Kijken naar de pijn van anderen - Susan Sontag
Een paar dagen geleden heb ik Over fotografie verticaal geklasseerd als een lappendeken van losse uitspraken. Dat was wat overdreven. Alleen vond ik het niet de moeite waard op de centrale politieke these van het boek ign te gaan, omdat ik er geen snars van geloof. Sontag beweerde dat de hedendaagse beeldcultuur ons afstompt. Terwijl je evengoed kan zeggen dat beelden van heinde en verre de westerse mens iets minder provinciaal hebben gemaakt.
En ziet, in Kijken naar de pijn van anderen, een bundel over fotografie die dertig jaar na de eerste essays over dat onderwerp verscheen, neemt de schrijfster gas terug. Het is een beter boek. Het essay bevat meer historische achtergrond en de zeventigjarige Susan Sontag weet haar materiaal beter te organiseren. Waar ze zich in Over fotografie nog liet leiden en verleiden door uitspraken van een klein kransje elitefotografen, denkt ze nu meer na over de impact van fotografie bij het grote publiek.
Een algemene afschuw
Wat, bijvoorbeeld, met oorlogsfoto's? Niemand gelooft nog dat oorlog, die typische mannenhobby, kan worden afgeschaft, zelfs pacifisten niet. We hopen slechts een eind te maken aan volkerenmoord, de mensen te berechten die zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden en via onderhandeling oorlog te voorkomen. Kunnen foto's en de huiveringwekkende reacties die ze ontlokken daarbij helpen?
Foto’s zijn op het eerste gezicht een middel om ‘werkelijkheid’ (of ‘meer werkelijkheid’) te geven aan dingen die mensen met een bevoorrecht of in elk geval veilig leven misschien liever zouden negeren: Kaboel, Sarajevo, Oost-Mostar, Grozny, Ground Zero. Door een beroep te doen op een hypothetische gedeelde ervaring (‘we zien samen met u dezelfde doden, dezelfde verwoeste huizen’) kan je best geloven dat de schok die zulke beelden teweegbrengen mensen van goede wil wel móet verenigen. Een fotograaf als Ernst Friederich geloofde erg in fotografie als shocktherapie, getuige zijn boek Krieg dem Kriege! [niet voor gevoelige kijkers].
Maar, werpt Sontag op, foto’s van oorlogsslachtoffers zijn op zich ook een voorbeeld van retoriek. Ze herhalen. Ze versimpelen. Ze scheppen een illusie van consensus. Oorlogsfoto's kunnen bij de betrokken partijen evengoed het gevoel versterken dat ze een rechtvaardige strijd strijden. Of de haat tegen de vijand verder aanwakkeren. Duiken foto's op van de eigen gruweldaden is snel gezegd dat ze 'vervalst' zijn door de vijand. In plaats van aan te zetten tot reflectie, bevestigen foto's misschien vaker een mening die we voordien al hadden.
Voor een Israëlische jood is een foto van het uiteengereten lichaam van een kind dat is omgekomen bij de aanval op de Sbarropizzeria in het centrum van Jeruzalem in de eerste plaats een foto van een Israëlisch kind dat is gedood bij een Palestijnse zelfmoordaanslag.Sontag heeft ook iets tegen het algemene sentiment van verontwaardiging die oorlogsfoto’s oproepen. Wie in de gruwelijke beelden van pakweg de Spaanse Burgeroorlog alleen een bevestiging ziet van een algemene afschuw van oorlog, onthoudt zich van betrokkenheid bij Spanje als een land met een geschiedenis. Die laat de politiek buiten beschouwing. Die maakt slachtoffers anoniem en inwisselbaar.
Net een film
In haar tweede overdenking onderzoekt Sontag de antecedenten van de hedendaagse oorlogsfotografie. Tegenwoordig worden we overspoeld met geweldbeelden die ons volgens critici afstompen door hun overdaad, maar door kranten en televisiejournaals evengoed dankbaar als een doorlopend feuilleton gepresenteerd worden. Grove ellende is altijd goed voor headlines. Emotie (verontwaardiging, medelijden, nieuwsgierigheid) doet verkopen. If it bleeds, it leads luidt de aloude richtlijn van boulevardbladen.
Toch zijn oorlogsjournalistiek en de bijbehorende beelden belangrijk. Wat mensen die nooit een oorlog hebben meegemaakt over oorlog weten, is in onze tijd vooral het resultaat van wat die beelden teweegbrengen, schrijft Sontag. In haar optiek hebben foto's een streepje voor. Het geheugen houdt stilstaande beelden vast. In een tijd van een overdaad aan informatie biedt de foto een snelle manier om het in het geheugen op te slaan.
De camera werd uitgevonden in 1839, en sinds deze uitvinding, schrijft Sontag, houdt de fotografie zich bezig met de dood, omdat foto's een herinnering zijn aan elk verdwenen verleden. Het gemediatiseerde beeld is een belangrijk referentiekader geworden: de oude uitdrukking ‘Het was net een droom’ heeft inmiddels plaatsgemaakt voor ‘Het was net een film’.
Kranten drukten al foto’s af sinds 1880. De Krimoorlog en de Amerikaanse Burgeroorlog zijn de eerste oorlogen die door fotografen zijn gevolgd. Belangrijk verschilpunt is dat de gevechten zelf zich toen voltrokken buiten beeld; iets wat in alle oorlogen tot de Eerste Wereldoorlog zo zou blijven. De dood op heterdaad betrappen was alleen maar mogelijk toen de camera het statief was ontgroeid, en logge, stabiel te houden camera's overbodig maakte.
Toen lag de weg naar de veldjournalistiek open. Een Robert Capa begon naam te maken met zijn foto's tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Echt volwassen zou de fotojournalistiek pas worden in de jaren veertig, in oorlogstijd. In 1947 werd het agentschap Magnum opgericht, om aan de problemen rond onafhankelijkheid en inkomen van fotografen tegemoet te komen.
Sontag tekent daarbij wel aan dat alleen een bepaald soort oorlog de grenzen van het strijdtoneel kan overschrijden en internationaal de aandacht trekken. Een conflict moet meer bevatten dan de botsende belangen van de strijdende partijen: de Spaanse Burgeroorlog beroerde de gemoederen omdat de dreiging van het fascisme er goed zichtbaar door werd; de oorlog van Servië en Kroatië tegen Bosnië ging óók over een piepjonge Zuid-Europese staat die multicureel en onafhankelijk wou blijven; het voortetterende conflict van Israël en Palestina, wordt nog altijd bezwaard door de verpletterende steun van de VS en de herinnering aan nazi-Duitsland.
Intussen zijn de veel wredere oorlogen waarin burgers zowel vanuit de lucht als te land genadeloos worden afgeslacht (de tientallen jaren burgeroorlog in Soedan, de Iraakse campagnes tegen de Koerden, de Russische invasies en bezetting van Tsjetsjenië) betrekkelijk weinig gefotografeerd.Een spion in het huis van de liefde en van de dood
In het derde essay stelt Sontag zich vragen over de manipulatie van oorlogsfoto's. Uitgangspunt is dat een fotograaf leed dichterbij kan brengen dan een plastisch kunstenaar, omdat een kunstwerk een compositie is en een foto de werkelijkheid zelf lijkt te kunnen betrappen. De Laocoön-groep is een bewuste synthese, een foto heeft de allure van een bewijs.
De praktijk om gruwelijk lijden voor te stellen als iets betreurenswaardigs doet volgens Sontag zijn intree in de geschiedenis van de beeldende kunst in de vorm van een specifiek onderwerp: de ellende die een burgerbevolking wordt aangedaan door een bandeloos, zegevierend leger. Ze noemt de schilderijen van Jacques Callot, Hans Ulrich Franck en de beroemde reeks Los desatres de la guerra van Goya, door de schilder zelf van provocatief commentaar voorzien.
Op het eerste gezicht, schrijft Sontag, lijkt Goya’s kunst, net als het werk van Dostojevski, een keerpunt te vertegenwoordigen in de geschiedenis van moreel gevoel en verdriet — "even diep, even origineel, even onverbiddelijk". Maar ook de directe beelden van Goya zijn een op effectbejag gerichte synthese; de gruwelen waaraan de Franse soldaten zich schuldig maken in Spanje zijn niet letterlijk gebeurd zoals ze zijn afgebeeld.
Met foto's was het van oudsher niet veel beter gesteld. De fotografen van de firma Matthew Brady die de Amerikaanse Burgeroorlog documenteerden — Alexander Gardner en Timothy O’Sullivan — herschikten de kanonskogels op de weg om sprekender beelden te kunnen schieten. Roger Fenton, zowat te beschouwen als de eerste oorlogsfotograaf, werd door de Britten gestuurd naar de Krimoorlog om de oorlog in een positief daglicht te stellen.
Oorlog was in de eerste dagen van de fotografie schilderachtig nieuws. Denk aan het werk van fotograaf Felice Beato, die verslag deed van de Krimoorlog, de Sepoy-opstand, de Tweede Opiumoorlog en de koloniale oorlogen in Soedan in 1885. En toch, ondermijnt Sontag de centrale these van haar vorige boek, zorgden de foto's ook voor bewustwording. Ze geeft het voorbeeld van de Krimoorlog, die via de kranten zelfz kon doordringen tot het calvinistische bolwerk van de familie Gosse.
De schrijfster grinnikt om onze teleurstelling wanneer we voor de zoveelste maal ontdekken dat een foto gemanipuleerd is. "We willen dat de fotograaf een spion is in het huis van de liefde en van de dood." Maar de waarde van een foto zit niet alleen in het vastgelegde, werkelijk gebeurde toeval. Neem de bekende foto van de drie mannen in de verwoeste bibliotheek van Holland House. In scène gezet of niet, die foto behoudt "zijn historische charme en authenticiteit als een eerbewijs aan een nu verdwenen ideaal van nationale standvastigheid en koelbloedigheid."
Pas vanaf de oorlog in Vietnam is het vrijwel zeker dat geen van de bekendste foto’s is geënsceneerd, meent Sontag. En dit is van essentieel belang voor het morele gezag van deze beelden. De Vietnamoorlog, met de iconische foto van Nick Ut, maakte tevens duidelijk dat oorlogsfotografie een impact kon hebben op de besluitvorming.
Daarginds
Beelden die niet stroken met het algemeen fatsoen kunnen patriotisme een serieuze knauw geven. En oorlogsfoto's zijn meer dan eens onfatsoenlijk. Het sterven betrappen op het moment dat het gebeurt is iets wat alleen een camera vermag. Denk aan de foto waarop het hoofd van de Zuid-Vietnamese nationale politie een Vietcong-verdachte doodschoot — al is ook die in scène gezet (de foto, niet de executie).
Dus legt het leger in recente tijden altijd een zorgvuldige persbreidel op. Tijdens de Golfoorlog in 1991 moedigden de Amerikaanse autoriteiten vooral beelden aan van de technologische oorlogsvoering, de precisie daarvan, de suprematie — niet het bloedbad dat werd aangericht op de Highway of Death [maar ook hier zijn de foto's misleidend]. De eerste gecontroleerde controle op persfotografie aan het front dateert van de Tweede Wereldoorlog. Zowel het Franse als het Duitse opperbevel liet slechts enkele militaire fotografen toe.
Hoe verder weg of hoe exotischer de plaats, schrijft Sontag, hoe waarschijnlijker het is dat we rechtstreeks met de doden en stervenden geconfronteerd worden. Dergelijke beelden bevestigen namelijk het comfortabele gevoel dat zulke dingen daarginds gebeuren, in Azië en Afrika, en dat zulke tragedies niet te voorkomen zijn in die achtergebleven delen van de wereld. Zelfs met betrekking tot de Servische moordcampagne in Kosovo wordt soms verklaard dat die Balkanlanden nooit echt horen bij Europa.
Komt het geweld akelig dichtbij, dan speelt er opeens een zekere kiesheid om gruwelijke beelden niet te tonen. Sontag haalt Daniel Pearl aan, een Amerikaans journalist die werd ontvoerd en voor het oog van de camera werd onthoofd in Karachi, Pakistan. De ontvoerders gaven een video vrij waarop de onthoofding van Pearl tot in detail zichtbaar was. Er rees controverse of die uitgezonden moest worden. Wat Sontag opviel was dat beide partijen de drieënhalve minuut durende verschrikking uitsluitend als een snuff movie zagen.
Niemand had uit de discussie kunnen opmaken dat de video nog andere beelden bevatte, zoals een montage van geijkte beschuldigingen (met bijvoorbeeld Ariel Sharon naast George W. Bush in het Witte Huis, Palestijnse kinderen die bij een Israëlische aanval waren gedood), dat het een politieke scheldkanonnade was die eindigde met verschrikkelijke bedreigingen en een lijst met specifieke eisen — allemaal dingen die de kijker wellicht op de gedachte hadden kunnen brengen dat het de moeite waard kon zijn het geheel door te worstelen (als je het kon verdragen), en zo beter opgewassen zijn tegen de buitengewone wreedheid en onverzoenlijkheid van de groeperingen die Pearl om het leven hadden gebracht. Het is gemakkelijker de vijand als een woesteling te zien die iemand doodt en vervolgens het hoofd van zijn slachtoffer omhooghoudt om het aan iedereen te tonen.

Foto via Flickr; onder een Creative Commons license
Collectieve instructie
In het vijfde en beste hoofdstuk van Kijken naar de pijn van anderen gaat Sontag in op hoe foto's op ons geheugen inwerken en herhaalt de essayiste haar vraag wat de acute ontzetting waard is die vreselijke foto's oproepen. Foto’s objectiveren immers: ze veranderen een gebeurtenis of een persoon in iets wat men kan bezitten. Vaak lijkt iets mooier op foto. Verfraaiing, zegt Sontag, is een van de klassieke functies en vaak verzwakt dit de morele reactie op wat er getoond wordt.
Vroeger, toen het tonen van onversluierde beelden niet gebruikelijk was, heerste de opvatting dat het onvermijdelijk sterkere gevoelens bij de kijkers zou opwekken wanneer een pijnlijke waarheid dichterbij werd gebracht. Nu, in commerciëlere tijden, is de impact en het gebruik van een foto minder zeker. Zo liggen de filmische beelden van Sebastião Salgado onder vuur, waarop volgens zijn criticasters de machtelozen enkel tot hun machteloosheid gereduceerd, en niet eens een naam krijgen in de onderschriften.
Of neem een ander staaltje ironie: Spielbergs herschepping van de landing op Omaha Beach dankt zijn authenticiteit aan het feit dat de film onder meer was gebaseerd op de foto’s die Robert Capa met grote moed tijdens de landing heeft gemaakt. Maar omgekeerd lijkt een oorlogsfoto onecht wanneer hij doet denken aan een stilstaand beeld uit een film.
Wil een foto aanklagen en eventueel een gedragsverandering veroorzaken, dan moet hij choqueren, denken veel mensen. Kijk alleen al naar de controversiële plaatjes op de sigarettenpakjes. De hamvragen hierbij zijn of gewenning aan die foto's niet slijt, en of die foto's daadwerkelijk iets uithalen. [Zie over die problematiek dit artikel.]
Maar het ligt nog ingewikkelder. Zelfs de aangrijpendste beelden kunnen dingen versluieren. Hannah Arendt wees erop dat de foto’s van de kampen op het moment dat de geallieerden er binnentrokken, misleidend waren. De stapels vermoorde joden zeiden niets over de concrete manier waarop ze dag in dag uit waren vergast. Een foto omzeilt ook de discussies over het precieze aantal doden. Foto’s zijn bovendien vaak in de eerste plaats echo’s van andere foto’s. Een beeld van een Servisch concentratiekamp doet allicht vooral denken aan de vernietigingskampen van de nazi’s. Laatste bemerking: door de alomtegenwoordigheid van gruwelijke foto's, lijkt gruwel waar geen foto's van bestaan verder weg.
Met behulp van foto’s reconstrueren we een verleden dat ver achter ons ligt, of een verleden dat we helemaal niet hebben meegemaakt. Het probleem bij de laatste situatie is niet dat we ons dingen herinneren door middel van foto’s, schrijft Sontag, maar dat we ons alleen de foto’s herinneren. Dit herinneren via foto’s verdringt andere vormen van inzicht en herinnering. "Verhalen kunnen ons helpen begrijpen. Foto’s doen iets anders, ze achtervolgen ons."
En doordat herinneringen niet kant en klaar bezonken liggen in ons geheugen, maar telkens opnieuw samengesteld, gereconstrueerd moeten worden, zijn we vatbaar voor manipulatie. Het zal wel geen toeval zijn dat er nog geen Amerikaans museum van de slavernij te bezoeken valt. Sontag, met de beste alinea van haar boek:
Strikt genomen bestaat er geen collectief geheugen: dat behoort tot dezelfde familie van valse begrippen als collectieve schuld. Wat wel bestaat is collectieve instructie. Herinnering is altijd persoonlijk, niet reproduceerbaar — en sterft met het individu. Wat men het collectief geheugen noemt, is geen geheugen maar een stelling: dat dít belangrijk is, en dat dit verhaal vertelt hoe het is gebeurd, met foto’s erbij die het geheel vastleggen in onze geest.Sontag wil ons daarom verplichten zelf na te denken wat het betekent om naar foto's te kijken; na te denken over ons vermogen om te bevatten wat erop te zien is, en al helemaal wanneer leed te zien is. Met zulke foto's kan het immers alle kanten uit. Ze kunnen ons een slecht gevoel bezorgen, helpen bij het rouwproces, of een ongezonde belangstelling oproepen. Georges Bataille, bijvoorbeeld, kon de voyeuristische aantrekkingskracht niet weerstaan van een in 1910 in China genomen foto van een gevangene die ‘de dood door honderd sneden’ ondergaat [niet voor gevoelige kijkers] en nam hem op in zijn boek Les larmes d’Éros.
Een brevet van onschuld
In de meeste moderne culturen is gewelddadigheid voor veel mensen eerder amusant dan iets gruwelijks, denkt Sontag. Medeleven is geen stabiele emotie, zeker niet in het vooruitzicht dat aan leed geen einde lijkt te komen. "Als we mededogen voelen, kunnen we ons inbeelden dat we niet medeplichtig zijn aan de oorzaak van het lijden. Ons mededogen is zowel een brevet van onschuld als van onmacht."
Overal waar mensen veilig zijn, zal men ze moeilijk uit hun onverschilligheid kunnen halen. Om gesensibiliseerd te worden moet er een minimale band zijn met de getroffenen. De zeebeving die in 2004 de vakantielanden Indonesië en Thailand trof, wekte grote beroering. De aardbeving in Pakistan, een land dat moslimfundamentalisten aanlevert, al veel minder.
Dat de emotieve kracht van pijnlijk nieuws afneemt, geeft Sontag nu ook toe, is een oude klacht. Wordsworth rapporteerde in 1800 al afgestompt te worden door de dagelijkse nieuwsberichten. In 1860 schreef Baudelaire ongeveer hetzelfde, en ook toen waren er nog geen krantenfoto's. De schrijfster houdt ook helemaal geen pleidooi om op foto’s te bezuinigen.
Iemand die altijd weer verbaasd is dat verdorvenheid bestaat, die steeds opnieuw teleurgesteld (zelfs ongelovig) reageert op bewijzen van de gruwelijke wreedheden die mensen hun medemensen kunnen aandoen, is moreel en psychologisch onvolwassen. Boven een bepaalde leeftijd heeft niemand meer recht op dit soort onschuld of oppervlakkigheid, op deze mate van onwetendheid of vergeetachtigheid. We beschikken tegenwoordig over een enorm archief van beelden die het steeds moeilijker maken deze vorm van moreel tekort vol te houden. Laat de gruwelijke beelden ons achtervolgen.Alleen onze ervaring van de werkelijkheid erodeert, schrijft ze. De werkelijkheid blijft bestaan, ondanks de pogingen van hippe Franse denkers als Debord en Baudrillard haar gezag te ondermijnen. Sontags kritiek is feitelijk bedoeld als een verdediging van de werkelijkheid en van ons falende vermogen om er ten volle op te reageren.
De herinnering is de enige relatie die we nog met de doden kunnen hebben, en daarom voelt die herinneringsarbeid aan als een morele daad. Daarom, schrijft Sontag, wordt er misschien te veel waarde gehecht aan herdenking, en te weinig aan overdenking. Alain Finkielkraut heeft over hetzelfde fenomeen geschreven. We moeten ons dwingen de juiste vragen te stellen. Wie is de oorzaak van wat er op de foto is te zien? Wie is er verantwoordelijk voor? Is het te verontschuldigen? Was het te vermijden geweest? Gaat het om een toestand die we tot nu toe hebben geaccepteerd, maar die moet worden aangevochten?
We moeten ophouden met het medium fotografie an sich te beschuldigen, concludeert Sontag. Het gevoel bestaat dat het aftreksel van de werkelijkheid dat de fotografie ons biedt moreel gezien niet door de beugel kan; dat we het recht niet hebben het lijden van anderen uit de verte te benaderen. Maar hiermee beschrijven we in feite de werking van de geest, de mentaliteit van de kijker zelf. Fotografie is slechts het medium. En daarbij: afstandelijkheid is niet noodzakelijk iets slechts. "Er is niets verkeerds aan om afstand te nemen en na te denken. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd nadenken en iemand slaan, zoals wel wordt gezegd."
Slotbedenking
Wat een beetje irriteert aan dit boek is dat Sontag nergens aangeeft wat precies de omslag in haar denken over fotografie heeft veroorzaakt. Waarom ze de oogkleppen van een Europees aandoend cultuurpessimisme heeft afgelegd, en nu opeens toch de mogelijkheden van een medium ziet.
Achteraf bekeken is het ook wat onnozel om net de fotografie met alle zonden Israëls te beladen. Een foto is weerloos, spreekt maar één taal en richt zich in potentie tot alle mensen, in tegenstelling tot een geschreven verslag dat zich, afhankelijk van de diepgang en het woordgebruik, tot een groot of klein publiek richt. De intentie van de fotograaf is niet bepalend voor de betekenis van een foto, die snel een eigen leven gaat leiden.
Foto's en bewegende beelden komen ook zelden geïsoleerd tot ons; we treffen ze aan in krantenartikels, ze worden ondersteund door een commentaarstem in het journaal. De kritiek dat foto's de werkelijkheid reduceren gaat daarom tot op zekere hoogte ook altijd op voor de begeleidende teksten, en zeker in de massamedia. Noam Chomsky noemde dat verschijnsel concisie: zelfs specialisten krijgen op televisie nooit meer tijd dan om een paar holle frasen te debiteren. Het meedelen van de waarheid is al even duur, tijdrovend en weinig rendabel als het achterhalen van die waarheid.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> fotobladen van het eerste uur: National Geographic, Berliner Illustrirte Zeitung, Vu, Life, Picture Post
Susan Sontag, Kijken naar de pijn van anderen
124 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2003
Oorspr. Regarding the pain of others (2002)
Vertaald door Heleen ten Holt
____










