Superheld - Alex Agnew
Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts maakt al jaren goede sier met sympathieke autobiografieën van Bekende Vlamingen. Neem een kijkje in de Standaard-boekhandel: Ik ben God niet van Frank Vandenbroucke, Met hart en soul van Natalia of Overleven van Jean-Marie Pfaff. Opvallend is dat ook dertigers complexloos met hun levensverhaal op de proppen komen. Superheld van Alex Agnew — mooi uitgegeven door Linkeroever — past in dat rijtje. En toch ook weer niet.
Typisch voor het soort boeken waar ik op doel, is dat er nauwelijks iets in staat dat de geïnteresseerde leek nog niet weet. Integendeel, zo'n autobiografie laat nog eens alle bekende hoogtepunten en dieptepunten uit het leven van de revue passeren, ingebed in de vaak afgezaagde herinneringen van de auteur. Alsof de lezer in een vertrouwd familiealbum bladert, of luistert naar een sterk verhaal op café. Vaak bevatten de boeken ook echt een nostalgisch fotokatern. Ze zijn dan ook vooral handig voor wie al fan was: het boek kan in de kast, de eigen knipselmap in de prullenmand.
In weerwil van hun naam zijn de meeste van die autobiografieën trouwens niet zelf geschreven. Het verhaal van de BV wordt 'opgetekend', zoals dat zo mooi heet, door een journalist of ghostwriter. Daarom zijn ze ook altijd te dik: het zijn bijna letterlijke transcripties van cassettebandjes.
Omdat ze niet zelf geschreven worden, zijn het eigenlijk verkapte biografieën. En met die wetenschap wordt het mogelijk een paar andere gebreken van het genre op te sporen. In het aardige boekje De zeven hoofdzonden van de biografie maakt Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, een onderscheid tussen twee types biografieën, de low en de high biography. De termen 'low' en 'high' slaan niet op het onderwerp (populaire en hoge cultuur) maar op de werkwijze van de biograaf. In het Nederlands spreek men van een commeroratieve biografie en een kritisch interpreterende biografie. De autobiografietjes die ik in de inleiding aanhaalde blijken nogal wat gemeen te hebben met de commeratieve biografie.
De commemoratieve biografie verschijnt meestal naar aanleiding van herdenkingen en jubilea. Mannen en vrouwen (dood of levend) die zich in het openbare leven opvallend hebben gemanifesteerd, worden bedacht met een biografie die hun reputatie luister bijzet. De kritisch interpreterende biografie daarentegen baseert zich op uiteenlopend bronnenonderzoek, zowel persoonsgebonden (brieven, dagboeken, gesprekken...) als meer indirecte bronnen (kranten, getuigenissen...).
Het is niet zo dat een kritische biografie alleen maar feiten presenteert, en dat zo'n biograaf zijn fantasie achterwege laat. Dat is onmogelijk: voorstellingsvermogen is altíjd nodig om tot een synthese te komen. Wie zijn bronnen het verhaal laat structureren, ontbeert een overkoepelende visie die het materiaal bindt. Wél gaat de kritische biograaf uit van een paar duidelijk omlijnde onderzoeksvragen die hij in de loop van de tekst probeert te beantwoorden, waar een commeratief biograaf alle informatie verzamelt die hij te pakken kan krijgen om daarmee een feestelijke tekst te componeren.
Hét grote verschil tussen een kritische en commemoratieve biografie is echter dat in de commemoratieve biografie de gebiografeerde eerder in zijn uniciteit bevestigd wordt. De verzetsheld wordt meer verzetsheld, de voetballer wordt nog meer bijzonder dan we al dachten. In een kritische biografie worden figuren meer als typisch voor een bepaalde tijd, omgeving of bevolkingsgroep geïnterpreteerd. Bij een autobiografie schrijft een auteur vooral vanuit zijn eigen herinneringen. Zelfoverschatting en zelffelicitatie liggen daarbij altijd op de loer (de autobio van Paul Jambers telt 717 bladzijden). Maar een mens is grotendeels het product van de tijd, de tijdsgeest, de opvattingen van zijn milieu en de mensen die hem omringen. Wie dat over het hoofd ziet, bedondert de kluit en vertelt slechts de helft van het verhaal.
Wat vind jij, Geert?
Om alle misverstanden voor te zijn: Superheld werd overduidelijk door Alex Agnew zelf geschreven. In de — matig gestileerde — broodtekst vertelt hij waar hij vandaan komt, schetst hij zijn gezinssituatie, de klim naar de top, de tol van zijn eigengereide aanpak. Zoals ik al voorspelde: enige zelfgenoegzaamheid ("Ook in mij zit er zo’n ongelooflijk diep gewortelde fuck you naar eender welke vorm van autoriteit") is hem daarbij niet vreemd, en wie verder wil kijken dan Agnew en iets wil opsteken over het functioneren van het Vlaamse comedywereldje en de belangrijke spelers achter de schermen, komt bedrogen uit. Ook over de zakelijke kant geen woord.
Maar er is meer. De doorlopende tekst wordt doorsneden met samples uit de drie zaalshows van Agnew. Het zijn echter fragmenten die dood op de pagina blijven liggen: ze hebben de energieke performance, de stem en de stemmetjes van de komiek nodig om tot leven te komen; daar steekt het cursiveren van woorden wel heel bleek bij af. Een van Agnews grote helden, George Carlin, pakte het beter aan en bedreef in zijn boeken een zeer talige humor. Als ik moest lachen met iets uit Superheld, dan was dat omdat ik het origineel kende met de juiste timing en intonatie.
Wat heben godsdiensten ook altijd met hoofdbedekking?Toch heb ik dit boek graag gelezen. Als fan. In zijn rayon van de podiumkunsten — microfoon in de knuist en loos gaan — vind ik Alex Agnew simpelweg de top in Vlaanderen. Ik denk met weemoed terug aan de biertent waar ik 'm in 2002 voor het eerst zag optreden. Een revelatie. Tranen in de ogen van het lachen. Want eindelijk zag ik een komiek aan het werk die het ook eens over mijn leefwereld en mijn jeugd had, over de films en popcultuur die ík kende. Agnew was ook meesterlijk met geluiden — een onderdeel van zijn act waar hij zich naar mijn smaak te veel voor excuseert.
Chassidim dragen van die zotte potsen, katholieke priesters dragen een trapezium op hun hoofd… Alsof een mens altijd iets op zijn hoofd moet zetten.
“Het is godsdienst? Tijd voor een zotte hoed!”
In Superheld vertelt Agnew min of meer hoe zijn carrière van de grond is gekomen. Hij heeft het over zijn ouders, een Limburgse moeder en een Engelse vader. Agnews vader was ook een stand-upcomedy fan. Samen keken ze naar Morcambe & Wise, Jasper Carrott, Ben Elton. Maar het is vooral Dave Allen die invloed op de jonge Alex heeft. John Terrence Agnew kwam uit het Britse stadje Eaglescliffe, kortbij Middlesbrough in het noordoosten van Engeland. Hij moest een carrière als profvoetballer stopzetten, werd technisch tekenaar en nog later burgerlijk ingenieur.
Met zijn interesse voor comics en martial arts valt Alex als puber een beetje buiten de groep. Pas langzaam komt het besef wat hij precies wil gaan doen, en het duurt nog langer voor hij daarmee naar buiten komt. Hij vreest dat "hij het niet aan zal kunnen te onderkennen dat hij alleen in zijn hoofd getalenteerd is". Tal van opleidingen worden aangevat, geen enkele afgemaakt: Germaanse filologie, communicatiemanagement, lerarenopleiding, vertaler-tolk. Agnew probeert het aan de Studio Herman Teirlinck, heeft het beste toonmoment van de week, maar wordt toch niet toegelaten. De jury heeft correct gezien dat hij geen acteur is maar een comedian.
Zoals alle huidige toppers begint Agnew in de kroeg. Bonjour Micro was een cafécircuit gesponsord door een biermerk, waar jonge stand-uppers kort uithaalden naar het publiek en daarvoor weinig meer dan een onkostenvergoeding en een applaus toucheerden. Bekend wordt Agnew pas wanneer hij in februari 2003 als eerste Belg het Leids Cabaret Festival wint (Jury- en Publieksprijs). Na lang te hebben getoerd in de typische line-ups van een comedycollectief gaat hij in 2006 zijn eerste avondvullende soloshow in première, KA-BOOM. In 2007 wordt de show uitgezonden op Canvas.
Tussendoor maakt Agnew sinds 2005 geregeld zijn opwachting in Comedy Casino, het programma dat Patrick De Witte (pdw) maakte op aanvraag van toenmalig Canvas-netmanager Bart De Poot. Comedy Casino loopt nog steeds en vestigde comedy definitief als een populaire vorm van entertainment.
Alex Agnew ligt zonder twijfel mee aan de basis van de huidige comedy-hausse, zeker het genre in zijn meest zuivere vorm: zonder muziek, zonder props. Dat was immers nieuw voor Vlaanderen, kort na de millenniumwende. Inspiratie haalde Agnew vooral uit de Angelsaksische "observatiekomieken" die hij kende, niet uit de Vlaamse moppentappers.
Observatiekomieken? De term is van Agnew: "Allemaal leggen ze de nadruk op de doodgewone dingen des levens, maar allemaal zeggen ze wat andere mensen al duizend keer gedacht hebben. Gedachten die we doorgaans voor onszelf houden, omdat ze te debiel zijn om luidop te zeggen. Maar als iemand dat dan toch doet, wordt het hilarisch." Hij geeft als voorbeeld een soundbite van Jerry Seinfeld: "I like hotels, I enjoy the tiny soaps. I pretend that it’s normal soap and my muscles are huge!" Combineer dat met de grofgebekte, recht voor de raapse aanpak van iemand als Doug Stanhope, en je hebt de antecedenten van Agnew op een rij.
Er zijn vandaag wel heel wat mensen die willen claimen dat ze grondleggers waren van de stand-upcomedy in Vlaanderen, maar dat klopt niet helemaal. Luk Wyns en Jacques Vermeire brachten onemanshows, maar dat is nog altijd een ander beestje. Zij brachten sketches die van de eerste tot de laatste letter uitgeschreven waren. Ook Urbanus wordt genoemd als grondlegger van de comedy in Vlaanderen, wat vreemd is aangezien hij dat ook zelf ontkent. Urbanus was een folkzanger wiens bindteksten grappiger bleken dan zijn songs. Maar hij keek niet op naar Dave Allen of Lenny Bruce, zijn helden waren protestzangers als Bob Dylan. Wouter Deprez en Wim Helsen maakten dan weer eerder komische theatermonologen dan stand-upcomedy.Als zielsverwanten van die eerste lichting noemt Agnew mensen als Nigel Williams en Thomas Smith. Raf Coppens en Bert Kruismans vond hij "te Vlaams". Hij wou het anders aanpakken (geen cabaret, geen piano op het podium) en zou beslist andere onderwerpen aansnijden (géén koers, voetbal, Verhofstadt, paus of prins Filip). Wanneer Agnew zichzelf typeert in Superheld, legt hij meteen goed bloot wat ook mij zo verveelt aan veel andere grappenmakers hier te lande.
Ik wilde het hebben over mijn eigen wereld, de wereld van Star Wars en Transformers. Partijpolitiek of het koningshuis interesseerden mij voor geen meter, nog steeds niet trouwens. En ik zou wat gedurfdere onderwerpen kiezen, dingen die me echt bezighielden, zoals de menselijke gedachten achter een bepaalde ideologie. Ten slotte zou ik me ook door mijn manier van spelen, door dat snelle en agressieve en Amerikaanse, van hen onderscheiden. En het heeft geloond om mijn eigen koers te varen.Comedy vertrekt bij Agnew vanuit hemzelf, schrijft hij. Vanuit zijn interesses, zijn omgeving, zijn bezigheden en vanuit zijn persoonlijkheid. Wie naar zijn shows komt kijken, weet wie hij is en hoe hij over de wereld denkt. Of heeft daar toch een vermoeden van. Andere komieken zijn daar anders in. Agnew fileert perfect de middenstandersmentaliteit van zo'n Geert Hoste:
Geert Hoste vertrekt altijd vanuit de actualiteit, hij gebruikt artikels uit de krant en BV-nieuwtjes om daar een show rond te bouwen. Maar na twintig jaar Geert Hoste weet ik alleen welke krant hij leest. Ik heb er geen idee van wie hij is of hoe hij bijvoorbeeld écht over het koningshuis denkt. Van waaruit vertrekt zijn frustratie over de politiek of de maatschappij? Waarom maakt het hem iets uit wat Verhofstadt doet? Waarom is Brussel-Halle-Vilvoorde voor hem een punt? Waarom is Ignace Crombé voor hem een frustratie? Er schijnt geen persoonlijk, geen visie door. Ik zie geen mens, ik zie iemand die de gazet heeft gelezen en daar mopjes over heeft verzonnen. Iedereen heeft daar toch zijn eigen idee over? Ik vind dat koningen komen van een nobele, adellijke lijn van moordenaars en plunderaars en veroveraars en sadistische, smerige machtswellustelingen die door eeuwen inteelt zijn geworden tot die zielige bende debielen die ze nu zijn. Wat vind jij, Geert?Klappen
Toen de eerste generatie stand-upcomedians in Vlaanderen begon, schrijft Agnew, stonden die mensen vooral vanuit een overtuiging op podium, "want geld of roem vielen er niet mee te halen in die tijd". Dat is nu wel even anders, leert ons een recent artikel in De Standaard. Althans voor de toppers. Mensen als Geubels, Helsen en Agnew kunnen voor hun theatertournee een minimumgarantie van tweeduizend euro of meer vragen. Hun dvd-verkoop loopt vlotjes in de duizendtallen; wanneer het schijfje bij Humo wordt gestoken in de tienduizendtallen. Larger than live, de laatste show van Agnew, was tijdens vijf grotendeels uitverkochte zalen in het Sportpaleis van Antwerpen goed voor meer dan zestigduizend verkochte tickets. Verder zijn cabaretiers zeer gegeerd als humoristische dressing op hedendaagse tv-formats. Een avondje Mag ik u kussen? op Canvas levert voor een comedian duizend euro of meer op, als hij tenminste zijn eigen grappen meebrengt.
De ideeën van Alex Agnew over het vak waren voor mij de boeiendste bladzijden van Superheld. Zeker ook omdat hij scheutig is met het opnoemen van collega's en invloeden. Zoals daar zijn: Lenny Bruce, Mort Sahl, Jackie Mason, Michael McIntyre, Eddie Izzard, Richard Pryor, Eddy Murphy, Brian Regan, Patton Oswalt, Billy Connelly, Robin Williams, Jim Carrey, Chris Rock, Bill Hicks en Joe Rogan. Bij de vrouwen: Dawn French, Jennifer Saunders, Joanna Lumley, Sara Silverman, Fran Dresher en Phyllis Diller. Ik kende zeker niet iedereen en las dit boek met YouTube binnen handbereik. Een aantal van hen snijden heel diep in eigen vlees en zal je daarom nooit zien verschijnen op Letterman of in de Tonight Show van Jay Leno.
De rest van het boek ging me iets te veel op aan de demonen waar Agnew mee kampt. De komiek verliest dan even de desinfecterende werking van humor uit het oog en gaat zitten doordrammen. Al zal het wel kloppen dat Agnew met zijn franke stijl de weg heeft gebaand voor andere comedians. Híj ving de eerste klappen op.
Agnew verdedigt zich tegenover alle minderheidsgroepen (zoals de joden) die elk woord uit zijn shows op een goudschaaltje wegen en probeert uit te leggen dat nuance niet wérkt op een podium. Hij gaat tekeer tegen de "linkse fascisten" die zijn visie niet lusten en hem gebrek aan engagement verwijten. Hij zet de puntjes op de i in verband met een oude plagiaatkwestie (Richard Van Bilzen van De Zwarte Kat beschuldigde Agnew ervan materiaal te hebben gepikt van de Schotse comedian Geoff Boyze). En hij laakt alle vormen van kuddementaliteit en hokjesdenken — niet in het minst bij de politiek correcte goegemeente. Ook als leadzanger van de doodgezwegen rockband Diablo Blvd, de Vlaamse Danzig zeg maar, heeft Agnew ermee te maken.
Pas als je er een viool bijhaalt, ben je goed. Als je een cover van Jacques Brel brengt, ben je de beste. Al die zogezegd diepzinnige navelstaarderij lappen wij gewoon aan onze laars. Fuck it! Wij willen ons amuseren. Als ik een gegarandeerd succes wil in onze contreien, dan bel ik wel even naar Mauro Pawlowski, Tim Vanhamel of die verlopen fooraap Arno, gedragen we ons wat verward en verwaand en we zijn binnen. Alles wat we doen, wordt dan automatisch kunst.Wat me tot slot trof in het boek, is een opmerking die Agnew al vroeg maakt. Elke dag leest hij drie kranten, zegt hij, "een populaire krant, een regionale krant en een krant voor de meerwaardezoeker". Het drukt me nog maar eens met de neus op het feit hoe belangrijk kranten zijn. Niet als overbrenger van gedegen informatie, maar als voederbak voor alle andere media die op dagelijkse basis moeten zien te overleven — rivaliserende kranten, de journaals, de DWDD’s van deze wereld. Agnew verklaart onbewust waarom stand-up comedians goed scoren in programma's als De slimste mens ter wereld. Niet omdat ze zo slim zijn, maar omdat tv-redacties ook weer diezelfde kranten afgrazen op namen, feiten en feitjes. Nooit op samenhangende verhalen of het grotere kader.
Ik heb daar eigenlijk weinig mee. Ik ben van huis uit geen krantenlezer en ben dat nog steeds niet. Mijn eenheid van informatie is altijd het boek geweest. Ik luister naar de radio om over de waan van de dag te kunnen meepraten. Als ik echt iets wil weten, lees ik een boek, een essay of een lang artikel. Ik besef dat niet iedereen dat kan, of wil, voortdurend hele boeken lezen. Daarom vind ik het raar dat er zo weinig goede boeken bewerkt worden voor krant of tijdschrift.
Wie zich wil informeren door specialisten heeft maar enkele mogelijkheden. Het hele boek, het interview met 'de mens achter de schrijver', de vlot weglezende recensie waarin de bespreker de inhoud van het boek laat overwoekeren door zijn eigen mening, én het signalement ter grootte van een contactadvertentie. Op dit weblog, met mijn samenvattingen en syntheses, probeer ik daar op mijn manier iets aan te doen. Ik weet niet of dat een beetje overkomt.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Alex Agnew op YouTube
Alex Agnew, Superheld
142 p.
Uitgeverij Linkeroever, 2010
____

Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen