dinsdag 30 november 2010

De meester van Petersburg - J.M. Coetzee

Net als in Foe speelt J.M. Coetzee in De meester van Petersburg een spelletje met feit en fictie. In Foe nam een geëmancipeerd vrouwelijk personage het op tegen een schrijver die haar per se uit het boek wou schrappen. In De meester verwordt een schrijver zelf tot personage, gekweld door een universum dat van eigen makelij had kunnen zijn. Coetzee voert Fjodor Dostojevski op, net voor deze zich aan Boze geesten zet. Maar in de figuur van Dostojevski voert hij ook zichzelf op.

Deze bespreking bestaat uit twee delen. Achteraan staat mijn persoonlijke appreciatie ('De bochtige weg'), met onder meer notities over de intertekstuele verbanden die ik zie. Beginnen doe ik echter met met mijn impressie van het verhaalverloop ('De komst van een ezel'). Dit bij wijze van spoiler-warning.

De komst van een ezel
Sint-Petersburg, oktober 1869. Na de dood van zijn stiefzoon Pavel — gevallen (of geduwd?) van een toren — keert Fjodor Dostojevski terug naar Sint-Petersburg. De schrijver woonde een tijdje in Dresden maar is nu op de vlucht voor zijn schuldeisers. Hij zoekt de voormalige verblijfplaats op van Pavel, en vraagt de hospita of hij de kamer, als die niet al besproken is, mag aanhouden. In de paar zinnen die J.M. Coetzee wijdt aan het eerste directe contact met deze vrouw, Anna Sergejevna, toont zich meteen al zijn meesterschap. Let op het woordje 'niet':

Uit zijn valies pakt hij een voorwerp in een wit servet en vouwt het open. Het is een foto van een jongen, een daguerrotype in een verzilverde lijst. ‘Misschien herkent u hem,’ zegt hij. Hij geeft haar de foto niet in handen.
De eerste vijfentwintig pagina's behoren zelfs tot de mooiste die ik ooit van Coetzee las. In 1989 verloor de Zuid-Afrikaanse schrijver zijn eigen zoon, Nicolas, bij een tragisch valongeluk, en dat leed is nog tastbaar aanwezig in De meester van Petersburg. Coetzee laat Dostojevski de geur van zijn zoon opsnuiven in de kamer ("zijn geest die in mij vaart") en laat hem vruchteloos mediteren over de omstandigheden waarin hij hem is ontvallen.
Wat hij ondraaglijk vindt, is de gedachte dat Pavel in die laatste fractie van de laatste seconde van zijn val wist dat niets hem kon redden, dat hij dood was. Hij wil geloven dat Pavel voor die zekerheid, nog gruwelijker dan de vernietiging zelf, was behoed door de vaart en paniek van de val, door de neiging van de geest zich te verdoven tegen alles wat te overweldigend is om te dragen. Met heel zijn hart wil hij dat geloven. Tegelijkertijd weet hij dat hij wil geloven om zichzelf te verdoven tegen de wetenschap dat Pavel, in zijn val, alles wist.
Terwijl de dochter van de huurster het moeilijk heeft de gelijkenis met Pavel in hem te zien — hij was dan ook 'maar' een stiefzoon — is Dostojevski's geest helemaal gericht op herdenken. Hij wil zich niet, zoals andere mensen, "voegen naar de orde van dood, rouw en vergeten". Natuurlijk, als we niet vergeten, is de wereld algauw niets meer dan een reusachtige bibliotheek. Maar alleen al de gedachte aan het vergeten maakt hem razend, maakt "een oude stier van hem, prikkelbaar, loerend, gevaarlijk".

De schrijver, bijna vijftig, denkt ook aan de begrafenis van Pavel, die plaatsvond terwijl hij zich in Duitse casino's aan het roulettespel overgaf. Het zijn genummerde graven op het kerkhof, en dat van Pavel kreeg nummer zeven — een nummer waar hij nu nooit meer op zal kunnen wedden.
De aardhoop heeft het volume en zelfs de vorm van een liggend lichaam. Het is eigenlijk niets meer of minder dan het volume verse aarde verplaatst door een houten kist met een lange jongeman erin. Het heeft iets dat verder denken niet verdraagt, dat hij ver van zich werpt. In plaats van de gedachte komen tergende herinneringen aan wat hij al die tijd in Dresden heeft gedaan terwijl hier in Petersburg de procedure van bergen en nummeren, kisten, vervoeren, begraven zijn onverschillige gang volgde. Waarom was er in Dresden geen zuchtje voorgevoel in de lucht geweest? Moeten er massa’s omkomen voordat de hemel siddert?
De precieze omstandigheden van Pavels dood blijven voorlopig duister voor de lezer. Pavel bewoog zich in de terroristische kringen van Sergej Netsjajev, blijkt naderhand. Door die banden komt Dostojevski in contact met de politie, als hij de bezittingen van zijn zoon komt ophalen. (Een poging om raadsheer Maksimov — de gerechtelijk onderzoeker in Pavels zaak, met een schuilnaam om de tuin te leiden, mislukken.)

Met deze Maksimov — een typisch Dostojevkiaanse ambtenaar, een ironisch mee-theoretiserende figuur — onderhoudt hij zich over het mysterie Netsjajev. Waarom voelen dromers, dichters en intelligente jongemannen zoals zijn stiefzoon zich aangetrokken tot zulke bandieten? Het verbaast Dostojevski niet dat Pavel zich heeft ingelaten met de radicalen. Pavel was een ernstig iemand, die ondanks zijn jeugd nadacht over Rusland en over de levensomstandigheden van haar bevolking. Netsjajev is alleen niet zomaar een heethoofdige student en nihilist.

Netsjajev staat voor de gewelddadige omverwerping van alle maatschappelijke instituten, uit naam van een dubieus gelijkheidsprincipe — gelijk geluk voor allen en zo niet, dan gelijke ellende voor allen. Het is geen principe dat hij tracht te rechtvaardigen. Het Netsjajevisme is niet eens idee. Het is een geest, en Netsjajev zelf is er niet de belichaming maar de drager van; of beter gezegd, hij word erdoor bezeten.
Hij is de Mongool die in de Russische ziel achterbleef nadat de grootste nihilist van allemaal zich heeft teruggetrokken in de woestenij van Azië.
Netsjajev handelt niet uit naam van ideeën. Hij handelt wanneer hij de drang ertoe voelt opkomen. Hij is een sensualist, op de manier van de Spaanse autoflegellantes destijds in de kloosters van Loyola. Netsjajev is een "extremist van de zintuigen" die hongert naar doodsextase. Dat laat zijn pamflet Katechismus van een revolutionair duidelijk zien. Daarin definieert hij de revolutionair als iemand zonder belangen, gevoelens, bindingen, of zelfs maar een naam.
Alles in hem gaat op in één totale hartstocht: de revolutie. In het diepst van zijn wezen heeft hij alle banden met de burgerlijke orde, met de wet en de moraal doorgesneden. Hij bestaat nog slechts in de maatschappij om haar te vernietigen.
Elk lid van de bende van Netsjajev krijgt dan ook een lijst met mensen ze moeten ombrengen — vijanden van het volk, die "wetenschappelijk" zijn geselecteerd. Ook Pavel kreeg zo'n lijst, en dat heeft ongetwijfeld iets met zijn dood te maken. Dreigde een van zijn kameraden hem te verraden? Of was hij zelf als een verrader van de "Volkswraak" aangemerkt, en moest hij het daarom met zijn leven bekopen?

In een somber Sint-Petersburg, met als voornaamste coördinaten de verpauperde buurt rond de Hooimarkt, de Stoljarnajakade, en het besneeuwde Jelagin-eiland, zoekt Dostojevski naar antwoorden. Netsjajev, van zijn kant, struint ook nog steeds in de stad. Verkleed in een blauwe jurk en kapothoed probeert hij uit de klauwen van de politie te blijven.

Nu regent het toevallige ontmoetingen in de gemiddelde Dostojevski, dus schaamt Coetzee er zich ook niet voor in De meester van Petersburg. Dostojevski en Netsjajev treffen elkaar, om bitsig te redetwisten over de motieven van de geheime terreurorganisatie. Dat Coetzee de epileptische schrijver (epilepsie = vallende ziekte) met Netsjajev de hageltoren van Petersburg laat beklimmen — waar Pavel naar beneden werd gegooid — is een prachtige vondst. Boven op de toren beseft Dostojevski dat "we het meest leven terwijl we vallen".

Minder aan mij besteed was het idee van Coetzee om Dostojevski iets te laten krijgen met de hospita. Al verloopt die verstandhouding subtiel, met aanhalen en afstoten. Of het door de vertaling komt, weet ik niet, maar met een schok beseft de lezer plots dat Coetzee vooruitloopt op een motief waar hij later een beroemde roman aan zal wijden.
Hij pakt haar arm. Het is donker, ze draagt een mand, ze kan zich niet losrukken. Hij drukt zich tegen haar aan, inhaleert de walnootgeur van haar haar. Hij probeert haar te kussen, maar ze wendt zich af en zijn lippen strijken langs haar oor. Niets in de druk van haar lichaam komt hem tegemoet. Ongenade, denkt hij: zo val je in ongenade.
Dostojevski en Anna Sergejevna brengen samen de nacht door in de kamer van zijn zoon. Melodramatisch, jazker, maar in die zin ook weer heel Dostojevkiaans-christelijk: de vrouw die de zonden van de gekwelde hoofdpersoon mildert: "Ik zal het bitter met je delen."

De 'meester' uit de titel slaat op de aansporingen van Anna aan Dostojevski om zijn zoon door literaire meesterschap weer tot leven te brengen, in zijn geschriften. Coetzee's Dostojevski associeert het woord met metaal — met zwaarden temperen, klokken gieten. Denk aan meestersmid, of gietmeester. Maar zelf voelt hij zich een "gebarsten klok".

Dostojevski krijgt naar het einde van de roman toe de bescheiden van zijn zoon terug, waaronder het dagboek dat deze bijhield. Daarin ontdekt hij dat zijn zoon hem al die tijd grondig heeft veracht. Dat besef lijkt de laatste bodem uit zijn leven te slaan.
Hij bladert verstrooid heen en weer door de pagina’s. Vergeving: is er geen woord van vergeving, hoe vaag, hoe verhuld ook? Onmogelijk om zijn leven te slijten met een kind in hem wiens laatste woord er niet een van vergeving is.
In de loden kist een zilveren kist. In de zilveren kist een gouden kist. In de gouden kist het lichaam van een in het wit geklede jongeman met zijn handen op zijn borst gevouwen. Tussen de vingers een telegram. Hij tuurt naar het telegram tot zijn ogen ervan tranen, zoekt naar het woord van vergeving dat er niet staat. Het telegram is geschreven in het Hebreeuws of Aramees, in lettertekens die hij nooit eerder heeft gezien.
Ook Dostojevski maakt nu een vrije val. Iedereen is tegen hem. Zelfs Matrjosja, het dochtertje van de hospita dat hem eerst als een toonbeeld van zuiverheid had geleken, blijkt ook al die tijd in de ban van Netsjajev te hebben verkeerd, omdat hij nu eenmaal de beste vriend was van Pavel.

Laatste hoogtepunt van De meester van Petersburg is de laatste confrontatie tussen Dostojevski en Netsjajev. De jonge terrorist troont de schrijver mee naar een kelderruimte met drie ondervoede kinderen. Waarna in een fel dispuut nog eens de ideologische tegenstellingen tussen de twee aan het licht komen. Waar Dostojevski getroffen wordt door de ellendige toestand van de kinderen, is Netsjajev niet geboeid door individuele gevallen. Hem interesseren alleen de gebruiksmogelijkheden van de buitenkant van dat leed:
‘Dan had ik u net zo goed geblinddoekt kunnen laten! Moet ik u iets leren? U bent ontzet over het gruwelijke gezicht van de honger en de ziekte en de armoede. Maar honger en ziekte en armoede zijn niet de vijand. Het zijn slechts manieren waarop de werkelijke krachten zich in de wereld manifesteren. Honger is geen kracht — het is een element, zoals water een element is. De armen leven in hun honger zoals vissen in het water. De werkelijke krachten hebben hun oorsprong in de centra van de macht, in de samenzwering van belangen die daar plaatsvindt.
Netsjajev wil dat de bourgeoisschrijver Dostojevski, die hoogstens wat "schijnontberingen" heeft doorstaan in Siberië, zijn invloed aanwendt voor de goede zaak. Hij toont hem een handpers ("de machtsbron van elke schrijver") en sommeert hem een pamflet te schrijven en te ondertekenen met zijn naam. Geen roman, want daar heeft Netsjajev een hekel aan. Wat niet op één pagina gezegd kan worden is de moeite van het zeggen niet waard. Neen, een pamflet.

En ja, Dostojevski mag best de ware toedracht van de hele moordzaak verklappen. Graag zelfs. Het gaat er Netsjajev enkel om zijn slachtofferschap extra glans te verlenen via de naam van de beroemde schrijver. Waarop het Dostojevksi eindelijk begint te dagen dat Pavels dood niet meer was dan aas om hem naar Petersburg te lokken. Ook hij zit nu hopeloos verstrikt in de duivelse logica van het Netsjajevisme.
Waarom ben je niet weg uit Petersburg? In plaats van als een verstandig mens te ontsnappen, gedraag je je als Jezus buiten Jeruzalem en wacht je op de komst van een ezel om je naar je vervolgers te brengen. Hoop je dat ik de rol van de ezel speel? Je zou zo graag de ondergedoken prins zijn, de prins en de martelaar, die wacht tot hij geroepen wordt.
De bochtige weg
De meester van Petersburg
is een rijke roman. Het afgezaagde beeld van het spiegelpaleis is hier op zijn plaats. Alles weerkaatst alles, en niemand heeft nog weet van de oorspronkelijke bron van het beeld.

De anarchist Netsjajev heeft natuurlijk echt bestaan — Dostojevski zou hem onsterfelijk maken in de figuur van Pjotr Verchovenski in Boze geesten. En Netsjajev — de meisjesnaam van Dostojevski's moeder, trouwens — heeft effectief een van zijn bendeleden laten ombrengen. De plaats delict was alleen niet de voet van een toren maar een halfverborgen hol met een... handpers. Ook in Boze geesten is er sprake van een pamflet, en ook daar is het een plotelement dat het verhaal vooruitstuwt.

Er zijn nog meer knipogen. In Coetzee's roman heeft Netsjajev Misdaad en straf gelezen en discussieert hij met Dostojevski over de figuur van Raskolnikov. In het echt hebben ze elkaar nooit ontmoet, en al helemaal niet in Genève zoals in het begin wordt verteld — Coetzee zal de stad van überpedagoog Jean-Jacques Rousseau niet toevallig hebben gekozen. Wat wel weer klopt is dat Dostojevski een stiefzoon had, genaamd Pavel, al kwam die niet vroegtijdig om het leven.

En wat te denken van het wicht Matrjosja, de dochter van Anna? Ook in Boze geesten komt een Matrjosja voor. In een door Dostojevski's uitgever gecensureerd hoofdstuk (in de Van Oorschot-editie opgenomen als bijlage) biecht Stavrogin aan een geestelijke op een meisje met die naam te hebben verkracht. In De meester van Petersburg voelt de fictieve Dostojevski zich erg aangetrokken door minderjarig vlees. Van de echte Dostojevski werd na zijn dood beweerd dat hij zelf een jong meisje zou hebben aangerand.

Maar de mooiste parallel vind ik die van de vader en de zoon. Boze geesten was bedoeld als Dostojevski's antwoord op Vaders en zonen, de onder jongeren populaire roman van Toergenjev over het ideologische conflict van een generatie nihilisten met hun gezapiger ouders. In De meester van Petersburg wordt Dostojevski zelf in het middelpunt geplaatst van een vertroebelde vader/zoon-relatie.

Ik geef toe enige aardigheid te hebben gehad in dit intertekstueel spel. Al kon ik dat alleen maar omdat Boze geesten nog fris in mijn kop zat. Coetzee verwacht van de lezer soms wel heel veel bagage. Op de brug over de bevroren Fontanka-rivier treft zijn Dostojevski "iemand met een werkmanspet". Ik herinner me een soortgelijke ontmoeting op een brug in Boze geesten, met de ontsnapte dwangarbeider Fedja, die inderdaad zo'n werkmanspet draagt. Maar wat is de zin van die dwarsstraat?

Goed, De meester van Petersburg biedt een blik op het laboratorum van de schrijver — de hogere alchemie van het ontbinden en mengen van verhaalstof. Maar eigenlijk interesseert dat me al een tijdje niet meer. Het is omdat de biografische link met Coetzee's eigen leven krachtig is — de schrijver verloor zoals gezegd een zoon in een soortgelijk accident — dat ik wel mee wou. Ik begrijp best dat een schrijver de literaire traditie gebruikt om veiliger afstand tot een persoonlijke tragedie te bekomen.

In dat licht, dat van de persoonlijke tragedie, bezien, is deze hele roman zelfs een wonder van zelfbeheersing en vormbewustzijn. Want dit is Coetzee op zijn best. De juiste balans tussen distantie en betrokkenheid. De meester van Petersburg is Russisch drama, maar door een twintigste-eeuwer ontvet van negentiende-eeuwse wijdlopigheid en keukenmeidenintriges.

Ik kan alleen niet beweren dat ik de finale van de roman helemaal doorgrond. Dostojevski zet zich aan het werk en schrijft een paar bladzijden aan Boze geesten. Authentieke fragmenten, of door Coetzee verbasterd, wie zal het zeggen? Dostojevski spreekt daarbij een credo uit.
Hij herinnert zich de assistent van Maksimov en de vraag die hij stelde: ‘Wat voor boeken schrijft u?’ Hij weet nu wat hij had moeten antwoorden: ‘Ik schrijf perversies van de waarheid. Ik kies de bochtige weg en breng kinderen naar duistere plekken. Ik volg de dans van de pen.’
Heeft Coetzee het hier ook over zíjn invulling van het schrijverschap? De waarheid zo verdraaiend, herschikkend, uitziftend, dat er een dieperliggende waarheid naar boven komt? Ergens definieert Coetzee 'perversie' als: alles en iedereen voor iets anders gebruiken. Heeft hij deze roman, en dus de lezer, gebruikt om met zijn eigen leed in het reine te komen?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

J.M. Coetzee, De meester van Petersburg
191 p.
Uitgeverij Ambo, 1995
Oorspr. The master of Petersburg (1994)
Vertaald door Frans van der Wiel

____

maandag 29 november 2010

Het boekenparadijs - Pierre Bourgeade

Seks en boeken zijn ook mijn voornaamste interesses. Zet een boekenkast en een paar blote borsten op de kaft en mijn aandacht is verzekerd. Jammer genoeg is de tijd voorbij dat ik kritiekloos in een romannetje als Het boekenparadijs kon zwelgen. Want wat is dit weer een onding. Bourgeade is een Fransman, dus een zinnenschrijver, dus een sfeerschepper. Tot daar niets aan de hand. De problemen beginnen wanneer hij meent ook een verhaal te moeten vertellen.

Dat verhaal blijkt dan alleen maar uit grove tegenstellingen te bestaan. De bibliofiele vader en de anarchistische zoon. Het studiehoofd en het lustobject. Kuisheid en verdorvenheid. Parijs en de provincie.

Centraal staat meneer Dufourcq. Hij drijft al meer dan veertig jaar een boekhandel in Bayonne, een stadje in de Baskische provincie Labourd, de laatste strook Frankrijk voor Spanje begint. De vrouw van de boekhandelaar is in het kraambed gestorven. Zijn zoon heeft de wijk genomen naar Zuid-Amerika en laat niets meer van zich horen.

Eigenlijk wou Dufourcq dat die zoon, Vincent, de boekhandel overnam, maar daar zal nu niets meer van terechtkomen. Dus leeft hij tegenwoordig wat berustend tussen de boeken in zijn winkel, die een oppervlakte heeft van zes bij vier meter.

Boekenplanken bedekten de muren. Vernikkelde ladderjes die langs op manshoogte bevestigde stangen gleden, maakten het mogelijk de hogere planken te bereiken. De boeken waren naar categorieën gesorteerd. Kleine, eigenhandig door de boekhandelaar zorgvuldig in schuinschrift gekalligrafeerde kaartjes, maakten het de klant mogelijk zijn weg te vinden in die opeenhoping van gedrukte teksten.
Boeken zijn zowat de enige troost voor de boekhandelaar — een kamerscherm tussen hem en de buitenwereld. Dufourcq herkent echte boekenmensen van verre. Hij heeft geleerd de mensen die werkelijk een boek willen kopen te onderscheiden van klanten die zich vervelen en gewoon in de winkel rondhangen.

En dan, op een dag, komt zij binnen. Voormalig letterenstudente aan de Sorbonne, daarna aan lager wal geraakt, en nu terug op adem komend in haar geboortestreek. Mejuffrouw d’Urruty: een jonge, lange en slanke vrouw van een jaar of dertig. Pierre Bourgeade mag zich helemaal uitleven.
Ze was gekleed in een bleekgroene, linnen jurk, niet te lang en niet te kort, was geschoeid in witte espadrilles met rode, zorgvuldig rond de enkels geknoopte veters en droeg geen kousen en geen hoed. Haar donkerblonde haren werden bijeengehouden met een Baskische, roodzijden sjaal, waarop kaatsers waren afgebeeld. De groene jurk waarin ze gekleed ging was mouwloos: de jonge vrouw, of het jonge meisje (want, ook al maakte ze bij de eerste oogopslag, waarom werd niet duidelijk, de indruk een jonge vrouw te zijn, als je haar beter bekeek kon ze ook de indruk van een jong meisje wekken, als het al niet omgekeerd was), de jonge vrouw of het jonge meisje had dus blote armen, maar ze droeg zeer korte witkatoenen handschoenen, versierd met dunne, geborduurde biesjes. Om haar hals droeg ze een snoer van kleine schelpen, iets als een kinderkettinkje.
Het gesprek dat zich ontspint — of de boekverkoper haar een gepaste titel kan aanraden? — is ook niet onaardig. En eigenlijk wou ik toen nog wel mee in dit verhaal. Van eruditie kan best een erotiserende werking uitgaan. Denk aan Marilyn Monroe en Arthur Miller. Bourgeade weet met een paar mooie zinnen mijn ongeloof op te schorten.
In de eenvormige hemel ontmoeten een planeet en een vallende ster elkaar soms. De planeet volgt, sinds onheuglijke tijden, een routinebaan. De vallende ster gehoorzaamt slechts aan de wetten van het toeval. Toch komt het voor dat ze op elkaar botsen.
Maar dan verliest hij de pedalen. Gaat-ie dagboekbladen van de juffrouw invoegen, die seksslavin was in het rendezvoushuis van 'Madame Neige'. Gaat-ie inzoemen op de zoon, Vincent, die in Argentinië dwangmatig bibliotheken in brand steekt. Gaat-ie een jonge verslaggever opvoeren, die voor Soir de Paris moet rapporteren over een duistere zaak.

Al deze elementen worden door Bourgeade haastig aan elkaar geniet — met een onmogelijk huwelijk, een stompzinnige moord en een finale waarbij hij het verhaal in zijn eigen staart laat bijten (cyclische structuur!).

Neen. Het boekenparadijs is gewoon een kinderachtige puzzel: er zijn te weinig stukken, ze zijn te groot, en ze verschillen te opzichtig van kleur. Niets of niemand komt uit de verf. De motieven van de personages zijn dun. Het scenario lijkt er alleen voor het lekker van de schrijver.

Het enige wat me een beetje raakte, maar waar Bourgeade veel te weinig mee doet, is de vader-zoonrelatie. Die verstandhouding is van jongsaf verzuurd door de boekenliefde die senior op junior wou overdragen. Zoonlief wou echter een andere kant uit. Om van boeken te profiteren, schrijft hij in een brief aan zijn vader, moet je twee levens hebben. Een om te lezen, een tweede om alles in de praktijk te brengen. Hij heeft maar één leven.
Ik lijd onder de gedachte dat jij je hele leven met je neus in de boeken hebt doorgebracht. Wat weet je van de wereld? Alleen wat anderen erover geschreven hebben. Uit jezelf niets. Van sommigen wordt gezegd: ‘Die hebben geleefd!’ Over jou zouden ze kunnen zeggen: ‘Die heeft gelezen!’ Anders gezegd: hij heeft niets gedacht, niets gezien, niets gehoord, niets uit zichzelf gedaan. Waartoe zou je dan leven? Ik haat de boeken die van jou voortijdig een oude man hebben gemaakt.
Verderop in de brief volgt nog een barre episode uit het leven van zijn vader. Deze laat een schrijver uit Parijs overkomen voor een signeersessie. Weken vooraf verkeert de boekhandelaar in koortsachtige opwinding. Op de dag zelf komt er echter geen publiek opdagen. Waarna er voor het tweetal — Vincent: "Ik stond op de drempel en zag twee clochards uitstappen: jij en het idool" — weinig anders op zit dan zich vast te klampen aan de onkwetsbaar makende arrogantie van de artiest.

N.B. Het is de schrijver zelf, daar op de cover. Bourgeade was bevriend met Man Ray en Pierre Molinier en fotografeerde ook naakten in wit-zwart.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Pierre Bourgeade, Het boekenparadijs
175 p.
Uitgeverij Goossens, 1994
Oorspr. L’empire des livres (1989)
Vertaald door Ernst van Altena

____

vrijdag 26 november 2010

A TV guide to life - Jeff Alexander

Ik word niet graag voor onnozel versleten. Daarom kijk ik haast geen televisie meer. Televisie maken is teamwork en kost ook nog eens handen vol geld. Dat betekent: slappe compromissen voor een breed publiek, grove effecten om kijkers te lijmen, en alleen sufbestudeerde formats die nog een kans maken. Heb ik het nog niet over alle inteelt: Vlaanderen heeft misschien dertig mensen die altijd en overal mogen opdraven voor de camera.

Het bovenstaande kan samengevat worden met één zinnetje: televisie lijkt altijd op eerdere televisie. Dat is bij boeken — goede boeken — toch een stuk minder. Door al die eigenwijze auteurs, met hun zeer gewillige papier, en door het gevarieerde aanbod in de betere boekhandel en bibliotheek.

Dat betekent niet dat ik een cultuurpessimist ben, die in het kijkkastje de oprukkende teloorgang van de planeet weerspiegeld ziet. Steven Johnson heeft in een knap boek aangetoond dat de kwaliteit van de televisieprogramma's er juist op vooruitgaat. Al verwart hij kwaliteit naar mijn smaak wel enigszins met complexiteit. Het zal wel dat series en films meer en ingewikkelder verhaallijnen hebben dan vroeger, maar of dat ze per definitie beter maakt?

Daarom viel mijn oog op de ondertitel van dit boekje: 'How I learned everything I needed to know from watching television'. Ik sluit niet uit dat goed gemaakte programma's veel kunnen bieden — de televisie als venster op de wereld en zo — en ik was bereid me daar door Jeff Alexander over te laten onderrichten.

Maar hij bedoelde het toch sarcastisch, bij nader inzien. Alexander, zag ik te laat, is redacteur van Television Without Pity, een licht satirische recensiewebsite met een forum dat ook vaak door televisiebonzen wordt bezocht (vanwege goedkoper dan een testpubliek).

En licht satirisch is ook de toon van dit boek. Er staan te weinig harde conclusies op veel te veel bladzijden. Hoofdstukken gingen voorbij zonder dat ik iets aanstreepte.

De auteur keek televisie en ging na hoe dat medium de wereld voorstelt. Hoe worden mensen geportretteerd? Hun beroepsbezigheden? Hun relaties met collega's, verwanten, vrienden, geliefden? Daarbij ging het Alexander niet om soapseries, of de evidente educatieve waarde van documentaires of praatprogramma's. Hij bekeek de populaire Amerikaanse series en sitcoms. Het soort dat ook naar onze contreien komt overgewaaid.

Er zijn nogal wat nadelen verbonden aan boeken over televisieprogramma's. A TV guide to life is nog geen vijf jaar oud, en oogt al verouderd. De series zijn vervaagd, de seizoenen voorbij, de trends gedateerd. Komt daarbij dat Alexander vaak teruggrijpt naar de series uit zijn jeugd, de eighties en de nineties. Gelukkig zijn dat ook mijn wonderjaren.

Alexander heeft ook het ongeluk dat er heel wat voortreffelijke websites bestaan die gespecialiseerd zijn in televisiekritiek. TV-clichés — de reanimatie-scène! — , daar heb je de machtige database TV Tropes voor. Historische (en andere) fouten in films vind je opgelijst in de goofs-sectie van de Internet Movie Database. En ook over de wijze waarop SF-scenaristen de hoofdwetten van de fysica naar hun hand zetten — luide explosies in de ruimte, tuigen die altijd sneller reizen dan het licht — heb ik al grondiger overzichten gelezen.

Uit wat ik niettemin aantekende:

1. Televisiemakers zorgen altijd voor een onrealistisch groot contrast tussen de hoofdpersonages. Een van de redenen waarom The X-Files zo succesvol was, was omdat de serie draaide rond een scepticus en een believer.

You need several different types of characters for different segments of the population to relate to. For instance, Seinfeld could have been about four fussy, sarcastic, single guys in Manhattan, but that would have left the nation’s high-haired, clownishly dressed, goofily entering demographic unrepresented, so they came up with Kramer.
2. Veel sitcoms zijn opgebouwd rond liefdevolle gezinnen, waar iedereen toch constant sarcastische opmerkingen tegen elkaar maakt.

3. Televisie-interieurs zien er allemaal eender uit. Sofa pontificaal in het midden, keukeneiland, open trap naar boven. Als er al badkamers worden getoond, zijn ze te groot, omdat de halve cast erin moet passen. Er ligt nooit rommel in huis, en de kamers ogen weids.
One of the most important things about TV is that interior spaces look bigger than they actually are. Maybe this is the real estate equivalent of “the camera adds ten pounds”; it also adds a hundred square feet.
4. Op tv zie je mensen nooit lang iets alleen doen: koken, studeren, lezen, tv-kijken of nadenken. Want dat is saai om naar te kijken.

5. Series tonen nooit vrouwen die efficiënt luiers verwisselen; altijd een man die klungelt; de inhoud van de luier komt nooit in beeld.

6. Beroepen zijn zeer onevenredig verdeeld op televisie. De grootste beroepsgroep zijn politiemensen en rechercheurs, op de hielen gezeten door dokters en verpleegsters. ("Waarom zoveel dokters, en waarom zo weinig over patiënten — zijn die laatsten niet degenen met echte problemen?")

7. Iedereen is maniakaal bezig met zijn job en werkt ruimschoots buiten de kantooruren, zodat je mag veronderstellen dat hun persoonlijk leven erbij inschiet. Quod non.
Hence on any given hour of 24, Chloe might act as an intelligence analyst, IT specialist, computer repair person, receptionist, and dispenser of unsolicited personal advice.
8. Televisie doet uitschijnen dat niemand, werkelijk niemand ooit wegkomt met liegen.

9. Technologie en data mining lossen altijd alles op. Misdaad wordt bij voorkeur op moleculair niveau aangepakt. Hackers raken overal binnen als ze maar snel genoeg kunnen typen. Onderzoekslabo’s hebben een budget dat dat van de NASA ruimschoots overtreft. Staaltjes uit CSI:
1. A similated bus-tire blowout, to find out exactly how many miles a giant road cruiser can travel after having choloroform secretly injected into its tire valve. (Answer: from Barstow, Arizona, all the way to the crash site.)
2. A test to see how long a wrapped-up pig carcass would take to decompose, in order to establish the time line of a suspected murder, and not, as one might imagine, to determine whether the ham in the fridge is still safe to eat. (Answer: long enough for Gil and Sara to resolve their differences.)
3. The creation of a life-size mannequin out of ballistic gel that they then stuck behind the wheel of a dead motorist’s Jeep to see if it was possible for him to have been electrocuted accidentally. (Answer: It was accidental, and on behalf of the taxpayers of Clark County, thanks for using all that expensive material to catch no murderers, guys.)
10. Populaire televisieseries zoals de CSI-franchise verhogen in de Amerikaanse jurisprudentie sterk de verwachtingen die slachtoffers van misdaden en juryleden van echte forensische wetenschappers hebben. Vooral op het gebied van onderzoek op een plaats delict en DNA-testen. Dit wordt het CSI-effect genoemd.

11. Niets dat zo schromelijk wordt overdreven in SF-films als de mogelijkheid tot artificiële intelligentie. In het echte leven kan je voor 50.000 dollar een robot kopen die… een beetje rondschuifelt.

12. Elke frank kan maar één keer uitgegeven worden, ook in Hollywood. Door goed te kijken, kan je dus zien waar programmamakers op inzetten.
Everything you see on-screen in a space-based show had to be paid for, so you can tell what they saved money on by what you don’t see. On Doctor Who, it was convincing aliens and sets. On Farscape, it was more than three or four nonpuppet actors. On the original Battlestar Galactica, it was scripts. On the new Battlestar Galactica, it’s laser beams and camera tripods. And on Star Trek, it was a practical way to get from the ship to the planet and back. In other words, most of what we know about life in outer space is based on how much it costs to put on-screen.
13. In de verre toekomst is racisme een voldongen feit.
All Cardassians are power-hungry fascists, all Ferengi are greedy, all Romulans are really unflatteringly coiffed, on and on ad nauseam.
14. PC's op televisie lijken nergens naar.
Fifteen years ago, if someone had told you that one day almost everyone would have a device in their house that displays text in ninety-point font, uses imaginary search engines, and beeps every time it does something, you’d have thought they were crazy. And yet here we are.
15. TV-klinieken kampen nooit met geldgebrek. Alle personeel is er vrolijk en behulpzaam, en dokters zien er uit als fotomodellen. O ja, er wordt zelden gestorven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van de bekendste besproken series in de commentaren hieronder

Jeff Alexander, A TV guide to life
How I learned everything I needed to know from watching television
260 p.
Uitgeverij Berkley Books, 2008
____

donderdag 25 november 2010

Beslissende boeken

Naar aanleiding van Het beslissende boek, mijn eigen rijtje met bepalende boeken. Let wel: boeken. Soms waren sprookjes, liedjesteksten, toneelbrochures, tijdschriften en columns even cruciaal voor mijn omgang met taal en het geschreven woord als romans en weetboeken. Daarover een andere keer, misschien.

Dit zijn ook de belangrijkste titels tot en met 2001 — de boeken die me als puber en jongvolwassene het meest hebben gevormd. Ik schrik zelf een beetje van de zwaarmoedige inslag. En het gebrek aan romans. Inmiddels zijn we tien jaar verder en zijn het een ander soort boeken die me verder brengen. Maar dát lijstje is iets voor binnen een paar jaar, als er genoeg afstand is.


Robinson Crusoe - Daniel Defoe

De jeugdeditie uit de reeks Wereldberoemde Jeugdboeken van Lekturama. Defoe schiep de eerste held waarmee ik me kon identificeren. Geen actieheld, maar een eenzaat tegen wil en dank, die zijn eigen wereld kan inrichten.

Gullivers reizen - Jonathan Swift
De jeugdeditie uit de reeks Wereldberoemde Jeugdboeken van Lekturama. Leerde me welk een machtig wapen bijtende spot kon zijn. Prachtig pleidooi voor het praktisch verstand.

Pipi Langkous - Astrid Lindgren
Hét boek — of de boeken — van mijn jeugd. Nog belangrijker dan Koning van Katoren. Ik las Pipi Langkous synchroon met de televisieserie; de tekst versmolt met de stem van Paula Majoor. Pippilotta Victualia Rolgordijna Kruizemuntina Efraïmsdochter staat natuurlijk voor de triomf van de excentriekeling over de kleinburgermoraal. Maar allicht is dat interessantdoenerij achteraf. Lindgren schreef gewoon leuke avonturen in een heerlijk onschuldige setting. De Zweedse provincie is nog altijd mijn idee van het paradijs.

De aanslag - Harry Mulisch
Verplicht leeslijstenvoer. De aanslag was de eerste literaire roman voor volwassenen die indruk maakte. Mulisch' zinnen waren zoveel moeilijker en precieser dan al die adolescententruut. Vond ik toen. Later bleek het net een van zijn makkelijkste boeken. Nu vind ik het waardeloze rommel, geknipt voor de middelbare school: structuurtjes, motiefjes, parallelletjes en getallensymboliek...

Misdaad en straf - Fjodor M. Dostojevski
Mijn favoriete klassieker in een tijd dat ik ideeën en psychologische haarkloverij noodzakelijk vond in romans. Zijn beste, naar mijn smaak.

Een hete ijssalon - Heere Heeresma
Dit was aantoonbaar het eerste boek waar ik aantekeningen bij maakte. In mijn schriftje schreef ik de zinnen over waar ik geil van werd. En kijk, notities ben ik blijven maken, bij ieder gelezen boek. Het is bizar te bedenken dat de kiem voor dit weblog in een stukje edelporno te vinden is.

Gedichten 1948-1963 - Hugo Claus
Deze bundel bracht me aan de poëzie. Claus liet gedachten en sensaties aan elkaar klonteren door middel van binnenrijm. Dat klonk veel natuurlijker dan dat vervelende eindrijm en alle nutteloze verplichtingen dat dat met zich mee bracht.

Walging - Jean-Paul Sartre
Illustreerde op jonge leeftijd al de gevaren van rationalisatie. Jede Konsequenz führt zum Teufel.

Het duivels woordenboek - Ambrose Bierce
Mijn hele levensfilosofie in keurige partjes gesneden. Onweerstaanbaar grappig.

Intimiteit onder de melkweg - Herman de Coninck
Vlamingen konden dus toch schrijven. Soms.

Verborgen verleiders - Jaap van Ginneken
Dit boekje bracht me al vroeg bij waarom je je informatie maar beter niet van televisie en kranten betrekt. Je wordt gemanipuleerd waar je bij staat. Pas jaren later werd manipulatie een van mijn hoofdinteresses.


Afbeelding van Carl Hollander, uit: Feest in Villa Kakelbont van Astrid Lindgren

Theorema - Pier Paolo Pasolini
Mijn eerste kennismaking met het marxisme, hoewel ik de geschiedenis achter dat woord veel later leerde kennen. Bottom line: mensen worden evenveel door omstandigheden, afkomst en gewoonte bepaald, als door hun temperament. Pasolini's klinische dissectie toonde een ander soort romanschrijven dan ik gewend was.

Pasenow of de romantiek - Hermann Broch
Eerste deel van de trilogie De slaapwandelaars. Triggerde mijn nog steeds aanhoudende interesse voor melancholische, psychologiserende vertellers uit Midden-Europa.

Leven als ambacht - Cesare Pavese
Mijn lievelingsdagboek toen ik puberde. Hierdoor ging ik Privé-Domein en andere egodocumenten lezen, hoewel Pavese gek genoeg niet opgenomen is in de reeks. Een recensent op de achterflap noemde Pavese geplaagd door een "katholieke kwelgeest". Het is een zinnetje dat aankwam. Je kan leren wie je bent door wat anderen zeggen over je meest geliefde boeken.

Uit verre vergetelheid - Patrick Modiano
Een auteur voor wie ik een serieuze boon heb, en volgens mijn dagboek is dit de eerste roman die ik van 'm las. Verradelijk eenvoudig geschreven, maar zo mooi. Eeuwig thema van Modiano: Einzelgänger probeert zijn wortels te reconstrueren. Zeer aan mij besteed.

Het laatste goud van vervallen sterren - Georg Trakl
Nog steeds de mooiste poëzie-uitgave die ik ken. Vertaling Jan U. Terpstra. Thema: vergankelijkheid, in al zijn verschijningsvormen. Appeleerde krachtig aan mijn zwart-romantische inborst.

Het boek der rusteloosheid - Fernando Pessoa
Het Privé-domein aller Privé-domeinen. Pessoa was iemand die de verschillende aspecten van zijn persoonlijkheid niet met elkaar kon laten rijmen en daarom voor elk aspect een apart pseudoniem ('heteroniem') in het leven riep met een zelfstandig oeuvre. Een infantiele oplossing, misschien. Hoe dan ook, Pessoa leerde me het begrip identiteit te wantrouwen en elke vorm van versplintering te omarmen en te exploiteren.

Fernando Pessoa : het ik als vreemde - August Willemsen
Dit boekje staat symbool voor alle voortreffelijke nawoorden die Willemsen bij zijn vertalingen schreef. Willemsen was de eerste die me toonde hoe je over literatuur moest schrijven: knap leven & werk combinerend, met psychologisch inzicht, nuchter, en vooral zonder potsierlijk jargon.

Het land Prozac - Elizabeth Wurtzel
Een getalenteerd, verwend nest beschrijft haar aanhoudende depressies. Pathetisch, zeker, maar vol preciese beelden. Herkenbaar. Beste boek over neerslachtigheid dat ik ken.

De milde dood - Maurits Verzele
Boek met zelfmoordreceptjes, geschreven door een nogal botte hoogleraar scheikunde aan de RUG. In januari 1999 heb ik er een uitgeprobeerd. Zonder erg: ik werd op tijd gevonden. Dit had weleens op een heel verkeerde manier het beslissende boek kunnen zijn.

Bekentenissen van een reactionair - Geert van Istendael
Van Istendael leerde me dat persoonlijke, hartstochtelijke journalistiek fictie dikwijls naar de kroon steekt.

Omgekeerde wereld - Umberto Eco
Een van zijn boekjes met tegendraadse columns. Eco was de eerste die me toonde dat je intelligentie en eruditie aan souplesse en humor kon paren.

De Toverberg - Thomas Mann
Mooiste leeservaring ooit. Twee intense weken in juli 2001, honderd pagina's per dag. Een boek waarin de tijd haast stil staat. Mann deed me meer dan ooit inzien dat ik een zwak heb voor boeken met lange zinnen, een voortkruipend verteltempo en zonder noemenswaardige intrige. Inmiddels vind ik Buddenbrooks een grotere krachttoer — een ongelooflijk knappe familiegeschiedenis, door Mann gepubliceerd op zijn zesentwintigste.

____

woensdag 24 november 2010

Het beslissende boek - Margot Dijkgraaf en Martin Meijer

Geheugenonderzoekers worstelen al jaren met het reminiscentie-effect: wanneer oude mensen terugblikken op hun leven dienen zich juist de vroege herinneringen aan. Niemand weet waarom, maar kennelijk maakt wat rond het twintigste levensjaar speelt een onuitwisbare indruk — de muziek van je jeugd, de politieke situatie... Maar ook de literatuur. Toen hij Het beslissende boek las, merkte Douwe Draaisma op dat boeken vooral jongvolwassenen van de sokken blazen.

Reden om mijn oude notities nog eens boven te halen. Het beslissende boek (2002) is een bundeling van interviews met een vijftigtal bekende Nederlandstalige schrijvers, die eerder in het NRC/Handelsblad verschenen. Margot Dijkgraaf en Martin Meijer lieten elke auteur vier bladzijden lang praten over het boek 'dat zijn of haar leven had veranderd'.

Schrijversinterviews zijn er niet voor de eeuwigheid. Ze zijn in de eerste plaats makkelijke kopij voor de literatuurbijlage. Kraan open en lullen maar. Ook deze gesprekken vallen te licht uit om een bundeling te rechtvaardigen.

Dat hier schrijvers aan het woord zijn, is een extra nadeel. Want op welke manier kan een boek het leven van een schrijver veranderen? Juist, door hem de impuls te geven om zelf te gaan schrijven, of om op een bepaalde manier te gaan schrijven. 'Het leven veranderen' staat in deze dus niet voor grootse en meeslepende ervaringen die boeken mijns inziens toch ook wel kunnen triggeren. Veel getuigenissen gaan niet over ideeën — inhoud — maar over techniek, verhaalvorm, vertelgeluid.

Daarbij is het idee van 'één' beslissend boek wel heel romantisch, wat een paar schrijvers ook toegeven.

Het hoeft niet te verbazen dat literatoren collega's uit de primera division kiezen als rolmodel. Ik zag veel vooraanstaande modernisten langskomen, en opvallend weinig klassieke vertellers. Non-fictie komt er helemaal bekaaid vanaf. Er valt geen genrefictie te bespeuren — waar alle gelees toch mee begint — en er zijn nauwelijks kinderboeken.

Het beslissende boek biedt eigenlijk weinig titels waar ik van opkeek, maar was destijds wel een aansporing om een lijstje te maken met mijn eigen bepalende boeken. Misschien moet ik daar morgen maar eens een stukje van maken, op dit weblog.

* Wat Jessica Durlacher aansprak in Terug tot Ina Damman, was "die prachtige verdrietige tevredenheid met iets wat een droombeeld zal blijven."

* Als Renate Dorrestein vastzit met haar eigen werk, dan loopt naar de v van Vonnegut in de boekenkast omdat hij haar "dat gevoel van vrijheid geeft, haar laat zien dat alles is toegestaan, als het maar werkt".

* Abdelkader Benali verkiest Rushdie boven de deprimerende Naipaul omdat bij Rushdie de wereld zo wordt opengegooid "dat je dan weer ja zegt tegen het leven".

* Martin Bril vond De Harm en Miepje Kurk story van Remco Campert een openbaring. Het gaf 'm mee de moed te schrijven vol observaties, columns waarin uitzonderlijk weinig gebeurt. "Net als in het leven zelf, daar gebeurt ook minder dan je denkt." Bril is een van de weinigen in deze bundel die niet zoveel ophebben met Literatuur met de grote K. Er staat te veel in, vindt hij, er is te weinig geschrapt. "Er is veel vlak proza, maar het echte proza, het flonkerende, precieze, trefzekere, minimale proza, dat is er maar weinig." Bril zoekt in zijn eigen boeken de bekruisbestuiving tussen journalistieke interesse en de goed lopende zin.

De verhalen over Evelien krijgen een meerwaarde omdat ze tussen andere, meer journalistieke columns verschijnen. Als je binnen dat stramien dan fictie gaat bedrijven en je pompt die fictie vol met verifieerbare details, dan ontstaat wat ik noem komisch realisme. Het snijvlak tussen journalistiek en literatuur is wat mij het meest interesseert. Ik heb aan de ene kant niet veel verbeelding, en aan de andere kant een ontzettende hang naar de mooi geschreven zin, het echte goeie schrijven. Bij gebrek aan verbeelding komt je al snel in de betere journalistiek terecht, zal ik maar zeggen, en die wordt in Nederland nauwelijks meer bedreven. Uiteindelijk heeft me dat in de richting van The New Yorker gedreven en het werk van mensen als E.B. White en Joseph Mitchell.
* Pieter Steinz was ooit verknocht aan Siddharta, Hesse's verhaal over een jongen die in zijn puberteit zijn vader verlaat, omdat hij de dingen zelf wil leren. "Het boek was heel bevestigend voor mij. Ik las het precies op het juiste moment, nu had ik het niet meer nodig gehad."

* Vrolijk uit de band springt Maarten ’t Hart, die koos voor De Geschichte der Leben-Jesu-Forschung van Albert Schweitzer: een omvangrijke studie over het onderzoek naar de historische Jezus, dat vooral in de negentiende eeuw plaatsvond. "Je kent alleen die ene visie op Jezus, en dan krijg je opeens van Schweitzer tweehonderd andere visies voorgeschoteld."

* In de winter van 1958-1959 las August Willemsen de roman De binnenlanden van de Braziliaan Euclides da Cunha, een boek dat hem ertoe aanzette Portugees te gaan studeren.

* Stefan Hertmans herkende in De aantekeningen van Malte Laurids Brigge de hoop dat je in het kunstwerk ook de ervaring van een ander leven ziet. Veel schrijvers, zoals Rilke, komen uit de kleine middenklasse voort en missen een vast sociaal frame. "In de arbeidersklasse zijn de mensen heel erg gedefinieerd, evenals in de hogere klasse. In de schemerzone daartussen zoeken sommigen naar een beter leven van de ervaringen, een cultuurleven."

* Voor Rutger Kopland was Gerrit Achterberg belangrijk. In zijn calvinistische jeugd weerspiegelde het Woord een voor eeuwig vastgelegde, dogmatische waarheid. Achterberg toonde hem "het levende, zoekende woord, waar we zelf, vrijelijk, iets mee kunnen doen."

* Joke van Leeuwen ontdekte in Het leven en de opvattingen van de Heer Tristram Shandy van Laurence Sterne hoe je alle regels van de literatuur aan je laars lapt — "geen begin, geen eind, geen intrige, maar daarentegen veel visuele en grafische bijzonderheden."

* Nelleke Noordervliet constateerde rond haar zeventiende een sombere grondhouding bij haarzelf, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Camus gaf haar de instrumenten — "niet alleen van het klinische, analytische denken, maar ook van die van de emotionele intelligentie" — om daar iets van te maken.
Na die heel lange, bittere zoektocht naar de wortels van de opstandige mens maakt hij een zwaai, dan komt er een soort loflied op de scheppende levenskracht en op de liefde. Het is alsof hij aan het eind van die tocht vastloopt op die paradox, alsof de enige manier om daaraan te ontkomen gelegen is in de Lebensjahrung (levensaanvaarding, optimisme — m.d.), die daar heel irrationeel tegenover staat. De levensvreugde die je zelf hebt, simpelweg door te leven, die je aan anderen geeft en die anderen jou kunnen geven — dat is als het ware de troost voor de blik in die diepe afgrond.
* Anil Ramdas trof in Naipauls Een huis voor meneer Biswas, een ironische beschrijving van een hindoestaanse gemeenschap, wat hij in de westerse literatuur miste: "Die altijd gaat over mensen die op zoek zijn naar zichzelf, naar zelfbevestiging — nooit over het collectief."

* Helga Ruebsamen leerde van Kafka hoe het komt dat mensen slachtoffers of daders worden, een vraag die haar van jongsaf obsedeerde.

* Willem Otterspeer was dol op de paradoxen in het werk van Menno ter Braak. "Alles werd door Ter Braak omgekeerd, om beweging te krijgen. Dat is natuurlijk waar het hem in de kunst om te doen was: het eeuwige doorbreken van bestaande, verzilte, versteende dingen. Die wilde hij kapot maken, in plaats daarvan ruimte scheppen."

* De meeste indruk op striptekenaar Peter Pontiac maakte Binky Brown meets the Holy Virgin Mary van de relatief onbekend gebleven Justin Green, door zijn Amerikaanse collega’s beschouwd als de peetvader van de autobiografische strip. In deze underground comic uit 1972 vertelt Green openhartig en humoristisch over zijn worsteling als tiener met een enorm schuldcomplex, ontstaan door een zwaar katholieke opvoeding.

* Pauline Slot signaleert nog een andere troef van literatuur. Zij kreeg in de dagboeken van Virginia Woolf "toegang tot het denken van iemand die dood is en die in tijd, in ruimte en in sociale omstandigheden totaal van je verwijderd is."

* Leon de Winter vond de sentimentele, soms zelfs melodramatische Malamud van De levens van Dubin beter te pruimen dan de intellectuelere Bellow en de zwaarmoedige Roth.

(Gebaseerd op notities van 24 februari 2004.)

Margot Dijkgraaf en Martin Meijer, Het beslissende boek
Nederlandse en Vlaamse schrijvers over het boek dat hun leven veranderde
226 p.
Uitgeverij Prometheus, 2002


De interviews die ik in zijn geheel heb aangestipt zijn:

Frank Martinus Arion over Graham Greene
Willem Brakman over Thomas Mann
H.M. van den Brink
over Peter Handke
Jeroen Brouwers
over Louis Paul Boon
Gerrit Komrij
over encyclopedieën
Rudy Kousbroek over Junichiro Tanizaki
Geerten Meijsing
over Gérard de Nerval
Margriet de Moor
over Robert Musil
Marcel Möring
over James Joyce
Cees Nooteboom
over Marcel Proust
Hans van Pinxteren
over Tsjwang-tse


Nog wat losse quotes:

We zijn opgebouwd uit onbegrijpelijkheden, alleen statistisch lijken we begrijpelijk.
Leo Vroman

Als schrijver heb je binnen je verhalen de macht die je in de echte wereld niet hebt. Je kunt in je werk wraak nemen op de werkelijkheid, dat speelt bij mij vaak. Je moet in je leven glimlachen, je aanpassen, toegeven, zodat de mensen zich een beetje aardig tegenover jou opstellen — dat is wederzijds. Maar in je werk kun je mensen helemaal uitkleden — figuurlijk dan.
Kristien Hemmerechts

Iemand zei een keer tegen mij: "Ik ben een middelmatige dichter, weet je waarom ik dat weet? Ik heb alles bewaard." Als je niet veel hebt, ga je hechten aan wat je hebt. Als je veel schrijft, als je went aan volume, dan heb je die oude probeersels niet nodig. Integendeel, daar wil je niet op lijken. Hoe meer je schrijft, hoe sneller je verandert.
Gerrit Krol

Wat je wilt zeggen, kun je alleen laten zien in een boek, dichterbij kom je niet. Literatuur is eerst en vooral de kunst van het dingen niet bij de naam noemen, de kunst van het mystificeren. Camus heeft zelf eens in een interview gezegd dat Meursault een man is die zonder heldhaftigheid aanvaardt voor de waarheid te sterven. Dat is wel mooi gezegd, maar het is mij veel te cerebraal. Dan ontneem je het boek zijn raadselachtigheid, wordt het toch een beetje “Doctor Freud analyseert” en dat is niet mijn Meursault.
Kees van Beijnum

Toen Nabokov Ada schreef was hij al een oude man. Ik zie Ada als een hommage aan zijn hersenen. Je bouwt je hele leven aan woorden, herinneringen, mensen, situaties, die op een heel specifieke manier met elkaar zijn verbonden. Dat hebben we allemaal op onze eigen wijze in ons hoofd en je weet, als je sterft, is dat weg. Je hersencellen gaan dood en daarmee al die associaties, die verbindingen. Ik heb het idee dat Nabokov in dit boek geprobeerd heeft om verantwoording af te leggen voor zijn eigen associatiepatronen, dat het daarom zo wijdlopig is.
Anna Enquist

____

dinsdag 23 november 2010

De heimweefabriek - Douwe Draaisma

Dit boekje verrijkt het lezen van literatuur zoals geen recensent dat ooit kan. De heimweefabriek behandelt het reminiscentie-effect: wanneer mensen terugblikken op hun leven dienen zich juist de vroege herinneringen aan. Dat lijkt in strijd met — dixit Draaisma — "de Eerste Hoofdwet van het Vergeten": hoe langer geleden, hoe kleiner de kans dat we het ons herinneren. Ook literatoren voelen het effect, wat deels de onevenredige focus op de jeugdjaren in memoires verklaart.

In De heimweefabriek, een bundel losjes aan elkaar gelinkte artikelen over het geheugen, buigt Douwe Draaisma zich onder meer over de vraag waar dat reminiscentie-effect vandaan komt. Wat is het nut ervan? Waarom duiken herinneringen op uit onze jaren als vroege twintiger als het geheugen werkelijk op leeftijd raakt? Een moeilijke kwestie, waar experten vooralsnog weinig over kunnen zeggen. Draaisma, hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie, neemt sowieso eerst een lange aanloop.

In het opstel 'De langste etappe' worden om te beginnen wat historische mythes over ouderdom doorprikt. Ouderdom is een taboe. Over verval, achteruitgang en verlies van vitaliteit wordt niet graag gepraat. In reclame voor producten om ouderdomskwaaltjes te verhelpen, figuren meestal acteurs die tien jaar te jong zijn voor die ongemakken. Maar dat oude mensen vroeger met méér respect werden behandeld, en dat ouderdom toen wél als een waardige levensfase werd beschouwd, is dus een fabeltje.

Bejaarde mensen waren ook zeker geen zeldzaamheid, zoals je weleens hoort; de lage gemiddelde levensverwachting werd vooral omlaag getrokken door de hoge kindersterfte. Het is al evenmin waar dat ouderen vroeger liefdevol in het gezin van hun kinderen werden opgenomen: ze stierven voortijdig, of ze overleefden juist hun al te kwetsbare kinderen. Gezinnen met drie generaties onder één dak waren zeldzaam.

De ironie wil nu dat ouderdom 'de langste etappe' is in het leven, zonder gek veel mogelijkheid tot onderverdeling — wat het beeld van een statische levensfase nog versterkt. Baby, peuter, kleuter, kind, puber en adolescent ben je maar kort; oud zijn we vaak een kwarteeuw of langer, en ouderen zijn nog nooit zo gezond geweest als nu. We werken minder lang en hebben het bij dat werk minder zwaar. Oud staat ook niet meer gelijk met arm, zoals vroeger, toen het ophouden met werken verlies van inkomen en afhankelijkheid betekende.

Vroeger, vervolgt Draaisma in het essay 'Vergeetachtig', werd de levensloop afgebeeld als een ‘trap des levens’. Men ging er vanuit dat vaardigheden vanaf het midden van iemands leven in hetzelfde tempo achteruit gingen als ze zich ontwikkeld hadden. Dat idee is achterhaald; de meeste cognitieve vermogens blijven een leven lang op peil. De curve van ontwikkeling en verval is nog het best te vergelijken met een transatlantische vlucht.

Natuurlijk komen er op den duur klachten. Het concentratievermogen neemt af, net zoals de capaciteit van het werkgeheugen en de snelheid van verwerken van nieuwe informatie. Het geheugen voor plannen, het zogeheten ‘prospectief geheugen’, wordt ook merkbaar wat sleetser bij het ouder worden. Plannen voor handelingen zijn immers lastig op te slaan, want verstoken van elke associatie. Bij dit soort geheugenverlies vergeet je niet alleen wat je wou onthouden, maar ook de remedie waarmee je het vergeten wou tegengaan.

Andere typische oudersdomsklachten zijn het niet op woorden kunnen komen, het niet op namen kunnen komen, en het niet meer kunnen plaatsen van herinneringen in de tijd: was dat etentje drie of zes weken geleden? Jongeren hebben de neiging dingen te dichtbij in de tijd te situeren, ouderen te ver in te tijd. Dat heet voorwaartse en achterwaartse ‘telescopie’.

Bovenstaande klachten zijn allemaal vormen van gewone oudersdomsvergeetachtigheid. Dementie daarentegen, is een echte ziekte. De kans op dementie neemt toe met de leeftijd, maar komt voor mensen boven de 65 jaar toch niet boven de 5 procent uit. Toch stijgt in Amerika de groep van de zogenaamde worried well: mensen die hun ouders hebben zien aftakelen en veel te vroegtijdig bang zijn dat het hen ook overkomt.

Opvallend, zegt Draaisma, is dat de rapportage van normale geheugenklachten geen verband houdt met de objectieve conditie van iemands geheugen. Depressieve, gestresseerde mensen met faalangst signaleren vaker geheugenklachten. Therapie bestaat dan vooral uit het kweken van vertrouwen in het eigen geheugen, want faalangst kan een selffulfilling prophecy zijn.

Het geheugen wordt gedragen door hersenweefsel, dat onderhevig is aan verval, waardoor ook herinneringen vervagen. Dát je vergeet, schrijft Draaisma, merk je vooral bij toeval. Associaties, die herinneringen triggeren, zijn nu eenmaal verbonden met wat er nog wel is. Ze voeren je nooit langs lege plekken, want lege plekken houden op een associatie te zijn. Het beeld van het geheugen als gatenkaas is dus het beeld van een buitenstaander. Voor de innerlijke blik is het geheugen altijd vol:

Het geheugen, ook als het niet ten prooi valt aan dementie, heeft veel weg van het gezichtsveld. Als je gezichtsveld, door wat voor oorzaak dan ook, begint te krimpen zie je dat zelf niet. Je kunt de gevolgen opmerken, doordat je tegen dingen begint aan te botsen die je tevoren zou hebben gezien, maar de versmalling van je gezichtsveld kun je niet zien, het heeft geen randen. Op dezelfde wijze zie je in je geheugen geen leegte. Soms merk je de gevolgen, realiseer je je opeens dat je iets niet meer weet dat je tevoren nog wel wist, maar wat verdwenen is heeft geen open plek achtergelaten.
Geheugenverlies is niet aangenaam en dus een gat in de markt. In 'De markt van het grote vergeten' zegt Draaisma het zijne over de beschikbare zelfhulpboeken en mnemotechnische middeltjes. Want er kan iets aan vergeten gedaan worden, doen geheugenguru's met luide keel uitschijnen.

Vooral de mantra use it or lose — je moet je geheugen onderhouden — noopt tot het opnemen van de eigen verantwoordelijkheid. Maar die slogan is alleen waar in de negatieve zin, stelt Draaisma: wie zijn geheugen niet gebruikt, krijgt het inderdaad moeilijker met onthouden. Dat je je geheugen kan oefenen door het veel te gebruiken, is echter niet waar. Exit Kawashima’s Brain Training, dus. Geheugenatleten trainen niet het onthouden op zich, maar het handig worden in het gebruiken van patronen (kapstokken om iets aan op te hangen) en het ontwikkelen van steeds dichter wordende associatienetwerken.

Ook de wijsheid ‘hoe rijker de omgeving, hoe beter het brein’ is alleen waar in negatieve zin: zonder veel prikkels kan het geheugen zich niet optimaal ontwikkelen. Eveneens een mythe: het feit dat we maar 10 procent van onze hersenen gebruiken. Dat is een kwakkel die door allerlei zelfhulpboeken van elkaar is overgeschreven. Er is geen enkel onderzoek die zulks aantoont.

Typerend is dat de meeste geheugentechnieken nauwelijks aansluiten bij het soort vergeetachtigheid — namen, woorden, plannen — dat in geheugenenquêtes opduikt. Trouwens, de enige adviezen die in de praktijk werken volgens Draaisma, worden ingegeven door het gezond verstand: dingen opschrijven, kalender bijhouden, vaste plaatsen voor dezelfde spullen.


Denis Collette, The memory of the trees; foto via Flickr, onder een Creative Commons licentie

Komen we toch bij het hoofdstuk 'Reminiscenties', waarin Draaisma collega's aanhaalt die hebben onderzocht wat mensen op hoge leeftijd hebben onthouden van hun bestaan. Pas sinds een jaar of twintig erkennen psychologen dat betrouwbaarheid misschien niet het belangrijkste is van herinnering. Wel dat in de ouderdom herinneringen überhaupt blijven terugkomen.

De test is betrekkelijk eenvoudig. Proefpersonen krijgen een woord voorgelegd — pakweg 'circus' — en moeten een herinnering vertellen die dat woord oproept. Naderhand wordt de herinnering gedateerd. Het grafiekje dat daarna wordt uitgezet, laat een vreemde curve zien: het reminiscentie-effect.
Bij de meeste mensen dateren de eerste herinneringen van na hun derde of vierde. Daarna loopt de curve steil op, bereikt een top rond het twintigste levensjaar, zakt vervolgens terug, vlakt af en vertoont helemaal aan het eind nog een zwiepje omhoog. Dat laatste is een recentheidseffect: als iemand pas nog met zijn kleinkinderen naar het circus is geweest is de kans groot dat hij herinneringen daaraan vertelt. Maar als proefpersonen het verzoek krijgen vier uitgesproken levendige herinneringen te vertellen, herinneringen die ze zeker zouden opnemen in hun autobiografie als ze die ooit zouden schrijven, verdwijnt ook dat zwiepje omhoog, ten gunste van een nog hogere piek rond hun twintigste. De 'reminiscentiehobbel' in die curve intrigeert geheugenpsychologen nu al zo'n twintig jaar.
Onderzoek naar het reminiscentie-effect buiten een experimentele setting is schaars, geeft de auteur toe, maar de opbouw vele autobiografieën en memoires, met onevenredig veel aandacht voor de jeugdjaren, lijken verder bewijs voor het fenomeen. Maar waar komt het vandaan?

Er zijn biologisch georiënteerde verklaringen. In de jeugd en vroege volwassenheid bereiken de cognitieve vermogens, zoals geheugen en concentratievermogenn een optimum. De rijping van de hersens is dus afgesteld op de periode dat de soort zich reproduceert. Klaar. Maar dat klopt dus niet. Want zoals Draaisma al eerder aangaf: de meeste geheugenfuncties blijven lang op peil.

In de evolutionair georiënteerde psychologie denkt men aan de adaptieve waarde van vroege herinneringen, aangezien ouderen de taak hebben de jongere groepsleden in te wijden in de sociale conventies: ouderen halen herinneringen op aan die gebeurtenissen die direct aansluiten bij de ervaringen van hun veel jongere gehoor. Ook die verklaring lijkt niet aannemelijk. Er zijn nog niet lang genoeg gezinnen van drie generaties om er een evolutionaire functie aan te koppelen.

Misschien heeft het te maken met memorabele gebeurtenissen? Gebeurtenissen die door iemand als cruciaal worden gezien voor de latere loop van zijn leven — of het nu krenkende ervaringen zijn, ‘eerste keren’, levenslessen of andere keerpunten — worden meestal rond dezelfde levensfase gesitueerd, zo rond iemands twintigste. Een bizar Deens onderzoek met mensen die veertig waren toen hun in de Tweede Wereldoorlog door Duitsers bezet werden, situeerden zelfs hun belangrijkste gebeurtenissen vóór de oorlog, rond 1920, toen ze twintig waren. Precies in de reminiscentiehobbel!

De heimweefabriek maakt melding van nog meer onderzoek. Beslissende boeken lijken gelezen te worden rond je twintigste. Wat mensen beschouwen als de muziek van ‘hun generatie’ begint rond veertien, vijftien jaar en eindigt achter in de twintig; de appreciatie van die muziek blijft daarna zo goed als constant. De politieke gebeurtenissen die mensen het best onthouden blijken zich vaak halverwege hun twintigste levensjaar te hebben voorgedaan. Films die iemand typisch acht ‘voor zijn tijd’, draaien meestal in de cinemazalen toen de respondent begin de twintig was.

Het reminiscentie-effect heeft positieve kanten. Zo is daar de plotse, blijmoedige komst van 'nieuwe' herinneringen op hoge leeftijd. In zoverre zelfs dat ze een impuls kunnen geven het eigen levensverhaal werkelijk te schrijven: nogal wat autobiografieën zijn geschreven door auteurs die tien jaar eerder nog zeker wisten dat ze nooit aan memoires zouden beginnen. Het effect heeft echter ook een keerzijde: het feit dat mensen zoveel uit het middendeel van hun leven vergeten. Ongelooflijk soms, hoe vele decennia worden afgedaan met een paar zinnetjes, of een paar bladzijden in een autobiografie.

In de geriatrische psychiatrie in de jaren zestig werd reminiscentie bij oude mensen en life review ontmoedigd, omdat men het te deprimerend vond. Dat tij is gekeerd in de jaren tachtig en negentig: nu worden ouderen aangemoedigd herinneringen op te halen. Soms is dat nog de enige manier om bepaalde mensen te bereiken. Oude foto’s triggeren het geheugen van licht dementerende bejaarden als geen ander en zijn een dankbaar therapeutisch middel. In het gesprek over de foto’s valt kennelijk hun afhankelijkheid weg: zij zijn eindelijk nog eens de deskundige.

Nu, wie zich op latere leeftijd dingen herinnert, ontmoet een fenomeen waar jonge mensen minder mee te maken krijgen. Je betrapt er jezelf op dat eenzelfde herinnering is veranderd, waardoor je de neiging hebt het geheugen als onbetrouwbaar te bestempelen. Herinneringen gaan over het verleden en dat verleden verandert toch niet? En toch klopt de conclusie niet, zegt Draaisma in 'Wijsheid achteraf':
Elke herinnering sluit een contact tussen twee polen in de tijd. Wat je je herinnert kan gisteren of een halve eeuw geleden zijn gebeurd, dat je je die gebeurtenis herinnert speelt zich af in het heden. Je iets herinneren doe je nu. In de herinnering verschijnt daardoor niet alleen iets van je vroegere zelf in het heden, maar komt omgekeerd ook iets van je gevoelens en gedachten van dit moment in de herinnering terecht. Herinneringen zijn geen dossiers die na inzage weer terug het geheugen in gaan zoals ze er zijn uitgekomen. Ze veranderen in gebruik. En de herinnering aan een en dezelfde gebeurtenis kan afhankelijk van je stemming van het moment verschillend aanvoelen.
De meeste geheugenpsychologen menen dat je door iets te herinneren een nieuw neuronaal spoor aanlegt en dat je de volgende keer dat je je ogenschijnlijk hetzelfde herinnert in feite het meest recente spoor geactiveerd wordt. We herinneren ons het verleden niet, we herinneren ons de laatste herinnering aan dat verleden. Het zijn, in de woorden van Draaisma, herinneringen aan herinneringen. Ze zijn selectief, onvolledig en gekleurd. De oorspronkelijk herinnering is onbereikbaar omdat het perspectief niet meer te herstellen valt. Herinneringen zijn geladen met kennis van nu, zijn belicht door wat er op volgde en dat heeft er andere herinneringen van gemaakt. Ze zijn van betekenis veranderd. Zelfs het beeld dat we van ons vroegere zelf hadden, zo wijst onderzoek uit, is notoir onbetrouwbaar.

Een paar keer in dit boekje haalt Draaisma literaire fictie aan om zijn ideeën over het geheugen te adstrueren. Zo is daar Oliver Sacks die in zijn autobiografie Oom Wolfraam inderdaad besefte dat veel herinneringen na een halve eeuw niet meer in ongerepte vorm terugkeren in het bewustzijn. Herinneren koest ook moeite; Sacks verzamelde jeugdvrienden rond zich om in team zijn herinneringen te reconstrueren. Günter Grass werd in De rokken van de ui zo geplaagd door leemtes en hiaten in zijn geheugen, dat hij in dat autobiografische relaas naar de derde persoon overschakelde.

Ik werd door Draaisma ook met plezier herinnerd aan het ook door mij bewonderde boekje Vereniging Vrijwillige Dood. Daarin laat Max Frisch een zestiger beseffen dat eigenschappen die hij aan iemands karakter toeschreef, eigenlijk op het conto staan van iemands leeftijd. Wat Aristoteles in zijn Retorica dus ook al beweerde: iemand is niet goedgelovig of gierig van aard maar van leeftijd.

Dit boekje geeft me op een prettige manier een alibi voor allerhande gewoontes die vaak door mijn directe omgeving worden bespot. Het bijhouden van lijstjes met gelezen boeken, het maniakaal overpennen van wat me raakt, het digitaal fotograferen van weg te gooien persoonlijke spulletjes, het downloaden van YouTube-filmpjes, het aanleggen van reisdagboeken... Draaisma is formeel: dit deel van mijn leven is het moeilijkst vast te houden.

De heimweefabriek is daarnaast een aansporing om in mijn boekbesprekingen naast samenvatting en oordeel ook altijd iets persoonlijks te blijven zeggen. En dan vooral de vermelding van gedachten of beweegredenen — alles waar binnenkort geen materiële restanten meer van over zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Douwe Draaisma, De heimweefabriek : geheugen, tijd & ouderdom
142 p.
Uitgeverij Historische Uitgeverij, 2008

____

maandag 22 november 2010

God is niet groot - Christopher Hitchens

Er zijn twee manieren om af te rekenen met religie. Je kan wijzen op de logische inconsistentie van de geloofsleer, of je kan alle ellende in kaart brengen die ontstaat zodra die geloofsleer in de praktijk wordt gebracht. De eerste benadering is me het liefst, omdat ze fundamentele denkfouten aan het licht brengt. De andere aanpak is lastiger, omdat mijns inziens slechts een deel van de ellende rechtstreeks verband houdt met een bepaalde geloofsinhoud.

Meestal beginnen de problemen pas wanneer religie zich gaat organiseren. Wanneer ze zich dus kan vermengen met algemeen-menselijke mechanismen als machtsmisbruik en gedachteloze navolging.

Christopher Hitchens kiest voor een gemengde aanpak. Zijn God is niet groot is evenzeer een catalogus van religieus geïnspireerde misère als een handleiding om rationeel te denken.

Op beide fronten is het boek wel een stuk rommeliger dan had gemogen. Alsof de auteur voor de gelegenheid zijn documentatiemappen heeft leeggeschud.

Gelukkig zijn daar bij tijd en wijle de sardonische humor ("een ambitieuze Albanese non, die bekend is geworden onder de nom de guerre Moeder Theresa") en Hitchens' nietsontziende charges die het boek goed verteerbaar maken.

Monotheïstische religies zijn het plagiaat van een plagiaat van een gerucht van een gerucht van een illusie van een illusie die tot in de lengte der dagen teruggaat om een paar non-gebeurtenissen te verzinnen.
Hitchens is goedgeplaatst om over religie te schrijven. Als journalist reisde hij de hele wereld rond, om vaak met eigen ogen te aanschouwen wat religie kan aanrichten. Hij kent het geloof ook van binnenuit. Hitchens is geboren als anglicaan, kreeg les op een methodistische school, bekeerde zich uit hoofde van zijn eerste huwelijk tot de Grieks orthodoxe kerk, werd, zo grapt hij zelf, door volgelingen van Sai Baba als zijn reïncarnatie herkend, en is hertrouwd met een rabbijn. Daarnaast is hij een intellectueel die zijn eigen (seculiere, trotskistische) geloof is afgevallen, zodat hij weet met welke pijn en moeite mensen ingehaald kunnen worden door de realiteit.

En toch moeten we met zijn allen door die zure appel bijten, vindt Hitchens. Religie is immers cruciaal. De discussie over het geloof is de basis en de oorsprong van iedere discussie, omdat zij het begin — maar niet het eind — van alle discussies over filosofie, wetenschap, geschiedenis en de menselijke aard is.

Het geval wil nu dat er voor de auteur vier onoverkomelijke bezwaren aan het religieuze geloof kleven.

Religie geeft om te beginnen een totaal verkeerd beeld van de oorsprong van de mens en de kosmos. Geloof komt "uit de huiligere, angstige kleutertijd van onze soort en is een kinderlijke poging de hardnekkige behoefte aan kennis (en troost, geruststelling, et cetera) te bevredigen." Vroeger namen vele verstandige mensen — de Verlichtingsfilosofen, de Founding Fathers — een deïstisch standpunt in. Dit compromis was voor die tijd logisch en rationeel. Maar nu weet elke westerse scholier al veel meer over de natuur dan welke aartsvader van welke religie ook ooit geweten heeft.

En wat blijkt? Elke grote wetenschappelijke ontdekking staat haaks op wat religieuze openbaringen ons vertellen, of het nu de Darwinistische evolutieleer is, wat Einstein te berde bracht over het begin over onze kosmos, of de inventarisatie van het menselijke genoom. Geloof staat bovendien vijandig tegenover zulk vrij wetenschappelijk onderzoek.

Ten tweede slaagt religie erin door die initiële fout — de gelovige is de maat van alle dingen — "een maximum aan slaafsheid te combineren met een maximum aan solipsisme". Wie atheïst is, bakkeleit niet om heilige plekken, heeft geen zelfbekrachtigende ceremonies nodig, brengt geen zinloze offers, en heeft niet de zelfingenomenheid om zich het middelpunt van een goddelijk plan te wanen. Omdat de ongelovige beseft de absolute waarheid niet in pacht te hebben, kan dát alvast geen reden zijn voor racistische oprispingen of gewelddadige onverdraagzaamheid.
De drie grote monotheïsmen leren mensen verachtelijk over zichzelf te denken, als miserabele, schuldige zondaren die zich ter aarde moeten werpen voor een boze, jaloerse god die hen, volgens uiteenlopende berichten, uit stof en klei of uit een klont bloed gemaakt zou hebben. De houding waarin gebeden moet worden, wedijvert met de houding van de smekende slaaf voor zijn humeurige heerser. De boodschap is er een van voortdurende onderwerping, dankbaarheid en angst. Het leven zelf is armzalig: het is niet meer dan een interval waarin je je moet voorbereiden op het hiernamaals of de komst of wederkomst van de Messias.
Aan de andere kant leert religie mensen, schijnbaar ter compensatie, extreem egocentrisch en hoogmoedig te zijn. Gelovigen krijgen de verzekering dat god zich over ieder afzonderlijk individu ontfermt en claimen dat de kosmos speciaal voor de mensen is gecreëeerd. Dat verklaart de hautaine uitdrukking op het gezicht van de mensen die het geloof opzichtig in de praktijk brengen: excuseer mijn bescheidenheid en nederigheid, maar ik ben toevallig wel druk met een boodschap voor god.
Ten derde vertoont religie heel wat morele gebreken. Vele geloofsleren minachten vrouwen, frustreren kinderen, en neigen tot seksuele onderdrukking. Religie heeft bovendien een overspannen beeld van 'het Kwaad', dat onvermijdelijk leidt tot onrealistische geboden en verboden. Terwijl antisociaal gedrag eenvoudig kan uitgelegd worden als het resultaat van de evolutie. Hitchens: "Onze voorhoofdshersenen zijn te klein en onze adrenalineklieren te groot, en het ontwerp van onze voortplantingsorganen houdt ook niet over; ingrediënten die, alleen of gecombineerd, wel enige ongelukkigheid en ontregeling tot gevolg móeten hebben."

Tot slot vertrekt religie vanuit een wensgedachte. Religie belooft een paradijselijk hiernamaals, zodat de bekommernis om onrecht en onderdrukking in het hier en nu te snel naar het achterplan verdwijnt. Geen citaat, zegt de auteur, dat zo vaak misbruikt wordt als de onsterfelijke quote van Marx: "Religie is het opium van het volk." Opium is hier niet bedoeld als roesmiddel, maar als pijnstiller. Marx zag religie als het gejammer van de verdrukten. Wie dit denkbeeldige geluk van het volk wil afschaffen, eist daarmee de mogelijkheid tot hun werkelijke geluk op.

Aan deze vier hoofdredenen, zegt Hitchens, kan je natuurlijk het voor de hand liggende feit toevoegen dat religie misbruikt wordt door wereldlijke machthebbers om gezag naar zich toe te trekken. Om van religieuze machthebbers nog maar te zwijgen.
Nu benaderen veel religies ons met een beminnelijke, zelfgenoegzame glimlach en gespreide armen, als huichelachtige verkopers op een bazaar. Ze bieden troost, solidariteit en bemoedigende woorden, en beconcurreren elkaar als marktlui. Maar we hebben het recht ons te herinneren hoe barbaars ze zich gedroegen toen ze macht hebben en ze iets aanboden wat niet geweigerd kon worden. En als we dreigen te vergeten hoe dat geweest moet zijn, hoeven we alleen maar even naar die landen en maatschappijen te kijken waar geestelijken nog wel de macht hebben hun eigen voorwaarden te stellen. De deerniswekkende overblijfselen hiervan zijn ook in moderne samenlevingen nog altijd zichtbaar: in pogingen die het geloof doet om zijn greep op het onderwijs te behouden, om zich vrij te stellen van het betalen van belastingen, of om wetten te laten aannemen die het mensen verbiedt haar almachtige en alwetende god en zelfs diens profeten te beledigen.
Hitchens, die 'God' pesterig zonder kapitaal blijft spellen, benadrukt zijn hele boek door dat de fouten en misdaden van religie in deze beginselen moeten gezocht worden. Het (soms voorbeeldige) gedrag van gelovigen doet weinig ter zake. Bij het goed gedrag van een gelovige moet je je immers de vraag stellen of dat per se door zijn geloof geïnspireerd is. Vaak zie je dat goede daden worden gepleegd door priesters, bisschoppen, rabbijnen en imams die het mens-zijn juist boven hun sekte of geloofsovertuiging hebben gesteld. Aldus is Hitchens er als die kippen bij om die weldaden als een compliment te zien aan het humanisme, niet aan het geloof.

De gevaren van religie
Na een algemene expositie gaat Hitchens zijn bezwaren verder uitsplitsen, en toelichten in thematische hoofdstukken. Daarbij herhaalt hij zich weleens, en wordt de lezer dikwijls geplaagd door argumenten die de auteur ineens te binnen lijken te schieten ("Trouwens,…", "Tussen haakjes:…").

Als naslagwerk schiet God is niet groot ook jammerlijk te kort. Veel religieuze wanpraktijken worden in één, twee, drie alinea’s afgedaan, en de auteur is zéér spaarzaam met voetnoten. Hitchens heeft ook de neiging om alles op een hoop te gooien. Voor zover ik weet is de vrouwenbesnijdenis in sommige islamitische landen geen religieuze kwestie, maar een plaatselijke culturele erfenis.

Voor de concrete dossiers verwijs ik naar de lijst met 'topics' onderaan de bespreking. De algemene argumentatie kan in de volgende blokken verdeeld worden:

* Religie is dodelijk. Religieuze leiders kunnen dan wel reppen van de geneugten na de dood, ze willen opvallend veel macht in dít leven. Daar bij kunnen ze moeilijk andere overtuigingen respecteren. Ofwel wordt er pro-actief onderdrukt — denk aan de gediscrimineerde katholieken in Ierland, de Bosnische moslims die dreigden te worden uitgeroeid op de christelijke Balkan, en de sjiietische Afghanen en Irakezen. Ofwel is er duidelijk onwil van klerikale autoriteiten om een ondubbelzinnige veroordeling uit te spreken over misdadige praktijken — zie het Vaticaan in de zaak-Rushdie.

Hitchens kreeg ooit de vraag toegeworpen of hij zich 's nachts op straat niet veiliger voelt in het besef dat het groepje mensen dat hij kruist gelovigen zijn. Waarop Hitchens kon antwoorden zo'n situaties inderdaad te hebben meegemaakt, in Belfast, Beiroet, Bombay, Belgrado, Bethlehem en Bagdad, en neen, hij voelde zich niet veiliger met gelovigen in de buurt.

* Religie schaadt de gezondheid. Niet-westerse religies koesteren vaak achterdocht tegen de westerse geneeskunde. Men vindt het hoogmoedig om in te grijpen in het goddelijke plan, en ziet medisch onheil als een straf van de goden voor promiscuïteit en homoseksueel gedrag. Of men acht de geloofsleer op zich voldoende tegen kwalen. Dit is de aloude religieuze combinatie van onderdrukking en ontkenning: men verklaart een plaag als aids taboe, omdat de lessen van de Koran volstaan om iemand van geslachtsgemeenschap voor het huwelijk, drugsgebruik, overspel en prostitutie te weerhouden.

* Religie ontkent de evolutieleer. Gelovigen, niet gehinderd door enige biologische kennis, zien overal een goddelijk plan in. Maar, zegt Hitchens, "vissen hebben geen vinnen omdat ze die in het water nodig hebben, net zomin als vogels vleugels hebben om te voldoen aan de omschrijving die het woordenboek van ‘ornithologisch’ geeft. (Afgezien daarvan zijn er bovendien veel te veel loopvogels.) Het is precies andersom: het is een proces van aanpassen en selecteren." De extreme variant van dit goddelijke plan-denken is het creationisme, dat "de evolutie vergelijkt met een wervelwind die over een schroothoop waait en er een jumbojet van in elkaar tovert".

* Religie huldigt een kinderlijk antropocentrisch wereldbeeld. Immers, niet-creationisten — zij die, niet zonder strijd, zijn bezweken voor het overweldigende bewijs van de evolutie — proberen zichzelf voor hun acceptatie of nederlaag te belonen. De grootsheid en variëteit van het proces, zeggen ze nu, wijst op een sturende, scheppende geest. Maar ook dat klopt niet. De evolutie is gevoelloos, wreed en grillig. Het universum is niet geschikt voor de mens en ongeveer achtennegentig procent van de soorten die de aarde heeft gekend, is uitgestorven. Hitchens vertelt een mooi verhaal over de oortjes van zijn dochters. Die zijn schattig, vanzelfsprekend, maar hij kan er nooit naar kijken zonder te bedenken
a) dat ze nodig moesten worden schoongemaakt, b) dat ze er, zelfs in vergelijking tot de inferieure oren van de dochtertjes van andere mensen, uitzien alsof ze massaal zijn geproduceerd, c) dat ze, naarmate mensen ouder worden, er vanachter steeds absurder uit beginnen te zien en d) dat veel lagere diersoorten, zoals katten en vleermuizen, veel fascinerendere, mooiere en betere oren hebben.
* Religie is geënt op openbaringen. In een aantal zeer bijzondere gevallen, zo heet het, is de goddelijke wil kenbaar gemaakt door middel van een direct contact met een willekeurig geselecteerd iemand, soms door middel van verschijningen. Dat die iemand altijd een doorsnee persoon is, die dus geen materiële sporen achterlaat in de geschiedenis, maakt zo'n openbaring onmogelijk na te gaan voor historici.

Maar goed, neem nu die openbaring van de profeet Mohammed, zegt Hitchens. En stel dat God inderdaad een Arabier is of was. Hoe haalde hij het dan in zich hoofd om zich te ‘openbaren’ via een ongeletterd persoon, en hoe kon die op zijn beurt denken dat hij de woorden onveranderd (laat staan onveranderbaar) moest gaan verspreiden?

* Religie legt twijfelachtige geboden op. Hitchens analyseert onder andere de Tien Geboden. "Er is om te beginnen monarchistisch gebrom over respect en angst, vergezeld van een referentie aan almacht en onbeperkte wraakzucht. Daarop volgt het bevel hard te werken en alleen te ontspannen als het van de absolutist mag." Volgen nog een paar evidente verboden: moord, overspel, diefstal en woordbreuk. "Geen van deze provincialen of hun godheid lijkt zich iets te kunnen voorstellen bij een wereld buiten de woestijn, buiten het vee en de kudden, buiten een nomadenbestaan." Ondertussen is de bodem doorheen de hele bijbel doordrenkt van bloed.

* Religie imponeert met wonderen die er geen zijn. Want de geloofsleer is niet genoeg, er moeten wonderen bij om de laatste twijfelaars over de streep te trekken. Het menselijk verlangen om goede dingen aan een wonder toe te schrijven en slechte dingen aan iets anders te wijten, is daarbij prettig universeel.
Bij mijn eerste bezoek aan de Sacré Coeur in Montmartre, een kerk die werd gebouwd om te vieren dat Parijs was bevrijd van de Pruisen en de Commune van 1870-1871, zag ik een bronzen paneel met daarop nauwkeurig weergegeven hoe een geallieerd bommentapijt de kerk in 1944 had gemist — en in de aangrenzende woonwijk was ingeslagen…
Ook de rampen die door een toornige God zouden zijn veroorzaakt, zijn geen schendingen van de natuurwetten, maar maken er juist deel van uit.
Toen alle gruis- en stofwolken van Ground Zero waren neergedaald, bleken er twee verwrongen steunbalken in de vorm van een kruis uit het puin te steken, wat tot wonderbaarlijke reacties leidde. Aangezien er in de achitectuur altijd en overal kruisbalken zijn gebruikt, zou het alleen verbazing hebben mogen wekken als er níet zo’n vorm was verschenen. Ik geef toe dat ik onder de indruk was geweest als de puinhoop de vorm van een davidsster of een ster en een halve maan had aangenomen (…).
* Religie maakt mensen niet per se deugdzamer. Maar zelfs als dat zo was, zou het deugdzame gedrag van een gelovige niets zeggen over de inhoud van zijn geloof — het is daar dus ook geen argument voor. "Het zou kunnen dat als ik geloofde dat Boeddha uit een snee in zijn moeders zij is geboren, ik me menselievender zou gedragen. Maar zou mijn menslievende gedrag daardoor niet afhankelijk zijn van iets nogal onbeduidends?"

* Religie veracht het intellect. Daarom zijn ook de vreedzame religies uit het Oosten minder onschuldig dan ze lijken. Passiviteit is een illusie: iets nalaten te doen kan ernstige gevolgen hebben. Wanneer het intellect niet ingrijpt, kunnen er twee dingen gebeuren. De onschuldige goedgelovige wordt een eenvoudige prooi van mensen die minder onschuldig zijn en proberen hem te ‘leiden’ en te ‘inspireren’, of de goedgelovigheid leidt tot stagnatie in een samenleving, waarna de oplossing niet wordt gezocht in oprecht zelfonderzoek, maar in het anderen de schuld geven voor de achtergesteldheid. In de meest geheiligde ‘spirituele’ samenleving gebeurde het allebei.
Hoewel veel boeddhisten die deplorabele poging de superioriteit van het boeddhisme te bewijzen inmiddels betreuren, is geen enkele boeddhist in staat geweest aan te tonen dat het boeddhisme vanwege zijn eigen leer fout was. Een geloof dat de geest en het vrije individu veracht, dat onderwerping en berusting predikt en het leven schamel en vergankelijk vindt, is slecht uitgerust om zichzelf tegen het licht te houden. Mensen die genoeg hebben van de conventionele ‘bijbelgeloven’, en naar ‘verlichting’ zoeken door hun eigen kritische vermogens op te heffen en in een of andere vorm van het nirvana te treden, zijn gewaarschuwd. Ze denken misschien het rijk van het verachte materialisme te verlaten, maar ze dienen eerst hun rede in slaap te sussen en hun verstand, samen met hun sandalen, bij de ingang achter te laten.
* Religie zadelt mensen op met een onrechtvaardig schuldgevoel. Door mensen op straffe van dood en marteling op te dragen bovenmenselijk te zijn — 'je mag niet aan begerenswaardige zaken denken', 'bemin je naaste als jezelf' — draag je ze op zichzelf vreselijk te vernederen. Ze zullen immers onvermijdelijk blijven falen de regels na te leven. Bovendien is het collectiveren van schuld — de erfzonde — immoreel. Religieuzen verliezen ten slotte uit het oog dat begerigheid en hebzucht wel mooi de motor zijn tot onze economie, welvaart, uitvindingen.

* Religie misbruikt kinderen. Om te beginnen heeft het geloof altijd gehoopt de ongevormde, onbeschermde zielen van jongeren aan zich te verplichten: jongeren behoren tot een geloof zonder dat ze daar inspraak in hebben. Maar het kan nog driester: geestelijke leiders gaan tekeer tegen abortus, maar eisen wel seksuele mutilatie van meisjes en jongens. Vroeger gingen velen gebukt onder het taboe op masturbatie.

Totalitaire systemen
De achillespees van God is niet groot is mijn inziens hoofdstuk 17, waar Hitchens repliceert op het tegenargument dat ongelovigen het vaakst te horen krijgen: zijn de misdaden en bloedbaden van de seculiere en atheïstische regimes niet veel erger? Die van communisme, om maar iets te noemen? Hitchens maakt dan drie uitwijkmanoeuvres.

Eerst kaatst hij de bal terug en maakt duidelijk dat religie sowieso óók een totalitair systeem is. Religie kent het hele gamma aan totalitaire praktijken: de drang boeken te verbieden en te censureren, dissidenten het zwijgen op te leggen, niet-leden te veroordelen, de privé-sfeer binnen te dringen én een exclusieve redding af te smeken. Zelfs de meest bescheiden vorm van religie moet bekennen dat het een ‘totaaloplossing’ biedt, dat het geloof daarin tot op zekere hoogte blind moet zijn en dat zowel het persoonlijke als het publieke leven onderworpen moeten worden aan een permanente hogere leiding.
Het woord “totalitair” werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door de dissidente marxist Victor Serge, die met ontzetting kennis nam van wat het stalinisme in de Sovjet-Unie opleverde. De term werd vervolgens populair gemaakt door de seculiere joodse intellectueel Hannah Arendt, die de hel van het Derde Rijk was ontvlucht en Totalitarisme schreef. Het is een nuttige term, omdat het ‘gewone’ vormen van despotisme — waarin alleen gehoorzaamheid van de onderdaden wordt geëeist — scheidt van absolutistische systemen, die eisen dat de burgers zich totaal aan de staat onderwerpen en hun privé-leven en persoonlijkheid volledig in handen van de staat of de ultieme leider leggen.
Als we die laatste definitie accepteren, is het eerste punt al snel gemaakt. Het concept van een totalitaire of absolutistische staat heeft het grootste deel van de geschiedenis van de mens in nauw verband met religie gestaan. Een baron of ridder kon je verplichten belasting te betalen of in zijn leger te dienen, en hij regelde wel dat priesters zijn onderdanen eraan herinnerden dat dat hun plicht was, maar de echt angstaanjagende vormen van despotisme wilden ook de inhoud van je hart en hoofd.
Vervolgens wijst hij diegenen die seculiere tirannieën als een contrast met religie willen opvoeren, op twee dingen die ze uit het oog verlizen: de band tussen de katholieke Kerk en het fascisme, en de capitulatie van de katholieke en de protestantste Kerk voor het nationaal-socialisme.

Tot slot weerlegt Hitchens de idee als zou atheïsme leiden tot totalitaire regimes. Integendeel: veel kwalijke aspecten van totalitaire regimes zijn net religieus van karakter: de cultus van de persoonlijke leider, de onbuigzame verheerlijking van het collectief boven het individu, het geloof in een absolute waarheid en, hiermee verbonden, het gebruik van censuur en repressieve methoden om dissidenten en mensen met een andere mening te liquideren.

Toch raakt dit alles niet de kern van de zaak, lijkt me. Te weten: God en de geloofsleer. Wie religie aanklaagt om zijn onderdrukkende, wereldvreemde en levensgevaarlijke aspecten, kan niet om het feit heen dat in de twintigste eeuw de grootste gruweldaden niet geïnspireerd waren door God of heilige boeken.

Het probleem is dus niet zozeer religie. Het probleem is elke absolutist die onbeperkte macht uitoefent over zijn onderdanen, hen een simplistische heilsleer door de maag splitst, zijn vijanden ontmenselijkt en geen graten ziet in gewelddadige onderdrukking. God is niet groot draagt als ondertitel 'Hoe religie alles vergiftigt'. Dat had moeten zijn: 'Hoe macht alles vergiftigt'.

Hitchens richt zich ook te veel op georganiseerd geloof. Wie inzoemt op de individuele levens van gelovigen, zelfs in direct contact met geloofsconcurrenten, ziet toch vooral veel praktisch verstand en verdraagzaamheid. De meeste gelovigen beleven hun geloof minder expliciet dan Hitchens doet uitschijnen. Het is mijn stellige overtuiging dat gelovige gezinnen overal ter wereld op heel andere dingen focussen: werk, een veilige woonomgeving, en een toekomst voor hun kinderen.

Ook het rationalisme dat Hitchens in de plaats wil zien, lijkt me uiteindelijk naast de kwestie. Hij citeert Gotthold Lessing waar die zegt dat de werkelijke waarde van een mens niet wordt bepaald "door wat hij, al dan niet terecht, denkt dat hij van de Waarheid weet, maar door de oprechte inspanningen die hij zich getroost om tot die Waarheid te komen." Niet mee eens. Ik denk niet dat humaniteit zit in waarheidszucht, maar in het moreel handelen.

Maar goed, dan levert Christopher Hitchens wel goede redenen waarom die o zo vriendelijke Dalai Lama juist op dat punt te wantrouwen is. Bijvoorbeeld.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> http://blog.newhumanist.org.uk/

Christopher Hitchens, God is niet groot : hoe religie alles vergiftigt
317 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2008
Oorspr. God is not great : how religion poisons everything (2007)
Vertaald door Paul Witte



Foto door 'Capt. Joe Kickass' op Flickr, onder een Creative Commons licentie


Topics:

Het Libanese falangisme: 26
De hindoeïstische nationalistische beweging Shiv Sena: 27
De anti-islamitische kruistocht van Milošević: 28
Hamas: 31
De jihad van Saddam Hoessein: 33
Het geval Rushdie en de vergoelijking door religieuze leiders: 36
Het Taliban-regime: 39
Tariq Aziz in het Vaticaan: 42

Predikanten Charles Stanley en Tim LaHaye: 43
Islamitisch verbod op Animal farm: 45
Het varkensverbod als hygiënische onzin: 47

Moslimprotest tegen inenting tegen pokken: 52
Het poliovaccin als een samenzwering van de VS (Nigeria): 53
Kardinaal Lopez de Trujillo en co over condooms: 53
Ultrakorte huwelijk (prostitutie): 54
Timothy Dwight tegen het pokkenvaccin: 56
Besnijdenis en infibulatie: 59
Kindhuwelijken: 59
Verband tussen geloof en geestelijke gestoordheid: het Jeruzalem-syndroom: 61
De Thora en het Oude Testament over vrouwen: 63
Hopen dat het einde der tijden echt aanbreekt: 65
Pervez Hoodbhoy over de Pakistaanse en Indische mentaliteit inzake de atoombom: 67
George Miller: 69
Hal Lindsey: 70

Keizer Justinus die de filosofiescholen sloot: 76
Ockham: 'Alles wat God door middel van een secundaire oorzaak teweegbrengt, kan hij ook rechtstreeks veroorzaken.': 77-79

Joseph Conrad: 'De wereld van de levenden bevat al genoeg wonderen': 81
Michael Shermer over het oog: 90

De christelijke veroveraars: 98
Ziektekiemen en bacteriën in Genesis?: 99
De Burgess Shale; Gould en het begrip 'vooruitgang', onze existentie als historische toevalligheid: 100
Openbaring: typisch mensenwerk: 109
Geen Exodus: 112
Generaal Gordon, William Albright, Roland de Vaux: 114
De evangelisten spreken elkaar tegen: 120
De gnostieken van Nag Hammadi: 121
Maagdelijke geboorte?: 123
Jezus = God (C.S. Lewis): 128
De bezwaren van Bart Ehrman: 130

Bijbel in de volkstaal, Latijnse rituelen: 135
Mohammed is historisch: 137
De Koran als tweedehands openbaring; islam als plagiaat: 139
Mohammed als gerucht: 140
Taalkundige problemen bij het interpreteren van de Koran en de hadiths: 142
De hadiths als plagiaat: 143
De duivelsverzen: 145
Waar islamitische sekten het over eens zijn: 147
Christoph Luxenberg: 147

Herrijzenissen in de bijbel: 152
Onbetrouwbare verslaggevers: 154
Malcolm Muggeridge, Moeder Theresa en de cameraman: 155
De genezing van Monica Besra: 157
Rampen als zonden: 159
Hitchens’ trotskistische verleden, óók een geloof: 162

Cargo-cult: 168
Marjoe Gortner: 169
Het ontstaan van de mormonen; het verhaal van Joseph Smith: 171
Sabbatai Sevi: 180

De bevrijdingsanalogie van Martin Luther King versus de christelijke goedkeuring van slavernij: 185-
Abolitionisme: 189
Slavernij gerechtvaardigd door de Koran: 193
Gandhi: geen seculaire, nationalistische leider maar een fakir en een goeroe: 195
Evelyn Waugh, nare katholiek: 198
De slagers van Darfur zijn Arabische moslims: 202
Hutu Power: 203

De Bhagwan: 208
Sri Lanka: Tamils vs. boeddhisten: 211
De eenmansheerschappij van de Dalai Lama: 212
Het Japans boeddhisme als verdediger van imperialisme en massamoord: 213
Het bloedoffer: 218
Bloedblad om de bron van Hebron: 219
Baruch Goldstein: 220
Koehandel bij Blaise Pacal, bij de Talmoed, bij de Dalai Lama, bij de sjiieten: 224

Medische consequenties van besnijdenis: 237

De totalitaire socialistische staat van jezuïtische missionarissen in Paraguay: 243
Sympathie van de kerk voor het fascisme: 248, 249
De capitulatie van de Kerk voor het Duitse nationaal-socialisme: 250
Geen enkele katholieke SS'er werd geëxcommuniceerd voor oorlogsmisdaden: 252
De rattenlijn naar Zuid-Amerika: 253
Hirohito, de god-koning, 254
De Russisch-orthodoxe kerk als steunpilaar van de tsaristische autocratie: 256
Noord-Korea, 'mausolocratie': 261

Anti-semitisme in christendom en islam: 264
Religie, racisme en totalitarisme: 264
Lucretius, bijna verloren gegaan: 273
Verzet tegen Spinoza: 275
Zelfcensuur van Darwin: 284
De tragische, gemiste link met de Griekse filosofie — Chanoeka: 288
De remmende werking van religie op een beschaving: 294

____

Related Posts with Thumbnails