt veranderen. Misschien eens in de zeven jaar. Ik herinner mij er niets van; het kan zijn dat men geleerd moet hebben de verschijnselen te betrappen. Op het ogenblik is het opvallend dat mijn vertrouwde toevluchtplaatsen bijna uit het zicht zijn geraakt. Met toevluchtplaatsen bedoel ik de beelden en gevoelens waar de gedachten naar terug kunnen keren als zij koud en moe zijn. Er waren liefdes die daartoe dienden; zij waren de grootste toevlucht, maar er waren ook allerlei kleinere: een kamer waarin ik veel gelezen heb, een voorkeur voor frambozen boven aardbeien en een afschuw van documentatie, een paar bedrogen verwachtingen die intact zijn gebleven en de charme hebben gewonnen van rijtuigen in een museum.
Zulke dingen meen ik mij te herinneren, en zij zijn er nog wel, maar betekenen niet veel meer. Wij hebben hier dus te maken met een geval van ontbinding, tenzij het wijken van de toevluchtplaatsen op de een of andere manier gecompenseerd wordt. O, het wordt gecompenseerd. Waarmee? Dat is nog niet te zeggen. Er kan ook wel helemaal niets zijn, behalve die harde warme wind van zomeravonden die de gordijnen omhooggooit.
Als er iets anders komt, dan wens ik alleen een kleine opwindende verschuiving in de uitzichten en de begrippen. Na jaren lang tegenover allerlei soort frustratie telkens bedenke, dat het in de kleine verschillen zit, zou dat een passende beloning zijn. Het is goed om dat nog even te zeggen, want bij die donkere wind komt er soms de behoefte aan op, al is het sinds lang duidelijk dat er in de wereld een volmaakte harmonie heerst, van leven, verval en dood. Het tekort aan begrip voor de waarheid is niet het grootste, maar het gebrek aan hart ervoor.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

J.J. Peereboom, Ik ben niets veranderd : journalen
169 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1978
Privé-domein nr. 45

____

dinsdag 25 januari 2011

Cassada - James Salter

Weinig schrijvers maken iets mee dat de moeite van het vertellen waard is. Maar schrijven is een drang. De intelligentie, de gevoeligheid van een auteur zoekt automatisch naar uitwijkmogelijkheden om zich te kunnen tonen. De schrijver gaat in het eigen geestesleven zitten wroeten. Blaast zijn jeugd op tot absurde proporties. Klooit met intertekstualiteit of bouwt historische romans vol boekenkennis. Of hij schrijft allegorieën die nooit concreet hoeven te worden.

Het punt is: ik ben alle bovenstaande genres een beetje beu. Niet in het minst omdat dit soort kunstige Literatuur dikwijls veel dedain aan de dag legt voor mensen die wel iets uit de eerste hand weten.

Mensen die naast het schrijverschap op nog een andere interessante carrière kunnen bogen — en dan bedoel ik niet de onderwijzerij of het hoogleraarschap — vind je vaker in literaturen die uit een grotere werfreserve kunnen putten dan de Nederlandse kan. Goede literatuur heeft dus ook met kansrekening te maken. De 'Luchtcomponent' van het Belgische leger telt pakweg 6000 fulltime betrekkingen, en dat zijn lang niet allemaal mensen die een vliegtuig mogen besturen. Hoeveel piloten zouden hier een goede roman in de vingers hebben?

Neen, daarvoor moeten we de Atantische Oceaan over. De Amerikaanse schrijver James Salter geldt als een geheimtip bij fijnproevers. Salter was twaalf jaar gevechtspiloot bij de Amerikaanse luchtmacht voordat hij schrijver werd. In de Koreaanse Oorlog oefende hij meer dan 100 gevechtsmissies uit met de F-86 Sabre. In enkele boeken zou hij zijn expertise als piloot gebruiken.

Zijn tweede worp The arm of flesh (1961) is bijvoorbeeld geënt op vliegervaringen bij de 36th Fighter-Day Wing op Bitburg Air Base, West-Duitsland, in de late jaren vijftig. Een paar decennia later, toen zijn uitgever vroeg dat boek opnieuw te mogen uitbrengen, was Salter er niet meer tevreden over. De jonge Salter had een polyfonie van ik-personen op het oog gehad (denk bij ons aan De Metsiers van Claus) maar hij was er niet in geslaagd de stemmen verschillend genoeg van elkaar te maken. Tweederangs Faulkner, vond Salter.

Jack Shoemaker van Counterpoint adviseerde hem de roman te herzien. Maar dat bleek onbegonnen werk. Salter nam een wit vel papier en herschreef het hele ding. En kijk, het werd een totaal ander boek. Geen stemmen meer, maar een robuuste hij-verteller.

De setting van Cassada, want ook de titel moest anders, is het West-Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog. De Amerikaanse luchtmacht heeft er enkele bases en oefenterreinen. Vaak zijn die niet zo groot, zodat bewolkt weer voor grote problemen zorgt bij kortere landingsstroken.

“No GCA, gentlemen. If the weather starts closing in, don’t take any chances, there’s no one here to talk you down.”
Luitenant Robert Cassada is de neofiet op de basis van Giebelstadt. Hij heeft grote ambities om het te maken als gevechtspiloot. Maar hij past niet helemaal in het plaatje. Hij komt uit Puerto Rico (waarvan de meeste piloten niet weten dat het bij de VS hoort) en is een beetje te fijnbesnaard voor het leger. Pas afgestudeerd aan de luchtvaartschool voelt het wat onwennig tussen al die Korea-veteranen, en hun kantinegelal.
Wickenden’s round head, hair cut close, shaved like a Russian’s, the scalp gleaming through. He was talking about something, the new velocities, the tremendous shocking power. Even a gut shot would bring them down now — shatter their nervous system. He didn’t approve of that. His mouth lightened. Too much power, it took the sport out of it. You ought to have to hit them in a spot the size of a plum. Right in the brainpain. The heart. Or lose them. “Give the beast a chance.”
Cassada krijgt vooral te maken met Davis R. Dunning, de commandant van het vierenveertigste smaldeel, diens rechterarm kapitein Isbell, en de piloten Grace, Wickenden, Dumfries en Godchaux. Isbell is naast Cassada de man om in het oog te houden: een "idealistische" officier die op een abstracte, onpersoonlijke manier aankijkt tegen zijn herderlijke taak.
Who among them, then, Isbell wondered, someone nearly overlooked, silent and reflective, or another, arguing and intense? Godchaux — he was what it was all about. Grace. The best pilots. Across the room, wedged between men he did not know, was the new one. Fair hair, eyebrows almost joined in the middle. Never trust a man when they come together, they say. As good a rule as any, and the new man, taking it all in, just beginning to select a few idols, Isbell could have picked them out himself, the false glitter.
He emptied his glass and raised a finger for another. It was curious. There were times when he could see them in an entirely different way, for what they were, full of simple courage and youth. Godchaux had a smile that even death would not erase. Dumfries, that idiot, smooth-cheeked and smiling, he had something, too, decent and admirable. There were times when Isbell trusted them all. They were bound together, all of them, he and Dunning too in a great orbit, coming deceptively close to the rest of life and then swinging away. At the extremities were North Africa where they went for gunnery once or twice a year and at the other end the skies of England where great mock battles were sometimes fought. The rest was at home in the Rhineland, rumor, routine, occasional deployments, Munich now and then. They toured the Western world together, stopping at Rome to refuel. Socked in? Diver to Naples — watch the olive trees if you land to the west. Something was usually beginning before the last thing ended. Isbell’s true task was biblical. It was the task of Moses — he would take them to within sight of what was promised, but no further. To the friezes of heaven, which nobody knew were there.
Juist dat algemeen vertrouwen dat Isbell in zijn piloten stelt, gaat Cassada op den duur verwarren met een persoonlijke band met zijn overste. Maar helaas is Cassada niet de jonge belofte die hij denkt te zijn. Hij wordt misselijk bij zijn eerste vlucht, drinkt thee in plaats van koffie zoals 'echte' piloten, en gefrunnik met losse scharrels in de Duitse Gasthaüser is al evenmin zijn ding. De routinevluchten boven Duitsland bieden iemand als hij ook weinig kans om zich te bewijzen. Cassada is géén Top Gun; brandstoftekort is zowat de meest heroïsche situatie waarin iemand kan verzeilen tijdens de Koude Oorlog.
Harlan and Ferguson were in town at the del Mahari, sitting among the short dark men in business suits and the heavy-looking women. Cassada had been over talking to Grace about gunnery again, Ferguson commented.
“Oh, yeah?”
“He’s really focused on it.”
“Is that right? Well, he can talk all he wants.” Harlan was reading the menu. “The bird that talks the most is the parrot,” he added, “and it can’t fly.”
Cassada is geschreven in korte hoofdstukjes met veel naakte dialoog. De schrijver toont zich schatplichtig aan Hemingway. Ook bij Salter mannen die de mist ingaan tijdens typische mannetjesputtersactiviteiten. En de manier waarop hij dat gegeven afhandelt, doet eveneens denken aan de meester: een verhaal dat alleen buitenkant is, oppervlakte, maar veel binnenkant en diepte suggereert. Hemingway's theorie van de ijsberg, quoi. En dan vergeet ik de kranige oneliners nog.
Down the hallway, near the latrine, was a sign that said flying was inherently safe but, like the sea, unforgiving.
De details die Salter uit zijn geheugen downloadt, zorgen bij dit alles voor een krachtig werkelijkheidseffect. De druksporen van het zuurstofmasker in het gelaat. Aanstekers met het logo van het vorige squadron. Salters evocatie van het idle Sunday-gevoel op de basis, en van de exercities in Noord-Afrika. Of het simpele gegeven dat brandstof door piloten in pounds wordt uitgedrukt, en niet in een of andere inhoudsmaat. Cassada wordt vaak door beroepspiloten geprezen om zijn natuurgetrouwheid.

Tegelijk is Salter literator genoeg om zich niet te verliezen in techniek en technologie. Het is hem om de drijfveer van deze mannen te doen, en om het noodlot dat roet in hun eten gooit. De onhandige toenadering tussen weinig communicatieve types wordt prachtig neergezet. Salters personages geven zich prijs in kortafgebeten dialogen, tijdens haantjesgedrag, en door snelle beslissingen in de cockpit — beslissingen waarvan de dramatiek wordt uitvergroot door het isolement van de piloot hoog in het zwerk, zeker wanneer de radioverbinding begint te knisperen. Salter laat naar mijn smaak iets te veel hoofdstukken afbreken door het wegvallen van radiocontact.

Cassada, hoewel het boek dikwijls van locatie wisselt (met straaljagers mag dat ook voor één keer) is het verhaal van een microcosmos: de leefwereld van piloten. Op basis van de tekst is niet uit te maken of Salter het zich gemakkelijk heeft gemaakt door alleen over de luchtmachtbasis te schrijven, dan wel of hij daarmee de beperkte blik van beroepsmilitairen heeft willen tonen. De Officers’ Wives Club, waar de echtgenotes van de commandanten elkaar vinden zoals voetbalvrouwen samentroepen naast de grasmat, biedt nauwelijks tegengewicht. Een enkele keer biedt Salter een doorkijkje naar het gewone burgerleven, wanneer hij met zijn grote auctoriële klauwen het kamerscherm wegschuift in de slaapkamer van een van de officieren.
He hated the whine in her voice. He went out on the balcony then. It was small, four or five paces long, and he stood there, learning on the railing and looking out at the housing area. Lights were still on in many apartments. Only a few floors had dark stretches. The night was cold. The roads had ice on them and there was snow on the ground. The wind was whipping the shirt against his shoulder and back, but he stood as if not aware of it. The bitterness was warmth enough. On the floor below were Phipps and his wife, good-looking Carolina girl, nice legs. Every apartment had a wife in it, his included. You chose your wife yourself, that was the thing, but of course you didn’t know what you were choosing. He had known after the first week, the deadness that lay between them, but he believed it might be overcome. He thought she would change through their being together, grow, reveal a hidden person, the one he had wanted and thought she might be. After five or ten minutes he went in to the bathroom and began undressing without a word.
Cassada deed me terugdenken aan mijn jeugd, toen ik met mijn vader, een luchtvaartfreak, de grote airshows afstruinde: Florennes, Kleine-Brogel, Koksijde, Beauchevain. Het was ook het eerste Engelse boek sinds lang waarvan de taal me soms voor problemen stelde. Bailing out zegt men dus, van iemand die zijn schietstoel gebruikt. En de canopy is de doorzichtige overkapping boven de cockpit. Eén ding: ik weet nog steeds niet goed wat met een tow ship wordt bedoeld. Het toestel dat de zweefvliegers trekt waar tijdens gevechtssimulaties op geschoten wordt?

Heeft Cassada een plot? Ja, Cassada heeft een plot. Dat behoorlijk voorspelbaar is. Met piloten kan je ook niet veel kanten op. De vraag is alleen nog: wie, wanneer en hoe?
The wreckage is total. Nothing can recombine it.
Maar ook met die voorkennis blijft er veel te genieten over. Salter heeft een mooie aftermath in petto.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

James Salter, Cassada
208 p.
Uitgeverij Counterpoint, 2000

____

maandag 24 januari 2011

Zelf gezien - Victor Hugo

De activiteiten van Victor Hugo bestrijken zowat de hele Franse negentiende eeuw. Op de leek die dit bestuurskundig zo woelige tijdsvak wil bestuderen, maken de nagelaten paperassen van Hugo dan ook de indruk van een formidabele gidsbeurt. Als een razende reporter avant la lettre was Hugo overal tegelijkertijd. In de salons van Louis Bonaparte, bij het sterfbed van Balzac, op de barricaden bij het gepeupel, in het pluche van de senaat.

Als we William Marx mogen geloven, was de status van de schrijver tussen 1750 en 1850 groot. Dat was alweer van de Renaissance geleden: toen hadden dichters zich weleens beschouwd als de opvolgers van de bijbelse profeten — iets wat in de barok en het classicisme wegdeemsterde, toen schrijvers opnieuw verlaagd werden tot de rang van eenvoudige dienaren van kerk en vorst. In de negentiende eeuw schoot de relevantie van schrijvers, met hun dikke, realistische, wereldoverschouwende romans, opnieuw de hoogte in.

Een literair werk werd volgens Marx in die dagen alleen bepaald door de inhoud, die in een transparante taal diende geschreven te zijn. De aanpak van de literaire criticus evolueerde gewoon mee met de toenemende status van de schrijver: hij analyseerde niet langer diens werken, maar nam de gedaante aan van een journalist die de schrijvers rechtstreeks interviewde. Als de schrijver een hogepriester was, dan waren de critici de tempelbewaarders. Sainte-Beuve en Matthew Arnold, de twee meest toonaangevende critici, meenden allebei dat de literatuur iets vertelde over de mens en de werkelijkheid.

De ongeëvenaarde sociale status van de literatuur zou meteen haar ondergang worden, stelt Marx in zijn boek. Mensen lazen beaat wat schrijvers hen voorhielden en gingen hen meer en meer beschouwen als een moreel richtsnoer. Marx haalt net Victor Hugo aan als de eerste die onder die verpletterende verantwoordelijkheid wou uitkomen en meer vrijheid opeiste. Hetgeen evenwel nog niet de geboorte van l'art pour l'art betekende: Hugo pleitte voor meer vrijheid voor de manier waarop literatuur er mocht uitzien, maar zag uiteindelijk geen tegenstelling tussen het onderwijzende, civiliserende en verheffende karakter van de literatuur en lossere vormeisen.

In 1857 ontstond dan de grootste vertrouwenscrisis ooit tussen literatuur en maatschappij, zegt Marx. In dat jaar werden processen aangespannen tegen de als immoreel bestempelde boeken van Flaubert en Baudelaire. Die rechtszaken moeten volgens Marx niet als censuur beschouwd worden, maar als hulpkreet. Omdat literatuur en maatschappij zo hevig met elkaar verweven zijn komt de eis van beide schrijvers om zelfstandige literatuur te mogen bedrijven neer op een gedwongen verzelfstandiging van de maatschappij, die verschrikt vaststelt opeens geen gidsen meer ter beschikking te hebben. Flaubert, Baudelaire en andere toonaangevende auteurs uit die periode maakten echter een foutieve inschatting: ze dachten dat ze de maatschappij zouden kunnen overtuigen van hun roep om onafhankelijke kunst. Het schisma zou echter definitief blijken. Literatuur en massavermaak gingen elk hun eigen weg.

Revolutiejaren
Ironisch genoeg was het juist in cultureel opzicht dat Frankrijk toonaangevend bleef. Vooral literatuur en schilderkunst trokken internationale aandacht: Parijs is om die reden wel de 'hoofdstad van de 19e eeuw' genoemd. Politiek taande de invloed van Frankrijk zienderogen. Tijdens het Congres van Wenen, dat in 1815 direct na Napoleons definitieve nederlaag bij Waterloo gehouden werd, werd een nieuw machtsevenwicht in Europa gedefinieerd waarin Frankrijk zonder voortdurende oorlogen onder controle gehouden kon worden. Dat lukte behoorlijk: Frankrijk werd na 1815 snel overvleugeld in macht en rijkdom door het Britse Rijk, dat de handen vrij had dankzij het nieuwe machtsevenwicht in Europa en al een voorsprong had in industrialisatie en koloniale veroveringen. Die voorsprong werd nog verder uitgebouwd. De Britse bevolking groeide in de negentiende eeuw geweldig snel, zodat die rond 1905 ongeveer even groot was als de Franse: ongeveer 40 miljoen inwoners.

Grote buitenlandse oorlogen voert Frankrijk niet na Napoleon. Het neemt deel aan de Krimoorlog als bondgenoot van de Britten om een andere voormalige rivaal, het Ottomaanse Rijk, te beschermen tegen het Russische expansionisme, maar daar blijft het ongeveer bij. Het zou tot 1870 duren voor Frankrijk opnieuw in conflict raakte met een buurland. Neen, de voornaamste strubbelingen gebeurden op het binnenlandse politieke toneel. In krap veertig jaar tijd kent het land vier verschillende bestuursvormen: de Julimonarchie (1830-1848), de Tweede Republiek (1848-1852), het Tweede Keizerrijk, (1852-1870) en de Derde Republiek (1870-1940).

Het lezen van Zelf gezien, met zijn vele toespelingen op contemporaine politiek, dwong me eindelijk eens werk te maken van mijn basiskennis over de Franse negentiende eeuw. Een plundertocht langs de Wikipedia's van deze wereld levert het volgende op.

De Julimonarchie ontstond na de Julirevolutie in 1830. Na deze revolutie, die drie dagen duurde en daarom ook wel de Trois glorieuses wordt genoemd, werd de als absoluut vorst regerende Karel X opgevolgd door de liberale koning Lodewijk Filips.

Tijdens de Februarirevolutie in het Revolutiejaar 1848 werd de Franse monarchie vervangen door een republiek. Lodewijk Filips deed eerst afstand van de troon ten gunste van zijn kleinzoon, maar de voorlopige regering onder leiding van Alphonse de Lamartine riep echter diezelfde dag de Tweede Republiek uit, de benaming voor Frankrijk van 1848 tot 1852.

De nieuwe republiek bleek echter een veel conservatiever beleid uit te oefenen dan de revolutionairen geëist hadden. Al snel kwam het tot een conflict tussen de radicale socialisten en gematigde republikeinen. Onder druk van de socialist Louis Blanc werden de Ateliers Nationaux (nationale werkplaatsen) opgericht, waar werklozen te werk gesteld werden. Toen deze werkplaatsen vanwege geldgebrek door de regering werden gesloten gingen Parijse werklozen en arbeiders de straat op. Dit leidde tot een opstand van vijf dagen, door generaal Louis Eugène Cavaignac op bloedige wijze neergeslagen, met 1.500 doden en 15.000 gevangenen die naar Algerije werden gedeporteerd.

Daarna werd een nieuwe grondwet aangenomen, waarbij Frankrijk een democratische republiek werd, met algemeen kiesrecht, een scheiding der machten en een direct verkozen regering en parlement. In de presidentsverkiezingen stond de socialistische kandidaat Alexandre Auguste Ledru-Rollin tegen de republikeinse kandidaten Cavaignac en Lodewijk Napoleon Bonaparte, een neef van de voormalige keizer Napoleon I. Na de chaotische revolutiedagen wilde de Franse bevolking nu een sterke man die de rust en stabiliteit kon herstellen, en vond die in de persoon Bonaparte.

De nieuwbakken president zag nu zijn kans schoon om zijn oom Napoleon I na te volgen en zelf keizer van Frankrijk te worden. Hij gebruikte de volgende drie jaar om zich van de steun van het leger te verzekeren en de verschillende politieke facties tegen elkaar uit te spelen, zoals zijn oom vijftig jaar eerder ook had gedaan. Er volgde een staatsgreep, waarna Bonaparte grondswetswijzigingen waarmee hij dictatoriale macht in handen kreeg. Verzet van onder meer Victor Hugo bleek nutteloos. Bonaparte werd keizer van Frankrijk als Napoleon III. Dit betekende het einde van de Tweede Republiek en het begin van het Tweede Keizerrijk.

In 1870 brak de Frans-Pruisische Oorlog uit; Napoleon had zich zeer onverstandig laten provoceren door Bismarck, die wist dat hij wel een oorlog kon riskeren. De nieuwe machtsverhoudingen in Europa werden snel duidelijk. Frankrijk werd in enkele maanden onder de voet gelopen en Parijs werd belegerd door de Duitsers, wat leidde tot een linkse volksopstand die als de Commune van Parijs de geschiedenis in zou gaan. De opstand werd bloedig neergeslagen, maar het einde van Napoleon III en het Tweede Keizerrijk waren wel in zicht. Napoleon ging in ballingschap in Engeland, waar hij stierf. De Derde Republiek was een feit en Duitsland greep de gelegenheid aan om het Duitse Keizerrijk in 1871 in de Spiegelzaal van Versailles uit te roepen.

Frankrijk had er van danaf een nieuwe rivaal bij: het verenigde en snel industrialiserende Duitsland, dat de veroveringen en vernederingen van de napoleontische tijd en van de twee eeuwen daarvoor nog niet vergeten was. De centrale obsessies van Frankrijk waren vanaf 1870 echter het Duitse gevaar en het verlies van Elzas en Lotharingen. Dan was er nog Amerika, dat sinds het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1863 dankzij massale immigratie vanuit Europa en razendsnelle industrialisatie ook een opkomende grote mogendheid was.

Uit de verkiezingen in Frankrijk kwam naar voren dat het land weer een monarchie moest worden. Toen bleek dat de toekomstige koning, Hendrik V, absolute monarch in plaats van constitutionele monarch wilde zijn, werd dit plan in de koelkast gezet. Begin 1875 kreeg de republiek de uiteindelijke vorm: een tweekamerparlement (een huis van afgevaardigden en een Senaat) en een president zonder veel macht. Aanvankelijk hadden de monarchisten een meerderheid in het parlement. Maar na enige tijd verschoof dit naar de liberalen, en met name naar hun radicale vleugel. De Derde Republiek is nooit geliefd geweest. Dit komt ook door de vele schandalen van de republiek, zoals de Dreyfus-affaire.


Karikatuur van Victor Hugo (1841) door Benjamin Roubaud; via Wikimedia Commons

Met opgestroopte mouwen
Choses vues
— een keuze uit duizenden bladzijden met aantekeningen, verspreid over notitieboekjes, schriften en losse vellen — werd nooit als boek door Hugo zelf samengesteld. De schrijver was gekant tegen bloemlezingen, zegt de vertaalster in haar nawoord. Hij stelde anthologieën gelijk met castratie: "L’eunuque est un homme dans lequel on a choisi." Choses vues is het werk van redacteuren; de selectie verscheen postuum en verschilt van editie tot editie. De Engelse uitgave (Things seen, ook fulltext te lezen) heeft bijvoorbeeld ook essays over Voltaire, Walter Scott, Lord Byron en Mirabeau onder de pannen.

Het Franse origineel — verkrijgbaar in twee Folio-deeltjes, of in een kloeke Quarto-band bij Gallimard — telt meer dan duizend bladzijden. Voor Privé-domein werd een keuze uit die keuze gemaakt, en aan de vele hoogtepunten is af te lezen dat er alvast weinig overbodigs staat in het boek. Greetje van den Bergh koos voor de sociaal-historische invalshoek. Ze laat het rijkgeschakeerde liefdesleven van de schrijver buiten beeld, en ook de mystieke bevliegingen van de late Hugo heeft ze godzijdank weggelaten. De intieme Victor Hugo leren we eigenlijk alleen kennen als enkele sterfgevallen in de familie hem persoonlijk treffen.

Wat overblijft is het leven van een drukbezet man die, inderdaad zoals de legende en de flaptekst het willen, overal tegelijk opduikt: op straat, in de senaat, op de barricaden, in de Academie. Hugo heeft als man van aanzien en als senator connecties met de hoogste gezagsdragers ("Gisteren zei de koning tegen me..."), maar ruimt in zijn notities veel plaats in voor streetwise observaties. Oude mensen die een nacht lang in de vrieskou van min zes de wacht houden bij hun koopwaar. Jongens van vijftien jaar die in tijden van revolutie zeventien uur op wacht staan. De donkere catacomben, waarvan een deel gebruikt wordt voor het kweken van champignons.

Daar wordt nooit een vrouw toegelaten. Men beweert dat alleen al de aanwezigheid van een vrouw die haar maandstonden heeft, voldoende is om een hele champignonplant te laten verrotten. Het is vreemd gesteld met deze periodieke ongesteldheid, die allerlei mysterieuze gevolgen heeft. Zo staat het vast dat het blanketsel en de rouge waarmee actrices hun gezicht schminken, in die tijd niet wil blijven zitten. [1846]
Zelf gezien is een zeer leesbaar ratjetoe. Het bevat mooie portretten, gedetailleerde ooggetuigenverslagen en scherpe politieke aforismen. Maar het bevat ook ondraaglijk patriotistisch en paternalistisch geronk van een schrijver die Frankrijk als voorpost ziet van de beschaafde wereld en hemzelf als boegbeeld van die voorpost. Het is daarom ook een boek voor wie belangrijke mannen graag het spreekgestoelte ziet beklimmen, mannen die oreren op antieke wijze, en zich niet zoals tegenwoordig verliezen in prozaïsche techniciteiten.

Hugo komt naar voren als een rechtschapen, temperamentvol en vrijgevig man, die zich opwerpt als de morele leider van 'het volk' (een term die een negentiende-eeuwer probleemloos in de mond neemt). Hoe graag vermeldt hij hoe zelfs in roerige tijden de mensenmassa als een rode zee uiteensplijt als hij zich op straat begeeft. 'Het volk' lag hem na aan het hart. Het volk kon met zijn arbeid wonderen verrichten. En wanneer Frankrijk niet verovert met het zwaard, wil het veroveren met de geest: daarom zijn wetenschap, industrie en vooruitgang zo belangrijk.
Een samenleving wordt slechts dan goed bestuurd, feitelijk en rechtens, als twee krachten elkaar dekken: inzicht en macht. Zolang het inzicht nog slechts één hoofd aan de top van het maatschappelijke lichaam is gegeven, moet dit hoofd regeren; een theocratie heeft haar logica en haar schoonheid. Zodra verscheidene geesten verlicht zijn, moeten er ook verscheidene personen aan het roer staan; dan is een aristocratie gewettigd. Maar als uiteindelijk de duisternis overal verdreven is en het licht alle hoofden heeft bereikt, moeten allen alles regelen. Het volk is rijp voor de republiek; geeft het dan ook de republiek. [1830]

Het volk van Parijs is net als het volk van Athene, luchthartig maar intelligent. Er stonden daar mensen in werkkiel en met opgestroopte mouwen die heel juiste en originele opmerkingen maakten over toneel, over kunst, over schrijvers. Ze zochten in de menigte naar beroemdheden en noemden hun namen. Glorie is iets dat dit volk nodig heeft. Als het geen Marengo en geen Austerlitz heeft, wil het een Dumas en een Lamartine vereren. Zijn blik wordt onweerstaanbaar getrokken door al wat schittert. [1847]

Welk een toestand! Ik zag de zaak liever zoals ze zich op 24 februari liet aanzien. Dat was angstaanjagend, maar ook mooi, en kon snel en goed worden geklaard. Nu is het afzichtelijk, aangetast door bederf, en misschien wel ongeneeslijk. Ik heb liever te doen met een hersenvliesontsteking dan met gangreen. Ja heus! Toen was het volk strijdlustig maar edelmoedig, goed, vol liefde en respect voor onze verheven zaak, bewonderenswaardig. Vandaag de dag is het volk, datzelfde volk, diezelfde werklieden — helaas! — bitter, ontevreden, onbillijk, bijna haatdragend. Vier maanden van ledigheid hebben de brave arbeider gemaakt tot een vijandige leegloper, die de beschaving wantrouwt. Werkeloosheid, gevoed met opruiende lectuur, dat is het hele geheim van deze omslag. Dit zijn werklieden die wars geworden zijn van werk, Fransen die wars geworden zijn van eer, Parijzenaars die wars geworden zijn van glorie. Er zijn er, ja, er zijn er die ik weet niet wat voor trieste dromen koesteren van plundering, moord en brand. Van de mannen die Napoléon tot helden wist te maken, maken onze pamfletschrijvers [Blanqui, Raspail] barbaren! Soms wellen er snikken op uit het diepst van mijn hart. En Frankrijk, hoe staat het daarmee? Hoe staat het met Parijs? Hoe staat het daarmee? Hoe staat het met het intellect, het denken, de kunst, de nijverheid, de wetenschap, het gezin, het eigendom, het nationaal vermogen, de discipline in het leger, de grandeur van ons land? Hoe staat het met alles wat wij de afgelopen zestig jaar hebben gedaan, gewild, gepoogd, opgebouwd en tot stand gebracht? Boven ons ruïnes, onder ons peilloze afgronden. We staan tussen een plafond dat boven ons hoofd instort en een vloer die onder onze voeten bezwijkt. [1848]
De auteur van Les Misérables nam voor zijn tijd progressieve sociale standpunten in. Hugo was een begenadigd pamflettist die zich keerde tegen de doodstraf, tegen kinderarbeid, en zich inzette voor universeel stemrecht, gratis onderwijs voor iedereen, een eerlijker strafrecht en menswaardiger arbeidsomstandigheden.
Er zijn geen honderd soorten socialisme, zoals men graag beweert. Er zijn er twee. Het slechte en het goede.
Er is het socialisme dat de Staat de plaats wil laten innemen van alle spontaan verrichte bezigheden, en dat, onder het mom het welzijn over allen te verdelen, iedereen van zijn vrijheid berooft. Frankrijk als klooster, maar een klooster waar niet wordt geloofd; een soort kille theocratie, zonder priester en zonder God. Dát socialisme vernietigt de samenleving.
Er is het socialisme dat een eind maakt aan armoede, onwetendheid, prostitutie, belastingwetten, een wrekende justitie, ongelijkheid die in tegenspraak is met het recht of met de natuur, alle knellende banden, van het onontbindbare huwelijk tot de onherroepelijke straf. Dát socialisme vernietigt de samenleving niet; het geeft haar een ander gezicht.
Met andere woorden: in het woord socialisme schuilt, als in alle menselijke woorden, zowel de waarheid als de dwaling. Ik ben tegen de dwaling en voor de waarheid. [1848]
Dat Hugo tegelijk ook een kind van zijn tijd was, blijkt uit het feit dat hij zich nauwelijks heeft uitgesproken over het koloniale beleid van Frankrijk en tegen de slavernij. Niettemin was Hugo tegen de rijken. Vooral degenen die hun kapitaal oppotten en niet terug in de productieketen injecteren, tot nut van 't algemeen. Zijn kritiek werd hem door de bourgeoisie niet in dank afgenomen.
Wat zijn, in dit jaar 1847, de genoegens van de rijke, adellijke, chique, intelligente, spirituele, royale, voorname badgasten van Spa?
I Een tobbe vullen met water, er een muntje van twintig sous in gooien, een arm kind roepen en zeggen: ‘Je mag dat geld houden als je het er met je tanden uithaalt.’ Het kind duikt met zijn hoofd onder water, krijgt het benauwd, stikt bijna, komt drijfnat en bibberend weer boven met het zilveren muntje in zijn mond. En iedereen lacht. Hoe grappig!
2 Een varken pakken, vet op zijn staart smeren, en wedden wie het langst kan vasthouden als het varken aan ene kant trekt en de gentleman aan de andere kant. Tien louis, twintig louis, dertig louis.
Hele dagen vermaakt men zich hiermee.
Intussen staat het oude Europe op instorten, bloedige opstanden ontkiemen in de spleten en scheuren van de oude maatschappelijke orde; de toekomst ziet er somber uit, en de rijken zijn in deze eeuw even omstreden als de adel in de vorige eeuw. [1847]
Wat me zeker bij zal blijven is Hugo's bladzijdenlange verslag van een bezoek aan de gevangenis. Vanaf de vijftiende eeuw tot aan het einde van de achttiende eeuw, lees ik in een voetnoot, bestond naast het ordinair strafproces het extraordinair strafproces. In gevallen waarin ernstige vermoedens bestonden, maar het bewijs door de klagende partij moeilijk was te leveren, was het gebruik van de pijnbank toegestaan om de verdachte tot een bekentenis te dwingen.

Maar Hugo gruwde van geweld. Om te beginen geweld tegen individuen — lees er ook het fascinerend verslag op na (p. 236-269) van de zaak tegen spion Hubert, met, uiteraard, een gloedvol pleidooi van Hugo ("De verklikker is verachtelijk, de mens is heilig"). Maar Hugo was al evenzeer gekant tegen geweld ten aanzien van een democratisch gekozen regering.
Een grondwet heeft altijd twee aspecten: het is de oplossing van een bepaald volk in een bepaalde tijd, en het is een blaadje papier. Het hele geheim om de politieke vooruitgang van een natie goed te sturen, bestaat hierin dat men de maatschappelijke oplossing weet te onderscheiden van het blaadje papier. Alle principes die naar voren zijn gekomen uit de voorafgaande revoluties vormen de kern, de essentie van de grondwet; die moeten worden gerespecteerd. Zo zijn vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van drukpers, vrijheid van vereniging, vrijheid van beroep en bedrijf, vrijheid van kansel, van katheder, van toneel, van openluchtspel, gelijkheid voor de wet, vrije toegang tot alle betrekkingen op grond van aanleg en talenten, allemaal heilige zaken, die een koning als een torpedo ten val kan brengen wanneer hij daar een vinger naar durft uit te steken. Maar om het blaadje papier, om de vorm, de redactie, de letter, om bepalingen over leeftijd, cijns, verkiesbaarheid, erfelijkheid, onafzetbaarheid, strafmaat, dient men zich af en toe wél te bekommeren; die moeten worden herzien naarmate de tijd en de maatschappij veranderen. De letter mag nooit verstard raken als de dingen zelf in beweging zijn. Als de letter zich daartegen verzet, dient zij te worden tenietgedaan. [1830]
Hugo begeeft zich meermaals ongewapend op de barricaden, omdat hij het zijn plicht vindt als parlementslid de republiek te verdedigen tegen de anarchie ("De staat van beleg is de brug waarover de dictatuur binnenkomt. Een wankele brug, die kan instorten onder het gewicht van het despotisme, maar die dan alles meesleurt in de afgrond" - 1848). En als iemand die legitimiteit en beschaving hoog heeft zitten, kan Hugo een dikke twintig jaar later ook de Commune niet goedkeuren.

Zelf gezien legt mooi getuigenis af van de shift in Hugo's politieke opvattingen. Hugo begon zijn politieke loopbaan als conservatief, als een katholieke royalist. Hij steunde Karel X en volgde aanvankelijk de politieke lijn van zijn grote voorbeeld Chateaubriand. Maar zijn koningsgezindheid brokkelt langzaam af en is op het laatst niet meer dan een "romantische ruïne: af en toe maak ik een omweg om haar met eerbied te aanschouwen; maar ik kom er niet meer bidden."

In het revolutiejaar 1848 blijft Hugo de monarchie met enige vertwijfeling steunen. Wanneer de Republiek toch wordt uitgeroepen biedt Lamartine hem een ministerpost aan, maar Hugo weigert.

Ook tijdens de staatsgreep van 1851 blijft Hugo de Republiek, lees: de zittende regering, verdedigen tot op de barricaden. Niet dat het helpt: Louis-Napoléon wordt Napoléon III en Hugo moet uitwijken naar België en later Engeland. Hij verblijft in Brussel, Jersey en ten slotte Guersney. Daar zal hij Les Misérables schrijven, en veel van zijn beste poëzie. Wanneer Napoleon in 1859 amnestie verleent aan politieke bannelingen is Hugo niet zinnens om terug te keren om politiek toch alleen maar gekortwiekt te worden.
Brussel, 8 januari. Aparte zeden. De Vlaamse burgerij heeft iets van de ongecompliceerd-grove burgerij van vroeger. Rabelais zou moeten lachen om hun spreekwoorden. In plaats van: Het regent dat het giet zeggen ze hier: het regent dat het zeikt. Het populairste monument van Brussel is een jongetje dat ‘zeikt’; een andere beroemde fontein stelt een brakend kereltje voor.
Iets joviaals, iets obsceens en iets patriarchaals.
De senatoren gaan hier naar de staminee. ’s Avonds zie je aan de tafels in kroegjes, in een bruine rook waarin iedereen bijna op de tast zijn weg zoekt, de burgemeesters zitten die hun glazen faro drinken en de rechtbankpresidenten die hun pijp roken. Niemand maakt er een geheim van dat hij veelvuldig de rue des Crombras bezoekt. Er is in die straat een vermaard bordeel (…). [1852]
In 1870 keert Victor Hugo terug naar de belegerde stad Parijs ("Het is een magnifiek gezicht, Parijs dat zichzelf sloopt om zichzelf te verdedigen. Van haar ruïnes maakt de stad haar barricaden"). Het zijn misschien beroemdste bladzijden uit de nalatenschap. Bladzijden van ontbering. Er zijn geen eieren meer te krijgen, en geen melk. Bij gebrek aan kolen kan het linnengoed niet gewassen worden. Paarden worden opgepeuzeld. De olifant van de Jardin des Plantes ondergaat hetzelfde lot. "Een rat kost acht stuivers."
Toen ik drie dagen geleden, op 14 juli, in de tuin van Hauteville-House de eik der Verenigde Staten van Europa plantte, brak op hetzelfde moment in Europa de oorlog uit en in Rome de onfeilbaarheid van de paus.
Over honderd jaar zal er geen oorlog meer zijn, er zal geen paus meer zijn, en de eik zal groot zijn. [1870]
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Victor Hugo, Zelf gezien
364 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1985
Oorspr. Choses vues (1887 en 1900)
Vertaald door Greetje van den Bergh
Privé-domein nr. 106


Hoogtepunten:

Portret van Talleyrand: 34
Gesprekken met de koning over zijn trip naar Engeland in 1844: 55
Portret van paus Gregorius XVI: 69
Pleidooien in de senaat: 75
De folterkamer in de Conciergerie: 85
De gezant van de sultan van Marokko op bezoek: 98
Het feest van de hertog van Montpensier: 112
Portret van Hugo’s minnares Alice Ozy: 139
De politieke rol van Lamartine: 153
‘Enkele minuten later was dit vodje papier wet geworden’: 155
De vlucht van Louis-Philippe: 164
Weerloze vrouwen die door de Nationale Garde worden afgeknald: 184
Aan het sterfbed van Chateaubriand: 184
Portret van Blanqui: 205
Het gestoei van Louis Bonaparte in het Bois de Boulogne: 217
De dood van Balzac: 219
Twee dieven: 232

___

zondag 23 januari 2011

Uit de feedreader [16]

Maandenoud leesvoer.

> Etienne Vermeersch: veertig jaar rechtlijnig denken

> Do typefaces really matter?

> The God metaphor [.pdf]

> How WordPress changed the way we publish

> The digital cast of being: metaphysics, mathematics, cartesianism, cybernetics, capitalism, communication

> The art of slow reading

> Everyone agrees that portion sizes in depictions of the Last Supper have grown

> What the human brain can and cannot comprehend, and why

> The Edgar Awards

> Dit is geen recensie - Daan Stoffelsen

> Carlin Romano on Hitchens

> The best magazine articles ever

> An agnostic manifesto

> Living with a computer (1982)

> The world's most bizarre man-made disasters (photos)

> Scientists say free will probably doesn't exist, but urge: "Don't stop believing!"

> Deepak Chopra - The "quantum flapdoodle" of the New Age

> Words - by Tony Judt

> Copy editing at The New Yorker with Mary Norris

> The ten most disturbing scientific discoveries

> "Cold Off The Presses" is a growing collection of classic anarchist pamphlets and journals

> Beknopte cursus Baskisch

> Political activist Mickey Z versus apolitical quietist Tom Bradley

> Communism, rising and falling

> Who's deluded? An atheist just doesn't get Aquinas

> How to visit a socialist country

> Those beliefs look good on you

> 7 people who won the lottery and did something really stupid

> Paris under water : how the city of light survived the great flood of 1910

> Books on the Dreyfus affair

> The downfall of human rights

> The French tradition of brainy sabotage lives on

> A neuroscientist imagines life beyond the brain

> Cosmopolitan citizenship in the Middle East

> Wisdom : from philosophy to neuroscience

> Internet pioneer David Gelernter predicts the next stage of development of artificial intelligence

> In the 19th century, American writers struggled to discover who they were and who we are

> The ghost of Thomas Hobbes

> In effort to boost reliability, Wikipedia looks to experts

> The unsolid Earth

> Arabian nights, Baghdad days : romancing the Middle East

> Wikipedia's war on porn

> A masterpiece of nature? Yuck!

> Deconstructing Prince Charles

> A review of 'The narcissism of minor differences : how America and Europe are alike' by Peter Baldwin

> What social science does and doesn’t know

> Frans de Waal on the human primate : make love, not war

> Rescuing the Enlightenment from its exploiters

> The marrying kind

> The most despicable philosopher in the West finds a new reason to put down Gandhi

> What university life looks like to one who has found his way back after strange travels outside the village walls

> The pope is not gay

> The colonization of real-time and other trends in Web 2.0

> State of the world's indigenous peoples

> Two books try to reclaim the mystery of existence

> A brief history of celebrity

> Heterosexual female and male body image and body concept in the context of attraction ideals

> Academic wiki projects

> Why Russia still matters in the Asian century

> What religious arguments are really about

> Skeptics cite 700 "scientists" who doubt global warming

> This whole “New Atheism” movement is only a passing fad

> The New Atheists show no evidence whatsoever of knowing what they are talking about

> The goodness of godlessness

> The books that separate global warming fact from fiction

> Climate ethics

> 5 pop culture classics created out of laziness

> How supermodels are like toxic assets

> The taxonomy of the nerd

> The state of internet music

> The eighties are back, and they’re bad

> Richard Dawkins’ 'The God delusion' and atheist fundamentalism

> Western political models and their metaphysics, part I : The two political philosophies of the West

> Arab photographers' view of the "Orient"

> The deadly jester: Slavoj Žižek

> 15 sites that were before their time

> Google may know your desires before you

> Ben Goldacre tells Julian Baggini why he expects rigour in the reporting of science

> How to build a time machine

> A new clue to explain existence

> In 1905 modernism and fantasy met in the jungles of colonial Ceylon

> Hermeneutics and inter-cultural dialog: linking theory and practice [.pdf]

> Rethinking Israel and Palestine

> Ethical marxism

> A new kind of lingua franca

> The Gutenberg Press, filing cabinets, marxist newspapers, ballpoint pens, Live Journal, YouTube: the more things change, the more they stay the same

> What the new success books don't tell you about superachievement

> Planet doom

> In this tangy bon-bon of nihilistic materialism, Lovecraft anticipates a peculiarly modern experience of dread

> Why democracy is always unfair

> Google does not really talk about all of the rules that govern the ranking of images

> Scientists indict state capitalism

> Government involvement with science and art

> Parents choosing more unusual baby names now

> 5 myths about immigration

> How the serious art world got rocked by Pop

> The bullshit artists

> What makes a cult film?

> Video games as art

> Slow travel offers an antidote to today’s fast-paced lifestyle

> Religious ambiguity, agnosticism, and prudence

> Bookreviews in Equinox

> The reception of Peter Singer's theories in France [.pdf]

> The future of cities

> Popular culture after postmodernism: Borat, Family Guy, The Office, and the awkwardness of being earnest

> The fifty best books

> The fifty worst books

> Conservatives should embrace more of our popular culture

> Orwell's liar

> A load of old Orwellian cobblers from Fisk

> Bad writing and bad thinking

> The idea behind the Oxford bibliographies online

> Found in translation

> Maps that changed the world

> On war and choice

> Why soldiers get a kick out of killing

> On epigraphs

> The sociology of Avatar, The X Files and The Simpsons

> Kevin Kelly tells technology's epic story

> New digital tools

> Population: the last taboo

> Essays on the art and craft of creative nonfiction

> A new life: Ibsen

> Why Charles Dickens was among the best of writers and the worst of men

> Europe's answer to Wall Street

> Mary Beard: a classicist in a class of her own

> The biology behind the sometimes irrational, often emotional choices we make about money and other things we value

> How to overcome poetry phobia

> The paradoxes of liberty : the freedom of speech (re-)considered

> Wisdom: from philosophy to neuroscience

> How to write a better weblog

> Why the great books aren't the answer

> Why the great books are the answer

> So you want to be a futurist? Better be ready to do a lot of reading

> 20 things you didn't know about... light

> Notes on disappearance

> Everyone eats … : but that doesn’t make you a restaurant critic

> The future of food and its supply

> The new math of poetry

> The unintended value of the humanities

> 5 reasons you should be scared of Google

> How do I archive stuff on the Web so I know they'll have access to it, whenever they want, for at least the next 40 years?

> Digital screen dependency: how “Real Life” is now “lived”

> Seven suggestions for newspapers

> Ten of the greatest philosophical principles

> What is a philosopher?

> Why boys won't read

> Western political models and their metaphysics, part II: on the differences between a republic and a democracy

> Biological roots of today's anger

> Mark Twain essay, 'Concerning the interview'

> What's with steampunk?

> Most cited authors of books in the humanities, 2007

> Hephzibah Anderson gave up intercourse for a year

> What poetry reviews are for (and up against)

> The 2010 TIME 100

> Least influential people of 2010

> Michael Doliner on Christopher Hitchens

> Ideological segregation online and offline [.pdf]

> From its social model to its eco-policies, Europe has much to teach the US

> Conversations with literary websites: The Rumpus

> Weighing the evidence on exercise

> 'Our undiscovered universe : introducing null physics' by Terence Witt

> Every black hole contains another universe?

> Neurocriticism and neurocapitalism

> Gray on Grayling

> Illegal people: how globalization creaters migration and criminalizes immigrants

> Authoritarianism vs. the internet

> Review of 'Reality hunger' by David Shields

> The top 20 most annoying book reviewer cliches and how to use them all in one meaningless review

> How pornography drugs & changes your brain

> Men are from Dune, women are from Pemberley? Leaping recklessly into the literary gender gap

> 10 unfilmable books

> Want to have sex with your favorite porn star?

> Why men don't read books

> The end of criticism

> Only a select few people in the world get irony

> Dalrymple on the Hitchens's

> 50 best true crime books: truth stranger (and scarier) than fiction

> The 50 best author vs. author put-downs of all time, and part 2

> Belgium doesn't exist

> Why Catalan’s ‘days are numbered’

> When Arabic suddenly starts appearing in Latin script, then things get really complicated

> Is progress always progress?

> Global moral decline and who’s to blame for it

> Pico Iyer explores the lives and work of writers Jan Morris and V.S. Naipaul, two "master portraitists" of place

> Harvard’s libraries deal with disruptive change

> The modernist project of post-humanism [.pdf]

> When you read a book, it is a story within the story

> Fascism: Italian, German, and American

> A new world order in intellectual property

> The enduring truth-telling of Noam Chomsky

> Greil Marcus - Notes on the making of a new literary history of America

> Book reviews by Johann Hari

> Libertarianism is unique

> A trip down the Danube

> A cultural history of climate

> Rethinking EU citizenship [.pdf]

> What can we learn from the top books on the financial crisis?

> Judt on Milosz

> From the Spanish civil war onwards, writers were forced to negotiate a perilous intellectual divide

> Yehuda Halevi is one of the great poets of the Western tradition

> Canada used to have a vibrant critical culture

> And how to learn to love 'Ulysses' for anti-Joyce-ites

> Hyperbolic rhetoric threatens to swamp our politics

> 5 ridiculous gun myths everyone believes (thanks to movies)

> Why parents hate parenting

> Historical confusion and contemporary anxieties about marriage

> The 700 habits of highly ineffective parents

> The world’s ongoing ecological disasters

> The specter of ideological apparatuses

> Are there too many people?

> Stereotyping people by their favorite websites

> What is the fascination of the glittering famous?

> A web-centric approach to traditional journalism

> Dog people vs. cat people

> Is social networking making us dumber?

> The 10 most important things they didn't teach you in school

> 12 events that will change everything

> Books vs. addictive internet news

> On the mediocrity of Arthur C. Clarke's science fiction

> 40 things you need to know about the next 40 years

> Aiding the world's worst dictators [.pdf]

> We must stop the avalanche of low-quality research

> Lambasting the quality of online book reviews is nearly as common as mourning the death of print

> The European idea is dying of its own contradictions

> The constitutive pluralism of a rational politics

> On Battlestar Galactica

> Is the art world any realer than reality TV?

> Architecture in the age of Gehry

> Is Belgium about to break in two?

> Belgians just don't speak the same language

> As the Belgian elections prove, language can be a divisive issue

> The 50th anniversary of SETI, the Search for Extraterrestrial Intelligence

> Popmatters on Hitchcock

> Blogging the periodic table

> 'Plus sized' clothes : translating the baffling euphemisms

> Men are barraged with images of extraordinarily beautiful and unobtainable women in the media, making it difficult for them to desire the ordinarily beautiful

> Attitudes towards immigrants in western countries [.pdf]

> How HDTV scrambles beauty standards

> Harry Potter through the focus of feminist literary theory [.pdf]

> What is a "law of physics" anyway?

> When we listen to music from another culture, it's easy to get it badly wrong

> A content analysis of music fan blogs

> A brief history of early museums online

> Neutrality and pluralism [.pdf]

> Bierced: on Ambrose Bierce

> Kafka's angel: the distance of God in a post-traditional world [.pdf]

> 5 damaging myths about beauty

> ‘Appearance discrimination’: The new racism?

> Lady Gaga: fame over

> Explaining the acculturation of newcomers to multiplayer online games as cross-cultural adaptations

> Book publishing website: the best and worst (photos, poll)

> One reason why humans are special and unique: We masturbate. A lot

> The web hottest trend

> Deconstruction and excision in philosophical posthumanism

> How feminist blogs like Jezebel gin up page views by exploiting women's worst tendencies

> 'On the origin of species' was written according to classical rules of rhetoric

> Michael Jackson’s 1983 “Thriller” remains the most popular music video of all time

> Why some smart, nonreligious people doubt the theory of evolution

> The trouble with Amazon

> The non-existent Hand - Joseph Stiglitz

> How old can a ‘young writer’ be?

> 52 incredibly useful sites: the full list

> Bill Bryson - Local stories for global people

> Slide show: Henri Cartier-Bresson, genius at work

> Jeremy Harding writes about the future of food and its supply

> The celestial teapot : letter to a christian nation - Sam Harris

> The high cost of cheap fashion

> In defense of the memory theater

> What Darwin got wrong

> The social psychology of freedom

> The man who keeps finding famous fingerprints on uncelebrated works of art

> Vegans and the quest for purity

> The Hitch: an attempt at understanding

> Joods Actueel: een getto van joods gelijk

> De tien geboden van Maarten van Rossem

> Video games and the philosophy of art

> We can’t make the world financial system immune to shocks

> How Google’s open-ended maps are embroiling the company in some of the world’s touchiest geopolitical disputes

> Video en audio downloaden van deredactie.be en sporza.be

> Words in pictures: E. M. Cioran

> Maugham sur le fil du rasoir

> The prescient science fiction of Thomas M. Disch

> A defense of common sense - G. E. Moore

> Austria’s hollow center?

> Inside the mind of the anonymous online poster

> L=A=N=G=U=A=G=E Magazine online archive

> Facebook is big, and it seems to be everywhere

> Dostoïevski traduit, mais Dostoïevski adapté, amélioré, francisé…

> Hofmann damns even Zweig's suicide note

> Marcus Aurelius: a life

> Why experts keep failing us

> The letters of Pliny the Younger

> Flaubert's simple heart

> Greek mythology link

> Checking in on Saturn

> The cluster of nations at the centre of Europe has left us a remarkable literary legacy

> As technology advances, deep reading suffers

> The book, the scroll, and the web

> Your book as a database deel 1, deel 2, deel 3

> The ongoing popularity of vinyl records

> Writing: theory and history of the technology of civilization

> Beyond representation: deliberate reading in a panarchic World

> A [S]creed for digital fiction

> Ebooks, libraries, and feelies

> The pattern behind self-deception

> On your Marx : neoliberalism on the rocks

> Utopia's and dystopia's

> 25 ideas to change the world

> On Norwegian literature

> The man who blew up the welfare state: Stieg Larsson

> Hail the 21st-century Enlightenment

> The embarrassment of theory?

> In praise of tough criticism

> A basically "positivist" style of literary scholarship

> Bad modernisms

> Critical credos

> The great masturbation debate

> The sexbots are coming

> In what ways is immersion in digital technologies changing us as humans?

> Cuba: a way forward

> Are fathers necessary?

> Making the case for middlebrow culture

> Subtleties: on subtitles

> Wikiwikiwikipedia

> The hidden wealth of the catholic church

> Phony wildlife photography

> Religious plurality in Xena: Warrior Princess

> The linguistic turn and other misconceptions about analytic philosophy

> Kant and the turn to romanticism [.pdf]

> Dewey on philosophy and science [.pdf]

____

Related Posts with Thumbnails