Ik ben niets veranderd - J.J. Peereboom
Televisie is een medium dat schreeuwt om actie. Niemand kan minutenlang naar een stilstaand beeld kijken. Ook in biografieën houden we graag van afwisseling. Begin- en eindpunt zijn niet eens van belang, als we maar iemand zien evolueren. Roddelbladen werken, op hun manier, volgens hetzelfde principe: sterren worden gretig gelanceerd, om ze drie jaar later mooi van hun sokkel te kunnen schieten. In dagboeken mag het allemaal wat monotoner.
J.J. Peereboom was anglicist aan de Universiteit van Amsterdam en recensent voor, onder meer, NRC Handelsblad. Van 1958 tot 1971 verbleef hij in Londen en van daaruit seinde hij stukken door over Engelse literatuur naar zijn vaderland (niet zijn moederland; zijn moeder was een Engelse). "Ik schreef vooral informatieve stukken over boeken waarvan ik dacht: dit moeten jullie in Nederland absoluut lezen," zal hij later over die periode zeggen.
Zijn literatuuropvattingen waren behoudsgezind. Hij vond dat een roman inzicht moest bieden in menselijke verstandhoudingen. Zijn hart, las ik in een memoriam, ging uit naar de Angry Young Men — Kingsley Amis, John Osborne, Alan Sillitoe — maar Peereboom nam het ook op voor Graham Greene, Iris Murdoch, A.S. Byatt, Peter Carey, Joyce Carol Oates, en William Trevor. Trots was hij op de manier waarop hij het werk van Joyce Cary had aanbevolen aan Nederlandse lezers.
Die belezenheid kon Peereboom goed verstoppen in zijn persoonlijke notities. Een copieus journaal is Ik ben niets veranderd überhaupt niet. De notities, een honderzestigtal, wat niet veel is voor een periode die een paar decennia bestrijkt (1958-1976), zijn naar Peerebooms woonplaatsen ingedeeld. Eerst het Italiaanse Cortona, dan Chelsea, Hampstead, Laren en Amsterdam, met een intermezzo in de Ardèche.
Het zijn de zorgvuldig opgetekende gedachten van een ietwat grijze conservatief. De Engels-Nederlandse roots zal er wel voor iets tussenzitten. Peereboom vertelt met smaak het verhaal van een Duitse theoloog die naar Leiden kwam om te doceren, maar in dat vlakke land geen metafysische gedachten kreeg.
Tussen de regels gaat Peereboom er prat op geen rekening te houden met de waan van de dag. In een andere bui vindt hij die hele 'nuchterheid' van hem net een vreselijk begrip, dat hij gelijkstelt met gebrek aan intelligentie en verbeeldingskracht: "wij zijn te ver buiten bereik van ontroering en vreugde en verwondering om ons ergens anders druk over te maken dan de openbare orde". Peereboom is 'n beetje een houten klaas, die zich kreunend en blazend overeind hijst uit zijn stoel; maar dat betekent niet dat zijn zoon, ondanks alle sociale vooroordelen, geen balletdanser mag worden (p. 41).
Avonturieren zit niet in zijn bloed. Al vroeg in het boek heeft Peereboom genoeg van het leven in Italië. Dus zou hij eigenlijk gewoon naar het station moeten gaan, dat van Terontola, op de lijn Rome-Milaan. Maar zoiets doet hij nooit, hij blijft altijd overal tot de afgesproken tijd.
In romans lees ik soms tot mijn verbazing van mensen die het ineens te veel wordt: zij stappen bruusk uit de laatste trein in een gemeente waar zij niemand kennen, of zij springen op, halverwege een gesprek, en zijn in een oogwenk uit het zicht. Het lijkt mij altijd lastig: andere afspraken lopen in de war, je moet telefoneren of zelfs schrijven om excuses te maken. Misschien is het in werkelijkheid veel eenvoudiger, en excuses kunnen zeker iets heel aardigs hebben. Het bezwaar van niet bewust onhebbelijke dingen doen is bovendien dat men zich gaat verbeelden altijd normaal te doen, en dus gelijk te hebben.Verderop (p. 56) overwint hij dan toch zijn weerzin tegenover reizen, denkend aan de tijd van voor de industriële revolutie, toen mensen alleen boeken en hun denkvermogen hadden om perspectief en onvermoede vergezichten te onderscheiden.
Wat me erg aansprak in dit boek waren Peerebooms rustige constateringen dat er toch wel erg veel blijft zoals het is. Meer nog: dat de wereld na roerige tijden snel weer verder doet op oude voet. "Vijftien jaar later is alles weer bij het oude, alleen cultuurkenners zien na een lange studie van elkaars boeken het verschil." In het licht daarvan heeft het wel iets dat de stem in dit Privé-domein al die jaren alleen iets zegt als ze de behoefte voelt opkomen. Dat geeft die opmerkingen, hoe summier ook, meer gewicht. Zo schoot ik in de lach wanneer Peereboom in 1970 aantekent:
Sinds de Wrights zich van de grond verhieven met een machine zwaarder dan de lucht heb ik geen verrassing meer ondervonden. De atoombom kan desnoods in aanmerking genomen worden als een verrassing tweede klasse; wat dat geploeter naar de maan en terug betreft, dat haalt niet eens de derde.Nieuwe trends zijn er natuurlijk altijd, maar de impact van die trends wijt Peereboom vooral aan de lippendienst van al die mensen die er een prettige baan aan ontlenen, of, "nog erger", een filosofie.
De ontwikkeling van de beschaving is voor de pure soldaat niet vriendelijk geweest. Naar moed en spierkracht is weinig vraag meer. Overal heeft het woord zich tussengedrongen, en de groep beheerders van het woord heeft zich dan ook geweldig uitgebreid. Behalve de priesters zijn er nu de schrijvers, de wetenschapsmannen, de toneelspelers, de journalisten en de reclame-agenten die er zich op toeleggen om de mensen te bewegen zonder ze aan te raken.Onbedoeld geeft Peereboom daar een prachtige illustratie van, wanneer hij in 1975 de onheilspartijen aanhaalt die luid roepen dat de volgende ijstijd misschien eerder komt dan het leek. Men dacht dus vijfendertig jaar gelden dat het snel kouder ging worden — niet warmer, zoals nu.
Veel cultuurpessimisme komt domweg voort uit het verglijden van de jaren. Gemopper en geklaag kan ook een verdedigingsreflex zijn. Het aanpassingsvermogen van de mens is niet oneindig rekbaar. Peereboom stelt vast dat mensen die in pakweg 1910 geboren zijn, "en dus de Eerste Wereldoorlog hebben meegemaakt, de terreur van Stalin, van de Grote Depressie, de terreur van Hitler, de Tweede Wereldoorlog, de atoombom, de dekolonisatie, de bevolkingsexplosie, de luchtvaart, de luchtvervuiling, de democratisering, de seksualisering en de televisering", toch klagen over de "krankzinnige wereld van de laatste tijd".
Bertrand Russell merkte ongeveer hetzelfde op. Wat zedenprekers meestal bekampen is maatschappelijke verandering — verandering ten opzichte van de toestand toen ze geboren werden. Lao-Tze was fel gekant tegen de aanleg van wegen, tegen paard en kar, tegen boten. Toen Flaubert geboren werd, waren al deze zaken al de gewoonste zaak van de wereld. Maar hij had dan weer een hekel aan spoorwegen.
De voornaamste bestanddelen van onze soort blijven dezelfde. Nog belangrijker dan die vaststelling is dat die natuurelementen ernstig genomen moeten worden. Peereboom knikt goedkeurend bij een boek van Anthony Storr, Human aggression. De keerzijde van die gedachte is dat we best wat meer appreciatie mogen opbrengen voor de dingen die zijn wat zij zijn. Een kwartiertje denken aan een volgende oorlog, zegt Peereboom, aan explosie, branden, ruïnes, ontvolkte landen, ontmenselijke kinderen, is een heilzaam recept voor acute onlustgevoelens. De gezapigheid moet in ere hersteld worden.
C.G. zat hier gisteren te betogen in de trant van ‘de Russen worden natuurlijk gesteund door een geweldige overtuiging, dat is toch een betere toestand dan bij ons, waar iedereen maar zo’n beetje doet, en niemand weet wat hij eigenlijk wil’. Ik stelde er geduldig tegenover dat niet weten wat zij eigenlijk willen de ware staat is van mensen die aan hun eerste behoeften voldaan hebben, en dat alleen een behoefte aan bedriegerij vervuld kan worden door een overheid die gaat opgeven wat het dan wel is.De woelige jaren zestig ziet Peereboom dan ook met enige meewarigheid aan. Grote idealen heeft hij niet, "alleen voordelen", en hij staat zeer wantrouwig tegen idealisten die het beste voorhebben met de hele mensheid. "A tree, a rock, a cloud, zei de man in het verhaal van Carson McCullers tegen het jongetje in het café: die moet je eerst leren liefhebben, en vandaar je opwerken tot mensen."
november 1965. — Irritante frasen van de tijd: ‘In onze materialistische wereld’ — vergeleken bij welke wereld waar het niet de eerste zorg was van de mensen om zich materieel in stand te houden, en de tweede om zich een zo groot mogelijk aandeel te verschaffen in wat er beschikbaar was boven het levensminimum? Het zou beter zijn om van ‘onze welvoorziene wereld’ te spreken; en al die kijkers bij hun televisietoestellen, die zijn in ieder geval niet bezig met de behartiging van hun materiële welzijn.De voornoemde Bertrand Russell figureert zelfs nog even in deze notities. Achtentachtig jaar oud is hij in 1961, en hij protesteert met duizenden voorstanders van eenzijdige kernontwapening voor het Ministerie van Defensie. Het lijkt burgerlijke ongehoorzaamheid, maar Peereboom citeert met instemming een ingezonden brief in de New Statesman: alles was netjes met de politie geregeld. "De mensheid stond op het punt zichzelf te vernietigen, daarom hebben wij met de politie afgesproken dat wij twee-en-een-half uur op straat zouden gaan zitten."
Ergers nog: ‘the dilemma of modern man in a world without God’, dat ik weer tegenkwam in een lezenswaardig boek: Robert Brustein, The theatre of revolt. Wat is dat voor een dilemma? Toch naar de kerk gaan of zelfmoord plegen? Wij kunnen het vervangen door agony of despair, of gewoon zinloosheid, dan laat de frase zich tenminste beoordelen. De wereld is helemaal niet zonder God, die integendeel beschikbaar is in allerlei variëteiten, te veel om op te noemen, en wie er een wil omhelzen is verzekerd van geloofsgenoten van alle intelligentiequotiënten. Nee, dat is voor meneer niet goed genoeg, in die variëteiten kan hij toevallig niet echt geloven. Het is mij best, zo niet dan niet: maar het is ondoenlijk om god aan alle individuele smaken aan te passen. Het komt mij voor dat de behoefte aan God verward wordt met de behoefte om ons onafgebroken prettig te voelen. Wij voelen ons lang niet altijd prettig; in plaats van daar rondborstig over te klagen, kunnen wij proberen het publiek te imponeren door over de dood van God te spreken.
Het is een wonder dat die gezwollenheid weer grif wordt opgenomen in de cultuurtaal. Een wonder: is dat niet iets voor u?
Intellectuelen zijn niet per se achtenswaardige mensen, vindt Peereboom. In de eerste plaats zijn ze slachtoffers van hun eigen onrust en eigenwijsheid. "Vervolgens kunnen zij plezier krijgen in de ontdekkingen die zij doen, maar ik zie niet dat mensen die voor hun eigen rekening proberen te praten over het algemeen levenslustiger zijn dan zij die gewoon anderen nadoen." Een overtuiging is meer een kwaal dan een kracht, in de ogen van Peereboom. Het ziekelijke zit gewoonlijk niet in de ideeën zelf die denkers aanhangen, want die zijn achtenswaardig, alleen in de continuïteit ervan. In absolute toepassing pakken alle overtuigingen verkeerd uit. "Men moordt voor de liefde, men maakt kapen voor de vrijheid, men vervalst zich voor een moraal."
Peereboom is de eerste om ook zijn eigen abstracte ideeën te relativeren. Ergens heeft de auteur het over het rare verlangen die ongelezen boeken kunnen opwekken, en de teleurstelling die op dat gevoel volgt, eens de boeken gelezen zijn. Of ze bevatten niets interessants, of ze doen dat wel, maar dan wordt het plezier bedorven door de gedachte dat je alles na een week vergeten zal zijn. Maar dat is ook weer niet erg: "Pas als de geest dood is," staat er een paar bladzijden verder, "voel je dat je met twee benen in de maatschappij staat". Er gaat genoeg bekoring en wijsheid uit van de oppervlakte.
Om de gangbare tegenstelling van diep en oppervlakkig behalve in schrijven ook in conversatie te vermijden, moet ik soms midden in een zin pauzeren, totdat zich een ander woord aanbiedt; ik heb mij al bij herhaling afgevraagd of het eigenlijk maar een pose is. Bij nader onderzoek blijkt dat toch niet zo te zijn. Dat wij een werkelijkheid onder de oppervlakte hebben te zoeken, bij ons zelf of andere verschijnselen, wil er bij mij niet in. De werkelijkheid wordt oppervlakkig waargenomen of zij wordt vervalst. Er blijft altijd een willekeur in het gebruik van die ruimtelijke termen, maar bij mij tenminste is oppervlakte een betere aanduiding dan diepte voor de verblijfplaats van mijn stiekeme en onvermoede behoeften, onvervulde persoonlijkheid en oude vrezen. Een heel stuk van mijn leven heb ik verspild met in mijn duistere zelf te zoeken naar ophelderingen; er kwam er nooit een.Vreemd voor iemand die meer dan duizend recensies heeft afgescheiden, is het gebrek aan literatuur in Ik ben niets veranderd. Een handvol boektitels heb ik genoteerd, niet meer. Misschien bewaarde Peereboom zijn journalen liever voor de gedachten die eens niet door lectuur waren ingegeven, dat kan. Ergens wordt het verschil tussen Engelse en Hollandse literatuur uitgelegd (p. 21), en het verschil tussen de toneelstukken van Pinter en Ionesco (p. 33). Peereboom was een theaterbezoeker die afkerig was van declamatie, en wilde "dat iedereen gewoon stond of hing en de woorden uit zijn mond liet vallen als bonen uit een gescheurd zakje".
Dat de elementen van de werkelijkheid, bij onszelf of in de buitenwereld, moeilijk te vatten zijn komt niet doordat zij zich onder elkaar verbergen, maar door hun grote hoeveelheid en hun vluchtigheid. Wat er desnoods in de diepte gesitueerd kan worden, zijn alleen theorieën en beginselen: geld maakt niet gelukkig, de mensen zijn gelijk, wij zoeken een zin in het leven — al die halve waarheden, half in de zin dat zij zelf en hun tegendelen allebei in zekere mate waar zijn. In een grafiek van een levensopvatting kan men zich die ideeën voorstellen gerangschikt onder de ervaringsfeiten waar zij aan ontleend zijn, en hoe meer zij er in aanmerking nemen, hoe dieper — als het papier anders ligt worden zij natuurlijk juist hoger.
Wat ik hiermee probeer te verduidelijken is waarom diepzinnigheid futiel is op zichzelf. De werkelijkheid waar de ideeën model in brengen moet aan de oppervlakte herkend worden, en het lijkt mij op het ogenblik dat dat het moeilijkste deel van het werk is: de kunst is niet om zo gauw mogelijk de duik naar de diepte te maken, maar om hem zo lang mogelijk uit te stellen.
Peereboom schrijft mooi over eenvoudige genoegens. Hij kan heel wat tijd zoek maken met het lezen van stadsplannen (p. 40) of met het bedenken van lastige vragen in de trant van Max Frisch ("Hoe goed zouden wij elkaar willen leren kennen als het kon?", p. 167). Goed, soms is er twijfel, over een onvervuld leven, zeker in het aanschijn van een onbereikbare vrouw; en ergernis, omdat zijn nachtelijke dromen niet de onmetelijke betekenis hebben die ze bij anderen schijnen te krijgen (p. 76). Dan keert de rust weer, en beseft Peereboom hoe andere mensen eentonige jobs volhouden: door het gevoel van meesterschap over hun werk.
Ergens berekent Peereboom dat wanneer hij zeventig jaar te leven heeft, er maar ongeveer 25.000 dagen voor hem klaar lagen. "Dat wil zeggen, als je 250 gulden zou nemen en ze wisselen in centen en die op een tafel uitstorten, dan zag je al je dagen voor je liggen. Dan kon je bovendien op de grond schuiven wat je al gehad had." Of hij na 1976 nog spectaculair van opvattingen is veranderd, daar moeten we een volgend Privé-domein voor raadplegen, Vraag me niet waarom. Wordt dus vervolgd. Al is des schrijvers eigen prognose niet bepaald gunstig.
Het komt zelden voor, dat men zich voelt veranderen. Misschien eens in de zeven jaar. Ik herinner mij er niets van; het kan zijn dat men geleerd moet hebben de verschijnselen te betrappen. Op het ogenblik is het opvallend dat mijn vertrouwde toevluchtplaatsen bijna uit het zicht zijn geraakt. Met toevluchtplaatsen bedoel ik de beelden en gevoelens waar de gedachten naar terug kunnen keren als zij koud en moe zijn. Er waren liefdes die daartoe dienden; zij waren de grootste toevlucht, maar er waren ook allerlei kleinere: een kamer waarin ik veel gelezen heb, een voorkeur voor frambozen boven aardbeien en een afschuw van documentatie, een paar bedrogen verwachtingen die intact zijn gebleven en de charme hebben gewonnen van rijtuigen in een museum.> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Zulke dingen meen ik mij te herinneren, en zij zijn er nog wel, maar betekenen niet veel meer. Wij hebben hier dus te maken met een geval van ontbinding, tenzij het wijken van de toevluchtplaatsen op de een of andere manier gecompenseerd wordt. O, het wordt gecompenseerd. Waarmee? Dat is nog niet te zeggen. Er kan ook wel helemaal niets zijn, behalve die harde warme wind van zomeravonden die de gordijnen omhooggooit.
Als er iets anders komt, dan wens ik alleen een kleine opwindende verschuiving in de uitzichten en de begrippen. Na jaren lang tegenover allerlei soort frustratie telkens bedenke, dat het in de kleine verschillen zit, zou dat een passende beloning zijn. Het is goed om dat nog even te zeggen, want bij die donkere wind komt er soms de behoefte aan op, al is het sinds lang duidelijk dat er in de wereld een volmaakte harmonie heerst, van leven, verval en dood. Het tekort aan begrip voor de waarheid is niet het grootste, maar het gebrek aan hart ervoor.
J.J. Peereboom, Ik ben niets veranderd : journalen
169 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1978
Privé-domein nr. 45

2 reactie(s):
ivm deze passage "Toen Rousseau geboren werd, waren al deze zaken al de gewoonste zaak van de wereld. Maar Rousseau wilde dan weer geen spoorwegen." Aangezien Rousseau in 1778 overleden is, en er pas in het begin van de 19de eeuw spoorwegen kwamen, vermoed ik dat je iemand anders dan Rousseau op het oog hebt.
Uit het geheugen citeren is gevaarlijk, blijkt nog maar eens. Russell heeft het wel degelijk over Rousseau, maar natuurlijk in de voorwaardelijke wijs: 'He would no doubt have thundered against railways if he had lived to see them.' Stom dat ik dat gedachtenloos heb verbasterd, want ik weet natuurlijk ook wel dat de stoomlocomotief later kwam.
Ik heb het hier veranderd in Flaubert, van wie me nog duidelijk een anti-treinpassage bijstaat, en waar ik ook andere aanwijzingen voor vind:
http://www.bookrags.com/studyguide-flauberts-parrot/chapanal008.html
Een reactie plaatsen