Een lichtgevoelige jongen - Walter van den Broeck
Walter van den Broeck wordt zeventig vandaag. Dit weekend werd de jarige al op geheel eigen wijze gefêteerd door Herman Brusselmans. "Brusselmans heeft van de hyperbool zo'n versleten stijlfiguur gemaakt dat hij volledig ongeloofwaardig is geworden," sputterde een van de vaste reaguurders tegen. Misschien. Maar het stuk was ook een van de zeldzame keren dat Brusselmans een collega looft, Reve en Salinger niet te na gesproken. Alleen daarom krijgt de tekst gewicht voor mij.
Het artikel deed me in mijn digitale rommelkast kijken wat ik zelf van Walter van den Broeck heb gelezen — die overigens een van de grote afwezigen is in Literatuur etcetera van Pieter Steinz. Het was beschamend weinig. Een paar boeken, geen enkel hoofdwerk. Ik heb WvdB meteen genoteerd op mijn lijst goede voornemens voor volgend jaar. Vlaamse literatuur: als ik er geen huiswerk van maak, komt er niets van in huis.
Het is ook alweer tien jaar geleden dat ik Een lichtgevoelige jongen las. Ik weet nog dat ik dat boek aantrof in een taxfree boekenwinkel in Zaventem. Ik schrok me een ongeluk bij het zien van die titel. Ik was een jaar of twintig en ik dacht toen nog dat ik de wereld moest verblijden met een eigen roman. Iets over een fotograaf die zo gevoelig is voor licht dat zijn stemming eronder lijdt. En dan die titel. Had Van den Broeck dat thema al ingepikt? (Neen. Maar kort daarna ontdekte ik dat de Poolse schrijver Andrzej Stasiuk in Dukla mooier over de uitwerking van licht had geschreven dan ik ooit zou kunnen. Exit romanambities.)
Een lichtgevoelige jongen gaat over een klein ventje dat met zijn "kodak" zaken op de gevoelige plaat vastlegt die het daglicht niet mogen zien. Het rolletje moet dus onklaar gemaakt. Mensen die Van den Broecks oeuvre beter kennen dan ik, weten dat deze twaalfjarige Stijn ook in de Olense Koperstraat woont, net als de hoofdpersoon van Brief aan Boudewijn. Het verhaal is allicht vooral aardig voor wie net die grote werken niet kent. Nu kon ik zonder ballast genieten van het tijdsbeeld dat Van den Broeck neerzet. De Vlaamse jaren vijftig, diep in de provincie.
De Koreaanse oorlog is volop aan de gang en in de VS worden de atoomspionnen Ethel en Julius Rosenberg geëxecuteerd. Maar in een gat als Olen, de geboorteplaats van de schrijver en de held van het boek, kabbelt de tijd rustig voort, hoewel de Derde Wereldoorlog soms akelig dichtbij lijkt. Boven de tafel hangt een koperen petroleumlamp met daaraan een lijmlint dat zwart ziet van de vliegen. Een ingelijste foto van Harry Truman hangt onder opa’s pijpenrek (‘Hij had MacArthur zijn goesting moeten laten doen en hem de Chinees een paar atoombommen op zijn kloten laten gooien'). Tandverzorging is nog niet geheel ingeburgerd zodat iemands gebit eruit ziet "als het kruiswoordraadsel in de Volksgazet".
Ter ontspanning lezen de mensen de avondliedekens van Alice Nahon. Voor de jonge garde is de buurtcinema een belangrijk instituut om contact te houden met de dromen van de rest van de wereld. Soms brengt nonkel Kamiel straffe verhalen mee uit de Congo, over een missionaris die wordt opgegeten "door miljarden mieren." 's Zondags gaat men ter kerke, in een kerk met een groot roosvenster en een ruime deur met ijzerbeslag. Want de Vlamingen zijn nog zeer katholiek, meneer. Voor de vorm toch. Dronkenschap, vechtpartijen, wildneuken en ongewenste zwangerschappen zijn ondertussen niet van de lucht.
Akkoord, op een kruis genageld worden, hevige dorst lijden en niets te drinken krijgen, wat azijn uit een spons daargelaten, en dan op het einde nog een steek in uw zij met een pas geslepen speer moeten verduren, het was allemaal niet niets, maar geroosterd worden op een klein vuurtje zoals Sint-Laurentius, dat was toch straffere tabak vond ik. En geestig was hij ook, Sint-Laurentius. Geef mij uw rijkdommen, had die valse Romein tegen hem gezegd. Met een brede armzwaai had Sint-Laurentius toen naar zijn doodarme gelovigen gewezen. Hun armoe is mijn rijkdom, had hij geantwoord. Die Romein had daar niet mee kunnen lachen en smeet hem op een rooster. Sint-Laurentius zijn specialiteit was sindsdien brandwonden en brandgevaar in het algemeen. Hij stond daar waarschijnlijk speciaal voor ‘t werkvolk aan de hoogoven en in de gieterij. Met hem had ik een geheim verbond omwillen van die rooster en die mop.Het boek beschrijft de gebeurtenissen van één dag, 22 juni 1953, in het dorpje Olen, waar de schrijver een denkbeeldige buitenwijk heeft aan toegevoegd. Dit Klein Korea, bevolkt door een handvol landbouwgezinnen (door de mensen van de Cité 'boerenkloten' genoemd), dankt zij naam aan drie bewoners die als vrijwilligers naar de Korea-oorlog zijn vertrokken. Ook Stijn kijkt met enig dedain naar de overkant, 'Overdevaart'.
Ze hadden niets, die van Overdevaart. Net zomin als die van Achterdekerk. Wie, Lowie, Wettewa, Tetten en ik, hadden Toudfabriek, Tnieffabriek en de hele Cité.Het is vlak voor de zomervakantie. De kinderen hebben een middag vrij van school omdat er over de nieuwe spelling moet worden vergaderd. Ze trekken trekken de weilanden in, de Cité uit naar het gebied dat Overdevaart heet — in de nog jonge wereld van Stijn worden karakteristieken omgesmeed tot robuuste substantiveringen. Felix, een van de vriendjes van Stijn, vertelt dat er zich bij hun boerderij infanteriesoldaten hebben ingegraven om een verwachte eenheid para's te verschalken. Niet ver van Olen ligt een militaire basis, die mee zal doen aan een legeroefening onder de codenaam Newborn ("Njoeborn"). De oefening zou bedoeld zijn om de soldaten gevechtsklaar te maken. Die zouden immers over een paar weken naar Korea vliegen om daar tegen de communisten te gaan vechten.
Stijn gaat mee naar Overdevaart, maar hoopt er eigenlijk alleen Martha te ontmoeten, het twee jaar oudere zusje van Felix dat de dag voordien in cinema De Vrede zijn hand heeft vastgenomen en wier droombeeld hem de afgelopen nacht tot zijn eerste zaadlozing heeft geïnspireerd.
O, Martha, raak mij aan en leer het mij, want ik versta niets van de wereld, ik wil er zo gauw mogelijk uit verdwijnen. Ik wil opstijgen, samen met u als het kan, naar het sprookjesachtige binnenste van de wolken die daar boven Geel steeds hoger lijken te worden en weer naar ons toe lijken te drijven. Naar de diepblauwe rivieren met de hagelwitte zeilboten, naar de gouden steden met de slanke minaretten, naar de groene oases met de schaduwrijke palmbomen.Het wordt een dag vol inwijdingen. Voor de eerste keer waagt Stijn zich buiten de kom van het dorp, voor het eerst drinkt en steekt hij een sigaret op, en op een gegeven moment zit er zelfs seks, echte seks, aan te komen. Het is helemaal conform het karakter van Overdevaart, dat bevolkt wordt door boersere, ongeremdere types dan in de Cité en in de ogen van Stijn langzaam iets aantrekkelijks krijgt. De lessen die hij op school heeft geleerd zijn hier opeens niet meer van tel. Hier gelden natuurwetten.
‘Om te poepen met veel schuim doe dan Persil in de pruim !’Maar echte inwijding gaat natuurlijk gepaard met het verliezen van onschuld. Van den Broeck weet dat. De legeroefening zakt daarom als een pudding in elkaar, omdat de vijand niet komt opdagen. Voeg daarbij de hitte, die de verveelde soldaten goed bronstig maakt, en je weet wat er staat te gebeuren: zwijnerijen, handgemeen en zattepraat. Overdevaart wordt alsnog een slagveld, met soldaten en boerenzonen die elkaar naar het leven staan.
Dat riep Tetten vanaf een weipaal. Hij spreidde plechtig de armen zoals Christus aan het kruis en sprong er meteen na zijn mededeling weer af. Kommenist en zijn broers lachten een lach die als ijswater over mijn rug liep. Natte gaf Tetten een vriendschappelijke hengst tussen de schouderbladen die hem languit in het gras deed belanden. Weer gelach. Ook van de vrouwen nu. En zelfs van Martha.
Stijn staat er bij en kijkt ernaar — door de lens van zijn aftandse kodak. Dit ontroerende beeld moeten we waarschijnlijk opvatten als een voorafspiegeling van het schrijverschap an sich: de schrijver die per definitie afstand neemt tot wat er voor zijn ogen afspeelt, maar het toch op een blijvende manier vormgeeft. Stijn kampt daarbij met gewetensproblemen. Hij heeft de wereld in al zijn onvolmaakte glorie aanschouwd en vraagt zich af of, en op welke manier, hij zijn verhaal wereldkundig maken moet. En waar blijft hijzelf in dit alles, niet als observator, maar als handelend wezen?
Zonder spiegel zou ik zelf nooit op de gedachte komen dat ook ik hoofdhaar, een voorhoofd, wenkbrauwen, een neus, een mond en een kin kon hebben. Zonder spiegel zou ik geloven dat mijn hele leven gezicht één groot kijkgat was.De laatste dertig bladzijden zijn de beste van het boek. Walter van den Broeck is een van die schrijvers die zich moeite getroost om mensen op te voeren in de volkstaal, zonder daar helemaal mee samen te willen vallen en zo zijn eigen parodie te worden, zoals Leo Pleysier.
Hij houdt van het volkse, van de provincie, van de traditionele vertelling ook. Twee jaar na Een lichtgevoelige jongen zou hij Op gelijke voet publiceren, een heel terechte 'brief aan cultureel Vlaanderen' waarin hij kritische kanttekeningen plaatst bij het snobisme van de stadscultuur ten aanzien van de 'provincialistische' cultuur. Van den Broeck klaagt er ook de subsidievretende vormexperimenten van de grote theatergezelschappen in aan.
Van den Broeck hoort in een andere traditie thuis, die van Buysse, Streuvels, Claes, Timmermans, Walschap, Boon, Claus. Hij steekt dat ook niet onder stoelen of banken, getuige de leeswijzer vooraan Een lichtgevoelige jongen.
Voor Cyriel, Stijn, Nest, Felix, Gerard, Lowie, Piet, Hugo en al die anderen.Ik van mijn kant voel nog altijd aarzeling om het werk Cyriel, Stijn, 'Nest', Gerard, 'Lowie' en Felix in te duiken — Hugo vormt geen probleem, omdat hij zoveel toevoegt —, en ben daarom blij dat Van den Broeck die naturalistische school gedurende zijn hele carrière heeft willen updaten. Maar het wordt tijd voor zijn grote boeken. Volgend jaar. Beloofd.
De tijd zal maandag 22 juni 1953 zij, de plaats zo min of meer mijn geboortedorp waaraan ik pour le besoin de la cause Klein Korea zal toevoegen, een onbestaande wijk in de buurt van de Mosselgoren, plus café De Verloren Duif, café De Zegge en nog een paar kleinigheden.
Echte en verzonnen personages zal ik door elkaar gebruiken. Echte en fictieve gebeurtenissen zal ik bij elkaar verzinnen zoals jullie het mij hebben voorgedaan.
(Gebaseerd op notities van 10 november 2001.)
Walter van den Broeck, Een lichtgevoelige jongen
207 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2001
____

Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen