vrijdag 31 december 2010

Het leesjaaroverzicht van Achille van den Branden 2010

Weinig tekst, veel titels. Er wordt zoveel mogelijk doorgelinkt naar de corresponderende recensies op Achille van den Branden. In het andere geval (bij poëzie, bijvoorbeeld) wordt u doorverwezen naar een representatief fragment op Prins van Denemarken. Zie ook de lijst met alle besproken boeken dit jaar op Achille (moet nog aangevuld worden). Zie verder de lijst met alle fragmenten uit de aanraders op PvD.

TRENDS
1.
Ik heb een pak minder boeken gelezen dan vorig jaar, zeker dertig stuks minder. Net nu Boeklog zijn veellezerij duidelijker afficheert, heb ik het wat gehad met de zelfopgelegde tirannie van één boek per dag. Veel vrije tijd gaat nog steeds op aan lezen, maar ik vind het steeds plezieriger om twee, drie dagen aan een echt goed boek te besteden, dan aan weer eens een literair prulletje van goed honderdvijftig pagina's. Het besef is doorgedrongen dat ik alleen op die manier aan de boeken toekom die ik altijd al wou lezen. De prognose voor volgend jaar is dat ik nog minder zal lezen; iets wat zich overigens niet zal laten gevoelen in het aantal recensies.

2. Het aandeel non-fictie en essays in mijn leespatroon staat eindelijk op het niveau dat ik al jaren hebben wou. Er werd ook veel meer non-fictie gerecenseerd op AvdB, wat tot gemor bij enkele lezers leidde. Ik begrijp de klachten wel, behalve de opmerking dat fictie mensen haast per definitie meer zou inspireren of raken. Hoe dan ook ga ik voort op de ingeslagen weg, al zal het aandeel fictie en literair essay ook niet minder worden. Een van de kwaliteiten van een goed medium is dat het blijft verrassen, en van tijd tot tijd moedwillig de lezer van zich vervreemdt.

Bijzonder veel plezier beleefde ik aan de cultuurgeschiedenissen die ik doornam: van de mode, het ontstaan van de landbouw, het verzamelen, het kind, de Belgische kunst, de nacht, het lezen (bis), het geluk, het ontstaan van imperia, de westerse talen, de joodse cultuur, de biologie en de intimiteit. Dit is een genre dat me erg ligt. Daarnaast las ik een traditionele geschiedenis als Byzantium van Judith Herrin. Ook dat viel mee — reden om vanaf nu elk jaar een boek te lezen over een andere grote beschaving.

3. Verhoudingsgewijs heb ik nauwelijks poëzie gelezen. En ik weet niet meteen hoe dat komt. Wie veel non-fictie doorneemt, heeft minder geduld met poëzie, en omgekeerd — zou het dat zijn? Wat er ook van zij, ik wens iedereen zo'n omslagpunt toe. Zoals ik iedereen toewens om uit de geijkte patronen te breken. Mensen die alleen maar poëzie lezen, alleen maar thrillers, alleen maar non-fictie, alleen maar Engelstalige literatuur, en noem maar op, hebben toch echt niet begrepen waar het over gaat. Misschien is dat het ideaal dat ik op AvdB nastreef: lezen in de breedte, omdat je daar paradoxaal genoeg meer van leert dan van lezen in de diepte.

4. Alleen als ik een knuppel in het hoenderhok gooi, middels een of andere boude stelling, laten de lezers van AvdB zich echt horen. Hoewel reacties niet de hoofdbedoeling kunnen zijn, is het goed die wet in gedachten te houden. Zie de stukjes Levensecht en Vier jaar De Papieren Man. Aan de andere kant mag ik niet meer de blunder begaan de discussie aan te gaan met mensen die niet helder kunnen nadenken, de kern van de discussie ontwijken en bullshit verkopen. Never argue with idiots: they drag you down to their level and then beat you with experience.

5. Na dik 700 besprekingen krijgt AvdB eindelijk wat body. Daarmee bedoel ik dat tussen mijn altijd verder uitwaaierende interesses toch wat rode draden zijn te bespeuren. Bedoeling is om in 2011 meer thema-pagina's aan te maken. Wie vindt dat ik me in besprekingen erg bezondig aan namedropping, heeft natuurlijk gelijk, maar moet weten dat het me niet om de namen an sich te doen is, maar om alle gelezen boeken waar grondig over een bepaalde persoonlijkheid gesproken wordt, opzoekbaar te maken. Wie op AvdB een zoekactie start met uiteenlopende figuren als 'Rousseau', 'Stalin' of 'Disney', vindt meteen nuttige titels, en daar ben ik trots op. Ergens werd deze website een lusthof voor de intellectueel genoemd, en dat vond ik een heel mooi compliment. Ter herinnering: met het label desiderata duid ik alle boeken aan waarvan ik de bibliografie heb opgenomen. Ondertussen is het mogelijk via AvdB een hoogstaande leeslijst te vinden over tal van onderwerpen.

6. Traag, heel traag, wordt helder bij welke groep mensen, denkers, schrijvers... ik me goed voel. Ik blijk het nogal te hebben voor de Europese humanistische traditie (al deel ik de verwaarlozing van de harde wetenschap niet), de eerder conservatieve denkers over cultuur, no-nonsense stilisten en beoefenaars van de plain language, de Angelsaksische filosofische traditie en zij die alle ideologen, extremisten, wereldverbeteraars en praatjesmakers wantrouwen. Ik geloof ook in het kunnen kennen van de waarheid.

7. In mei heb ik de app Link within geïmplementeerd op de website. Link within speurt naar gelijkenissen in de post-titels, en zet op die manier boeken van dezelfde auteur bij elkaar, en soms boeken over eenzelfde onderwerp (de boeken van de New Atheists bijvoorbeeld: Harris, Hitchens en Stenger). Omdat het fraai is wanneer onderaan een bespreking wordt doorverwezen naar andere boeken van dezelfde auteur, is dat voor mij een serieuze prikkel om inderdaad meer boeken van eenzelfde auteur te gaan lezen. Raar hoe technologie je leven stuurt.

8. AvdB werd dit jaar gecontacteerd door een slijmerige print on demand-uitgeverij om "samen een leuk boek te maken". Ik heb vriendelijk bedankt. Als ik ooit een best of maak, zal dat in de vorm van een gratis e-book zijn, downloadbaar vanaf deze website. Geen uitgeverij aan mijn lijf. Op reis in Spanje heb ik trouwens zitten broeden op een boek over de 'hoofdzonden van de literatuur'. Maar waar haal ik de tijd vandaan om dat te schrijven?

9. Frustraties zijn er altijd. Frustraties houden een mens aan de gang. Dat ik meer goede boeken lees dan ik kan recenseren op de website, daar loop ik weleens lastig van. De grootste frustratie is dat ik nog zeker tien jaar hard moet werken om zelf iets waardevols te kunnen toevoegen aan een bespreking van een non-fictie boek. Specialisatie interesseert me immers niet. Ik ben een onverbeterlijke generalist. Mijn leespatroon heeft de vorm van een zeer grote omloopbaan; om de zoveel tijd lees ik weer eens een boek over hetzelfde onderwerp. Dus duurt het lang voordat ik ooit ergens een beetje thuis in ben.

10. De blijk van appreciatie van Gerrit Komrij voelde als een overwinning. Het bewijs dat je ook ergens kan komen als je gewoon je best doet. Door je te concentreren op de boeken, alleen de boeken. Onafhankelijk. In relatieve stilte. Zonder subsidies aan te vragen, je het wereldje in te slijmen of interviews toe te staan.



POËZIE
De Slalomsoft en Vloeistof en welvaart van de heren postmodernen Paul Bogaert en Jan Lauwereyns vond ik, ondanks mezelf, de bundels met het meeste vlees aan. Althans, van alles wat me dit jaar aan poëzie onder ogen kwam. Iets klassieker, en ook uitstekend: Omdat ik ziek werd van Bart Meuleman. Menno Wigman maakte in De droefenis van copyrettes een schitterende keuze uit eigen werk; vormvast spleen.


ONTDEKKINGEN
Goudmijn: de lange reportages van A.J. Liebling, waarvan de beste staan in Just enough Liebling. Hoog, laag, breed, diep... en opgeschreven met jaloersmakend gemak.

George Orwell kon bijna alles. Een meesterlijke reportage schrijven (De weg naar Wigan), een boeiend autobiografisch relaas (Aan de grond in Londen en Parijs), een degelijke roman (Happend naar lucht) en, bovenal, ook nog eens tijdloze essays. Het is nu officieel: Orwell is een van de meest relevante auteurs van de twintigste eeuw. Een voorbeeld voor iedereen.

V.S. Pritchett (The living novel, The myth makers) is een heel leesbare criticus. Jarenlang verkeerde ik in de waan dat het een essay van deze Pritchett was dat Robin Williams uit een handboek poëzie scheurde in ‘Dead Poets Society’. Blijkt het daar toch te gaan om een (gehele fictieve) meneer Pritchard.

Maarten van Rossem was me voor het eerst opgevallen door zijn nuchtere uitspraken na 9/11. Waarom moest het bijna tien jaar duren eer ik iets van 'm las? Drie oorlogen is een waardevol vademecum. Heeft geschiedenis nut? een cassante bundel essays. De wereld volgens van Maarten van Rossem het compleetste portret.

Een progressieve filosoof die helder kan schrijven, logisch kan denken en zich op realistische basis inzet voor een betere wereld? Zeldzame combinatie. Bertrand Russell is er zo een. Ik las van hem What I believe, Authority and the individual en Sceptical essays.


TELEURSTELLEND
Nicholas Basbanes
is in A gentle madness meer geïnteresseerd in de prijzen dan in de inhoud van boeken.

De tv-kritieken van Charlie Brooker (Screen burn) bevatten vooral in het begin meer gescheld en turbotaal dan nuttige observaties.

Boze geesten van Fjodor Dostojevski bevat veel te veel ballast die het overzicht in de weg staat.

De metamorfose van de wereld is een nogal vrijblijvende cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw, met Peter Conrad die de boeken die hij gelezen heeft rangschikt volgens willekeurige interessepunten.

John Updike, briljant verhalenverteller, kan voor geen meter dichten (Eindpunt).

Adam Zagajewski schrijft sublieme poëzie, maar belabberde essays (A defense of ardor).


BESTE GELEZEN IN 2010
Nog nooit zoveel behartenswaardigs over het schrijver- en dichterschap bijeengezien in één band als in The dyer’s hand and other essays van W.H. Auden.

John Berger doet je in Anders zien schilderijen bekijken door een marxistische bril.

Waarom haten zoveel oosterlingen het westen? Ian Buruma en Avishai Margalet doen een compacte poging tot antwoord in Occidentalisme.

Een kijk op de interne dynamiek en verdeeldheid in een terroristische cel, in De rechtvaardigen van Albert Camus.

Achtervolgd van Julio Cortázar. Het bewijs dat experimentelen op hun best zijn als ze het niet te bont maken.

Profeten en charlatans van Theodore Dalrymple was het meest ingrijpende boek van het jaar. Ik heb er maanden over lopen nadenken, en ik ben er nog altijd niet klaar mee. Dalrymple durft het aan om de waarde van een boek te zoeken in de mate waarin het dienst kan doen om te leren leven. Dat is iets anders dan geilen op intra-textuele logica, zoals literatuurwichelaars doen.

Alles gaat ten onder, en Midas Dekkers schrijft daar vrolijk over, in De vergankelijkheid.

Het civilisatieproces van Norbert Elias is een kapitaal boek met het allereerste antwoord op de vraag 'Waar komen onze beschaafde omgangsvormen vandaan?'. Ook het tweede deel is prachtig, een geschiedenis van de middeleeuwen tot nu zonder jaartallen.

Felipe Fernández-Armesto hekelt het zelfgenoegzame beestje mens: Dus jij denkt dat je een mens bent?

De jeugdmemoires van André Gide in Niet als de anderen.

Hoe natuurlijk is onze natuur? En onze cultuur? Tijs Goldschmidt doet een gooi in Kloten van de engel.

Eeuwige schoonheid van E.H. Gombrich maakt zijn reputatie helemaal waar. Misschien het meest leesbare kunstboek ooit.

Vader en zoon is het hartverscheurende verhaal van een kleine jongen, Edmund Gosse, die onder de religieuze tirannie van zijn vader probeert uit te komen.

Bas Haring bedenkt prachtige, instructieve beelden om heikele thema's als de evolutiebiologie (Kaas & de evolutietheorie) en kunstmatige intelligentie (De ijzeren wil) uit te leggen.

De baldadige Nederlandse astrofycicus Vincent Icke legt in De eekhoornformule uit wat wetenschap is, wat ze juist niet is, en waarom dat onderscheid zo verdomd belangrijk is.

Clive James liefhebbert in de cultuurgeschiedenis van het oude Europa in zijn magnum opus Cultural amnesia.

Het is goed de intellectuele sapstromen van de twintigste eeuw van de wortel af te kennen, zegt Tony Judt in De vergeten twintigste eeuw.

De westerse cultuur heeft veel te danken aan het Oosten, zegt Jona Lendering in Vergeten erfenis. Schoolvoorbeeld van everything you know is wrong.

Journalisten weten het eigenlijk ook niet, maar houden om den brode de schijn op. Het zijn net mensen van Joris Luyendijk.

Perfect uitgebalanceerde cocktail van essays over boeken, schrijvers en lezers: Into the looking-glass wood van Alberto Manguel.

Niet zijn beste, maar met veel pieken: De meeuw van Sándor Márai.

Waarom is zoveel filosofie obsoleet? Lolle Nauta legt uit, in Onbehagen in de filosofie.

Probeer als schrijver nog maar eens gewoon je werk te doen in deze analfabete tijden. Verboden te lezen van Dubravka Ugresic.

Musea, vrouwen en meisjes van John Updike. Wie haalt dit niveau? In Vlaanderen? Nederland? Daarbuiten?

Vileine literaire kritiek met inside information, van spijtoptanten en nestbevuilers. Lord Gnome’s literary companion, geredigeerd door Francis Wheen.

Hoe je een icoon inkapselt in een baaierd van essays. All the available light : a Marilyn Monroe reader, samengesteld door Yona Zeldis McDonough



DE BESTE BELGEN
Kaloemmerkes in de zep. Weer hard gelachen met Herman Brusselmans.

Charles Ducal schreef met Alle poëzie dateert van vandaag het beste gedichtendagessay tot nu toe.

Geert van Istendael is misschien de enige Vlaamse schrijver bij wie ik uitkijk naar een nieuw boek. Gesprekken met mijn dode god is mooi.

Zo'n klein, intuïtief geschreven pareltje uit de vergaarbak van de Vlaamse letteren: Een heel klein scheepje van Chris Yperman.


GUILTY PLEASURES
Cynisme voor gevorderden: de maximen van La Rochefoucauld.

Kommageneuk van Lynn Truss: Eats, shoots & leaves.


AMNESIE
Zonder te spieken weet ik nu al niet meer waar deze boeken over gingen: De kleur van woede (Elisabeth Barillé), De schoonheid van de man (Florence Ehnuel), The diary of a nobody (de broertjes Grossmith), Wierook en roggebrood (Otto Jägersberg).


HET BESTE BOEK VAN 2010?
Geen flauw idee. Ik heb welgeteld één boek gelezen dat dit jaar verscheen. Een niemendalletje van reclamegoeroe Guillaume Van der Stighelen.


DON'T BELIEVE THE HYPE
Susan Sontag
(Over fotografie) is een essayiste die haar gedachten niet kan ordenen en haar thema's onmogelijk ruim neemt. Lullen in de lengte over 'de' fotografie: what's the use?

Als Gefascineerd door het ergste van Florian Zeller het meest prijzenswaardige is van de recente Franse literatuur, dan wil ik die andere boeken niet eens lezen.


KWELLING
Echt niet om door te komen waren de 'inscripties' van Claude van de Berge in Aztlan, het jungiaans gebral van Northrop Frye in Unbuttoned, het orakelgekakel van Geoffrey O'Brien in The browser's ecstacy en het flinterdunne romannetje Vissen redden van Annelies Verbeke.


OUTSIDERS
De volgende schrijvers en boeken verdienen naar mijn smaak veel meer aandacht:

Dick Hillenius en Wat kunnen wij van rijke mensen leren? Of hoe een brede interesse aan de dag te leggen en eigen gedachten te denken.

Wim Zaal is een onderschat stilist die veel zegt met weinig woorden. Lees De buitenbeentjes. Lees Vlak bij Vlaanderen. Lees Zestig jaar in de beschaving.

Outsider B.R. Myers zet pseudo-intellectuele literatoren in hun blootje, in A reader's manifesto. Verplichte kost.



DE CIJFERS
In totaal 292 boeken gelezen in 2010. Daarnaast 164 boeken gerecenseerd op Achille. De bijdragen van Achille van den Branden waren samen goed voor 1239 A4-pagina's.


[Herkomst foto's onbekend; met excuses]


____

donderdag 30 december 2010

Muziekjaar 2010

De liedjes die mijn jaar kleurden. Ik heb weer eens wat moeite gedaan om me in de nieuwe albumproducties te verdiepen. Zonder veel animo, trouwens. Veel intimistisch geneuzel in de eindejaarslijstjes. Potige rock komt vreemd genoeg vooral van bands die al jaren bezig zijn.

CMYK - James Blake
Het genre dat de Britse electrowizzard James Blake beoefent, wordt 'post-genre' genoemd, las ik ergens.

Banquet (live on Letterman) - Bloc Party
Matt Tong was de beste rockdrummer van de naughties. Jammer dat Bloc Party op het ogenblik voor elektronische 4/4 beats gaat. Video naar aloude YT-gewoonte iets out of sync.

Always on the run - Admiral Freebee
De hele backlist van de Stones mag voor mij de container in, dacht ik altijd. Maar dan maakt een Belg een doorslagje en zit ik toch voortdurend mee te zingen.

Heavy cross - Gossip
Volgens mij de enige zangeres met een maatje meer die nog in prime time te zien is.

What's in it for? - Avi Buffalo
Vrouwelijke drummer #1

Sexy bitch - David Guetta ft. Akon
Oké, ik geef me over.

It's not fair - Lily Allen
Net nu ze even gestopt is met zingen, ben ik eindelijk voor haar gevallen. Heel geestige tekst.

Watercolour (live on Friday Night with Jonathan Ross) - Pendulum
Alleen Guitar Hero-gitaar kunnen spelen en toch goeie muziek maken. Ross zeikt terecht de 'chin minge' van zanger Rob Swire af.

Tame (live) - Pixies
Nog altijd mijn definitie van popmuziek. Gewéldige live-versie.

Time is running out - Muse
Schoolvoorbeeld van een goede muziekvideo. Eén prima idee en dat clever uitwerken. Dit in grote tegenstelling tot al die clipjes waarin zes matige vondstjes snel door elkaar worden gemixt zodat het niet opvalt.

Like a G6 - Far East Movement ft. The Cataracs & Dev
Prettig klinisch, met verwijzingen naar de jetsetcultuur. 'G6' slaat op de Gulfstream G650.

Echo beach - Martha & The Muffins
Dacht ik eindelijk eens een popsong te vinden uit de jaren zeventig die me iets deed. Maar neen, dit is uit 1980 — de Magische Grens. Canadezen.

21st century schizoid man - Jason Rawhead
Sentimental journey. Heb hier ooit veel op gedrumd. Belgisch. 1992.

Soul meets body - Death Cab for Cutie
Uit 2005, maar totaal aan mij voorbij gegaan.

Gladiator (live) - The Jesus Lizard
Oudgedienden die in 2008 en 2009 nog even samenkwamen om de jonge garde te tonen wat live-energie is. Texanen, tiens. Zanger David Yow krijgt van de handycam een mooi halo rond zich (omstreeks 0:25).

Where is my mind [Pixies cover] - Maxence Cyrin
Je zit wat te suffen op YouTube en opeens bots je op dé video. De hoofdprijs uit de loterij.

Dance the way I feel - Ou Est Le Swimming Pool
Zonder de strapatsen van Charles Haddon op Pukkelpop had ik deze single nooit gehoord. O ja, zoek de spelfout.

Blackout - The Whip
Vrouwelijke drummer #2

Bloodbuzz Ohio - The National
Al die willen te kaap'ren varen...

Little sister - Queens of the Stone Age
De drummer hangt zijn cymbalen horizontaal. Altijd een goed teken.

Peach plum pear - Joanna Newson
Die stem natuurlijk, en de grove korrel van de video. Anno 2004.

Romeo and Juliet, No 13: 'Dance of the knights' - Sergej Prokovjev
'Dance of the knights' heet dit dus. Járen heb ik dit deuntje voorgezongen aan nietbegrijpende platenboeren. Totdat ik op HAARP zag hoe de bandleden van Muse met deze muziek opkwamen. Gelukkig een dvd met een behoorlijke aftiteling, HAARP.

Renegades - Feeder
Bivakmuts van het jaar. Aanmelden vereist: *contains nudity*.

Boyfriend - Best Coast
Melancholieke surfpop, op smaak gebracht door Bethany Cosentino.

Way out of here - Porcupine Tree
Er wordt dus toch nog ge-shoegazed tegenwoordig.

Tiger mountain peasant song [Fleet Foxes cover] - First Aid Kit
Zweedse zusjes in een Zweeds bos.

We used to wait - Arcade Fire
Single van het jaar 2010.

Ace of spades (live) - Motörhead
Oldie, maar zit nog altijd, euh, snor.


Verder goeie dingen gehoord van Plus 44, Tame Impala, Dum Dum Girls, Robyn, Frankie Rose and the Outs, Beach House, Holy Fuck, Jan Swerts, The Walkmen, No Age en Yeasayer.


> zie ook Muziekjaar 2008 en 2009.

____

woensdag 29 december 2010

Honger en overvloed - Massimo Montanari

Dit jaar heb ik inspanningen geleverd om mijn geschiedenis wat op te halen. Niet zozeer de geschiedenis van grote namen en bekende data, maar de globale geschiedenis van cultuurfenomenen. Voedsel — produktie en consumptie — is er een van. Bedoeling is om in 2011 over dit onderwerp nog een paar boeken meer te lezen. Al was het maar om te beseffen waarom historici hun boeken zo vaak 'een geschiedenis' als ondertitel geven.

Honger en overvloed beschrijft de Europese geschiedenis van het voedsel, met voornamelijk aandacht voor de periode vanaf de middeleeuwen tot en met de achttiende eeuw. Voedsel is een interessant onderwerp omdat vele economische, sociale, politieke en culturele aspecten van de geschiedenis altijd in een directe en een bevoorrechte relatie hebben gestaan met de problemen van de voeding. Dat kan ook niet anders, schrijft de Italiaanse historicus Massimo Montanari vooraan in dit boek, aangezien de dagelijkse overleving de eerste en onvervreemdbare behoefte van de mens is.

Zijn Honger en overvloed vond ik vooral interessant wanneer het aangaf wat voor factoren de voedselcultuur vooruit hebben gestuwd. Om te beginnen was het de Germaanse ('barbaarse') traditie die het nut zag om woeste gronden klaar te maken voor landbouwactiviteiten. De Romeinen en de Grieken hadden altijd hun neus opgehaald voor de natuur, die ze als het tegendeel van civilisatie zagen.

Veel gastronomische vondsten zijn te danken aan de wetenschap en de farmaceutica. Maar al even belangrijk is de eeuwige behoefte van de bovenklasse om zich te onderscheiden van het plebs. Toen een bepaald soort eten breder beschikbaar werd, riep men geneeskundige of religieuze motieven in om eetgewoonten per maatschappelijke klasse aan banden te leggen. Als dat niet hielp, toen een voedingsmiddel dus toch algemene ingang had gevonden, moest er weer wat anders gevonden worden om zich te onderscheiden. Nieuwe produkten, nieuwe bereidingswijzen. In de eenentwintigste eeuw, nu zowat alle eten voor elke westerling beschikbaar is, is het slankheidsideaal een middel tot distinctie.

Honger en overvloed boeit, onder meer omdat geschiedenissen als deze niet zomaar een kwestie zijn van onstuitbare groei en verbetering. Meestal is geschiedenis ook een verhaal van terugslagen, verval en vergetelheid.

Montanari heeft voldoende verrassende weetjes in petto om de leek bij de les te houden. Zo bereikte de consumptie van alcoholische dranken vroeger veel hogere niveaus dan nu. De dorst was niet alleen veel groter door al dat ingezouten voedsel, maar wijn en bier waren ook echte voedingsmiddelen toen het menu door tal van socio-economische problemen schraler werd. Bovendien was het tot diep in de negentiende eeuw moeilijk om zuiver drinkwater te vinden.

Even opmerkelijk: het gebruik van suiker in gerechten werd pas populair in de veertiende en vijftiende eeuw, waar het vroeger vooral voor medicinale doeleinden werd aangewend. De vette botersauzen doen nog later hun intrede: in de zeventiende eeuw, en eerst alleen in de haute cuisine. In de veertiende eeuw bevatten de meeste sauzen geen vetten: geen olie of boter dus. Ze bestonden voornamelijk uit wijn, azijn, sap van onrijpe druiven, groente- en bosvruchtensappen, waaraan allerlei specerijen en kruiden werden toegevoegd.

Montanari bood nuttige aanvullingen op mijn bestaande kennis. Ik wist dat Columbus maïs had meegebracht uit Midden-Amerika. Ik wist niet dat er tussen de kennismaking en de aanvaarding van dit soort nieuwe gewassen makkelijk twee, drie eeuwen konden liggen. De mens is een conservatief beestje. Vaak verandert hij alleen zijn gewoontes uit noodzaak.

Zoals het een historicus betaamt, waarschuwt Montanari voor de idealisering van het verleden. Een van de mythen van de huidige voedselideologie, schrijft hij aan het einde van dit boek, is die van de seizoengebondenheid van de produkten, van een harmonische relatie tussen mens (consument) en natuur (producent), die kenmerkend geweest zou zijn voor de ‘traditionele’ cultuur en die door de moderne bevoorradings- en distributiesystemen grondig zou zijn verstoord.

Kletskoek, aldus de auteur. We moeten ons ervan bewust zijn dat de mensen van oudsher niet liever wilden dan de grenzen van hun directe omgeving te overstijgen. Zich redden betekende voor de meerderheid van de mensen het eten van uitsluitend veilige, zekere en houdbare voedingsmiddelen. Bewaren was het sleutelwoord; dat wil zeggen: voorraden aanleggen, opslagplaatsen vullen en dus de seizoenen overwinnen. Het aards paradijs werd niet voor niets voorgesteld als een seizoensloze plek.

Honger en overvloed is natuurlijk niet volledig. Er wordt bijvoorbeeld niets gezegd over het hoe en waarom van het ontstaan van de eetcultuur buitenshuis, op restaurant. Ook daar speelden onverwachte factoren een rol in, als ik het me goed herinner uit andere boeken. Zoals dat bij het opdoeken van het ancien régime al die paleiskoks ineens op straat kwamen te staan.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://www.foodtimeline.org/

Massimo Montanari, Honger en overvloed
239 p.
Uitgeverij Agon, 1994
Oorspr. La fame e l’abbondanza
Storia dell’alimentazione in Europa
(1993)
Vertaald door Karin van Liemt


Italiaanse herdenkingsmunt van € 2 uit 2004, n.a.v. het Wereldvoedselprogramma; afbeelding via Wikipedia


Samenvatting van Honger en overvloed aan de hand van de kernzinnen uit het boek; deels in telegramstijl:

Hongersnood en natuurlijke hulpbronnen
De ontwikkelingscurve van de Europese bevolking laat vanaf het begin van de derde eeuw tot de zevende eeuw een geleidelijke daling zien. Er is geen rechtstreeks verband tussen de bevolkingsomvang en de voedselvoorziening. Niet zelden is er een omgekeerde relatie: in perioden met een lage demografische druk zijn de individuele consumpties beter gewaarborgd. Omgekeerd hangen verschijnselen als bevolkingsexplosie ook niet samen met een overvloed aan voedsel.

Dramatische gebeurtenissen: oogst vernield door overstroming, vrieskoude, droogte. Plunderende mannen. Veestapel door ziekte gedecimeerd. Noodoplossingen: men at ongebruikelijke kruiden en knollen, fantasiebroden, allerlei soorten vlees. Honger leidt niet noodzakelijk tot de dood. Dat gebeurt alleen in extreme en langdurige gevallen van hongersnood die zich slechts zelden voordoen. De vroegmiddeleeuwse mens deed zijn best om variatie te krijgen in de wijzen waarop voedsel werd gezocht en geproduceerd, om minder kwetsbaar te worden.

Aan natuurlijke hulpbronnen was er in theorie geen gebrek. Uitgestrekte bossen, grasvelden en moerassen openden exploitatiemogelijkheden. Er moesten wel nog praktische manieren gevonden worden, en een cultureel vooroordeel overwonnen: de saltus, de woeste gronden, een antithese van de humane wereld moesten eindelijk aangepakt worden.

Culinaire gewoonten van de oudheid en de Germanen
De Grieken en Romeinen hadden geen grote waardering voor de onontgonnen natuur. De natuur was voor hen de antithese van de beschaving, een woord dat etymologisch gezien verwant is met het woord stad. Ager, bebouwde akkers, stonden tegenover saltus, de niet-produktieve natuur. Graan, wijnstokken en olijfbomen namen de belangrijkste plaats in. Daarnaast tuinbouw en de schapenfokkerij. Visvangst alleen in de kuststreken van belang. Een plantaardig voedselpatroon: brij, brood, olie en groente, aangevuld met vlees en kaas.

De Keltische en Germaanse stammen hadden wel een voorkeur voor de exploitatie van de natuur. Jacht, visvangst, verzamelen van wilde vruchten, fokken van wilde dieren (vooral varkens, maar ook paarden en runderen). Vlees was hun belangrijkste voedingsmiddel. Geen wijn maar ezelinnenmelk, cider en bier. Voor invetten en bakken geen olie maar boter en reuzel.

Er was geen strikte scheiding tussen deze twee uitersten. Culinaire trots overheerste bij beiden. Bij de Kelten en Germanen geen beschavingsplant zoals het graan in de Griekse en Romeinse wereld, de maïs in Noord- en Zuid-Amerika, en de rijst in Azië. Wel een beschavingsdier: het varken. Bij de Grieken en Romeinen namen de vruchten van de aarde de hoogste plaats in op de waardeschaal van voedingsmiddelen.

Na de val van het Romeinse rijk waren de Germaanse stammen de heersende klasse van het nieuwe Europa geworden, zodat ook op een nieuwe manier tegen de wilde natuur en de braakliggende gebieden werd aangekeken: geen hindernis, maar een gebruiksinstrument. Men ging bossen rond de achtste, negende eeuw uitdrukken in het aantal varkens dat zich er kon tegoed doen aan eikels, beukenootjes en andere vruchten. Akkers werden gemeten in graan, wijngaarden in wijn, weiden in hooi. Vlees verschoof naar de eerste plaats op de ranglijst van de voedingsmiddelen. Vooral in de heersende klassen was het een symbool van macht, lichamelijke energie en strijdlust. Het zich onthouden van vlees een teken van vernedering.

Vanaf vierde eeuw werd de christelijke godsdienst de officiële cultuur van het keizerrijk. Erfgenaam van de joodse en Grieks-Romeinse: brood én wijn en olie in de rituelen. Grote symbolische lading. De heiligenlevens puilen uit van personages die wijnstokken planten en tarwe verbouwen. De clerus legt zich toe op graan- en wijnbouw. Cervogia gemaakt door gisting van tarwe of gerst. De cultuur van de wijn verstrengelt zich langzamerhand met die van het bier.

Volgens de Griekse en Romeinse cultuur bestond het hoogste ideaal in de juiste maat. In de Keltische en Germaanse cultuur geldt een grote eter als een positieve figuur die door het vele eten blijk gaf van zijn superioriteit. Ook verschil in de kloosters van Noord-Europa (grotere porties) en rond de Middellandse Zee (matigheid). Dieetregel: geen vlees. Wanneer het geen vasten was, aten ze veel, in de rijkste kloosters nauwelijks minder dan 5000, 6000 calorieën per dag. De tegenstelling tussen het Romeinse en het barbaarse model wordt verdrongen door de tegenstelling tussen het kloostermodel en het adellijk model die elkaar de culturele hegemonie bestrijden.

Vanaf de zesde eeuw tot aan minstens de tiende eeuw wordt de Europese economie gekenmerkt door de systematische kruising van landbouwactiviteiten en de exploitatie van braakliggende gebieden. Terra et silva (land en bos). Een mozaïek van activiteiten: graan- en tuinbouw, jacht en visserij, veeteelt van in de vrije natuur levende dieren, verzamelen. Gevarieerd voedselpatroon: plantaardige produkten (graangewassen, bladgroenten, peulvruchten) als dierlijke producten (veels, vis, kaas, eieren). Voor alle lagen van de bevolking, door gunstige verhouding bevolking en bestaansmiddelen, en door de makkelijke toegang voor iedereen tot de grond, zelfs binnen de hiërarchische relaties. De visvangst werd de economie van het moeras, niet van de kust zoals bij de Romeinen. Zoetwatervissen. Integratie van uiteenlopende voedselbronnen, mede door het kerkelijk verbod op vlees op veel dagen, zodat vis, kaas en groente gestimuleerd werden.

In de Romeinse graanbouw nam tarwe als kwaliteitsprodukt voor de stedelijke markt een belangrijke plaats in. Na de crisis van de derde eeuw koos men voor rogge, gerst, haver, spelt, gierst, sorghum…, minder arbeidsintensief en grotere weerstand. Rogge bleef tot de tiende, elfde eeuw de meest verbouwde graansoort. Luxeprodukten en basisprodukten. Vers brood en oud brood. Tarwebrood is wit, roggebrood zwart. Brood was in veel gevallen schaars. Door inferieure graansoorten kreeg soep een centrale rol in de voeding van de meeste mensen. Vers vlees aan de hoven, geconserveerd vlees bij de boeren. Natuurlijk dieet bij de kluizenaars. Veel tamme dieren van nu leefden toe nog in het wild: oerrunderen, herten, varkens nauwelijks te onderscheiden van wilde everzwijnen.

Ommekeer: de uitbreiding van de landbouwgebieden
Na eeuwen van afname zette in de achtste, negende eeuw een omgekeerde tendens in. Misschien door gunstig voedingscyclus? Door andere demografische mechanismen? Bevolkingsgroei zorgde wel voor problemen (vraag naar voedsel) die werden opgelost door intensivering van ontbossing, beploeging en kolonisatie door kerken en kloosters, landheren en boerengemeenschappen.

Braudel: "Graangewassen of vlees: het aantal mensen is bepalend voor de keuze." Eén hectare bos kan een of twee varkens voeden, één hectare weidegrond hooguit enkele schapen; één hectare bouwland levert meer op en graangewassen zijn makkelijk te bewaren. De ontginning van het gebied is dus vanaf een bepaald moment een noodzaak.

Door het extensieve karakter van de produkt (landbouw en veeteelt waren nog niet op elkaar afgestemd) had men geen andere mogelijkheid dan de uitbreiding van de bebouwde gebieden en de vernietiging van de woeste gronden. Erosie van het bos. Cultivering van het bos. Eerste golf in de negende eeuw, beslissende golf tussen de elfde en de dertiende eeuw. Mislukkingen, tekorten, nieuwe ziekten (ergotisme-epidemieën). Vanaf de twaalfde eeuwen lijken de voedseltekorten af te nemen. De Europese economie wordt vanaf dat moment meer een landbouweconomie.

Fundamenteler voor de veranderingen in de eetgewoonten was de inperking van de gebruiksrechten van de bossen, vanwege de concurrentie en sociale conflicten. De privileges komen te liggen bij wie de macht uitoefent. In sterk centralistische landen als Frankrijk en Engeland bij de monarchie, elders op lokaler niveau. Uitbreiding van de gesloten terreinen; uitsluiting van de boeren van de jacht. De legende van Robin Hood: de utopie van nog vrij te kunnen jagen.

Eetgewoonten worden klassebepaald
Privileges zorgen voor een differentiatie van eetgewoonten, dat klassebepaald wordt: lagere klassen eten spijzen van plantaardige oorsprong; dierlijk voedsel en vlees is meer het voorrecht van de hogere klassen. Eten is niet alleen voedend, maar wordt ook statussymbool. Boer moet terugvallen op zijn eigen stukje land; de bossen zijn moeilijk toegankelijk. De autonome bevoorrading van vlees neemt af. Vanaf het begin van de elfde eeuw krijgt brood een beslissende rol in de voeding van het volk. Ander voedsel wordt gezien als aanvulling. Obsessie blijkt uit documenten: ‘broodgronden’, ‘broodoogst’, ‘broodquotum’, ‘broodkist’…

De stad speelde in de Romeinse tijd een centrale rol als verzamelplaats van landbouwprodukten en andere voedingsmiddelen, die van daaruit naar de opbergschuren van de grote landeigenaren werden gebracht. Ambtenaren keken toe op dit ‘victualiebeleid’. In de vroege middeleeuwen, met minder centraal gezag, had men andere referentiepunten: dorpsgemeenschappen, vorstenhoven, abdijen en boerenkerken. De groei van de landbouw in de negende tot elfde eeuw ging gepaard met een opbloei van vooral de lokale markten. Plaatselijke heren eigenden zich dan de overschotten toe. In enkele streken, zoals Italië en Vlaanderen, kreeg het verschijnsel een meer stedelijk karakter. Gedetailleerde contracten met boeren die vooral de stedelijke markt moesten beschermen. Tarwe werd tussen de twaalfde en dertiende eeuw het belangrijkste gewas voor stadsmensen en landeigenaren op het platteland; de boeren bleven ‘veevoeder’ eten.

Het evenwicht in de dertiende eeuw tussen bevolking en voedselvoorraad blijft wankel, waar de voortgaande ontbossing en landbouwkolonisatie overigens van getuigen. Maar de welvaart kreeg een grote verspreiding en verschafte zelfs bredere toegang tot luxeprodukten. Hét kenmerk van het adeldom blijft de drang om zich ondanks alles te willen onderscheiden. De hoofse held neemt een gematigde houding in acht jegens voedsel. Hieruit ontstaan ‘goede manieren’, die draaien om elegantie, niet om kracht. In de Europese literatuur van de dertiende eeuw treffen we de eerste voorbeelden van kookboeken aan. Het spoor van Apicius was men al heel lang bijster.

Reeds in de negende en tiende eeuw omvangrijk aanvoer van specerijen op de Italiaanse en Franse markten, ten behoeve van de rijke keuken: gember, galanga, kaneel, kruidnagels (die de Romeinen nauwelijks gebruikten, in tegenstelling tot peper). Specerijen dienden níet om de matige smaak van levensmiddelen op te krikken, ook niet om vlees te bewaren (dat meestal vers werd genuttigd); hun populariteit zou te maken hebben met diëtistische opvattingen: bevordering van de spijsvertering; vele gastronomische vondsten zijn te danken aan de wetenschap en de farmaceutica. Voorts speelt de drang naar sociale distinctie een rol, en utopische voorstellingen van de Oriënt.

Een van de onderscheidende kenmerk van de ‘nieuwe’ Europese keuken zijn taarten, die een grote verspreiding kenden in het midden van de dertiende eeuw, en in de oudheid nagenoeg onbekend waren. Gevulde taarten met vlees, vis, kaas, eieren, groente.

De opmars van vlees
Vanaf 1270 ongeveer vertoont de economische groei in Europe een ernstige stilstand. De expansie van de landbouw vertraagt en het aantal bebouwde akkers neemt af. Men is niet in staat om te reageren op de bevolkingsgroei. De bebouwbare ruimte is weliswaar toegenomen, maar men zit tegen de grens aan van wat in de Middeleeuwen aan marginale gronden kan geëxploiteerd worden. Hongersnoden zijn nooit echt weggeweest, maar vanaf het einde van de dertiende eeuw zullen ze de boventoon gaan voeren.

Grote tekorten aan graangewassen. Geen brood. Uitwijkmogelijkheden: kool, pruimen, sla, knollen, moelen, waterkers, vlees van het paard, de ezel, buffels. Spanningen tussen de beter beschermde stadsbewoners en de boeren. Wanneer de voorraden op zijn, zoeken stedelingen voedsel buiten de stadspoort. Wijdverbreide ondervoeding en lichamelijke zwakheid, waardoor mensen vatbaarder werden voor de pestepidemie tussen 1347 en 1351.

De tragedie van de pest bracht echter niet meteen een overvloed van alles wat de aarde voortbrengt met zich mee voor de mensen die het overleefden. Maar de situatie verbeterde wel. De consumptie van vlees laat in de tweede helft van de veertiende eeuw een algemene toename zien, ook onder de lage klassen, al wordt de bevoorrading lastiger buiten de stadsmuren. De graanbouw liep terug na de pestepidemie; in vele streken kregen weidegronden en grasland opnieuw de overhand. In de streken rond de Middellandse Zee was de rol van het vlees binnen het menu minder bepalend.

De tegenstelling stad/platteland blijft belangrijk voor de sociale verdeling van voedsel. Rundvee is hoofdzakelijk voor de stedelijke markt bestemd. Alleen de aanwezigheid van een massaconsumenten maakt het slachten van een rund verantwoord. Varkensvlees is symbool voor de autarkische gezinseconomie; rundvlees van de nieuwe handelsdynamiek. Tegenstelling tussen de oude economie van het bos en de nieuwe industrie van het vee. Stedelingen willen niet langer pekelvlees maar osse-, rund- of kalfsvlees. Wie dat niet kan betalen eet lamsvlees en hamel (gecastreerde ram). Schapen leefden op de natuurweiden op de plaats van de oude bossen, maar waren tegelijk gegeerd voor hun wol.

Het gebruik van bossen en de mogelijkheid om wild te vangen valt in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw in zijn plooi. Het in het vrije veld fokken heeft plaatsgemaakt voor veeteelt op stal en domesticatie van varkens. Exclusiviteitsrechten komen enkele heren toe, die hooguit lageren in rang concessies verlenen die elk moment kunnen opgegeven worden.

De Kerk legt een regel op om zich zo’n 140 tot 160 per jaar van vlees te onthouden, een regel die komt overgewaaid uit kloosters en abdijen. Motieven zijn boetedoening, het heidense beeld van vleesconsumptie (het ritueel offeren van dieren), de overtuiging in wetenschappelijke en geneeskundige geschriften dat vlees tot een overmaat aan seksuele lusten leidde, en de traditie van vegetarisch pacifisme uit de Griekse en hellenistische filosofie. Vervangingsprodukten kenden een grote vlucht: groente, kaas, eieren, vis. Het zou echter nog enkele eeuwen duren voordat vis dank zij de vooruitgang in de conserveringsmethoden een gewoon voedingsmiddel werd. Het transport vormde het grootste probleem (bederf).

Verse zeevis kwam men zelden tegen, maar men begon het zouten, drogen, roken en op olie zetten van vis te perfectioneren. In de twaalfde eeuw wordt een begin gemaakt met het op grote schaal verhandelen van zoute haring uit de Baltische Zee. Vanaf de dertiende eeuw gebeurt met zoetwatervis hetzelfde: melding van grote visvijvers in de benedenloop van de Donau voor de produktie van gezoute of gedroogde karpers. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw wordt kabeljauw belangrijk, gevonden in onuitputtelijke hoeveelheden op de zandbanken van Newfoundland. Cultureel bleef de vis echter lang een surrogaat voor vlees.

Voedsel als middel om zich te onderscheiden
Tussen de veertiende en vijftiende eeuw, een periode van grote sociale mobiliteit: bijzondere aandacht voor het definiëren van de levensstijlen van de verschillende maatschappelijke groepen. Vooral de manier van eten, maar ook die van kleden en wonen wordt nauwkeurig op schrift gesteld. Men wou niet beschrijven maar voorschriften bindend maken. Politiek beroept men zich vaak op de oproep tot gematigdheid (‘niet meer dan één handvol…’). Standaardisering van eetgewoonten moet orde brengen binnen de heersende klasse in een periode van ingrijpende sociale veranderingen waarin men naast (of tegenover) de traditionele adel de burgerlijke klassen ziet verschijnen.

De eerste plicht (in veel documenten) is dat men moet eten ‘volgens de kwaliteit van de persoon’: volgens leeftijd, sekse, ‘humorale gesteldheid’, gezondheidstoestand, werkzaamheden. Vervolgens moet men rekening houden met het klimaat, het seizoen, en alle omgevingsfactoren. Dit begrip ‘kwaliteit’ was een Grieks en Latijns concept (Hippocrates), dat uitgekristalliseerd werd in de Karolingische tijd. De relatie tussen eetgewoonten en sociale status zat in de eerste plaats in de hoeveelheid die men nuttigde. Daarna in de verfijndheid (edele magen 'vereisen' fijnbereid eten). Boeren kregen de restjes. Deze ideeën in de voorstellingswereld van de machthebbers werden bekrachtigd door artsen en literatoren, en door wetenschappers die planten en dieren in een verticale keten gingen onderbrengen (p. 103). De krijgsadel moet wijken voor de hofadel die witter en lichter vlees wenst.

Tussen de veertiende en zestiende eeuw verandert de betekenis van macht. Lichaamskracht en krijgskunde worden niet meer als bepalend gezien, ten faveure van bestuurlijke en diplomatieke kwaliteiten. Niet de individuele eetlust is van tel, maar het vermogen een keuken te organiseren tot profijt van velen, inclusief een uitgekiende tafelschikking. Pronkzucht. Bij de armen zijn dromen van het luilekkerland het doeltreffendste tegengif voor de angst voor de honger. Deze fabels rond Cocagne krijgen tussen de twaalfde en veertiende eeuw vorm. Neemt niet weg dat de homo sapiens wat betreft de opname van voedsel in de loop van de geschiedenis een buitengewoon vermogen ontwikkeld tot fysiologische aanpassing, door telkens opnieuw zijn eigen behoeften te veranderen afhankelijk van de reëel beschikbare voedingsprodukten.

Import van nieuwe voedingsmiddelen
Europa ontdekt vanaf de vijftiende eeuw de wereld via overzeese reizen en probeert de voedingsmiddelen die het daar aantreft te beschrijven vanuit de eigen taal: maïs is ‘graan in de vorm van kikkererwten’, tortillas ‘een soort brood’, paprika ‘een soort peper’, de kalkoen ‘een grote op een pauw lijkende kip’. Een ander probleem is de aanvaarding van het nieuwe: tussen de kennismaking en de aanvaarding van de produkten liggen twee, drie eeuwen. De introductie vond plaats in twee fasen.

De eerste fase vond plaats in de zestiende eeuw. De bevolking nam in veel Europese landen toe. In Castilië bijvoorbeeld; dat hield in dat graan uit andere landen moest geïmporteerd worden door Engelse en Hollandse kooplieden. Er was vooruitgang te signaleren inzake werktuigen en bevloeiingsmethoden, maar niet inzake bemesting. De opbrengsten waren laag en dus greep men naar de oude oplossing: de uitbreiding van de bebouwde grond. Het is het tijdperk van de aanleg van de polders in de Lage Landen. Hernieuwde aandacht voor het werk op het land; traktaten over agronomie.

Vanuit Spanje verspreiding van rijst naar de Lage Landen. Een andere ontdekking was boekweit. Begin zestiende eeuw maïs (Columbus) in Spanje, Frankrijk, Noord-Italië, verbouwd door boeren in hun persoonlijke moestuinen waar immers geen voorschriften voor golden. Rijst, boekweit, maïs en de aardappelen zullen echter pas in de achttiende eeuw (naargelang de streek) een belangrijke factor zijn in de Europese eetgewoonten.

De vleesconsumptie neemt globaal af vanaf het midden van de zestiende eeuw. Oorzaken: bevolkingsaanwas, reducering van weiden en bossen, daling reëele lonen, verhoogde bebouwingsdichtheid, het verbod dieren in de stad te houden, de inkrimping van invoer uit het Oosten na de verovering van Hongarije door de Turken. Men wordt steeds afhankelijker van brood, waarvan de kwaliteit ook nog eens vermindert: tarwe verliest zijn monopolie en wordt steeds meer spelt en méteil verkocht. Plundering van bakkerijen tussen de zestiende en achttiende eeuw, hét tijdperk van de grote voedselconflicten. Samendromming aan de stadspoorten. Men begint armen samen met krankzinnigen en misdadigers op te sluiten. Poor laws in Engeland.

Verschillen in eetgewoonten tussen Noord en Zuid
Een zekere eenwording van de Europese eetcultuur had nationale verschillen niet weggenomen. Het clichébeeld, dat echter niet helemaal losstaat van de werkeklijkheid ondanks grote regionale verschillen: aan de ene kant de zuidelijke volkeren, ingetogen en sober, verknocht aan de produkten van hun land aan plantaardig voedsel; aan de andere kant de noordelijke volkeren, gulzig en vleeseters. Noorderlingen drinken meer, wat goed samengaat met het lage alcoholpercentage van hun bier, wat de spotlust van Italianen en Spanjaarden opwekt. Bovendien eten Duitsers en Fransen meer vlees. In de zestiende eeuw werd de kloof tussen de verschillende eetculturen breder toen de protestante reformatie samen met vele andere dingen de dieetvoorschriften van de Kerk van Rome verwierp. Voor de eetcultuur van Europa (vleesconsumptie) was dit verrijkend, en mogelijk een factor in de verminderde visconsumptie in Engeland.

Het gebruik van olijfolie had zich verspreid in Noord-Europa om sla aan te maken. Om te bakken en als warme dressing werd de olie echter langzaam tussen de veertiende en vijftiende eeuw vervangen door boter, die mogelijk werd door de uitbreiding van de runderteelt. De vette botersauzen doen hun intrede in de haute cuisine van de zeventiende eeuw en de sauzen op oliebasis nemen hen als voorbeeld. In de veertiende eeuw bevatten de meeste sauzen geen vetten: geen olie of boter. Ze bestaan voornamelijk uit wijn, azijn, sap van onrijpe druiven, groente- en bosvruchtensappen, waaraan allerlei specerijen en kruiden worden toegevoegd. Om de saus te laten indikken en te binden worden broodkruim, amandelen, noten, eigeel, lever en bloed gebruikt.

De toevoeging van boter of olie zou de eigenschappen en smaak van sauzen volledig veranderen. Deze verandering komt niet voor uit materiële dwang, maar uit begeerte bij de hogere klassen om zich te onderscheiden. Door zeldzaamheid; specerijen hadden door hun grotere beschikbaarheid immers hun onderscheidende kracht verloren. De magere keuken sloeg andere weg in, en nam nu ook boerenprodukten op in het menu. Het voorbeeld kwam uit Frankrijk en werd nagevolgd in Italië en Spanje. Elders bleef men vasthouden aan specerijen.

De nieuwe keuken onderscheidde zich ook in andere opzichten. De zoete en zure smaken werden nu sterker van elkaar gescheiden. Toenemend gebruik van suiker (dat vroeger vooral voor medicinale doeleinden werd gebruikt) als ingrediënt voor veel gerechten tussen de veertiende en vijftiende eeuw. Om aan de vraag te voldoen: monoculturen van suikerrietplantages op het Amerikaanse continent.

Nieuwe dranken
De consumptie van alcoholische dranken, wijn of bier, bereikte vroeger veel hogere niveaus dan nu. De dorst was veel groter door al dat ingezouten voedsel, maar wijn en bier waren ook echte voedingsmiddelen, en een aanvulling naarmate het dieet armer en eenzijdiger is. Voorts werd wijn gebruikt om water te verbeteren of te ontsmetten: tot het midden van de negentiende eeuw was het moeilijk zuiver drinkwater te vinden. Ten slotte is er het ludieke en feestelijke element.

Vanaf de zeventiende eeuw verspreidden zich nieuwe dranken in Europa als aanvulling op of vervanging van wijn en bier. Destillaten als koffie, thee en chocolade. Dit waren geen voedingsmiddelen in strikte zin, maar drugs. Hun belangrijkste functie was een gevoel van behagen en ontspanning teweeg te brengen. Daarnaast was er de gezelschapsfunctie, wat ook al niet strookte met de cultuur van het christelijke Europa. Vandaar dat men — zoals altijd in dergelijke gevallen — met gezondsheidsredenen kwam. Aquaviet vanaf de vijftiende en zestiende eeuw van achter de gesloten kasten van apothekers naar de huizen en herbergen. Daar voegden zich al snel destillaten bij op basis van melasse (rum), vruchten (calvados, kirsch, maraskijn), granen (wodka, whisky, gin), naast zoete likeuren.

Oorspronkelijk afkomstig uit Ethiopië en elders in Oost-Afrika werd koffie tussen de dertiende en veertiende eeuw in het zuidwesten van Arabië ingevoerd. Hier ontwikkelden zich de koffieplantages en de gewoonte om door het branden van bonen een drank te brouwen. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werd een begin gemaakt met de invoer van koffie in Europa, op initiatief van vooral Venetiaanse kooplieden, en eerst tot scepticisme van velen. Koffieplantages in overzeese kolonies door de Hollanders op Java, door de Fransen op de Antillen, door de Spanjaarden en Portugezen in Midden- en Zuid-Amerika. Koffie was eerst een elitedrankje in de koffiehuizen. Het succes van koffie in Engeland werd tegengewerkt door de theeleveranciers. Rond het midden van de zeventiende eeuw vond deze Chinese drank (thee) ingang in andere delen van Europa. Chocolade vooral in de zuidelijke landen van Europa, al is van massaconsumptie nooit sprake geweest.

Hongersnood; verschraling van het menu
In de achttiende eeuw opnieuw voedselperikelen in Europa: bevolkingsaanwas, produktietekorten en ontwikkeling van de landbouw; maar nu op grotere schaal. Bijna 200 miljoen mensen te voeden in het midden van de achttiende eeuw. De economie is in belangrijkere mate op handel gebaseerd en kan de crises efficiënter het hoofd bieden. Er is malaise, maar mensen komen niet om van de honger.

Agrarische revolutie: afwisseling van teelt van veevoeder met die van graangewassen en overwinning van de traditionele scheiding tussen weide- en landbouwactiviteiten. De grond was vruchtbaarder door de aanwezigheid van peulvruchten en door de grotere beschikbaarheid van dierlijke meststoffen. Omheiningen: agrarisch kapitalisme — de eerste stap op weg naar de industriële revolutie.

Herontdekking van rijst en boekweit, maar vooral de maïs en de aardappel doen veel oude concurrenten het veld ruimen. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw wordt de traditionele verscheidenheid van inferieure gewassen — eeuwenlang de basis van het dieet van de mensen uit het volk — steeds meer verdrongen door de nieuwe hoofdgewassen. Ze zijn immers beter bestand tegen slechte weersomstandigheden en hun opbrengst ligt hoger. Alles geschiedt onder druk van de situatie: schaarste en honger.

Landeigenaren uit die perioden vergrootten hun inkomsten door hun boeren te verplichten maïs te eten, terwijl tarwe tegen hoge prijzen op de markt werd verkocht. Verarming dus van het boerendieet. Ook de aardappel vindt verbreiding als schaarstevoedsel en kwam te staan tegenover de kwaliteitsprodukten voor op de markt. Bijkomend voordeel van de aardappel: aangezien het gewas onder de grond groeit is het bijna altijd beschermd tegen de verwoestingen van de oorlog. De aardappel werd al snel ontdekt als ingrediënten voor vele lekkere bereidingen.

De belangstelling van de volksklassen in Midden- en Zuid-Italië ging in de achttiende en negentiende eeuw uit naar pasta, zoals elders naar maïs of aardappelen. Onderscheid tussen verse en droge pasta, zie p. 155. Sicilië en Ligurië worden belangrijk als afzetgebieden en produktieplaats. De vaste combinatie pasta/kaas wint het van de combinatie kool/vlees.

Is de bevolkingsaangroei te danken aan een algemene verbetering van de voedselsituatie? Beter voedsel leverde in elk geval minder doden op. Maar de op steeds massalere schaal voorkomende beperking tot slechts enkele voedingswaren leidde tot een verarming van het menu. De lichaamslengte neemt af. In de achttiende en tot ver in de negentiende eeuw hebben mensen slechter gegeten dan in de voorafgaandelijke tijdsvakken. Alles wijst erop dat een grotere rijkdom en variëteit in het dieet van het volk — tot aan de vorige eeuw — eerder aanwezig waren in periodes van bevolkingsstagnatie of –afname, wanneer door de afgenomen vraag soepelheid en diversificatie in de produktiemethoden mogelijk was. De oorzaken voor de bevolkingstoename moeten elders gezocht worden.

Controversen over het gebruik van vlees in het Europa van de achttiende eeuw. Het succes van vegetarische doctrines die door vele denkers en filosofen (Rousseau) van de Verlichting worden uitgedragen, is te danken aan het feit dat ze de ‘verlichte’ versie zijn van motieven en beelden die bekend waren uit de christelijke traditie. Plantaardig voedsel staat voor: vredevol, geweldloos, sober, eenvoudig en natuurlijk. Het is ook een alternatief voor de zware eetcultuur van het ancien règime.

Revolutie door nieuwe technieken
Tot aan het midden van de negentiende eeuw bleven de granen een absoluut overheersende plaats in het voedingspatroon van de Europeanen — een groepje bevoorrechten uitgezonderd — innemen. Hun aandeel in de gezinsuitgaven bedroeg negentig procent. Daarna zijn er twee tendenzen te zien: een kwalitatieve en een kwantitatieve. Witbrood won om te beginnen grotere groepen consumenten voor zich. Daarnaast nam de rol van granen in het menu af, ten faveure van vlees.

De koerswijzing qua vlees is te wijten aan de geweldige vooruitgang in de zoötechniek (selecteren en kruisen van rassen, specialisatie van het vee voor de melk- of vleesproduktie) als aan een verbetering van de conservingsmethoden en transportsystemen. Appert en Pasteur maakten de weg vrij voor het inblikken van vlees, groente en soep. Dankzij nieuwe koel- en vriestechnieken kon vlees goedkoop worden geïmporteerd uit ver afgelegen streken. De stoomlocomotief kon zware ladingen over land verplaatsen.

Eten tegenwoordig
Klasseverschillen zitten steeds meer in het soort voedsel, maar in de kwaliteit ervan. In het Europa van het industrieel kapitalisme kan iedereen vrijwel alles eten. De algemene levensstandaard gaat erop vooruit. Proteïnen en vetten worden in hoge mate door dierlijk voedsel geleverd. De banden tussen voedsel en territorium worden losser gemaakt. De economische keuzen van grote gebieden in de wereld zijn er vooral op gericht in de behoeften van de rijke landen te kunnen voorzien. Uniformere voedselpatronen over de hele wereld. De verlokkingen van de reclame. Minder grote afhankelijkheid van de seizoenen. De stedelijke voedselmodellen kunnen door iedereen worden nagebootst. De deugd van de slankheid lijkt pas in de loop van de achttiende eeuw te onstaan als nieuw esthetisch en cultureel model &mdash, nog maar eens een nieuw middel om in tijden van een algemene hoge levensstandaard zich te kunnen onderscheiden.

____

dinsdag 28 december 2010

Gefascineerd door het ergste - Florian Zeller

Dogma's in de literatuur zijn absolute kul; dat spreekt vanzelf. Elke schrijver moet doen wat hij doen moet, en dient zijn eigen particuliere talent uit te venten. Dat neemt niet weg dat ik van mijn kant, als lezer, wel zo mijn wensen heb bij de romans die ik probeer. Ik vind bijvoorbeeld dat een romancier mij iets moet brengen wat een journalist of een essayist niet kan. En dan kom ik snel uit op het scheppen van personages die, hoewel verzonnen, toch bestaansrecht afdwingen.

Personages dwingen voor mij bestaansrecht af door interessant te zijn (levensechtheid helpt daar meestal bij) of op zijn minst vermakelijk (karikaturaliteit helpt daar dan weer bij).

Als de meest lezenswaardige delen van een roman dus de essayistische terzijdes blijken te zijn, dan klopt er voor mij iets niet. En dat is het geval in Gefascineerd door het ergste.

De jonge Franse auteur Florian Zeller werd na het verschijnen van deze korte roman op het schild gehesen door de critici van zijn thuisland. La fascination du pire werd genomineerd voor de Prix Goncourt en bekroond met de Prix Interallié. Nu, alleen een bleu die zich daardoor in de luren laat leggen. Ik las vooral een hapklaar boekje waarin een schrijver zich vrolijk bedient van brandende thema's om daar vervolgens weinig of niets aan toe te voegen. Zijn helden komen niet uit de verf. Het verhaal is flets. De schriftuur mul, mak, middlebrow.

In Gefascineerd door het ergste vliegen twee schrijvers naar Caïro voor een literair congres. De meest intrigerende van het duo is zonder twijfel Martin Millet, "een vrij beroemde Zwitserse auteur" van wie de naamloze verteller, de andere schrijver, een jaar eerder een boek heeft gelezen: "Ik herinnerde me vaag een reeks heftige, soms monsterlijke dagdromen, die tot doel had de seksuele armoe in een markteconomie, en in één moeite door die van hem, denk ik, te beschrijven."

Rode draad in het werk van Martin Millet is de ruilwaarde van seks in het westerse handelssysteem, een thema dat hij behandelt in romans die bewust verstoken zijn van een literair glazuurlaagje, omdat achter dergelijke stilistische verfijning de werkelijkheid onvermijdelijk verloren gaat. Seks is in zijn ogen de motor van de maatschappij, en dwingt mannen en vrouwen tot een concurrentieslag waarin fysieke criteria sterk het erotische lot van een individu bepalen.

Ook in het echte leven voelt Millet — een verlegen, hypochondrische man — zich aangetrokken tot prostitutie, omdat het voor hem de enige ruimte is die gevrijwaard blijft van getouwtrek bij het bemachtigen van een bedpartner. Voor de rest is hij gedoemd om vooral het vertoon van andermans plezier bij te wonen. Martin Millet lijkt, kortom, als twee druppels water op Michel Houellebecq.

Millet is vast van plan om tijdens de trip naar Egypte seks te scoren. Niet toevallig heeft hij de Correspondance van Flaubert op zak, waarin deze onder meer bericht over zijn reis door Egypte met Maxime du Camp, in 1849-1850. Terwijl hij aan zijn moeder uitsluitend schrijft wat ze horen wil, schept Flaubert tegen zijn vrienden op over hoe hij de bordelen afloopt.

Wat de twee schrijvers van Zeller echter aantreffen, is een puriteins land, dat in niets meer lijkt op het seksparadijs van Flaubert. Millet banjert als een neokoloniaal met een broek vol goesting door de Egyptische hoofdstad, maar moet in zijn contacten met inheemse schonen de ene afwijzing na de andere incasseren. Korte, dikke meiden die zich rond palen slingeren in verlopen cafés: beter is er niet te krijgen. De smetteloze, afstandelijke verteller, in wie we gerust Zeller mogen veronderstellen, ziet het allemaal gebeuren, en probeert intussen zelf stand te houden temidden van de bobo's en paranimfen van de Franse ambassade.

Want ook literair gesproken stelt de reis weinig voor. De literatuur blijkt in Egypte gereserveerd voor een kleine elite die zich voor poëzie interesseert. Romankunst van enig niveau wordt er niet bedreven. De islam betoont zich onverenigbaar met echte literatuur. Een boek als Madame Bovary kan in Egypte niet door de beugel, zoals het in 1856 niet door de beugel kon in Frankrijk wegens schending van de openbare en religieuze eerbaarheid.

Beide vaststellingen zijn voor de twee schrijvers aanleiding om te discussiëren over de impact van religie op het maatschappelijk bestel. Een kolfje naar de hand van de islamofobe Millet, die de seksuele woestenij ziet als een teken van de geslaagde poging van de islam om het sociale leven volledig te reguleren. Buiten het huwelijk is er in de schaduw van de piramiden geen sprake van seks, en dat doet hem denken aan de vijandige relatie die christenen eeuwenlang onderhielden met hun lichaam.

Katholieken riepen vroeger op om niet te genieten, islamieten roepen nu op om later te genieten, in een hiernamaals. De mohammedaanse wellust uit Duizend-en-één-nacht zou — volgens de toogtheorieën van Millet — als prikkel hebben gediend voor de kruistochten; nu zint het Oosten op zijn beurt op wraak nu het Westen in één groot huis van ontucht is veranderd.


Caïro in 1856, zoals Flaubert het moet hebben gezien; afbeelding via Wikipedia

Met een beetje goeie wil kan Gefascineerd door het ergste gelezen worden als het produkt van een monkellachende schrijver die het negatief van de oriëntalistische traditie uit de negentiende eeuw heeft willen nemen. Honderdvijftig jaar geleden was het immers bon ton onder artiesten om vrouwen uit het Nabije Oosten af te beelden als seksslavinnen. De Oriënt stond tijdens de Romantiek symbool voor exotische en erotische avonturen, Turkse baden hadden steevast een seksuele connotatie, en de odalisken op de doeken van Delacroix, Gérôme en Ingres logen er niet om. Deze opvatting van de Oriënt beperkte zich niet tot de schilderkunst. Flaubert zelf, met zijn topzware roman Salammbô, deed het Noord-Afrikaanse Carthago af als zinnebeeld van een door eroticisme gecorrumpeerde cultuur.

Het was onder meer deze trend waar Edward Said zo tegen uitvloog in zijn hoofdwerk Oriëntalisme. Hij beschouwde dit valse beeld als een politiek manoeuvre, een stukje retoriek waarmee het Westen de Oriënt wilde degraderen. Het Westen kon haar positieve zelfbeeld aan het Nabije Oosten ontlenen door zich uitdrukkelijk te zien als de antipode van de verdorven, achterlijke cultuur die daar heerste.

Niet dat het oriëntalisme een negentiende-eeuwse uitvinding was, trouwens. De Vlaamse Primitieven beeldden de Romeinen en Joden al in exotischer gewaden af dan gerechtvaardigd was, en bepaalde schilders van het Renaissancistische Venetië, Bellini en Carpaccio, waren tuk op Ottomaanse motieven.

Nu is Zellers roman ook weer geen zwart/wit-verhaal. De auteur brengt genoeg nuances aan. Zeker, Egypte is een dictatuur — een man die de schrijvers moet interviewen werkt niet toevallig ook voor de politie. Maar Egypte leeft ook van het toerisme, zodat de echte extremisten, die het onveiligheidsgevoel kunnen aanwakkeren, met harde hand worden neergedrukt.

Aan de andere kant wordt de westerse democratie in zijn zinledigheid geïllustreerd door de figuur van Martin Millet. Hij is de exponent van een maatschappij die zich van religieuze moraal en preutsheid heeft bevrijd, en toch serieus op de dool is. Millet ondervindt aan den lijve hoe de laatkapitalistische samenleving, in zijn ogen, "de laatste barricades die het individu tegen de markt beschermen" uit de weg heeft geruimd. Te weten: het echtpaar en het gezin. Millet, net zoals de personages in zijn boeken, slaagt er niet in de frustratie achter zich te laten, maar wordt daarentegen geconfronteerd met de aanblik van zijn eigen onvermogen om een antwoord te vinden op de toename van de begeerten.

Interessanter vond ik Zellers bespiegelingen over de romankunst. Bespiegelingen die echter, heel frappant, letterlijk zijn overgenomen van Milan Kundera en — om terug te komen op de kritiek waarmee ik dit stukje begon — nogal lomp in het verhaal zijn geplempt. Het boek is in de ogen van Zeller/Kundera het hoogtepunt van de intellectuele vrijheid, en daarom komt het genre in de islamitische wereld niet van de grond.

In Kundera’s ogen is de roman in essentie het werk van Europa. Nogmaals, wanneer hij ‘Europese roman’ zegt, heeft hij het niet over wat er door Europeanen in Europa is gecreëerd, maar over wat literair gesproken deel uitmaakt van een geschiedenis die met het ochtendgloren van de Nieuwe Tijd in Europa is begonnen. Nu wil het geval dat deze Europese kunst per definitie onverenigbaar is met ieder religieus beginsel, want ze is in essentie profanatie. De roman is dat wat alles wat hij aanraakt ongrijpbaar maakt en zo verwijst naar de morele ambibuïteit van de mens en de fundamentele betrekkelijkheid van de dingen. Degenen die de waarheid in pacht denken te hebben en geen tegenspraak dulden, worden dus rechtstreeks door de romankunst bedreigd.
De ironie wil dat in Gefascineerd door het ergste niet zoveel van die nobele romankunst terecht komt. Scènes, dialogen, plot — niks is memorabel. De stijl van Zeller doet een beetje denken aan het nondescripte slijmspoor dat Christian Kracht achterlaat in zijn boeken. Al zal dat voor bepaalde critici vast mooi accorderen met de ielheid van het o zo materiële Westen.
Martin was de piramiden gaan bezichtigen. Ik was blij om alleen te zijn. Ik was vaag van plan om door islamitisch Caïro te gaan wandelen, een paar moskeeën te bezoeken, in de stad rond te dwalen en mezelf een beetje te vergeten. Toen ik uit bad was gestapt belde ik Jeanne even. Ik voelde de behoefte om haar te vertellen dat ik van haar hield. Ik kreeg haar antwoordapparaat aan de lijn. Ik heb een boodschap voor haar ingesproken. Je hoort geregeld dat je dat soort dingen niet moet zeggen en dat gevoelens, wanneer ze op een simpele onomwonden manier worden uitgedrukt, altijd een soort lachwekkende, smakeloze zwaarwichtigheid en zelfs een onvergeeflijke en al met al contraproductieve vulgariteit krijgen. En dat voorschrift zou niet uitsluitend en alleen voor gevoelens van liefde gelden, maar voor iedere vorm van genegenheid voor een ander. Uiteindelijk zou je alleen maar iets kunnen uitdrukken door tegelijkertijd de oprechtheid van het gezegde opzettelijk in twijfel te trekken. Ik had bijvoorbeeld opgemerkt dat het vrij zelden voorkwam dat de mensen die zogenaamd onverschillige, ironische houding, die hen zo goed tegen de buitenwereld beschermt, laten varen. Alles wat tegenwoordig uitgedrukt wordt, kan alleen tot uitdrukking worden gebracht door het vervormende filter van een zekere afstandelijkheid en humor — geen echte humor, maar een grap, spot, de voorraad zielloze steken onder water. Alles is een voorwendsel geworden om te lachen, maar lachen op een domme, vette manier. De een ver van de ander, dat wil zeggen, uiteindelijk de een ten koste van de ander. Een denkend wezen met een eigen gevoelsleven zal nooit aan de vreugdeloze euforie van de wereld kunnen deelnemen. Die betekent het einde van het gesprek tussen de mensen en dus, op een bepaalde manier, de heerschappij van de eenzaamheid.
De couleur locale vond ik aardig. De sprekende details af en toe — Zeller is duidelijk al in Caïro geweest. Het instortende gebouw op de achtergrond heeft hij echter gejat van Albert Cossery.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Religion_in_Egypt
> http://en.wikipedia.org/wiki/Islam_in_Egypt

Florian Zeller, Gefascineerd door het ergste
175 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. La fascination du pire (2004)
Vertaald door Edu Borger
____

maandag 27 december 2010

De zwarte dood - Norman F. Cantor

De Zwarte Dood, zo wordt de moordende epidemie genoemd die tussen 1347 en 1351 in Europa woedde. Er is ook een boek met dezelfde titel. Het hoort thuis in de lange rij boeken van historici die willen uitleggen hoe [hun onderwerp] de wereld heeft veranderd. Voor die aanpak is ook wat te zeggen. Al was het maar omdat die het belang van geopolitieke geschiedenis relativeert. Maar dan moet de schrijver wel zijn belofte houden, en dat gebeurt hier niet.

De pest in de veertiende eeuw heeft volgens Norman F. Cantor nogal wat in gang gezet, of op zijn minst versneld: de opkomst van de humanistische filosofie, het ontstaan van de middenklasse en het schisma tussen kerk en wetenschap. Het boek dat hij vervolgens schrijft om dat te beargumenteren, laat echter vooral zien hoe weinig bewijsmateriaal hij vindt voor die claims. Meer dan een boek over de pest is De zwarte dood dan ook een schets van bepaalde maatschappelijke evoluties in het veertiende-eeuwse Engeland, tegen de achtergrond van de pestuitbraak.

In een recensie plaatst Frank Furedi boeken als De zwarte dood in een lange traditie van titels die epidemieën voorstellen als het verdiende resultaat van onbedachtzaam menselijk handelen. Een geestige analyse misschien, maar ik denk niet dat ze klopt. De kwalijkheid van het boek zit niet in een messiaanse toon, die ik nergens terugvind, maar in het feit dat een historicus zijn vak hier haastig zit te beoefenen, en helemaal zijn hand overspeelt bij zaken waar hij weinig van afweet.

Een horde Amazon-besprekers heeft de factuele fouten en slordigheden in De zwarte dood opgesomd:

- Cantor neemt klakkeloos het broodjeaapverhaal over als zou koning Edward II vermoord zijn met een gloeiendhete staaf in zijn anus
- hij beweert dat het in de slagen bij Crécy en Agincourt een halfuur duurde om een kruisboog te herladen, terwijl dat waarschijnlijk slechts enkele minuten in beslag nam
- hij trekt de link tussen de onvolledige namen die boeren kregen in documenten in de Middeleeuwen en de dito vage namen die joodse immigranten opgaven op Ellis Island; maar de joden hadden wél volledige namen
- hij situeert het einde van het Romeinse Rijk in de zevende eeuw, twee eeuwen te laat
- hij beweert dat de Zwarte Dood de mensen zwaarmoediger maakte, en met veel pertinenter beelden opzadelde van de hel; maar zat die schrik er niet altijd al in?, pakweg Dante's Inferno werd al in 1314 gepubliceerd
- Cantor spreekt misleidend van "een gemiddelde levensverwachting" in de Middeleeuwen van 25 jaar, zonder te zeggen dat de levensverwachting vooral naar beneden werd gehaald door de hoge kindersterfte; wie zijn kindertijd overleefde had een goeie kans om de middelbare leeftijd te halen
- de minnares van Jan van Gent was niet de vrouw van Geoffrey Chaucer, maar diens schoonzus

Maar goed, aan dit boek kleven dus ook structureler gebreken. Om te beginnen gaat Cantor volgens specialisten niet vrijuit waar hij de biomedische oorzaken beschrijft van de pest. Hij geeft veel te veel krediet aan de theorie als zou miltvuur een deel van de sterfgevallen van de Zwarte Dood verklaren, om nog maar te zwijgen van Cantors enthousiasme voor de omstreden astrofysicus Fred Hoyle die beweerde dat 'kosmisch stof', de interplanetaire overdracht van organismen, de pest in gang zou kunnen hebben gezet. Cantor besteedt ruime aandacht aan de biologische kant van de zaak, zonder zelf bioloog te zijn, of biologen te citeren. (Volgens de laatste inzichten is het behoorlijk zeker dat de pest werd veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis, die verspreid wordt door vlooien die met name op de zwarte rat parasiteren.)

Het is vast waar dat de veertiende-eeuwse wereld ernstige beperkingen kende bij het diagnosticeren van de ziekten. Men kon amputeren, wonden uitbranden, hoofdpijn met kruiden behandelen, maar tegenover een epidemie stond men machteloos. Middeleeuwse artsen volgden nog steeds de theorieën van de tweede-eeuwse Griekse arts Galenus, die ziekte toeschreef aan een disbalans in de lichamelijke gesteldheid of ‘lichaamssappen’ van een persoon. Het belangrijkste diagnostische instrument was het bekijken van de kleur en consistentie van de urine. De belangrijkste remedies tegen ziekten bestonden uit het herstel van het vermeende evenwicht door purgeren (klysma’s) of aderlaten.

Edoch, uit overlevering en tekeningen weten we dat de Zwarte Dood gepaard ging met builen (zwelling van de lymfeklieren), vergelijkbaar met de Aziatische builenpest uit de achttiende eeuw. Dit steunt de theorie dat het bij de Zwarte Dood om builenpest ging. Dit jaar nog werden sporen van de Yersinia pestis bacterie in het DNA gevonden van skeletten uit massagraven waarin slachtoffers van de Zwarte Dood zijn begraven.

Hoewel het niet helemaal duidelijk is waar de pestpandemie in de veertiende eeuw precies is begonnen, is wel zeker dat hij uit Azië kwam, waarschijnlijk uit Centraal Azië. De ziekte startte waarschijnlijk bij marmotten, verspreidde zich naar vlooien, via vlooien naar ratten en van daaruit naar de mens. De ziekte verspreidde zich van Azië naar Europa via de handel en soldaten. In 1346 arriveerde de ziekte in de Krim. Vanuit de Krim verspreidde de ziekte zich naar Europa en Noord-Afrika.

De Zwarte Dood trof de meeste delen van het Middellandse-Zeegebied en van West-Europa. Geen enkel land werd echter harder getroffen dan Engeland in 1348-1349, en door het rijke bronnenmateriaal dat bewaard is gebleven over het veertiende-eeuwse Engeland is dit ook het land waar we de persoonlijke en sociale invloed daarvan in detail kunnen onderzoeken, meent Cantor. Waarop hij van leer trekt.

De demografische gevolgen van de builenpest die hij aanhaalt, zullen wel het minst omstreden zijn. Norman Cantor noemt de Zwarte Dood van 1348-1349 "de grootste biomedische ramp in de Europese en mogelijkerwijs in de wereldgeschiedenis". Ten minste een derde van de West-Europese bevolking, zo'n twintig miljoen mensen, stierf in wat tijdgenoten ‘de pestilentie’ noemden (de term Zwarte Dood werd pas na 1800 geïntroduceerd). Ter vergelijking: aan de Spaanse griepepidemie van 1918 stierven wereldwijd misschien vijftig miljoen mensen. Maar de sterfte in verhouding tot de totale bevolking was duidelijk relatief gering vergeleken met het verwoestende effect van de Zwarte Dood — tussen de dertig en vijftig procent van de Europese bevolking.

Ook Engeland werd door de pest een enorme demografische klap toegebracht. Na een positieve trend, nota bene: de bevolking van Engeland en Wales was in de dertiende eeuw verdubbeld. Ongebruikelijk warm weer gecombineerd met voldoende regen had voor enorme oogsten gezorgd, en de royale voedselvoorraad had het sterftecijfer verminderd. Toen zette de neergang in van de malthusiaanse cyclus die kenmerkend was voor de premoderne samenleving. Als gevolg van hongersnoden in het tweede decennium van de veertiende eeuw was de middeleeuwse piek van zes miljoen van de Engelse bevolking in 1300 gaan afnemen.

De voornaamste oorzaak van de demografische ineenstorting, zegt Cantor, was echter de Zwarte Dood. De weg terug was langzaam en erg lang. Toen de Engelse bevolking in de tweede helft van de zeventiende eeuw opnieuw substantieel toenam, kwam de laatste uitbraak van de verschrikkelijke pest in 1665, die zeer aanschouwelijk werd beschreven door de journalist Daniel Defoe in zijn Journal of the plague year (1722). Het niveau van circa zes miljoen mensen werd pas rond het midden van de achttiende eeuw opnieuw behaald.

De andere gevolgen die Cantor ziet, of zijn verklaring daarvoor, reproduceer ik hier zoals gezegd met enige reserve. Zo zou de Zwarte Dood volgens veel historici een belangrijke rol gespeeld hebben in de neergang van de horigheid (de onttakeling van het middeleeuwse feodale model) en het ontstaan van een middenklasse van vrijboeren.

Dat zit zo. Eind twaalfde eeuw werd het een trend om horigen hun vrijheid terug te geven toen de landheren zich door de bevolkingstoename realiseerden dat het oude tekort aan arbeid vervangen was door een veranderlijk arbeidsaanbod. De landheer kon in de daaropvolgende eeuw nu gewoon arbeiders huren tegen contant geld. De dertiende-eeuwse Engelse maatschappij leerde hoe sterk vrijheid en kapitalisme onderling met elkaar verbonden zijn. Toen de Zwarte Dood echter zware verliezen toebracht onder de bevolking, konden de boeren door een tekort aan arbeidskrachten aandringen op hogere lonen en op verdere afschaffing van horige verplichtingen en beperkingen. De meer ondernemende landheren waren uiteindelijk bereid tegemoet te komen aan die eisen.

Deze vroegkapitalistische economie deed de klassentegenstellingen toenemen. De kloof tussen arm en rijk in elk dorp werd groter. De rijkste boeren maakten handig gebruik van de sociale ontwrichting die de pest veroorzaakte en de armere boeren zakten dieper weg in de afhankelijkheid en ellende. De Zwarte Dood versnelde de uiteindelijke verdwijning van de horigheid — een trend die overigens al in gang werd gezet door de officiële openstelling van de grondmarkt in de jaren negentig van de dertiende eeuw. Horigheid en de onroerendgoedmarkt gingen niet goed samen: het eerste paste bij een standenmaatschappij, het tweede bij een geldeconomie.

Sterk te lijden onder de Zwarte Dood hadden de joden. Omdat niemand wist waar de pest vandaan kwam, kregen minderheden de schuld. Zij zouden waterbronnen vergiftigd hebben of op een andere manier besmetting veroorzaken. De opkomst van de joodse gemeenschappen in Slavisch Europa zou volgens Cantoor een direct gevolg zijn van de Zwarte Dood. De joden werden verantwoordelijk geacht voor de pest — een idee dat zijn oorsprong had in Zuid-Frankrijk en Spanje, waar aan beide zijden van de Pyreneeën een derde van de 2,5 miljoen joden van heel Europa leefden. Wereldlijke heersers lieten zich meesleuren door de haat en wantrouwen tegenover joden, die de geheimzinnige leer van de kabbala beoefenden. Temeer: rond het midden van de veertiende eeuw leefden de bijna geheel verstedelijkte joden in getto's, waarbij hun isolement én de strenge rabbijnse hygiënewetten onder de joden zorgden voor minder slachtoffers dan doorsnee. En dat was dubbel verdacht. Het laatmiddeleeuwse Duitsland organiseerde daarom pogroms die de joden in oostelijke richting dreven, naar de Slavische landen. Polen bijvoorbeeld, een dunbevolkt gebied dat daarin pure demografische winst zag.

De uitbraak van de pest liet ook de Kerk en het geloof van de bevolking niet onberoerd. Misschien, zegt Cantor, heeft de pest de trend versterkt van optimisme (van een God die gedeeltelijk via de rede begrepen kon worden) naar pessimisme (met een ondoorgrondelijke God). In Engeland, Frankrijk, de Lage Landen en Duitsland werd de eeuw na de Zwarte Dood gekenmerkt door wat we de privatisering van het middeleeuwse christendom kunnen noemen: nogal wat rijken uit de hogere middenklassen stichtten privékapellen, en het persoonlijk mysticisme nam toe. Ten minste veertig procent van de parochiegeestelijkheid overleed in de late jaren veertig van de veertiende eeuw. Dit betekende een tekort aan religieus personeel. Daarom werden veel jonge mannen aangesteld, en de eisen voor een aanstelling versoepeld. Radicale ketters zagen nu hun kans schoon om een aanval te doen op het kerkelijk leiderschap en de kerkelijke moraal.

In een interessant maar warrig hoofdstuk geeft Cantor aan dat de Zwarte Dood hielp om duidelijk te maken dat de officiële kerkelijke leer, het thomisme, intellectueel gezien op een dood spoor zat. Het thomisme benaderde de wetenschap strikt observerend en retorisch en bovendien bleef het zich vastleggen op de natuurkunde van Aristoteles, die wemelde van de fouten. Thomas van Aquino stond de synthese (‘summa’) van het bijbelse geloof en de seculiere wetenschap voor, terwijl wetenschappers langzaam maar zeker begonnen te beseffen dat de waarheid net in de details ligt — dat je kennis van de natuur kon verwerven door zeer kleine onderdelen van natuurlijke processen minutieus te bestuderen. Cantor heeft het dan over de Oxfordse school, met figuren als Thomas Bradwardine, Willem van Ockham, Robert Grosseteste, Roger Bacon en Duns Scotus.

Gunstig was de Zwarte Dood vreemd genoeg voor vrouwen, althans de vrouwen die het overleefden. Zij kregen immers een behoorlijke weduwengift als hun echtgenoot stierf, en op het eind van de veertiende en begin vijftiende eeuw gingen ze een belangrijke rol spelen in de productiviteit, waardoor ze zich onafhankelijker gingen opstellen.

Dat is allemaal niet onaardig om te lezen. Jammer genoeg maakt Cantor nauwelijks duidelijk waarom we in plaats van correlatie (de gelijktijdigheid van gebeurtenissen) mogen spreken van causaliteit (een onderling verband tussen gebeurtenissen).

Andere besprekers hebben trouwens opgemerkt dat vele veranderingen al waren ingezet vóór de pestuitbraak. En veel zaken bleven ook domweg zoals ze waren. Frankrijk, bijvoorbeeld, bleef de belangrijkste economische factor in Europa. Het leed zware verliezen in de Honderdjarige Oorlog maar verdreef uiteindelijk toch het militair sterkere Engeland.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Black_Death
> http://en.wikipedia.org/wiki/Causes_of_the_Black_Death
> http://en.wikipedia.org/wiki/Bubonic_plague

Norman F. Cantor, De zwarte dood
Hoe de pest de wereld veranderde
286 p.
Uitgeverij Agora, 2003
Oorspr. In the wake of the plague

The black death and the world it made (2001)
Vertaald door Bonella van Beusekom



The plague (1898), Arnold Böcklin; afbeelding via Wikipedia


Topics:

De builenpest is een bacil, meegedragen door op de rug van knaagdieren levende parasieten: 21
De drie fasen van de pest: 22
Het ging niet alleen om de builenpest; argumenten: 23
Miltvuur en de builenpest hebben dezelfde griepachtige symptomen: 24
Uitbreiding veehouderij na massale boskap in dertiende eeuw; veestapels zonder immuniserende vaccinatie; veepest: 24
Kan een natuurlijk miltvuurmutatie op de mens overgebracht worden?: 25
'Miltvuur en builenpest bestonden naast elkaar in de veertiende eeuw'; middeleeuwse artsen konden geen onderscheid maken tussen twee verschillende soorten pest: 27
Factoren die het risico op infectie in endemische gebieden vergroten: 28
Het inwendige leven van een zieke vlo: 29
Genetische relatie tussen de Zwarte Dood en aids (immuniteit): 31
Middeleeuwse artsen dachten dat de pest zich verspreidde via de lucht; ontvluchting van de steden: 32
Middeleeuwse maatregelen: ramen gesloten houden; boom tapijtindustrie; verbod op baden dat alleen maar je poriën openmaakte: 33
Middeleeuwse 'astrologische' oorzaken: 34
In de jaren zeventig: ernstig arbeiderstekort; boeren vragen loonsverhogingen; Boerenopstand van 1381: 35

Oorlog van Eduard III vanaf 1342 om de oude Franse landen van de Plantagenets terug te krijgen: 45
Meisjes uit de rijke klassen: betrokken in het politieke machtspel en de diplomatie, of als maagd het klooster in: 54
Korte levensverwachting vrouwen, veelvuldig huwen van mannen: 54
Dood van Johanna van Engeland ten gevolge van de pestuitbraak in het havengebied van Bordeaux (dus geen dynastieke verbintenis met Castilië voor de Plantagenets): 60
Hoogadellijken ware geen bespiegelende mensen, maar aardse op het leven gerichte types: 73
In 1340 was zestig procent van de rijkdom van Europa en bijna alle politieke macht in handen van slechts driehonderd families van de hogere adel: 74
Deze namen zitting in het House of Lords maar speelden zelden een belangrijke rol in de politiek, wetgeving of rechtspraak: 74
Voor duizenden mensen bestond een groot deel van hun handel in het tevredenstellen van de weinigen helemaal boven aan de sociale ladder: 75
De minder rijke adel en de bovenste laag van de lagere adel probeerden hen na te volgen en leefden vaak op krediet: 76

Engeland was tijdens de jaren van de Zwarte Dood nog steeds een overwegend agrarische samenleving, met één grote stad, Londen, en drie kleinere, York, Bristol en Lincoln: 79
Veeteelt, wol, dikwijls van landerijen van kerkelijke ondernemingen: 80
Huisindustrie: 81
Vraag naar rood vlees (populair voedsel) opgevangen door gedomesticeerd vee; kans op miltvuur in de tijd voor vaccinaties: 81
Rijk graanverbouwend gebied in Engeland: 83
Primitieve kolenindustrie in Wales; brandstoftekort door ontbossing: 83
Gunstige klimatologische omstandigheden tussen 1180 en 1280: 84
De plattelandsbevolking verdrievoudigde in de dertiende eeuw; elke bebouwbare centimeter in de rijke centrale champaing werd gebruikt voor graanteelt; 85
Adellijke landheren wilden de familielanderijen intact houden: 86
Horigheid was bedoeld om een constante aanvoer van arbeid te verzekeren door generaties wettelijk aan het land te kluisteren: 86
Horigen waren geen slaven, maar hadden rechten: 87
Na de bevolkingsaanwas kon de landheer gewoon arbeiders huren tegen contant geld: 88
Het was fiscaal in het voordeel van de kroon om het aantal vrije boeren te vergroten, waardoor ze rechtstreeks aan de koning belasting schuldig waren: 89
De gruwelijke dood van Eduard II: 90
Hongersnood en afkoeling van de aarde aan het begin van de veertiende eeuw; ondervoede lichamen vatbaarder voor de Zwarte Dood?: 92
Schenking van grond aan kerkelijke functionarissen, een belangrijke spirituele dienst m.b.t. het hiernamaals: 93
Bevolkingsexplosie en de koortsachtige situatie rond onroerend goed deed de waarde van de schenkingen toenemen: 94
Een veertiende eeuwse abt was de hoofdleidinggevende van een onderneming geworden: 97
Het bon vivant-leven van de clerus: 97
Zwarte Dood: ongebruikte pachtgronden en tekort aan agrarische loonwerkers: 98
Prijsklem eind jaren zeventig: dalende graanprijzen en arbeiders die aandrongen op hogere lonen: 107
Boerenopstand van 1381: 108
Toename van de klassetegenstellingen in de boerenstand: rijk en arme boeren: 110
Armen in de veertiende eeuw: 112
Iconologie (studie van de leer van motieven van beeldende kunst) als methode om inzicht te krijgen in de gedachten van boeren: 113
Preken van franciscaanse monniken die preekten onder boeren; angstige, onzekere wereld: 114
Piers Plowman: 115
Hiërarchie zorgde nog steeds voor stabiliteit in de overgangswereld tussen het middeleeuwse feodalisme en het vroegmoderne kapitalisme; de Zwarte Dood knabbelde aan dit systeem: 119

Het Avignonese pausdom: 121
De dood van Thomas Bradwardine: 127
De pest spaarde de koninklijke familie of toonaangevende intellectuele en religieuze figuren van Engeland niet: 128
Bradwardines theologie had betrekking op de menselijke reactie op de Zwarte Dood: 132
Willem van Ockham en Marsilius van Padua: 133
Onder de leiding van Robert Grosseteste begonnen de Engelse franciscanen de voorhoede van de intellectuelen in Oxford te vormen, Ockham, Bacon, Scotus: 134
Thomas van Aquino (het Parijse thomisme) stond tegenover de franciscanen van Oxford, de grote intellectuele Renaissance in Oxford van 1240-1380: 134
De vertaling van aristotelische corpus: 137
Geloof en rede binnen het thomisme; het geloof is de hoogste waarheid volgens de franciscaanse school: 139
De benadering in Oxford leidde deels tot de moderne wetenschap, maar leverde toen nog niets op in de strijd tegen de Zwarte Dood; de toegang tot de biomedische wetenschap werd afgesloten door de afkeer die men had van het ontleden van het menselijk lichaam geschapen naar Gods beeld: 140
Wetenschappers hadden tot 1600 geen microscoop en tot 1870 geen sterke microscoop; ze konden de bacillen niet zien; men dacht aan astrologische of moralistische verklaringen: 141

Verdeling van het land in veertiende-eeuws Engeland: 145
Trouwen, het voortbrengen van nageslacht en erven vormden de kern van het leven van de lagere adel; stijgen op de sociale ladder kan via buit verzamelen in de oorlog, het landgoed zorgvuldig te beheren of trouwen met de inbrenging van flinke bruidschatten, en zorgen dat er steeds mannelijke erfgenamen waren: 146
Over deze gang van zaken rond huwelijk, geboorte, dood en erfenis raasde de Zwarte Dood als een tornado heen; meer sterfgevallen, vooral onder jongemannen: 147
Twee soorten mensen profiteerden; de in het gewoonterecht gespecialiseerde advocaten en de vrouwen uit de lagere adel (bij sterfte hadden ze recht op een weduwgift, een derde van het inkomen (niet het kapitaal) van het landgoed van haar man: 147
Daardoor kwamen mannelijke erfgenamen soms in de problemen: 151
Vrouwen, die geïsoleerder leefden, overleefden vaker de pest: 153
De Zwarte Dood verankerde het besef dat agressief geprocedeer nuttig was, alsmede de opvatting dat er niets mis was met ongebreidelde hebzucht: 165
Vernieuwd sterk koningschap eind vijftiende en begin zestiende eeuw; opnieuw een cultuur die functioneerde binnen de regels van de wet: 166
Getrouwde vrouwen in de veertiende eeuw waren dus niet zomaar bezit: 166
Seksueel verkeer en andere omgangsvormen: 167
Ze waren buitengesloten van hogere scholing en academische beroepen: 167
Vrouwenhaat van Ambrosius en Augustinus en andere oorzaken: 168
Nonnenkloosters: 170

De overtuiging dat de joden verantwoordelijk waren voor de Zwarte dood had zijn oorsprong in Zuid-Frankrijk en Spanje, waar aan beide zijden van de Pyreneeën een derde van de 2,5 miljoen joden van heel Europa leefden: 176
Geen aristotelisch rationalisme van Maimonides maar een terugtrekking in de dertiende eeuw in de esoterische kabbala bij de rabbijnse en kapitalistische elite: 177
Wereldlijke heersers lieten zich meesleuren door anti-joodse gevoelens: 180
De joden waren relatief onbelangrijke geldschieters, maar men had liever met hen te maken dan met de machtiger Florentijnse en Lombardische banken: 186
Vernietiging en uitdrijving van joden moeten we niet simpel interpreteren als een daad van christenen om er zelf beter van te worden: 187
Men kon hen immers goed gebruiken als geldschieters en belastingbetalers (in ruil tegen bescherming): 189
Rond het midden van de veertiende eeuw leefden de bijna geheel verstedelijkte joden in wat vanaf 1500 getto's werden genoemd: 190
Isolement en strenge rabbijnse hygiënewetten zorgden voor minder slachtoffers: 190
Hertog Casimir II van Polen nodigt joden uit in zijn dunbevolkte gebieden; economische winst; belangrijke rol voor joden in Polen en in de Oekraïense landen die ook door de Poolse adel werden geregeerd; drietalige opvoeding: 191
Vanaf tweede helft van de achttiende eeuw verslechtering van de levensstandaard: 192
Bij de Derde Poolse deling kwam driekwart van de Oost-Europese joden onder de heerschappij van de Romanovs: 193
In de dertig jaar voor WOI enige verbetering toen de Industriële Revolutie de joodse steden in Polen, Oekraïene en Wit-Rusland bereikten: 193
Joden na 1945: 194

De vroegste middeleeuwse verklaring voor de pest, reptielen; verhalen die doen denken aan bijbelse faraonische plagen: 200
Een van de meest radicale hedendaagse verklaringen voor de pest, kosmisch stof; Fred Hoyle en Chandra Wickramasinghe; de interplanetaire overdracht van organismen: 207

Oost-Afrika als kraamkamer van besmettelijke microben (via Soedan naar de Nijldelta en de Middellandse Zee tot bij ons): 214
Epidemieën in de antieke en bijbelse oudheid: 215 en 219
Het belangrijkste probleem van Rome (dat tot haar ondergang leidde) was biomedisch van aard; getroffen door golven van epidemieën van 250 tot 650: afname van voedselvoorraden, dus minder handel, dus niet toereikende belastingen, dus dalende fondsen voor bureaucratie en landsverdediging: 218
De opkomst van Europa's macht en rijkdom door gunstig klimaat en biomedische omgeving: 222
Het Latijnse, christelijke Europa van de dertiende eeuw; een creatieve maar eenzijdige cultuur, zonder wetenschappelijke vooruitgang voortbouwend op Aristoteles, kwetsbaar voor epidemieën: 223
Malthusiaanse spanningen; door een lange periode van ongebruikelijk warm weer zonder epidemieën was de voedselvoorraad voldoende, waardoor mensen beter te eten kregen en hun levensverwachting hoger werd, maar door de snelgroeiende bevolking raakte men aan de grenzen van de voedselvoorraad en van de beschikbare ruimte voor de toegenomen agrarische productie om gelijke tred te houden met de bevolkingsexplosie: 227
Geen chemische middelen om de gewasopbrengsten te verbeteren, misoogsten, honger: 228
Klimaatveranderingen en verwoestende oorlog tussen Frankrijk en Engeland; honger en geweld aan de vooravond van de Zwarte Dood: 229

Doordat de oude cultuur werd vernietigd, werd de weg vrijgemaakt voor de Renaissance en de protomoderne wereld: 232
Lollards: 238
Een religieuzere, minder humanistische stijl in de Noord-Italiaanse schilderkunst; Meiss en het marxisme: 238
In Engeland overgang van de rijk gedecoreerde variant van de Franse gotiek naar een perpendicular stijl: 240
Misschien verzwakte de Zwarte Dood het geloof in de traditionele middeleeuwse katholieke spiritualiteit en stimuleerde dit een dieper naturalistischer begrip va nde menselijke psyche: 241
Kritiek op bovenstaande theorieën: 243
Macabere katholieke cultuur slecht voorzien om te reageren tegen de Zwarte Dood: 244
Invloed op de Honderdjarige Oorlog, infanterie speelt centrale rol terwijl de loonkosten van soldaten stegen: 245
De ondergang van de Plantagenets: 246
Geoffrey Chaucer: 250

De pest in de Nederlanden (door Erik Thoen): 267
Minder pijnlijke gevolgen, oorzaak: familiebedrijfsvoering: 269
Tegenwerpingen voor de invloed van miltvuur: 270

____

Related Posts with Thumbnails