dinsdag 31 augustus 2010

Kijken naar de pijn van anderen - Susan Sontag

Een paar dagen geleden heb ik Over fotografie verticaal geklasseerd als een lappendeken van losse uitspraken. Dat was wat overdreven. Alleen vond ik het niet de moeite waard op de centrale politieke these van het boek ign te gaan, omdat ik er geen snars van geloof. Sontag beweerde dat de hedendaagse beeldcultuur ons afstompt. Terwijl je evengoed kan zeggen dat beelden van heinde en verre de westerse mens iets minder provinciaal hebben gemaakt.

En ziet, in Kijken naar de pijn van anderen, een bundel over fotografie die dertig jaar na de eerste essays over dat onderwerp verscheen, neemt de schrijfster gas terug. Het is een beter boek. Het essay bevat meer historische achtergrond en de zeventigjarige Susan Sontag weet haar materiaal beter te organiseren. Waar ze zich in Over fotografie nog liet leiden en verleiden door uitspraken van een klein kransje elitefotografen, denkt ze nu meer na over de impact van fotografie bij het grote publiek.

Een algemene afschuw
Wat, bijvoorbeeld, met oorlogsfoto's? Niemand gelooft nog dat oorlog, die typische mannenhobby, kan worden afgeschaft, zelfs pacifisten niet. We hopen slechts een eind te maken aan volkerenmoord, de mensen te berechten die zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden en via onderhandeling oorlog te voorkomen. Kunnen foto's en de huiveringwekkende reacties die ze ontlokken daarbij helpen?

Foto’s zijn op het eerste gezicht een middel om ‘werkelijkheid’ (of ‘meer werkelijkheid’) te geven aan dingen die mensen met een bevoorrecht of in elk geval veilig leven misschien liever zouden negeren: Kaboel, Sarajevo, Oost-Mostar, Grozny, Ground Zero. Door een beroep te doen op een hypothetische gedeelde ervaring (‘we zien samen met u dezelfde doden, dezelfde verwoeste huizen’) kan je best geloven dat de schok die zulke beelden teweegbrengen mensen van goede wil wel móet verenigen. Een fotograaf als Ernst Friederich geloofde erg in fotografie als shocktherapie, getuige zijn boek Krieg dem Kriege! [niet voor gevoelige kijkers].

Maar, werpt Sontag op, foto’s van oorlogsslachtoffers zijn op zich ook een voorbeeld van retoriek. Ze herhalen. Ze versimpelen. Ze scheppen een illusie van consensus. Oorlogsfoto's kunnen bij de betrokken partijen evengoed het gevoel versterken dat ze een rechtvaardige strijd strijden. Of de haat tegen de vijand verder aanwakkeren. Duiken foto's op van de eigen gruweldaden is snel gezegd dat ze 'vervalst' zijn door de vijand. In plaats van aan te zetten tot reflectie, bevestigen foto's misschien vaker een mening die we voordien al hadden.

Voor een Israëlische jood is een foto van het uiteengereten lichaam van een kind dat is omgekomen bij de aanval op de Sbarropizzeria in het centrum van Jeruzalem in de eerste plaats een foto van een Israëlisch kind dat is gedood bij een Palestijnse zelfmoordaanslag.
Sontag heeft ook iets tegen het algemene sentiment van verontwaardiging die oorlogsfoto’s oproepen. Wie in de gruwelijke beelden van pakweg de Spaanse Burgeroorlog alleen een bevestiging ziet van een algemene afschuw van oorlog, onthoudt zich van betrokkenheid bij Spanje als een land met een geschiedenis. Die laat de politiek buiten beschouwing. Die maakt slachtoffers anoniem en inwisselbaar.

Net een film
In haar tweede overdenking onderzoekt Sontag de antecedenten van de hedendaagse oorlogsfotografie. Tegenwoordig worden we overspoeld met geweldbeelden die ons volgens critici afstompen door hun overdaad, maar door kranten en televisiejournaals evengoed dankbaar als een doorlopend feuilleton gepresenteerd worden. Grove ellende is altijd goed voor headlines. Emotie (verontwaardiging, medelijden, nieuwsgierigheid) doet verkopen. If it bleeds, it leads luidt de aloude richtlijn van boulevardbladen.

Toch zijn oorlogsjournalistiek en de bijbehorende beelden belangrijk. Wat mensen die nooit een oorlog hebben meegemaakt over oorlog weten, is in onze tijd vooral het resultaat van wat die beelden teweegbrengen, schrijft Sontag. In haar optiek hebben foto's een streepje voor. Het geheugen houdt stilstaande beelden vast. In een tijd van een overdaad aan informatie biedt de foto een snelle manier om het in het geheugen op te slaan.

De camera werd uitgevonden in 1839, en sinds deze uitvinding, schrijft Sontag, houdt de fotografie zich bezig met de dood, omdat foto's een herinnering zijn aan elk verdwenen verleden. Het gemediatiseerde beeld is een belangrijk referentiekader geworden: de oude uitdrukking ‘Het was net een droom’ heeft inmiddels plaatsgemaakt voor ‘Het was net een film’.

Kranten drukten al foto’s af sinds 1880. De Krimoorlog en de Amerikaanse Burgeroorlog zijn de eerste oorlogen die door fotografen zijn gevolgd. Belangrijk verschilpunt is dat de gevechten zelf zich toen voltrokken buiten beeld; iets wat in alle oorlogen tot de Eerste Wereldoorlog zo zou blijven. De dood op heterdaad betrappen was alleen maar mogelijk toen de camera het statief was ontgroeid, en logge, stabiel te houden camera's overbodig maakte.

Toen lag de weg naar de veldjournalistiek open. Een Robert Capa begon naam te maken met zijn foto's tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Echt volwassen zou de fotojournalistiek pas worden in de jaren veertig, in oorlogstijd. In 1947 werd het agentschap Magnum opgericht, om aan de problemen rond onafhankelijkheid en inkomen van fotografen tegemoet te komen.

Sontag tekent daarbij wel aan dat alleen een bepaald soort oorlog de grenzen van het strijdtoneel kan overschrijden en internationaal de aandacht trekken. Een conflict moet meer bevatten dan de botsende belangen van de strijdende partijen: de Spaanse Burgeroorlog beroerde de gemoederen omdat de dreiging van het fascisme er goed zichtbaar door werd; de oorlog van Servië en Kroatië tegen Bosnië ging óók over een piepjonge Zuid-Europese staat die multicureel en onafhankelijk wou blijven; het voortetterende conflict van Israël en Palestina, wordt nog altijd bezwaard door de verpletterende steun van de VS en de herinnering aan nazi-Duitsland.
Intussen zijn de veel wredere oorlogen waarin burgers zowel vanuit de lucht als te land genadeloos worden afgeslacht (de tientallen jaren burgeroorlog in Soedan, de Iraakse campagnes tegen de Koerden, de Russische invasies en bezetting van Tsjetsjenië) betrekkelijk weinig gefotografeerd.
Een spion in het huis van de liefde en van de dood
In het derde essay stelt Sontag zich vragen over de manipulatie van oorlogsfoto's. Uitgangspunt is dat een fotograaf leed dichterbij kan brengen dan een plastisch kunstenaar, omdat een kunstwerk een compositie is en een foto de werkelijkheid zelf lijkt te kunnen betrappen. De Laocoön-groep is een bewuste synthese, een foto heeft de allure van een bewijs.

De praktijk om gruwelijk lijden voor te stellen als iets betreurenswaardigs doet volgens Sontag zijn intree in de geschiedenis van de beeldende kunst in de vorm van een specifiek onderwerp: de ellende die een burgerbevolking wordt aangedaan door een bandeloos, zegevierend leger. Ze noemt de schilderijen van Jacques Callot, Hans Ulrich Franck en de beroemde reeks Los desatres de la guerra van Goya, door de schilder zelf van provocatief commentaar voorzien.

Op het eerste gezicht, schrijft Sontag, lijkt Goya’s kunst, net als het werk van Dostojevski, een keerpunt te vertegenwoordigen in de geschiedenis van moreel gevoel en verdriet — "even diep, even origineel, even onverbiddelijk". Maar ook de directe beelden van Goya zijn een op effectbejag gerichte synthese; de gruwelen waaraan de Franse soldaten zich schuldig maken in Spanje zijn niet letterlijk gebeurd zoals ze zijn afgebeeld.

Met foto's was het van oudsher niet veel beter gesteld. De fotografen van de firma Matthew Brady die de Amerikaanse Burgeroorlog documenteerden — Alexander Gardner en Timothy O’Sullivan — herschikten de kanonskogels op de weg om sprekender beelden te kunnen schieten. Roger Fenton, zowat te beschouwen als de eerste oorlogsfotograaf, werd door de Britten gestuurd naar de Krimoorlog om de oorlog in een positief daglicht te stellen.

Oorlog was in de eerste dagen van de fotografie schilderachtig nieuws. Denk aan het werk van fotograaf Felice Beato, die verslag deed van de Krimoorlog, de Sepoy-opstand, de Tweede Opiumoorlog en de koloniale oorlogen in Soedan in 1885. En toch, ondermijnt Sontag de centrale these van haar vorige boek, zorgden de foto's ook voor bewustwording. Ze geeft het voorbeeld van de Krimoorlog, die via de kranten zelfz kon doordringen tot het calvinistische bolwerk van de familie Gosse.

De schrijfster grinnikt om onze teleurstelling wanneer we voor de zoveelste maal ontdekken dat een foto gemanipuleerd is. "We willen dat de fotograaf een spion is in het huis van de liefde en van de dood." Maar de waarde van een foto zit niet alleen in het vastgelegde, werkelijk gebeurde toeval. Neem de bekende foto van de drie mannen in de verwoeste bibliotheek van Holland House. In scène gezet of niet, die foto behoudt "zijn historische charme en authenticiteit als een eerbewijs aan een nu verdwenen ideaal van nationale standvastigheid en koelbloedigheid."

Pas vanaf de oorlog in Vietnam is het vrijwel zeker dat geen van de bekendste foto’s is geënsceneerd, meent Sontag. En dit is van essentieel belang voor het morele gezag van deze beelden. De Vietnamoorlog, met de iconische foto van Nick Ut, maakte tevens duidelijk dat oorlogsfotografie een impact kon hebben op de besluitvorming.

Daarginds
Beelden die niet stroken met het algemeen fatsoen kunnen patriotisme een serieuze knauw geven. En oorlogsfoto's zijn meer dan eens onfatsoenlijk. Het sterven betrappen op het moment dat het gebeurt is iets wat alleen een camera vermag. Denk aan de foto waarop het hoofd van de Zuid-Vietnamese nationale politie een Vietcong-verdachte doodschoot — al is ook die in scène gezet (de foto, niet de executie).

Dus legt het leger in recente tijden altijd een zorgvuldige persbreidel op. Tijdens de Golfoorlog in 1991 moedigden de Amerikaanse autoriteiten vooral beelden aan van de technologische oorlogsvoering, de precisie daarvan, de suprematie — niet het bloedbad dat werd aangericht op de Highway of Death [maar ook hier zijn de foto's misleidend]. De eerste gecontroleerde controle op persfotografie aan het front dateert van de Tweede Wereldoorlog. Zowel het Franse als het Duitse opperbevel liet slechts enkele militaire fotografen toe.

Hoe verder weg of hoe exotischer de plaats, schrijft Sontag, hoe waarschijnlijker het is dat we rechtstreeks met de doden en stervenden geconfronteerd worden. Dergelijke beelden bevestigen namelijk het comfortabele gevoel dat zulke dingen daarginds gebeuren, in Azië en Afrika, en dat zulke tragedies niet te voorkomen zijn in die achtergebleven delen van de wereld. Zelfs met betrekking tot de Servische moordcampagne in Kosovo wordt soms verklaard dat die Balkanlanden nooit echt horen bij Europa.

Komt het geweld akelig dichtbij, dan speelt er opeens een zekere kiesheid om gruwelijke beelden niet te tonen. Sontag haalt Daniel Pearl aan, een Amerikaans journalist die werd ontvoerd en voor het oog van de camera werd onthoofd in Karachi, Pakistan. De ontvoerders gaven een video vrij waarop de onthoofding van Pearl tot in detail zichtbaar was. Er rees controverse of die uitgezonden moest worden. Wat Sontag opviel was dat beide partijen de drieënhalve minuut durende verschrikking uitsluitend als een snuff movie zagen.
Niemand had uit de discussie kunnen opmaken dat de video nog andere beelden bevatte, zoals een montage van geijkte beschuldigingen (met bijvoorbeeld Ariel Sharon naast George W. Bush in het Witte Huis, Palestijnse kinderen die bij een Israëlische aanval waren gedood), dat het een politieke scheldkanonnade was die eindigde met verschrikkelijke bedreigingen en een lijst met specifieke eisen — allemaal dingen die de kijker wellicht op de gedachte hadden kunnen brengen dat het de moeite waard kon zijn het geheel door te worstelen (als je het kon verdragen), en zo beter opgewassen zijn tegen de buitengewone wreedheid en onverzoenlijkheid van de groeperingen die Pearl om het leven hadden gebracht. Het is gemakkelijker de vijand als een woesteling te zien die iemand doodt en vervolgens het hoofd van zijn slachtoffer omhooghoudt om het aan iedereen te tonen.

Foto via Flickr; onder een Creative Commons license

Collectieve instructie
In het vijfde en beste hoofdstuk van Kijken naar de pijn van anderen gaat Sontag in op hoe foto's op ons geheugen inwerken en herhaalt de essayiste haar vraag wat de acute ontzetting waard is die vreselijke foto's oproepen. Foto’s objectiveren immers: ze veranderen een gebeurtenis of een persoon in iets wat men kan bezitten. Vaak lijkt iets mooier op foto. Verfraaiing, zegt Sontag, is een van de klassieke functies en vaak verzwakt dit de morele reactie op wat er getoond wordt.

Vroeger, toen het tonen van onversluierde beelden niet gebruikelijk was, heerste de opvatting dat het onvermijdelijk sterkere gevoelens bij de kijkers zou opwekken wanneer een pijnlijke waarheid dichterbij werd gebracht. Nu, in commerciëlere tijden, is de impact en het gebruik van een foto minder zeker. Zo liggen de filmische beelden van Sebastião Salgado onder vuur, waarop volgens zijn criticasters de machtelozen enkel tot hun machteloosheid gereduceerd, en niet eens een naam krijgen in de onderschriften.

Of neem een ander staaltje ironie: Spielbergs herschepping van de landing op Omaha Beach dankt zijn authenticiteit aan het feit dat de film onder meer was gebaseerd op de foto’s die Robert Capa met grote moed tijdens de landing heeft gemaakt. Maar omgekeerd lijkt een oorlogsfoto onecht wanneer hij doet denken aan een stilstaand beeld uit een film.

Wil een foto aanklagen en eventueel een gedragsverandering veroorzaken, dan moet hij choqueren, denken veel mensen. Kijk alleen al naar de controversiële plaatjes op de sigarettenpakjes. De hamvragen hierbij zijn of gewenning aan die foto's niet slijt, en of die foto's daadwerkelijk iets uithalen. [Zie over die problematiek dit artikel.]

Maar het ligt nog ingewikkelder. Zelfs de aangrijpendste beelden kunnen dingen versluieren. Hannah Arendt wees erop dat de foto’s van de kampen op het moment dat de geallieerden er binnentrokken, misleidend waren. De stapels vermoorde joden zeiden niets over de concrete manier waarop ze dag in dag uit waren vergast. Een foto omzeilt ook de discussies over het precieze aantal doden. Foto’s zijn bovendien vaak in de eerste plaats echo’s van andere foto’s. Een beeld van een Servisch concentratiekamp doet allicht vooral denken aan de vernietigingskampen van de nazi’s. Laatste bemerking: door de alomtegenwoordigheid van gruwelijke foto's, lijkt gruwel waar geen foto's van bestaan verder weg.

Met behulp van foto’s reconstrueren we een verleden dat ver achter ons ligt, of een verleden dat we helemaal niet hebben meegemaakt. Het probleem bij de laatste situatie is niet dat we ons dingen herinneren door middel van foto’s, schrijft Sontag, maar dat we ons alleen de foto’s herinneren. Dit herinneren via foto’s verdringt andere vormen van inzicht en herinnering. "Verhalen kunnen ons helpen begrijpen. Foto’s doen iets anders, ze achtervolgen ons."

En doordat herinneringen niet kant en klaar bezonken liggen in ons geheugen, maar telkens opnieuw samengesteld, gereconstrueerd moeten worden, zijn we vatbaar voor manipulatie. Het zal wel geen toeval zijn dat er nog geen Amerikaans museum van de slavernij te bezoeken valt. Sontag, met de beste alinea van haar boek:
Strikt genomen bestaat er geen collectief geheugen: dat behoort tot dezelfde familie van valse begrippen als collectieve schuld. Wat wel bestaat is collectieve instructie. Herinnering is altijd persoonlijk, niet reproduceerbaar — en sterft met het individu. Wat men het collectief geheugen noemt, is geen geheugen maar een stelling: dat dít belangrijk is, en dat dit verhaal vertelt hoe het is gebeurd, met foto’s erbij die het geheel vastleggen in onze geest.
Sontag wil ons daarom verplichten zelf na te denken wat het betekent om naar foto's te kijken; na te denken over ons vermogen om te bevatten wat erop te zien is, en al helemaal wanneer leed te zien is. Met zulke foto's kan het immers alle kanten uit. Ze kunnen ons een slecht gevoel bezorgen, helpen bij het rouwproces, of een ongezonde belangstelling oproepen. Georges Bataille, bijvoorbeeld, kon de voyeuristische aantrekkingskracht niet weerstaan van een in 1910 in China genomen foto van een gevangene die ‘de dood door honderd sneden’ ondergaat [niet voor gevoelige kijkers] en nam hem op in zijn boek Les larmes d’Éros.

Een brevet van onschuld
In de meeste moderne culturen is gewelddadigheid voor veel mensen eerder amusant dan iets gruwelijks, denkt Sontag. Medeleven is geen stabiele emotie, zeker niet in het vooruitzicht dat aan leed geen einde lijkt te komen. "Als we mededogen voelen, kunnen we ons inbeelden dat we niet medeplichtig zijn aan de oorzaak van het lijden. Ons mededogen is zowel een brevet van onschuld als van onmacht."

Overal waar mensen veilig zijn, zal men ze moeilijk uit hun onverschilligheid kunnen halen. Om gesensibiliseerd te worden moet er een minimale band zijn met de getroffenen. De zeebeving die in 2004 de vakantielanden Indonesië en Thailand trof, wekte grote beroering. De aardbeving in Pakistan, een land dat moslimfundamentalisten aanlevert, al veel minder.

Dat de emotieve kracht van pijnlijk nieuws afneemt, geeft Sontag nu ook toe, is een oude klacht. Wordsworth rapporteerde in 1800 al afgestompt te worden door de dagelijkse nieuwsberichten. In 1860 schreef Baudelaire ongeveer hetzelfde, en ook toen waren er nog geen krantenfoto's. De schrijfster houdt ook helemaal geen pleidooi om op foto’s te bezuinigen.
Iemand die altijd weer verbaasd is dat verdorvenheid bestaat, die steeds opnieuw teleurgesteld (zelfs ongelovig) reageert op bewijzen van de gruwelijke wreedheden die mensen hun medemensen kunnen aandoen, is moreel en psychologisch onvolwassen. Boven een bepaalde leeftijd heeft niemand meer recht op dit soort onschuld of oppervlakkigheid, op deze mate van onwetendheid of vergeetachtigheid. We beschikken tegenwoordig over een enorm archief van beelden die het steeds moeilijker maken deze vorm van moreel tekort vol te houden. Laat de gruwelijke beelden ons achtervolgen.
Alleen onze ervaring van de werkelijkheid erodeert, schrijft ze. De werkelijkheid blijft bestaan, ondanks de pogingen van hippe Franse denkers als Debord en Baudrillard haar gezag te ondermijnen. Sontags kritiek is feitelijk bedoeld als een verdediging van de werkelijkheid en van ons falende vermogen om er ten volle op te reageren.

De herinnering is de enige relatie die we nog met de doden kunnen hebben, en daarom voelt die herinneringsarbeid aan als een morele daad. Daarom, schrijft Sontag, wordt er misschien te veel waarde gehecht aan herdenking, en te weinig aan overdenking. Alain Finkielkraut heeft over hetzelfde fenomeen geschreven. We moeten ons dwingen de juiste vragen te stellen. Wie is de oorzaak van wat er op de foto is te zien? Wie is er verantwoordelijk voor? Is het te verontschuldigen? Was het te vermijden geweest? Gaat het om een toestand die we tot nu toe hebben geaccepteerd, maar die moet worden aangevochten?

We moeten ophouden met het medium fotografie an sich te beschuldigen, concludeert Sontag. Het gevoel bestaat dat het aftreksel van de werkelijkheid dat de fotografie ons biedt moreel gezien niet door de beugel kan; dat we het recht niet hebben het lijden van anderen uit de verte te benaderen. Maar hiermee beschrijven we in feite de werking van de geest, de mentaliteit van de kijker zelf. Fotografie is slechts het medium. En daarbij: afstandelijkheid is niet noodzakelijk iets slechts. "Er is niets verkeerds aan om afstand te nemen en na te denken. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd nadenken en iemand slaan, zoals wel wordt gezegd."

Slotbedenking
Wat een beetje irriteert aan dit boek is dat Sontag nergens aangeeft wat precies de omslag in haar denken over fotografie heeft veroorzaakt. Waarom ze de oogkleppen van een Europees aandoend cultuurpessimisme heeft afgelegd, en nu opeens toch de mogelijkheden van een medium ziet.

Achteraf bekeken is het ook wat onnozel om net de fotografie met alle zonden Israëls te beladen. Een foto is weerloos, spreekt maar één taal en richt zich in potentie tot alle mensen, in tegenstelling tot een geschreven verslag dat zich, afhankelijk van de diepgang en het woordgebruik, tot een groot of klein publiek richt. De intentie van de fotograaf is niet bepalend voor de betekenis van een foto, die snel een eigen leven gaat leiden.

Foto's en bewegende beelden komen ook zelden geïsoleerd tot ons; we treffen ze aan in krantenartikels, ze worden ondersteund door een commentaarstem in het journaal. De kritiek dat foto's de werkelijkheid reduceren gaat daarom tot op zekere hoogte ook altijd op voor de begeleidende teksten, en zeker in de massamedia. Noam Chomsky noemde dat verschijnsel concisie: zelfs specialisten krijgen op televisie nooit meer tijd dan om een paar holle frasen te debiteren. Het meedelen van de waarheid is al even duur, tijdrovend en weinig rendabel als het achterhalen van die waarheid.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> fotobladen van het eerste uur: National Geographic, Berliner Illustrirte Zeitung, Vu, Life, Picture Post

Susan Sontag, Kijken naar de pijn van anderen
124 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2003
Oorspr. Regarding the pain of others (2002)
Vertaald door Heleen ten Holt

____

maandag 30 augustus 2010

De vliegende reporter - Egon Erwin Kisch

De legendarische journalist Egon Erwin Kisch, een Duitstalige Prager, maakte het begrip 'razende' of 'vliegende' reporter spreekwoordelijk. Kisch werkte dag en nacht en reisde de wereld rond voor zijn stukken. Om onder de hoon van 'echte' literatoren en commentatoren uit te komen, ging Kisch zijn krantenreportages ook bewerken, zodat ze de tand des tijds konden doorstaan. Zijn allerbeste bijdragen lijken op fotografische momentopnames van 360 graden.

Het eerste stuk in deze bloemlezing geeft dat meteen al te zien. Egon Erwin Kisch neemt in het begin van de Eerste Wereldoorlog dienst als korporaal in zijn Praagse huisregiment en trekt naar het Servische front. Hij houdt een dagboek bij, dat uitgroeit tot een volwaardig boek: Schreib das auf, Kisch!, naar de kreet waarmee zijn kameraden hem ertoe zouden hebben aangezet vooral niets van de dagelijkse gruwelen onvermeld te laten. Terwijl de artilleriegranaten over zijn hoofd suizen (en de stam van een boom achter hem vellen) maakt hij zijn notities. Althans, zo laat Kisch het voorkomen.

Eergisteren had ik tot het woord ‘flank’ geschreven. Het grootste deel tijdens rustpauzes in de mars, de laatste zinnen heb ik in de vuurlijn proberen te stenograferen.
Door de prachtige visualiteit, de uitgekiende montage en het jachtige tempo van de tekst wordt de lezer midden in de actie gekatapulteerd. Het resultaat is oorlogsproza dat zich makkelijk met dat van Ernst Jünger kan meten. Maar waar Jünger gretig de heroïek van het soldatenleven oppimpt met literaire kunstgrepen, wil Kisch met zijn aan de film ontleende technieken vooral de ontluisterende werkelijkheid van de oorlog laten zien ("Blouse, jas en verband zijn met één enkele kleurstof geïmpregneerd: met bloed"). Zijn beschrijving van de aftocht van het Oostenrijkse leger bij de Drina en de Save staat bewust in schril contrast met de juichende officiële zegebulletins van Oostenrijk-Hongarije, die hij haatte.

Het sprekende, realistische detail is daarbij belangrijk. Kisch berekent bijvoorbeeld het aantal schoten op het slagveld ("meer dan een miljoen") en rapporteert over het kleingeestig gedief onder soldaten. De manier waarop hij zijn indrukken ordent is knap, de toon aanstekelijk. Kisch is een kranige, goedgeluimde man die er duidelijk voor kiest feiten te dramatiseren. Dat kon ook nog: Kisch leefde in een tijd, de jaren twintig en dertig, waarin artikels niet suf werden gecheckt en gevierde journalisten zich in een enorme populariteit konden verheugen.

Het enige van Kisch dat voor de moderne Nederlandstalige lezer beschikbaar is, staat in dit boek. Geert van Istendael en Mark Schaevers maakten een selectie uit het totale oeuvre en schreven voor De vliegende reporter een zeer genereus nawoord, 'Sensatie en stalinisme', waar ik voor de volgende alinea's gaarne uit put.

Egon Erwin Kisch wordt geboren in 1885 in een Sefardische Duitstalige familie. Zoals de grote meerderheid van de Duitstalige Pragers, zijn ze joods en welgesteld. Duitstalige Pragers beperken hun betrekkingen met de Tsjechische meerderheid tot het strikte minimum, al is er ook stiekem respect: Bohemen en Moravië worden gerekend tot de economisch verst ontwikkelde gebieden in het Oostenrijkse keizerrijk en Europa.

Onderwijs kreeg Kisch in het Duits. Net zoals Rainer Maria Rilke, Max Brod en Leo Perutz liep hij school bij de katholieke Orde der Piaristen (zie het opstel 'De Piaristenschool'). De orde was gesticht door de Spaanse priester en heilige Jozef van Calasanza (1566-1648). Het doel van zijn orde was onderwijs en opvoeding te bieden aan de onderkant van de samenleving, een vorm van basisonderwijs. De eerste scholen, stichtte hij in het zestiende-eeuwse Rome. In de landen van de Oostenrijkse monarchie gingen zij zich in latere tijd ook op het middelbaar onderwijs richten. De Orde der Piaristen werkte naast die der Jezuïeten. Toen deze orde tijdelijk verboden werd en de Jezuïeten verbannen werden, namen zij een tijd lang de werkzaamheden over.

In 1904 gaat Kisch vrijwillig in militaire dienst. Hij wordt voor één jaar ingelijfd bij het Praagse huisregiment. Daarmee doorbrak hij, in de woorden van Schaevers en Van Istendael "voor het eerst de drievoudige grens — Duits, joods, burgerlijk — die hem tot dan toe van de Tsjechische arbeiders, boerenzonen en kleine kantoorbedienden gescheiden had." Een substantieel deel van zijn diensttijd zit hij in de bak, waar hij de onderkant van de samenleving leerde kennen, het tuig van de richel. "Zijn medearrestanten — allemaal Tsjechen — bevielen hem zeer, vooral omdat ze geen enkele zin hadden voor hiërarchie, uniformen en de daarmee verbonden keizerlijke en koninklijke Oostenrijkse waardigheid."

Na een maar halfgeslaagde journalistenopleiding in Berlijn gaat hij voor Tsjechische bladen schrijven: het Prager Tagblatt, gevolgd door de krant Bohemia. Kisch doet de stadspolitiek en de kleine criminaliteit. De onderbuik van de stad ligt hem. Jan Neruda, Emile Zola en Charles Dickens zijn de literaire voorbeelden. Hij wordt een meester in het opsmukken van anekdotes, wat zijn collega's, die consciëntieuzer waren maar niet zo goed konden schrijven, de ogen uitstak. Zeldzaam voor een Duitstalige journalisten is dat Kisch wordt opgenomen in het Praagse nachtleven. Hij heeft respect voor de niet-Duitstalige meerderheid van de stad en doorspekt zijn teksten graag met Tsjechische wendingen.

In 1910 kan hij zich losmaken van de dagelijkse primeurs en gaat hij ook speciale reportages maken voor de cultuurpagina. Hij vaart mee met de houtvlotters vanuit Smíchov naar Maagdenburg en gaat als clochard vermomd het nachtasiel in ('Een nacht in het asiel voor daklozen'). Wie denkt dat Serge Simonart vernieuwende dingen doet, think again.

Vanaf 1912 zal Kisch zijn beste stukken op elkaar afstemmen en bundelen. Hij verruimt ook zijn actieterrein. Kisch gaat op reis naar Napels, Constantinopel, Londen en Antwerpen. De journalist kent goed zijn talen: hij spreekt Duits en Tsjechisch en bekwaamt zich in het Frans, Engels, Russisch en Spaans. Brandhaarden zijn een specialiteit van Kisch: in het Albanese Scutari bericht hij over de oorlog tussen het koninkrijk Montenegro en het Ottomaanse Turkije (beiden grenzend aan de dubbelmonarchie). Het in De vliegende reporter opgenomen stuk 'Jachtige balkanreis' gaat daarover.
De kabinetten van alle grote mogendheden onderhandelen over Scutari, doen stappen voor- en achteruit, blokkeren en mobiliseren, demonstreren en confereren in plaats van met honderd wagons meel de stad van de hongersnood te verlossen, wat het enige acceptabele Europese beleid is! Minachtend kijkt men naar de Balkan vanuit die nog verschrikkelijker Balkan die Europa is.
1913 is het jaar van de grote doorbraak. Kisch wordt ook buiten Tsjechië beroemd vanwege zijn onthullende stuk over de zaak Redl. In het jaar voor het uitbreken van de Wereldoorlog brengen de onvrijwillige zelfmoord van de Praagse stafchef kolonel Alfred Redl en zijn kort daarop bekend geworden spionageactiviteiten een ongekende sensatie teweeg. Redl bleek voor de Russen te werken. De lange, ambachtelijke reportage van Kisch is een boeiend verhaal van dubbelspel en hoogverraad, en beschrijft ook mooi hoe spionnen worden geronseld en afgeperst.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Kisch, zoals eerder gemeld, opgeroepen voor het Oostenrijkse leger. Hij vecht in de frontlinie in Servië en de Karpaten, maar wordt korte tijd gevangengezet omdat zijn verslagen de legertop onwelgevallig waren. Daarna wordt hij, net als collega-schrijvers als Musil, Rilke, Hofmannsthal en Werfel, ingeschakeld in het Kriegspressequartier te Wenen, waar hij ondanks alles braafjes zijn bijdrage tot de Oostenrijkse oorlogspropaganda levert.

De oorlog radicaliseert de politieke opvattingen van Kisch. In de herfst van 1918 nemen spanning en chaos in Wenen toe. Horden soldaten van de meest uiteenlopende nationaliteiten lopen weg van het front en doorkruisen de hoofdstad van het keizerrijk, "op zoek naar een trein die hen naar Moravië, Bosnië of Wolhynië terug zou brengen". Het k.e.k. Oostenrijks-Hongaarse leger wordt niet gemobiliseerd, het valt uit elkaar.

Ook Kisch deserteert en speelt een leidende rol in de Weense revolutionaire beweging van dat jaar. In de stad heerst gebrek (alleen in de kazernes krijgen de soldaten nog geregeld hun eten), gewapende arbeidersmilities struinen door de fabrieksbuurten, en de roep om een rode machtsovername wordt gehoord. Kisch roept de soldaten op het voorbeeld van de Russische Revolutie te volgen. Maar Oostenrijk is Rusland niet: de ambities van de Rode Garde en de arbeidersmilities worden afgeblokt door de restanten van het oude regime en de sociaal-democraten. Werfels vuistdikke roman Barbara of de vroomheid beschrijft deze woelige periode; Kisch is een van de hoofdpersonen.

Kisch wordt communist in 1919 en zal dat zijn leven lang blijven. Communisme staat in zijn ogen voor "humanisme in ethische en sociale zin" en is dé "standplaats van de cultuur". Het is een opmerkelijke overgang: de kritische, beschaafde journalist met de niet te stuiten energie wordt een dogmaticus en verdediger van Stalin. Dat valt in de nadagen van de oorlog niet eens mee. Werk is moeilijk te vinden. Het blad Der Neue Tag met Musil, Polgar, Werfel en Joseph Roth is Kisch te weinig radicaal. Karl Kraus boort hem de grond in. De succesrijke journalist van weleer leeft in armoede. Hij moet terug naar Praag, waar hij volkse theaterstukken maakt in samenwerking met zijn oude vriend Jaroslav Hašek.

In 1921 gaat het opnieuw naar Berlijn, in de woorden van Schaevers en Van Istendael de "bruisende hoofdstad van een failliete wereldmacht, wegzinkend in een snel aanzwellende poel van inflatie, de stad waar de moraal eens en voorgoed afgeschaft leek te zijn en waar de hele briljante kunstenaarsmeute van het vernietigde keizerrijk Duitsland samenkloekte." Kisch schrijft er voor burgerlijke maar ook voor enkele donkerrood gekleurde bladen. Gepubliceerd worden door Carl von Ossietzky en Kurt Tucholky is in die dagen het hoogste voor een radicale schrijver. Het stuk 'Zin in Bacchanalen' is een sfeerbeeld van de eerste orde. In het Berlijn van 1922 houdt men zich strikt aan de sluitingstijd: één uur. Duizenden mensen worden om die tijd op straat gezet en moeten naar huis, hoewel ze daar totaal geen zin in hebben. Kisch:
Dan beginnen de activiteiten van de ambulante nachtclubs, actief en een nieuw geheim beroep, dat in Berlijn tegenwoordig al veel meer dan duizend vertegenwoordigers telt, het beroep van klantenlokker of runner. De ondernemers van die ambulante nachtclubs vormen een groep, de zogenaamde ‘partij’, die van tijd tot tijd particuliere woningen huurt, ze van sandwiches, champagne, kaviaar, wijn en sterkedrank voorziet en een of twee naaktdanseressen, een orkestje bestaande uit één violist, een kelner en vooral de runners engageert. Want die runners moeten het grootste deel van het werk doen en krijgen ook het leeuwendeel van de opbrengst van deze reusachtige zwendel.
In 1924 verschijnt dan de beroemde bundel Der rasende Reporter. De cover laat Kisch zien met zijn onafscheidelijke sigaret — een manisch mannetje dat vele zaken met robotachtige simultaniteit afhandelt. 'Razend' was dan ook een modewoord in de jaren twintig. De Weimar-republiek was geobsedeerd door snelheid en beweeglijkheid en Kisch cultiveerde graag zijn imago van bijdehante duivel-doet-al.


Foto via Photobibliothek.ch

De rasende Reporter (onderhavige bloemlezing beperkt zich overigens niet tot het gelijknamige boek) is zeer afwisselend opgebouwd en de betrokkenheid van de journalist bij zijn materiaal is groot. Kisch moest dan ook vechten voor het respect van literatoren, dichters en feuilletonschrijvers die feiten maar platvloers vonden. In een artikel uit 1918 had Kisch al het begrip 'logische fantasie' ontwikkeld. Volgens Kisch is de logische fantasie onmisbaar om feiten met elkaar te verbinden tot een zinvol en begrijpelijk bericht. Een journalist is evengoed een personage in zijn artikel, want moet ruim uit eigen ervaring putten:
‘De resultaten van het onderzoek komen uit de eerste hand, komen uit het leven zelf. Natuurlijk is een feit niet meer dan het kompas waarop hij vaart; hij heeft echter ook een verrekijker nodig: de “logische fantasie”. Want nooit verschijnt uit de autopsie van de plaats van een misdrijf of een gebeuren, uit wat betrokkenen en getuigen loslaten en uit de tegen hem geuite vermoedens een volledig beeld der gebeurtenissen. Hij moet zelf het verloop van de zaken, de overgangen tussen resultaten van het onderzoek construeren en daarbij moet hij er goed op letten dat de rechte van zijn uiteenzetting precies door de hem bekende feiten (de gegeven punten op het lijnstuk) loopt. Het ideaal is dan dat de waarschijnlijkheidskromme die de reporter trekt, samenvalt met de werkelijke verbindingslijn die alle fasen van het voorval met elkaar verbindt.’
In Berlijn verandert Kisch van een Oostenrijke communist in een Duitse communist. Hij moet echter op zijn hoede blijven voor de ultraconservatieve garde van ambtenaren en rechters die na de oorlog is blijven zitten en het op linkse elementen hebben gemunt. In 1925 maakt hij een reis door Rusland en publiceert daarover het enthousiasmerende boek Zaren, Popen, Bolschewiken.
De interessantste passagiers, verreweg de interessantste, maken gebruik van de harde klasse; wie het geluk heeft een aantal dagen of zelfs weken te reizen en te wonen in de donkergroene wagon, die ziet en hoort het oude en het nieuwe, het noordelijke en het zuidelijke, het enthousiaste en het verontwaardigde Rusland. Die leert de oervormen van alle types uit de literatuur kennen, van Gorki’s boeren op blote voeten tot en met Tolstoj’s vorsten, van de helden uit de van Napoleon die Lermontov zo nobel afschilderde tot en met de rode ruiters van Boedjonni, over wie Babel nu vrijpostige satires schrijft. Die heeft vriendschappen gesloten en tal van komedies en tragedies meegemaakt. Het publiek is gemengd, iets beters valt er over een publiek niet te zeggen.
In zijn vurigheid wordt Kisch een oprecht verdediger van de Russische censuur. Zijn journalistieke opvattingen evolueren mee. Een reporter moet nu partij kiezen. Kisch brengt dat zelf in de praktijk, door mee te werken aan de propagandistische bladen van Willi Münzenberg, die voor de Komintern werkt. Hij maakt reizen naar China én de Verenigde Staten, waarover hij het sarcastisch getilde Paradies Amerika publiceert. In LA ontmoet hij Upton Sinclair en de hogelijk bewonderde Charlie Chaplin, die aan zijn meesterwerk City Lights zit te werken (zie 'Aan de slag met Charlie Chaplin'). Het gesprek gaat onder meer over Shakespeare. Chaplin: "Alle mannen bij Shakespeare zijn verklede vrouwen en alle vrouwen verklede mannen."

Op 27 februari 1933 wordt de Rijksdag in brand gestoken, een prima alibi voor de nazi's om duizenden tegenstanders van het nationaal-socialisme op te pakken. Ook Kisch wordt in de gevangenis van Spandau gegooid, maar komt vrij omdat hij nog steeds Tsjecho-Slowaaks staatsburger is. Anti-fascistische intellectuelen krijgen het alsmaar moeilijker. Duitse emigranten blijven Praag binnenstromen, maar ook daar worden ze door zwaar gewapende leden van de SA en SS op de hielen gezeten.

In die periode, hij is verbannen uit Duitsland, zit Egon Erwin Kisch in Parijs. In juli 1933 wordt daar de uiteengevallen schrijversbond Schutzverband Deutscher Schriftsteller weer opgericht. Kisch zit in het bestuur. Onvermoeibaar zet hij zich in voor anti-fascisten die het genazificeerde vaderland niet hebben kunnen ontvluchten. De tafeltjes van Les deux Magots en de wijk Saint-Sulpice worden zijn hoofdkwartier; later verhuist hij naar het goedkopere Versailles.

Door zijn natuurlijke charme weet hij communisten en sociaal-democraten tot een brede coalitie om te vormen. Arthur Koestler ziet in hem een soort vaderfiguur. Kisch' boeken verschijnen bij Allert de Lange in Nederland, de Verlagsgenosenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR in Moskou en bij Münzenbergs Editions du Carrefour. Het communisme is nog steeds heilig: Kisch houdt zich opvallend stil tijdens de processen tegen trouwe communisten die Stalin in 1936-1938 laat organiseren en breekt met André Gide na diens kritische USSR-boek.

In februari 1935 spreekt Kisch in Sydney een menigte van 18.000 mensen toe over de concentratiekampen en de andere gevaren van Hitlers regime. Zijn "landing" in Australië gaat met heel wat gedoe gepaard. De rechtse Australische regering is niet erg op de komst van de journalist gesteld. Voor anker slaagt Kisch niet voor een moeilijke taaltest, waarop hij hals over kop van boord springt en daarbij zijn been breekt. Linkse krachten binnen Australië zorgen ervoor dat hij toch het land kan binnenkomen.


Kisch in Sydney (1935); foto via Wikipedia

Kisch maakt in de jaren dertig ook reizen naar België en Nederland, waar het leven de helft goedkoper is dan in Parijs. In 1936 vinden we samen met Joseph Roth en Stefan Zweig in Oostende, een ontmoeting waar Schaevers een elegant boekje over heeft geschreven. Ook uit de Laaglandse periode van Kisch is iets opgenomen in De vliegende reporter. En jawel, ter hoogte van het prachtige opstel 'De borinage, een viervoudig klassiek land' wordt ineens duidelijk waar Geert van Istendael de mosterd vandaan haalt voor zijn reportages. Ook Kisch zoekt de groezelige feiten op, en smeedt ze om in een taal van massief goud.
Op elk van deze bergen, die het groene, vlakke Henegouwen in een steile, duistere karst veranderen, hurkt een basilisk. Met zijn voorpoten op de bergtop en zijn achterlijf tegen de helling, strekt hij zijn hals en zijn muil uit. Van vroeg in de ochtend tot twee uur ’s middags spuwt hij om de twee minuten gruis en aarde uit.
Andere parallel is de combinatie van kunstzinnige gevoeligheid en sociale bekommernis van beide heren. Kisch schrijft over Constantin Meunier, over Vincent van Gogh en diens "vlucht van het steenkoolstof naar het stuifmeel", maar evengoed over de anonieme leden van de raad van beheer en de anonieme directeuren van de Société Générale de Belgique en de Banque de Bruxelles. Zij
regeren op grote afstand de mijnen van de Borinage: Établissement du Grand Hornu, Charbonnages du Nord de Geuly, Société du Levant de Flénu, Compagnie des Charbonnages belges en Charbonnages Réunis, alles wat hier met schachttoren, machinekamer, koolwasserij, schacht, mijngangen en 30 000 ondergrondse arbeiders werkelijkheid is, is bij de koersnotering op de Beurs van Brussel niet meer dan een dagelijks wisselend cijfer.
Zijn vijftigste verjaardag maakt duidelijk dat Kisch een zeer gewaardeerd schrijver is geworden onder vakgenoten. Hij wordt geprezen door Feuchtwanger, Zweig, Roth, Henri Barbusse, Anna Seghers, Brod, Koestler, Georg Lukács en Bertolt Brecht. Dat betekent niet dat hij op zijn lauweren gaat rusten. Hij gaat naar het front van de Spaanse burgeroorlog, al vecht hij niet. De oppositie tegen Franco is verdeeld, en de communisten, die de steun van de Internationale Brigades krijgen, kunnen zich stilaan met de anarchisten meten. Kisch bezoekt de hoofdstad en treft daar een onvoorstelbare ravage aan ('De huizen en paleizen van Madrid').
Je familie was talrijk en je woning was navenant, moeder Madrid. Je bezat twintigduizend huizen in elk daarvan had je gemiddeld vijftig van je kinderen ondergebracht. Zo’n tweehonderdduizend kartetsen en vliegtuigbommen suisden sinds november vorig jaar op je neer.
Toch heeft Kisch in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog grote moeite om geld te krijgen voor zijn werk. Als verdacht buitenlander wordt hij in de gaten gehouden door de Sûreté. In Duitsland is zijn werk sinds 1933 streng verboden. Na de Anschluss worden zijn Oostenrijkse lezers van hem afgesneden, en een paar maanden later bezet Duitsland ook de Duitstalige gebieden van Tsjechov-Slowakije. De ironie van het lot wil dat een stuk van Kisch (over een inrichting om gevallen meisjes op het goede pad te brengen) wordt geplagieerd en een literaire wedstrijd van de nazi's wint. Kisch:
Nadat de oorkonde van de nazi-jury en de duizend mark met tal van fraaie toespraken in de feestzaal van de Hamburgse Senaat aan de prijswinnaar waren overhandigd en de virtuoze humorekse onder daverend gelach was voorgelezen, verscheen ‘deze kostelijke, aan Fritz Reuter herinnerende, maar toch iets platter proeve van onvervalste volkshumor van de Noordzeekust’ in de kranten van Hitler-Duitsland.
Vrienden, ik wist niet wat ik zag. Het was letter mijn Praagse Magdalena-tehuis. Hanns ut Hamm had mijn tekst alleen naar Hamburg verplaatst, in het Plat-Duits opgeschreven en er een kleine, maar effectieve wijziging in aangebracht. In plaats van met ‘Egon’ laat hij zich door de gevallen engelen met ‘Hanns’ begroeten.
Ik wilde deze bekroning van mijn werk door de nazi’s in ons tijdschrift Schriftsteller ter overdenking aan onze in Duitsland achtergebleven collega’s aanbevelen. Maar het Schwarze Korps, het lijfblad van de SS, was me met de onthulling te snel af. Het had de bron ontdekt en was woest. Niet de literaire diefstal deed het bloed van het Schwarze Korps op 6 mei 1939 koken, maar het ‘schaamteloze binnensmokkelen van typisch volksvreemde gedachtegangen in de nationaal-socialistische volksaard en gebruiken’.
Het idee dat nationaal-socialistische leiders feestelijk bijeenkwamen ‘om het product van een sensatieschrijver te bekronen, wiens boeken terecht al op onze eerste brandstapel werden verbrand,’ vervulde het blad, zoals toegegeven werd, met een gevoel van zeer diepe schaamte. Het eiste dat de nieuwe schrijver van mijn oude artikel onmiddellijk gearresteerd werd, ‘opdat Hanss ut Hamm eens voor al leert, wat het kost om de versleten schoenen van Egon Erwin Kisch aan te trekken en in het Plat-Duits te gaan jodelen…’
Alleen schrijvers die het nazisme aanhangig zijn, kunnen publiceren. Opgenomen in De vliegende reporter is niet toevallig het stuk 'Kachetiner rode wijn', waarin Kisch fulmineert tegen Gottfried Benn: "Goed, dr. Benn, gaat u naar die mecenassen toe, betoont u hun uw trouw en politieke solidariteit, al u dat per se wilt." Geïnspireerd door de 'irrationele' psychologieën van onder andere Jung zocht Benn heil in de scheppingskracht van de kunstenaar, getuige o.a. de stukjes die hij schreef over de jonge Nietzsche en de jonge Hebbel. Dit waren voor hem voorbeelden van grote, zelfstandige figuren, die zich weinig hadden aangetrokken van sociale conventies. De oplossing voor het probleem van de teloorgang van de cultuur school volgens Benn in het nationaalsocialisme. (Desalniettemin nam de nazistische overheid aanstoot aan Benns notoire lijken- en rottingsgedichten, die niet bij de uitstraling van het Derde Rijk pasten. Teneinde zich tegen meer kritiek in te dekken, nam Benn dienst bij de Wehrmacht. Benn kreeg in 1938 een publicatieverbod opgelegd en hield zich tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeisd.)

In maart van 1939 marcheren nazi-soldaten door de straten van Praag. Kisch' Praagse vrienden, die hem na 1933 meer dan één keer daadwerkelijk konden helpen, zijn nu zelf hulpbehoevend geworden. Kisch moet improviseren. Om aan geld te geraken treedt hij zelfs op als beroepsgoochelaar in Nice. (Het deeltje over Nice in de stedenreeks Het oog in 't zeil zegt er jammer genoeg niets over.)

Een grote teleurstelling voor alle communisten, dus ook voor Kisch, is hiet-aanvalspact dat Rusland sluit met Duitsland in datzelfde jaar, 1939. En het wordt nog erger dan dit 'pact met de duivel'. Wanneer Frankrijk Duitsland de oorlog verklaart zijn alle Duitse staatsburgers op Frans grondgebied ineens vijanden. Kisch ontkomt opnieuw, voor de tweede maal gered door zijn Tsjecho-Slowaaks paspoort.

Met een visum op zak "van een land dat niet meer bestond", vaart hij naar New York. Van daar gaat het naar Mexico, een land dat een links bewind voerde, gericht tegen de almacht van Kerk, grootgrondbezit en internationaal kapitaal. Mexico had na de nederlaag van republikeins Spanje de anarchistische vluchtelingen ontvangen. Kisch verkeert er in het gezelschap van Anna Seghers, Ludwig Renn en Lenka Reinerová, en ziet het politieke geruzie tussen de vele ballingen met lede ogen aan. In Latijns-Amerika krijgt hij te horen dat zijn twee broers door de nazi’s zijn vermoord.

In 1946 keert Egon Erwin Kisch terug naar Praag, maar wordt door weinigen meer herkend. De tijden zijn veranderd, de grote schrijver is vergeten. Van de reportages die Kisch plant over inheemse, Tsjechische onderwerpen komt weinig terecht. Hij is zijn bibliotheek kwijt; zijn Franse had hij niet mee kunnen nemen naar Amerika (te duur), de boeken die verborgen zaten in Praag hebben een overstroming niet overleefd. Bovendien is het Duits uit zijn vaderland verbannen. De drie miljoen Sudetenduitsers hebben overwegend gecollaboreerd met de nazi’s en in Praag heeft de bezetter zijn eigen cultuur systematisch uitgeroeid (de Duitstalige Pragers waren in hoofdzaak joods). Kisch, die het vroeger voor het Tsjechisch had opgenomen, mag niet meer in zijn moedertaal schrijven.

Overgewicht, de vele sigaretten en een leven lang sterke koffie eisen uiteindelijk hun tol. In 1947 krijgt Kisch een hartaanval, het jaar daarop bezwijkt hij aan een tweede. Tegenwoordig is zijn naam verbonden aan een prestigieuze Duitse geldprijs die literaire reportages bekroont.

De vliegende reporter was een openbaring voor me. Het heeft de bruisende, aardse toon gemeen met de Berlijnse reportages van Joseph Roth die ik inmiddels aan het lezen ben. Al schat ik Kisch als journalist hoger in. Hij paart literaire bluf aan grote eruditie en feitenkennis, persoonlijke betrokkenheid aan aandacht voor het grotere plaatje. Kisch speelt in dezelfde afdeling als A.J. Liebling, of tegenwoordig David Remnick (die een stuk minder speelruimte heeft, nu een handvol dubbelcheckers over zijn schouder meelezen bij The New Yorker).

Een pluim voor de samenstellers, die in dit boek de perfecte mix hebben gevonden. Een sociaal bewogen stuk als 'Het giftige koninkrijk aan de rijn' (over de gevaren van het werken in de textielindustrie) wordt afgewisseld met een poëtische impressie als 'De dag breekt aan in Praag'. Als Prager kon Kisch kennelijk niet om de Golem heen: in weer een ander opstel bezoekt hij de vliering van de Altneusynagoge, die volgens de overlevering het graf van de Golem zou zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Egon Erwin Kisch, De vliegende reporter
377 p.
Uitgeverij Atlas, 1999
Vertaald door Dik Linthout
Samengesteld en van een nawoord voorzien
door Geert van Istendael en Mark Schaevers uit:

Prager Kinder (1911)
Aus Prager Gassen und Nächten (1912)
Die Abenteur in Prag (1919)
Der rasende Reporter (1924)
Zaren, Popen, Bolschewiken (1926)
Hetzjagd durch die Zeit (1926)
Paradies Amerika (1929)
Schreib das auf Kisch! (1929)
Prager Pitaval (1930)
Geschichten aus sieben Ghettos (1934)
Eintritt verboten (1934)
Landung in Australien (1937)
Marktplatz der Sensaationen (1942)
Entdeckungen in Mexiko (1945)
Mein Leben für die Zeitung 1906-1925 (1993)
Mein Leben für die Zeitung 1926-1947 (1993)

____

zondag 29 augustus 2010

Sentimenteel verdriet

Werkelijk verdriet richt zich op het object, op de persoon die gestorven is en wordt betreurd, terwijl sentimenteel verdriet zich richt op het subject, op de persoon die treurt, en die er allereerst op uit is om zijn mooie gevoelens aan de wereld te tonen. Sentimentaliteit kenmerkt zich dan ook door het feit dat het object vaag wordt, dat het geïdealiseerd wordt en zonder wezenlijke aandacht voor de waarheid wordt waargenomen.
Roger Scruton, in: Waarom cultuur belangrijk is

____

zaterdag 28 augustus 2010

Slaapkoppen - Randall.C

Een klacht die me ontmaskert als een geboren lezer: wat me stoort aan veel ambitieuze strips is de armoedige tekstbehandeling. Dan zie je de hoofdfiguren een paar bladzijden door een onherbergzaam landschap trekken zonder iets te zeggen. Het is vast bedoeld om er diepzinnig uit te zien, maar ik krijg in het beste geval de slappe lach van zoveel pretentie.

Slaapkoppen grossiert ook wel in dat soort bladzijden. Maar elke hooghartigheid wordt in de kiem gesmoord door humor, voornamelijk in de tekst. In de twee beste verhalen, 'De Spanjool' en 'Natasha', moest ik hardop lachen. Zeldzaam.

In Slaapkoppen raken twee slaapwandelaars verstrikt in een handvol dromen die elkaar raken en uitdiepen ('de droom in de droom'). Dat is een comfortabel uitgangspunt voor een stripmaker, maar hier hebben we iemand die het zich toch niet te gemakkelijk heeft gemaakt.

Randall.C heet eigenlijk Randall Casaer, en vormde meer dan tien jaar geleden een cabaretduo met Wim Helsen, in een tijd dat de Vlaamse stand-up comedy nog in de luiers zat. Nu regisseert hij alleen nog comedians, zoals de voornoemde Helsen, Wouter Deprez en Begijn Le Bleu.

Zijn achtergrond zal wel te maken hebben met het feit dat hij tekst niet veronachtzaamt. Zijn dialogen zijn kort, naturel én interessant, wat een zeldzame combinatie is. Stukjes geprakte taalfilosofie wisselen elkaar af met poëzie en bijtende flauwekul. Mooie mix.

Maar Randall.C is een nog veel betere tekenaar dan verteller. Zijn stijl: nijdig gekrabbel op een ondergrond van zachte kleuren — beiges, grijzen en afgelengd olijfgroen. Er zit veel nuance en panache in zijn lijnen. Je kijkt je ogen uit. Randall.C staat voor inkttekeningen, toonwaarden door arcering, een digitale steunkleur die ook de plaatjes afbakent, en een klein beetje highlighting om de tekeningen wat diepte te verlenen.

Slaapkoppen is een strip die ik zelf wil kopen. Een aantrekkelijke softcover met flappen, garengenaaid gebrocheerd. De belettering van de titels van de verhalen — een naar Word 2003 stinkende Impact — kon beter.

Randall.C, Slaapkoppen
112 p.
Uitgeverij Oogachtend, 2007



Illustratie Randall.C [klik om te vergroten]



Illustratie Randall.C [klik om te vergroten]

____

donderdag 26 augustus 2010

AuthorLinks

"With biographies and carefully chosen, annotated links for over 700 writers, AuthorLinks directs you to the best Web sources for research about authors and their work."

> http://bcs.bedfordstmartins.com/litlinks/Pages/Main.aspx

____

The Sonic Youth Tuning Tutorial

"By album, or as a list by tuning."

> http://www.sonicyouth.com/mustang/tab/tuning.html

____

Ik heb een vraag

"Op deze site kan je terecht met (bijna) al je vragen over wetenschap, geschiedenis, taal, politiek, en nog veel meer. Je krijgt persoonlijk antwoord van een wetenschapper met kennis van zaken."

> http://www.ikhebeenvraag.be/archief.jsp

____

This Recording

"This Recording is dedicated to the enjoyment of audio and visual stimuli."

> http://thisrecording.com

____

The Kerlan Collection

"The Kerlan Collection at the University of Minnesota is one of the world's great children's literature research collections. The Collection includes books, original manuscripts and illustrations, and many related materials."

> http://special.lib.umn.edu/clrc/kerlan/index.php

____

woensdag 25 augustus 2010

Over fotografie - Susan Sontag

Een klepper uit de jaren zeventig. Maar zelden was ik zo teleurgesteld in een gecanoniseerd boek over een onderwerp dat me na aan het hart ligt. Susan Sontag is als essayiste alleen te genieten in een gestripte versie; door haar ideeën onder elkaar te zetten. Zelf bezit ze ook niet de gave om eenheid te brengen in die losse flodders. Maar laat dat nu de reden zijn waarom we graag een 'tekst' lezen. Neen, de Amerikaanse schrijfster draait rondjes, herhaalt zichzelf en bedrijft esoterie.

De eerste bladzijde mag exemplarisch heten voor de werkwijze van Susan Sontag. Daar staat het volgende:

Het feit dat foto’s ons een nieuwe visuele code hebben bijgebracht, heeft ons andere en ruimere opvattingen gegeven over wat het bekijken waard is en wat er bekeken mag worden. Foto’s vormen een bepaalde grammatica en, belangrijker nog, een bepaalde ethiek van kijken.
De eerste zin klinkt een paar tellen interessant, tot het zicht beter wordt en de tautologie zich openbaart: wat zich voordoet als oorzaak en gevolg, is in feite een cirkelredenering. "Een nieuwe visuele code" is gewoon hetzelfde als "een andere opvatting over kijken en wat bekeken mag worden".

De tweede zin lijkt te gaan voortborduren op die gedachte, lijkt haar dus concreter te gaan maken. Maar eigenlijk gebeurt net het omgekeerde: Sontag neemt gas terug en veralgemeent haar vorige, sowieso al zeer algemene uitspraak: "Foto's vormen een bepaalde grammatica". Om in het vervolg van de zin nog eens hetzelfde te zeggen: "Foto's hebben een bepaalde ethiek van kijken".

Belangrijkste bezwaar tegen dit hele boek: Sontag richt haar pijlen op een heel medium en komt er nooit meer van los. Het gaat de hele tijd over dé fotografie. Fotografie wordt op die manier een lege doos, die Sontag mag vullen met haar oordelen en vooroordelen, intuïties en gemeenplaatsen. Op den duur wordt het onderwerp betekenisloos. Fotografie is alles en niets. Sontag had concreter kunnen zijn als ze fotografie niet alleen had afgewogen tegen de schilderkunst — waarmee fotografen willen concurreren — maar tegen het bewegende beeld. Veel van Sontags uitspraken over fotografen gaan ook op, of zelfs nog meer, voor de televisie.

Tweede fout die de schrijfster maakt: ze geeft haar essays een kunsthistorische toets mee, maar beperkt zich daarbij tot wat een handvol elitefotografen zeggen — apodictische uitspraken in interviews of in de voorwoorden bij hun fotoboeken. Niets over wat het fotopubliek voelt. De enige toeschouwers in Over fotografie zijn collega-fotografen en Susan Sontag zelf.

Voorts is het moeilijk een lijn te vinden in elk van deze essays. Sontag somt veel meer op dan ze wil doen uitschijnen. De structuur gaat van de fotografie is dit, de fotografie is dat, en Sontag komt op die manier onvermijdelijk langs stations die ze al een paar keer gepasseerd is.

De gedachte die me het meeste trof, kwam niet van Sontag, maar stond in de recensie die iemand aan het boek wijdde. Waar Sontag maar door blijft emmeren over de relatie tussen afbeelding en werkelijkheid, en over het waarheidsgehalte van foto's, komt Boeklog met één makkelijk te onthouden kernwoord: vereenvoudiging.
De belangrijkste gedachten die ik tot nu aan fotografie heb gewijd, zijn dat een foto de werkelijkheid platslaat in een moment; de vier dimensies waarin wij leven, stollen er daardoor in twee. En omdat in die reductie manipulatie kan plaatsvinden, gebeurt dit ook — tegenwoordig helemaal, nu Photoshop gemeengoed is.
Door die invalshoek begrijp ik ineens beter wat me een beetje stoort aan de tegenwoordig zeer populaire portretfoto's die Stefan Vanfleteren maakt. Terwijl een foto van zichzelf al vereenvoudigt, gaat Vanfleteren die ook afdrukken in zwart/wit, wat een extra vereenvouding is. Pomp zo'n gestileerd beeld nog eens op tot totalitair formaat, blur de uiterwaarden van het gezicht weg zodat de scherpte in de ogen komt te liggen, en iedereen begint eruit te zien als een halfgod.

Dat foto's onherstelbaar vereenvoudigen, impliceert echter ook dat onze verontwaardigde reactie op geretoucheerde foto's komt als vijgen na Pasen. Foto's retoucheren de werkelijkheid sowieso. Ook analoge foto's deden dat al. Eerst door de kadrering en de belichting van de fotograaf, daarna door het fotopapier (dat invloed heeft op de kleuren) en het manipuleren van de ontwikkelingstijd van delen van de foto.

Over de vraag of foto's kunst zijn, heeft een Johan de Vos dan weer beter geschreven dan Sontag. Foto’s houden het midden tussen de herkenbare werkelijkheid en de geabstraheerde vormgeving, klink het bij hem. En zo komt het dat we bij een uitgekiende foto zelfs het lijk van een vrouw na een verkeersongeluk mooi kunnen vinden. Meer is er eigenlijk niet over te zeggen.

Wat me inhoudelijk aan Over fotografie dus vooral zal bijblijven, zijn gek genoeg Sontags scherpe uitspraken over de surrealistische schilderkunst. De grote fout van de voorvechters van het surrealisme, aldus Sontag, was in de eerste plaats dat ze zich het surreële voorstelden als iets universeel menselijks, met andere woorden iets psychologisch, "terwijl het juist het meest plaatselijke, etnische, klasse- en tijdgebonden ‘isme’ blijkt te zijn dat er bestaat". De surrealistische schrijvers hebben het ook stukken beter gedaan dan hun collega-schilders.
Hun schilderijen maakten een gepolijste, berekende indruk; gemaakt met een arrogante vaardigheid, en niet dialectisch. Ze hielden zich voorzichtig afzijdig van het aanvechtbare idee van het surrealisme om de grenzen te doen vervagen tussen de kunst en het zogenaamde leven, tussen objecten en gebeurtenissen, tussen het bewust gewilde en het onopzettelijke, tussen professionals en amateurs, tussen het edele en het prullige, tussen vakmanschap en gelukkige blunders. Het resultaat was dat het surrealisme in de schilderkunst weinig meer voorstelde dan de inhoud van een magertjes gestoffeerde droomwereld; een paar geestige fantasietjes, voornamelijk natte dromen en nachtmerries van pleinvrees.
Een aantal van haar ideeën over fotografie zal Sontag herroepen in Kijken naar de pijn van anderen, een boekje dat trouwens een stuk leesbaarder is, want aardser. Bespreking volgt.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> lijst van behandelde fotografen in de commentaren hieronder
> over de politieke betekenis van dit boek, zie Gie van den Berghe
> http://en.wikipedia.org/wiki/Camera_Work

Susan Sontag, Over fotografie
238 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008
Oorspr. On photography (1977)
Vertaald door Henny Scheepmaker



Foto van Hello Turkey Toe; via Flickr, onder een Creative Commons license; N.B.: de Britse editie van het boek ligt erbij

Omdat ik Over fotografie beschouw als een lappendeken met losse uitspraken, hieronder per essay een selectie van uitspraken die het overdenken waard zijn. Tegen de meeste is makkelijk iets in te brengen. Of zijn achterhaald, door nieuwe technologie.

In Plato's grot
° Er zijn veel meer foto’s dan andere afbeeldingen
° Een foto, in tegenstelling tot een film, neem je met je mee
° Foto’s lijken meer op stukjes werkelijkheid dan notities over de werkelijkheid dat doen
° Een foto verliest in een boek minder kwaliteit dan een schilderij
° Een foto geldt als onomstotelijk bewijs dat iets heeft plaatsgevonden
° Foto’s zijn een handig controlemechanisme voor de overheid
° Fotografen mochten van het begin af alle onderwerpen bestrijken; schilderkunst heeft nooit zo’n vorstelijke ontplooiing beleefd
° Foto’s horen bij het familieleven, zijn het bewijs van her en der verspreide familieleden
° Foto’s maken is ideaal voor een reiziger met een harde werkethiek: fotograferen op reis als een gezellige imitatie van werken
° Een foto is niet alleen het resultaat van een ontmoeting tussen een gebeurtenis en een fotograaf; het nemen van een foto is een gebeurtenis op zichzelf
° Door foto's wordt gesuggereerd dat de tijd bestaat uit interessante gebeurtenissen
° Een foto nemen houdt in dat je belang hebt bij de dingen zoals ze zijn
° Fotograferen maakt mensen tot objecten die in bezit kunnen worden genomen
° Een foto maken is deelhebben aan de veranderlijkheid van een ander mens (of ding)
° Foto’s brengen ons net zo aan het mijmeren als een brandende open haard (‘verdwenen verleden’)
° Foto’s laten soms meer indruk na dan bewegende beelden omdat ze keurig uitgeknipte stukjes tijd zijn, en geen stroom vormen
° Een evenement is iets dat de moeite waard is te worden gefotografeerd
° Foto’s kunnen choqueren voor zover ze iets nieuws laten zien
° Gefotografeerd lijden kan niet altijd het geweten versterken
° Herhaling van dezelfde soort foto's stompt af
° De speciale eigenschappen en bedoelingen van een foto hebben de neiging op te gaan in het veralgemeende pathos van het verleden
° Begrenzingen hebben iets willekeurigs; je kan alles in een ander kader plaatsen
° Via de fotografie wordt de wereld een reeks aparte deeltjes zonder samenhang
° Via een foto kan je nooit iets begrijpen
° Foto’s vullen wel lege plekken op in onze mentale voorstellingen van heden en verleden
° Een foto verbergt meer dan hij onthult

Amerika, gezien of foto's, in raadselen
° In de eerste decennia van de fotografie meende men dat een foto een geïdealiseerd beeld hoorde te zijn
° Dat is nog steeds het streven van de meeste amateurfotografen
° Sinds de jaren twintig van de twintigste eeuw fotograferen we meer alledaagse, smakeloze en onbenullige onderwerpen
° Cf. Walt Whitman (p. 38): schoonheid niet afschaffen, maar veralgemenen
° Sleutelfiguur Walker Evans: elk gefotografeerd ding wordt een foto en daardoor moreel gelijkwaardig aan elke andere foto
° Hetzelfde met de freaks en havelozen van Diane Arbus
° Haar foto’s bieden je de kans om te bewijzen dat je de verschrikkingen van het leven zonder sentimentaliteit onder ogen kunt zien
° Family of Man-tentoonstelling in 1955 door Edward Steichen: er bestaat een algemeen menselijke natuur
° Diane Arbus: "Fotograferen was een vrijbrief om overal te kunnen gaan en staan, en te doen wat ik wou"
° Arbus’ middel om zichzelf ervaringen te bezorgen en daardoor een gevoel van werkelijkheid te krijgen, was de camera; een middel om haar onschuld te verkrachten
° De fotografie van nu heeft zich losgemaakt van het whitmaniaanse positivisme en het streven gezaghebbende foto’s te maken

Melancholieke objecten
° Fotografie de gemakkelijkste van de kopiërende kunsten; schilderkunst was een schone kunst en vereiste grote technische virtuositeit
° Fotografie is van zichzelf al surrealistisch-manipulerend, vrijblijvend, van toeval afhankelijk
° Al meer dan een halve eeuw lang hebben de fotografen rondgehangen bij de onderdrukten
° De fotografie als sociale documentatie was het instrument van een typische middleclassmentaliteit die humanisme werd genoemd
° Surreeël is de áfstand die elke foto overbrugt
° Fotografie-als-wetenschap: August Sander
° Zijn werk heeft veel weg van de pseudo-wetenschappelijke neutraliteit van typologische wetenschappen (frenologie, criminologie, psychiatrie en eugenetiek)
° In Europa werd de fotografie grotendeels geleid door overwegingen over iets pittoresks; alsof een samenleving de stabiliteit van de natuur heeft
° De Amerikaanse fotografie impliceert een minder stabiele connectie met de geschiedenis, is onthullender
° Elke fotoverzameling is een oefening in surrealistische montage en surrealistische geschiedverkorting
° Fotosouvenirs profiteren van het prestige van de kunst als van de magie van de realiteit
° Een foto raakt na verloop van tijd op drift, is open voor elke interpretatie
° Foto’s verschaffen instantgeschiedenis, instantpsychologie, instantparticipatie
° "De oude wereld vernieuwen," schreef Walter Benjamin, "dat is het innigste verlangen van de verzamelaar wanneer hij de drang voelt opkomen om nieuwe dingen te kopen"
° De foto vormt een modern equivalent van het karakteristiek romantische architectonische genre: de kunstmatige ruïne, een ruïne die wordt geschapen om het historische karakter van een landschap te verdiepen

De heroïek van het kijken
° De rol van de camera bij het mooier maken van de wereld heeft zo’n succes gehad, dat foto’s meer een norm voor schoonheid zijn geworden dan die wereld zelf
° Voorbeeld: mensen die overvoerd zijn met plaatjes vinden een zonsondergang vaak sentimenteel, omdat die in onze tijd helaas te veel op een foto lijkt
° Veel mensen zijn bang om fotografeerd te worden omdat ze vrezen dat de camera hen zal afkeuren
° Retouchering maakte het een stuk populairder om jezelf te laten fotograferen
° De camera heeft de waarde van uiterlijkheden (zoals een camera die registreert) in aanzien doen stijgen; de realiteit wordt onderzocht op haar fotogetrouwheid
° Foto’s zijn een verslag en een evaluatie van wat de fotograaf zag
° Fotografisch kijken staat gelijk met een talent om schoonheid te ontdekken in de dingen die iedereen ziet, maar veronachtzaamt
° De fotograaf in de jaren twintig: een antropoloog, zonder echt de deur uit te hoeven
Bloeiperiode van de close-up: tussen 1920 en 1925
° De schilder bouwt iets op, de fotograaf legt iets bloot
° De camera heeft de idee van het zien-om-het-zien gestimuleerd; Thoreau leefde nog in een wereld van meerdere zintuigen
° De schilderkunst was het realisme al aan het verlaten vóór de introductie van de fotografie
° Een van de eeuwige successen van de fotografie is haar tactiek geweest om levende wezens te veranderen in dingen, en dingen in levende wezens
° Close-upstudies: iets waar vroeger een zeer intelligent oog voor nodig was om het te onderscheiden, kan nu iedereen zien
° Fotografie heeft aangetoond dat schoonheid overal bestaat; voor een fotograaf is er geen verschil tussen het streven de wereld mooier te maken en het tegengestelde streven om de wereld te ontmaskeren
° Een foto verandert naar gelang het verband waarin wij hem zien
° Geen enkel gebruik van foto’s stelt de betekenis ervan zeker
° Moralisten die van foto’s houden, hopen altijd dat woorden foto zullen redden
° Middle-class bewoners van het welvarende deel van de wereld raken voornamelijk via de camera op de hoogte van de verschrikkingen die er in de wereld plaatsvinden
° Maar de esthetiserende tendens van de fotografie is zo sterk dat hetzelfde medium dat verontrusting teweegbrengt, die ook weer neutraliseert

Fotografische evangelies
° De ontwikkeling van de fotografie berust op de vervanging van de daguerrotypie, (rechtstreekse positieven op metalen platen) door het negatief-positiefprocédé, waarbij van een origineel (negatief) een onbeperkt aantal afdrukken (positieven) kunnen worden gemaakt
° Hoewel ze gelijktijdig aan het eind van de jaren dertig van de negentiende eeuw werden uitgevonden, werd Daguerres uitvinding, die door de regering werd gesteund en in 1839 met veel tamtam werd aangekondigd, eerder algemeen gebruikt dan het negatief-positiefprocédé van Fox Talbot
° Veel fotografen blijven de voorkeur geven aan zwart-witbeelden omdat ze die subtieler en decoratiever vinden dan kleurenfoto’s, of minder voyeuristisch, minder sentimenteel en minder grof natuurgetrouw
° Wanneer fotografen tegenwoordig ontkennen dat ze kunstwerken maken, is dat omdat ze denken dat ze iets beters doen
° Fotografie wordt in musea voorgesteld als een verzameling gelijktijdige bedoelingen en stijlen die niet als tegenstrijdig worden beschouwd
° De aanwezigheid van een coherente fotografische stijl lijkt eenheid van thematiek te impliceren en de thematiek lijkt het grootste aandeel te hebben bij de vorming van de voorkeuren van de kijker
° Westoniaanse criteria: onberispelijke belichting, vakkundige compositie, duidelijk afgebakend onderwerp, een precieze instelling, afdruk van perfecte kwaliteit
° De nieuwe stellingname streeft ernaar de fotografie als kunst te bevrijden van de drukkende normen van technische perfectie en haar ook te bevrijden van de schoonheid
° In de geschiedenis van de fotografie zijn stromingen toevallige bijkomstigheden
° Hoewel de fotografie op zichzelf geen kunstvorm is, bezit ze de merkwaardige eigenschap dat ze al haar onderwerpen tot kunstwerken maakt

De beeldwereld
° Een samenleving mag ‘modern’ genoemd worden wanneer het produceren en consumeren een van haar hoofdactiviteiten is; wanneer afbeeldingen die de buitengewone macht hebben om te bepalen wat we van de werkelijkheid eisen, en die de begeerde surrogaten zijn geworden van ervaring uit de eerste hand, onmisbaar zijn gewoden voor de gezondheid van de economie, de stabiliteit van het staatsbesteld en het vinden van persoonlijk geluk
° Als de Shakespeare-fans moesten kiezen tussen twee alternatieve fantasieën: dat Holbein de Jongere lang genoeg had geleefd om een portret te schilderen van de bard, óf dat er vroeg genoeg een prototype van de camera was uitgevonden om hem te fotograferen, zouden de meesten de foto kiezen
° Niet omwille van de werkelijke gelijkenis, maar omdat ze dan, zelfs bij een verbleekte foto, in het bezit zouden zijn van een stukje Shakespeare, cf. de nagel van het Heilige Kruis
° Gombrich: hoe verder we teruggaan in de geschiedenis, hoe minder scherp het onderscheid tussen de beeltenis en het ding zelf
° In primitieve culturen waren ding en beeltenis eenvoudig twee verschillende manifestates van eenzelfde energie of geest
° Door de fotografe wordt de werkelijkheid opnieuw gedefinieerd; als onderwerp voor een tentoonstelling, als geregistreerd materiaal voor een onderzoek; als doelwit voor toezicht
° Technologie maakt het mogelijk dingen te fotograferen die onvoorstelbaar klein zijn of onvoorstelbaar veraf liggen
° De moeilijkheid met Feuerbachs tegenstelling tussen ‘origineel’ en ‘kopie’ is dat werkelijkheid en afbeelding zo statisch worden gedefinieerd
° Restant van de primitieve vrees dat een foto een materieel deel is van de gefotografeerde persoon: onze aarzeling een foto van iemand dierbaar te verscheuren of weg te gooien
° ‘Het was net een film’: wanneer andere beschrijvingen tekortschieten om te zeggen dat iets reeël was
° Een werkelijkheidsbesef dat steeds gecompliceerder wordt, schept zijn eigen compensatiedrang en vereenvoudigingen: de meest verslavende daarvan is het fotograferen
° De wereld bezitten in de vorm van beelden betekent dat je opnieuw ervaart hoe irreëel en afstandelijk de realiteit is
° Door de fotografie weten tegenwoordig alle volwassenen precies hoe zijzelf en hun ouders en grootouders er als kinderen uitzagen
° Terwijl oude foto’s onze voorstelling van het verleden opvullen, transformeren foto’s de op dit moment worden gemaakt het heden tot een mentale voorstelling, alsof het al verleden is
° Hoewel de mensen via foto’s een heleboel weten van wat er in de natuur omgaat (kunst, rampen, de schoonheid van de natuur), zijn ze vaak teleurgesteld, of verrast, of onbewogen, wanneer ze het in werkelijkheid zien
° De Chinezen verzetten zich tegen fotografische verminking van de werkelijkheid
° Hún foto’s dragen hun steentje bij aan De Grote Monoloog; onze fotografie is een veelstemmig debat
° In de vorm van fotobeelden krijgen de dingen en gebeurtenissen weer een nieuwe gebruikswaarde en nieuwe betekenissen die uitgaan boven het onderscheid tussen mooi en lelijk, echt en onecht, nuttig en nutteloos, smaakvol en smakeloos
° Door de krachten van de fotografie is ons realiteitsbesef eigenlijk gedeplatoniseerd, want ze hebben het steeds minder aannemelijk gemaakt over onze ervaring na te denken volgens het onderscheid tussen beeld en ding, tussen kopie en origineel…

Een korte bloemlezing citaten
° "Ik werk altijd het liefst in de studio. Die isoleert de mensen van hun omgeving. Ze worden in zekere zin symbolen van zichzelf. Ik heb vaak het gevoel dat mensen bij me komen om gefotografeerd te worden zoals ze naar een dokter zouden gaan of naar een waarzegger: om uit te vinden hoe ze zijn. Ze zijn dus van mij afhankelijk. Ik moet ze erbij halen. Anders valt er niets te fotograferen. Er moet een bepaalde geconcentreerdheid van mij uitgaan zodat ze erbij betrokken raken. Soms wordt die concentratie zo sterk dat we geen geluid meer horen in de studio. De tijd staat stil. We beleven samen een korte, intense intimiteit. Maar het is onverdiend. Het heeft geen verleden… en geen toekomst. En wanneer het poseren is afgelopen — wanneer de foto klaar is — blijft er niets meer over dan de foto… de foto en een zekere verlegenheid. Ze gaan weg… en ik ken hen niet." - Richard Avedon
° "Ik maak foto’s om te ontdekken hoe iets er op de foto uit zal zien." - Garry Winogrand
° "De camera is mijn werktuig. Daarmee geef ik een bestaansreden aan alles om me heen." - André Kertész
° "Met de daguerrotypie zal iedereen in staat zijn zijn portret te laten maken — vroeger was dat alleen weggelegd voor de prominenten; en tegelijk wordt er van alles gedaan om te maken dat we er allemaal hetzelfde uitzien, zodat we maar één portret nodig zullen hebben." - Kierkegaard, 1854

____

dinsdag 24 augustus 2010

Woorden - Victor Stevenson

Sommige boeken lees je niet, je ploegt ze om in de wetenschap dat daarna een fond ontstaat die gecultiveerd kan worden. Woorden is zo'n boek. Bijna onleesbaar, maar een noodzakelijk kwaad. Ik wil boeken gaan lezen over de geschiedenis van het Engels, het Frans en mijn eigen Nederlands, maar dan is eerst een ruimere situatieschets nodig. De geschiedenis van talen, zo is me ondertussen duidelijk, is vergelijkbaar met stamboomonderzoek.

Talen zijn immers net levende organismen. Een taal ontwikkelt zich uit een stamvader en onder gunstige omstandigheden zal hij zich ver van zijn geboortegrond voortplanten. En net als een organisme is hij vatbaar voor verbastering, verval en uitsterven.

De vergelijkende taalkunde probeert binnen een bepaalde grote taalfamilie — bijvoorbeeld de Indo-Europese — verschillen en overeenkomsten tussen de leden te ontdekken en te bestuderen. De historische taalkunde is hierbij van groot belang. Men tracht met behulp van overeenkomsten en verschillen op het gebied van de woordenschat, etymologie, grammatica en fonologie uitspraken te doen over de precieze herkomst van leden van een taalfamilie en hun historische ontwikkeling, en zodoende een beeld te schetsen van bijvoorbeeld vaste klankwetten die door de eeuwen heen gewerkt hebben. Naarmate de taalkunde verder teruggaat in de tijd, worden de voorgestelde theorieën uiteraard speculatiever. Over de oudste bewoners van Europa weten we ontzettend weinig.

Politieke onafhankelijkheid is essentieel om de spraak van mensen tot een echte taal te ontwikkelen. Het probleem van het verschil tussen officiële landstalen en dialecten gaat Victor Stevenson echter uit de weg. Terwijl erkenning van het kunstmatige van dat verschil in geen enkel boek over talen zou mogen ontbreken. Bepalend voor de mate van dialectisch zijn van een taalvariëteit gelden sociale criteria als de mate van verschriftelijking, het sociale aanzien en de mate van politieke zelfstandigheid van het gebied waarin de variëteit wordt gesproken. Een taal is dus, volgens een bekend bon mot, weinig meer dan een dialect met een vloot en een leger.

In het dagelijks taalgebruik worden variëteiten met een klein aantal sprekers vaak als dialect beschouwd van een standaardtaal waar ze nauw mee verwant zijn. In de taalkunde wordt het begrip dialect in deze betekenis liever vermeden, omdat het gebruik ervan het wijdverbreide misverstand voedt dat er een natuurlijk verschil tussen 'hogere' variëteiten (talen) en 'lagere' variëteiten (dialecten) zou bestaan. De term die in de taalkunde voor variëteiten met een klein geografisch bereik wordt gehanteerd, is streektaal.

Grote invloed van een taal wijst op de politieke, culturele en economische macht van zijn sprekers — vooral handel is een uitstekende geleider van vreemde talen. Ook het gebruik van een tweede, aangeleerde taal weerspiegelt de invloed van degenen die deze taal als moedertaal hebben. Woorden staat vol rijtjes met uitheemse termen die gemeengoed zijn geworden in een andere taal. Uit de grote inhoudelijke verwantschap van die rijtjes blijkt mooi waar de dominantie lag van de oorspronkelijke sprekers: Italiaans muziekjargon, Franse diplomatentaal, Griekse wetenschappelijke woordenschat, Engelse techneutenspeak...

Woorden is een boek over westerse talen. En daarbij valt de grote expansie van enkele talen op — Spaans, Engels, Portugees, Frans — waarvan de oorspronkelijke sprekers relatief met weinig waren. Cruciaal waren de inspanningen van de Europese ontdekkingsreizigers tussen de 15de een 18de eeuw. Dat bijvoorbeeld het Chinees voor een wereldtaal een betrekkelijk kleine globale verspreiding kent, komt omdat China nooit een machtig wereldrijk is willen worden: in het begin van de 15de eeuw hebben de Chinezen hun ontdekkingsreizen langs Indische en Afrikaanse kusten snel stopgezet.

Tegenwoordig is het Engels de lingua franca. Ergens doet Stevenson zelfs de voorspelling dat de wereldbevolking drietalig zal zijn: men zal zijn eigen taal spreken, het lokaal gebezigde Engels en de standaard Engelse schrijftaal. Naar mijn smaak legt hij echter onvoldoende uit waar de hedendaagse alomtegenwoordigheid van het Engels vandaan komt. Goed, door de economische dominantie van de Verenigde Staten. Maar waar komt die welvaart dan weer vandaan? Ze is het gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Waaruit onmiddellijk volgt dat de dominantie van het Engels nog niet zo heel oud is. Voor de Tweede Wereldoorlog stond het Frans in veel hoger aanzien. Zo was het de taal van diplomatie.

Zelfs in deze Nederlandse bewerking is er weinig aandacht voor de dialecten van de Lage Landen en de verschillen tussen het Nederlands en wat ik gemakshalve maar het Vlaams zal noemen. Al is dat eigenlijk niet meer dan terecht, en is een boek als dit nu juist een goede gelegenheid om van dat soort narcisme af te komen. Het Joegoslavische voorbeeld, waarbij al die nieuwe staatjes hun minimieme taalverschillen oppompen, verdient geen navolging.

Soit, grappig als het niet zo pijnlijk was: één kaartje in Woorden heeft het over de mij onbekende taal 'Brussels'.

Een vergelijkbaar boek dat ook niet-westerse talen aankaart, is De grote taalatlas onder redactie van Bernard Comrie, Stephen Matthews en Maria Polinsky. Een mooie algemene inleiding over het verschijnsel taal lijkt me Talen van Pieter Muysken.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Indo-European_languages
> selectie bibliografie in de commentaren hieronder

Victor Stevenson, Woorden
Een geïllustreerde geschiedenis van de westerse talen
200 p.
Uitgeverij Time-Life, 1998
Oorspr. Words (1983)
Vertaald en bewerkt door Guus Houtzager




De Indo-Europese talen tijdens de Grote Volksverhuizingen


Samenvatting in telegramstijl:

Indo-Europees. Oertaal niet in geschreven vorm bewaard. ‘Indo-Europees’ (1813). Bewijs: Sanskriet vertoonde gelijkenissen met Grieks en Latijn. (Middeleeuwse christenen geloofden dat het Hebreeuws van het Oude Testament de taal van het paradijs was en de daaropvolgende spraakverwarring de wraak van God.) Sir William Jones in 1786: ook het Gotisch (Germaans), Keltisch en Oud-Perzisch behoren tot één familie (later: Indo-Europees). Geen superras (arya) zoals de twijfelachtige mythe wil. Gedomesticeerde dieren, wol, leer, klei, landbouw, ploegen, graan, stamverband, stammenoorlogen. Germaanse klankverschuiving: p verandert in f of v (Wet van Grimm). Gissingen over woonplaats. Noordelijk klimaat. Algemeen aangenomen tussen de Karpaten en de Oeral. Ten noorden daarvan in de Russische taiga de voorvaderen van de Finnen, de Lappen en de Hongaren. Ten zuiden daarvan, ten zuiden van de Zwarte Zee en de Kaukasus de Semieten in Vruchtbare Halvemaan. Indo-Europeanen tussen in een overgangsgebied tussen de oude leefwijze van de jagers en de beschaving van de steden omgeven door akkers, zoals die nu nog bestaat. Gissingen over tijdstip: tussen 3000 tot 4000 jaar v. Chr.

Uiteenval van de Indo-Europeanen ook onzeker. Het paard en het wiel gaven de Indo-Europeanen meer bewegingsvrijheid. Een groep trok om de Zwarte Zee heen en vestigde zich in Azië: de Hittieten. Hun bestaan was kort. Een tweede groep trok naar Chinees Toerkestan. De Indo-Iraanse tak trok ongeveer 2000 jaar v. Chr. langs de Kaspische Zee en bereikte vanuit het noordwesten hun uitgestrekte rijk. Degenen die westwaarts trokken splitsen zich al snel op: Grieken naar het schiereiland, Italiërs en Kelten naar de Donau-vlakte en daarna respectievelijk naar West-Europa en ten zuiden van de Alpen. Germanen, Slaven, Balten. Het Illyrisch ter hoogte van Joegoslavië tot de Slaven binnenvielen; Albanees is misschien overblijfsel. Het Thracisch (Thraco-Frygisch) op de Balkan ten oosten van de Illyrischsprekenden en het noorden van Griekenland; aanval van het Grieks en het Latijn; bestond voort tot 6de eeuw n. Chr. Frygisch, eveneens uitgestorven gesproken door de Trojanen van Homerus; omvatte het westen van Klein-Azië na de val van het Hittitische Rijk; overblijfsel Armeens. Semitische taalfamilie heeft wortels in Noord-Afrika; taal van jodendom, christendom en islam. Ook Babyloniërs, Assyriërs en Feniciërs (het Punisch) waren semieten. Moderne semitische talen: Nieuw-Hebreeuws, Arabisch en het West-Afrikaanse Hausa.

Indo-Ariërs. ‘Verre neven’. Vijfhonderd talen in India, Pakistan, Bangladesh en Sri Lanka. Behalve de Dravidische talen (oudere cultuur) in het zuiden stammen ze af van het Sanskriet. Tussen 2000 en 1000 v. Chr. dook het Sanskriet op en vestigde zich in wat nu de Punjab heet. Sanskriet geen levende taal meer. Eerste Indo-Europese taal op schrift (Veda’s). Uitbreiding van de woordenschat door de Perzen die duizend jaar de geschiedenis van India zouden beheersen. Indische familie: Hindi (hindoes, officiële taal van India) en Oerdoe (moslims, officiële taal Pakistan), Bengali (Bangladesh, Calcutta), Assamees, Punjabi (Sikhs), Gujarati (Bombay), Marathi, Rajaitbani, Singalees (Sri Lanka). Iraanse groep: Perzisch (Iran) en het Koerdisch (onafhankelijke nomaden in Iran, Irak, Turkije en Syrië), het Baluchi en het Pasjtoe. Slavische talen hebben veel overgenomen van de Iraanse talen. Oudste teksten uit 6de eeuw v. Chr.: Gatha’s, toegeschreven aan Zarathoestra, geschreven in het Avestisch, voorgezet door de Parsen, de volgelingen van Zarathoestra die India binnentrokken. Oud-Perzisch was de taal van Achaemeniden, onder leiding van Cyrus de Grote. Nieuwe Arabische elementen door de islamitische overheersing in de 7de eeuw. Arabisch schrift. Tadzjikistaans is Perzisch in Cyrillisch schrift. Romani is de taal van de zigeuners, van Noord-India voor het eerst in Europa in de 15de eeuw. Zigeunerdialecten verrijkt door het Roemeens, Hongaars, Slavisch, Arabisch. Baskisch: p. 28 e.v.

Grieks. Eerste taal die literatuur in alle genres omvatte. In tweede millennium v. Chr. uit het noordelijke deel van de Balkan of misschien vanuit Anatolië. Stichtten hogere beschaving dan ze aantroffen: Minoïsche beschaving. Eerste schrift rond 1400 v. Chr.: het Lineair B, aanpassing van een oudere schriftvorm van de Minoërs, het Lineair A. Ontcijferd in 1952. Rond 9e eeuw v. Chr. het Griekse alfabet. Vier hoofddialecten: Dorisch, Ionisch, Aeolisch en Arcado-Cyprisch. Naarmate Athene machtiger werd zijn taal (Attisch, een Ionisch dialect) de belangrijkste taal (koinè), zelfs van de westerse wereld in de 4de eeuw v. Chr., onder invloed van Philippus van Macedonië. Atticisten: puristen. Na val van Rome werd het Grieks de officiële taal van het Byzantijnse Rijk. Na van Constantinopel werd het Grieks een taal zonder staat, beïnvloed door het Turks. In 1832 Griekenland weer vrij. Demotisch spreken en katharévousa (terugkeer naar de geleerdentaal van de Byzantijnse christenheid) schrijven.

Keltisch. Met het Latijn en Grieks grote Europese taal, gesproken van de Atlantische kust tot aan de Donauvlakte. Verdreven door het Latijn. Nu enkel in plaatselijke dialecten van Wales, Bretagne, Ierland en Schotland. De Keltoi waren een overheersend Midden-Europees ras, opgedoken rond 1000 v. Chr. Door de Grieken beschouwd als behoorlijk ontwikkelde barbaren. Rijn, Rhône, Donau. Expansie tussen 1000 en 500 v. Chr. Rond 5de eeuw v. Chr. sprak heel Frankrijk ten zuiden en westen van de Rijn Gallisch-Keltisch. Caesar schreef dat Gallië in drie volken was verdeeld: de Kelten of eigenlijke Galliërs, de Belgae en de Aquitani (die geen Keltisch spraken). Ook op Britse Eilanden. Galliërs waren woeste en kundige krijgers (tactiek, furor, paardrijkunst, gebruik van wagens). Hoogtepunt rond 390 v. Chr. Daarna overvleugeld door Rome. Keltisch familie: Wels, Cornisch, Iers (Gaelisch), Bretons, Schots Gaelisch, Manx. De taal van de Germaanse Angelen en Saksen zou in de loop der tijd de Keltische talen bijna volledig vernietigen. Door de Saint Patrick het christendom in de 5de eeuw vaste voet gevonden in Ierland onder de eerst heidense Gaels. Eerste schrift gebaseerd op kerklatijn en het Latijnse alfabet. Noorstalige Vikingen zullen ook stempel drukken op de Ierse taal. Normandische Fransen landen in 1066 bij Hastings. Engelse koning Hendrik II in 1171: begin van de Normandische overheersing. Wrede onderdrukking door de Tudors. Tegen de 18de eeuw sprak bijna de hele ontwikkelde klasse Engels, maar het Iers bleef de taal van de plattelandsbevolking en de arbeidersklasse. Ieren kwamen in de 5de eeuw in Schotland. Hun Gaelisch in de Schotse hooglanden.

Latijn. ‘Stichting’ Rome in 753 v. Chr. Latijnen behoren tot een groep verwante volken die rond 1200 v. Chr. naar Italië waren getrokken. Deze Italische stammen maakten deel uit van de wijdverspreide beschaving van het Bronzen Tijdperk langs de oevers van de Donau. Over de Alpen, op zoek naar vee? Twee groepen: Latijn en Osco-Umbrisch. Tijdje wijken voor de (niet Indo-Europese) Etrusken in het noordwesten (800-500 v. Chr.), later voor de Griekse kolonisten in het zuiden. Na Etrusken Latijnse Bond, dan overheersing door Rome. Res Publica. Veel politieke taal uit het Latijn. Kolonies vanaf de 3de eeuw v. Chr.: Sicilië, Corsica, Sardinië, deel van Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. Oudste buren van het Latijn: Venetisch, Oscisch, Umbrisch, Messapisch. Ze zijn in de eerste eeuwen n. Chr. bezweken onder het Latijn. Latijn beïnvloed door Grieks. Al vroeg twee richtingen: urbanus (beschaafd Latijn, letteren, redenaars) en rusticus (taal van het volk). Romeinse wetten hielden het rijk bijeen. Toen Latijn zijn hoogtepunt bereikte (1ste v. Chr.) onbegrijpelijk voor het gewone volk.

De reizen van het Latijn. Na nederlagen Carthago en Macedonië beheerste Rome de Middellandse Zee. Kelten in Spanje en het zuiden van Gallië onderworpen (Provincia). Pax Romana in de eerste en tweede eeuw. Toen de macht van Rome verminderde, arriveerde het christendom juist op tijd in het Westen om de neiging een gemeenschappelijke taal te gebruiken te ondersteunen. Het vulgair Latijn werd de taal van het vroege christendom, ook de taal van de kerkvaders. Met een simpele stijl een grote groep mensen bereiken, hoewel de spreektaal van de bevolking zelf bleef veranderen. Christelijk Latijn: nieuwe import van Griekse woorden. In Engeland werd het Latijn door het Angelsaksisch, in Noord-Afrika in het Arabisch verdreven, maar in Italië, Frankrijk en Spanje was het stevig geworteld. Ondanks de invallen van Franken, Goten, Lombarden en Vandalen in de vroege Middeleeuwen werd het Latijn nooit uitgeroeid, alleen veranderd. In de 9de eeuw kwam het Frans te voorschijn in de Eden van Straatsburg. Uit de 10de eeuw stammen de eerste geschriften in het Italiaans, uit de 11de eeuw ook in het Spaans. In Dacië zorgden de kolonisten dat het Latijn uitgroeide tot de nationale taal van het huidige Roemenië. Verder het Romanche, het Reto-Romaans en het Dalmatisch.

Frans. Fransen ontlenen hun naam aan een vreemd volk, de Germaanse Franken, terwijl ze eigenlijk Gallische Kelten zijn. Gedurende het grootste deel van de moderne geschiedenis is het Frans de taal geweest van de internationale politiek. Te danken aan Karel de Grote, koning van de Franken, dat de verbrokkelde Romeinse wereld weer in waarde werd hersteld. Bekering van Clovis waarborg voor het handhaven van het Latijn als taal van de kerk, de wetenschap en de politiek. Galliërs, gewend aan de Romeinse beschaving, hadden geen behoefte aan hun ruwe buren, de Franken. Wel Germaanse leenwoorden. Overheersing van de Franken wel meestal beperkt tot het noorden van Frankrijk. Daarom ontwikkeling twee afzonderlijke taal: de langue d’oïl in het noorden en de langue d’oc in het zuiden. Politieke afhankelijkheid van de edelen in het zuiden: bloei lyrische poëzie van de troubadours van de 11de tot de 13de eeuw. Zwakke opvolgers van Karel de Grote leden onder dreiging van de Noormannen. Noormannen werden Normandiërs en aan het einde van de 10de eeuw spraken zij even goed Frans als de Franken. Noormannen zorgden ervoor dat het Frans de taal van de heersende klasse in Engeland werd. Drie dialecten in het noorden: Normandië, Picardië en Ile de France. Toen de campagne tegen de ketterij van de Albigenzen eenmaal een einde maakte aan de macht van de Languedoc, werd het dialect van Parijs overal in het land de basis voor de literaire en ambtelijke taal. Italiaanse leenwoorden tijdens de Renaissance (muziek, architectuur, kunst, oorlog), met hoogtepunt tijdens de regering van Catharina de Medici. Leenwoorden van de Spaanse veroveraars ter zee. Boekdrukkunst in de 16de eeuw: typografische vernieuwingen. Vanaf 1635 zorgt de Académie Française voor de instandhouding van het Frans. Diplomatieke taal, prestige in de kunsten. Engelse leenwoorden mbt Edwardiaanse vrijetijdsbestedingen. Frans buiten Frankrijk: Wallonië, Zwitserland, de jonge republieken van Centraal- en Noodwest-Afrika. Creools in West-Indië. Canada (kenmerken van het 18de eeuwse Frans bewaard).

Italiaans. Minder afgeweken van het Latijn dan zijn verwanten. In de letterlijke betekenis de schepping van één man: Dante (1265-1321). Sardinische dialect (Sardisch) bevat nog stokoude Latijnse elementen. Nergens buiten Italië officiële taal. Zeemachten als Genua en Venetië beperkt tot de Middellandse Zee. Columbus en Vespucci voeren onder Spaanse vlag. Massale emigraties naar Amerika in de 19de en de 20ste eeuw. Germaanse invallen na val West-Romeinse rijk hebben geen nieuwe identiteit geschapen. Oost-Goten bleven te kort. Daarna Lombardijnen, leenwoorden. In de vroege Middeleeuwen bracht alleen de Kerk van Rome een vorm van eenheid in Italië, maar alleen beperkt tot de parochiegeestelijken. Arabische leenwoorden in de dialecten van Sicilië, door tweehonderd jaar islamitische overheersing vanaf 9de eeuw. Arabische leenwoorden (douanetermen, militaire termen) in het Italiaans ten tijde van Genua en Venetië toen ze de Arabische barcas van hun handelsroute verdreven ten tijde van de Kruistochten. Vanaf de 11de eeuw Noormannen in Sicilië en Napels. Daarna Germaanse Hohenstaufen. Onder Frederik II experimenten met Italiaanse spreektaal in de literatuur. Naar Siciliaans voorbeeld begon ook Toscane in de volkstaal te dichten. Dante (Florence) overtrof alle andere pogingen. Vanaf 14de pas echt overgang van vulgair Latijn naar Ialiaans, met uitsplitsing in dialecten. Italiaanse leenwoorden qua politiek, economie, oorlog, scheepvaart. Lingua franca op zee: vereenvoudigde vorm van het Venetiaans. Questione della lingua: wetenschappelijke discussies. Eerste woordenboek in 1612. Kardinaal Pietro Bembo. Meeste leenwoorden uit de laatste drie eeuwen zijn Frans. Franse Revolutie inspireerde tot een streven naar vereend Italië. Italië monarchie in 1861. In 1870 werd Rome toegevoegd. Fascisten probeerden dialecten tevergeefs af te schaffen.

Spaans. Spanje was Romes eerste grotere overzeese provincie. Keltisch-Iberische en Lusitaanse stammen onderworpen in de 2de eeuw v. Chr. Inheemse talen vervangen door vulgair Latijn. Alleen in het noorden van de Pyreneeën bleef een inheemse taal bestaan, het Baskisch, nu nog springlevend. Na val Romeinse Rijk ten prooi aan Germaanse invallen. Vandalen in Noord-Afrika, Zwaben in Galicië, West-Goten rest van het Iberische schiereiland, tot in 711 de legers van de islam binnenvielen. Arabische leenwoorden, nieuwe landbouwmethoden. Kunsten en wetenschappen bloeiden in het Moorse Spanje. Meeste Arabische wetenschappelijke termen echter niet via Spanje naar het christelijke noorden, enkel woorden met betrekking tot het leven van alledag van de Mozaraben. In de 10de eeuw Arabische beschaving op zijn hoogtepunt. Overleven Romaanse taal precair. Spreektaal in het kalifaat was afgeleid van het vulgair Latijn, de schrijftaal was overvleugeld door het Arabisch of Hebreeuws. Binnen enkele eeuwen was het omgekeerd: het Spaans en Portugees waren zelfstandige talen met belangrijke kolonies. Herovering van Spanje begon in de 11de eeuw met op kop de legers van Castilië en Aragon. Het Castiliaanse dialect (niet dat van de koninkrijken Aragon, Galicia, Leon of Navarra) werd later de officiële taal. Ontwikkeld uit het vulgair Latijn. Toen Aragon Catalonië annexeerde verloor het elke kans daartoe. Toledo hoofdstad van Castilië (Madrid pas in 1561) met belangrijke vertalersschool. In 1492 joden uit Spanje verdreven, richting Marokko en de Balkan. Koloniserende taal vanaf de 16de eeuw. Vandaag spreken zes keer meer mensen Spaans buiten Spanje dan in Spanje zelf. Hoewel qua aantal sprekers het Portugees (Brazilië) belangrijker is. Spanje echt in Europese zaken verwikkeld vanaf Karel V (1500-1558). Scheepstermen, nieuwe voedselsoorten. Vanaf de 17de eeuw eisten Successieoorlogen hun tol.

Catalaans verwant aan (maar niet afstammend van) Spaans en Provençaals. Toen de macht van de islam op hoogtepunt was stelden Franken het graafschap Barcelona in als barrière. Macht het grootst tussen 12de en 15de eeuw: heerschappij over Sicilië, Corsica, Sardinië en Griekenland. Huwelijk Isabella van Castilië en Ferdinand II van Aragon in 1469. Catalanen kozen zijde van Frankrijk in oorlog met Castilië. Nog eens opstand tijdens de Spaanse Successieoorlogen. Catalaans dreigde een dialect van het Castiliaans te worden. Daarvoor behoed door het nationalisme van de 19de eeuw.

Portugees. Groeimogelijkheden dankzij onderbevolkt Brazilië. Stamt af van het Oud-Galicisch, een van de Iberisch-Romaanse dialecten. Tijdens de Arabische overheersing sprak men dit alleen ten noordwesten van het schiereiland, met als zuidgrens de rivier die Douro. Herovering van de oude provincie Lusitanië (cf. Portugal) begon in de 11de eeuw vanuit Galicië en voltooid in 12de eeuw. Galicië werd weggeschonken door Castilië. Wat Portugal zou worden, verbrak de banden met Castilië. Onafhankelijk toen de Reconquista zijn hoogtepunt beleefde. Lissabon in 1147 van de Moren bevrijd; de Mozarabische dialecten werden opgeslokt door het Oud-Galicisch. Islam in Afrika en Nabije Oosten soort ijzeren gordijn tussen Europa en de Oriënt. Ontdekkingsreizen om die barrière te omzeilen. Madeira, Azoren, kust van West-Afrika, Kaap de Goede hoop, Indië, Brazilië. Leenwoorden uit China, Ceylon, Maleisië. Communicatie tussen Portugezen en Afrikanen van laag niveau.

Romanche. In het Oosten van Zwitserland. Behoort tot het Reto-Romaans. Romeinse provincie Rhaetia (15 v. Chr.) als onderdeel van de Rijn-Donaugrens: versterking van de natuurrlijke grens van de Alpen. Daana lieten legioenen het over aan de Alamannen en Beieren. Veel Latijnse woorden bewaard door geïsoleerde ligging. Andere Reto-Romaanse dialecten: het Ladinisch (Dolomieten) en het Friuli (ten Noorden van Venetië), maar bedreigd.

Roemeens. Overleefd wonderlijk ten midden van de Slavische talen en het Hongaars. Standaardtaal vaak Daco-Roemeens genoemd. Aroemeens gesproken door minderheden verspreid over de Balkan. Nochtans onder de voet gelopen door Goten, Gepiden, Avaran, Bulgaren en Magyaren. Door legioenen van Trajanus bezet voor slechts 165 jaar, en geen aantrekkelijke kolonie. Waar Roemenen woonden in de Middeleeuwen is niet zeker; wel geïsoleerd van het Romaans in het westen. Tot vorige eeuw (met Franse en Latijnse leenwoorden) was de helft van de Roemeense woordenschat Slavisch. Kerk-Slavisch enige schreven taal in de streek, in cyrillisch alfabet. Slavische, Hongaarse en Turkse leenwoorden. Vereniging van Moldavië en Walachije in 1859; nieuwe hoofdstad Boekarest, het centrum waaruit de moderne taal zich ontwikkelde. Frans werd het voorbeeld.

Germaans. Verre voorvader van Engels, Duits en Nederlands. Laatbloeier zonder schrift. Tijdens de bloei in de laatste eeuwen v. Chr. waren het Latijn en Grieks al vaste waarden. Voor Grieken en Romeinen primitieve bannelingen. Dialecten in het verre noorden onderscheiden zich van het Keltisch en het Latijn, maar zijn ook Indo-Europees. Geboorteplaats vermoedelijk in Zuid-Scandinavië. Ten noorden tot aan de Lappen, ten zuiden tot aan de Kelten langs de Rijn en de Romeinen langs bovenloop Donau. Drie afzonderlijke taaltakken: Oost-Germaans (Gotisch), Noord-Germaans (Oud-Noors) en vooral het West-Germaans tussen de Elbe en de Noordzee, waarvan Duits, Engels en Nederlands afstammen. Hofsteden, gemengd boerenbedrijf, visvangst, jacht, gekozen vergadering, meedogenloze wetten, wollen of bonten gewaden, pantheon. Bronnen: Tacitus en Plinius de Oudere. Gotische volksverhuizing: Zweden, Oostzee-eilanden, Oost-Duitsland en Polen. Rond derde eeuw de Karpaten over tot aan de Zwarte Zee. Daar splitsing in Oost-Goten (ten noorden van de Krim, al snel teruggedrongen naar het westen door de Hunnen, o.a. naar Bourgondië) en West-Goten (benedenloop Donau). Bijbel van de Westgotische bisschop Wulfila (4de eeuw). Oost-Goten overheersten Italië, de West-Goten trokken door Spanje en bezetten het Iberisch schiereiland. Vandalen in Noord-Afrika. Daarna in Frankrijk, Spanje en Italië van de kaart geveegd. Alleen wat leenwoorden in het Spaans. Alle moderne Scandinavische talen stammen af van het Oud-Noors, de taal van de Vikingen. Runen-alfabet (futhark) vroegste vorm van Germaans schrift. Noormannen in ook in Rusland via de Oostzee; invloed tot 12de eeuw, dan opgeslorpt door Slaven. Groenland.

Scandinavisch. Expansiedrift vanaf 9de eeuw zorgt voor splitsing in West-Noors (Noorwegen en IJsland) en Oost-Noors (Denemarken, Zweden). Beiden drukken stempel op Engels: Denen in midden en oosten van Engeland, Noren het noordwesten, eilanden ten westen van Schotland, Orkney en Shetland-eilanden. Latijnse leenwoorden. In de 10de eeuw brachten Duitse en Engelse missionarissen naar de jonge naties Denemarken, Noorwegen en Zweden, waar ze weinig weerstand ontmoetten. Erkenning door de paus was welkom. Handelstaal rond de kusten van de Oostzee was het Neder-Duits: de voertaal van de agressieve kooplieden uit de Hanzesteden (monopolie haringvisserij Oostzee) tussen 13de een 15de eeuw. Neder-Duitse leenwoorden. Boeren en jagers bleven Noorse dialecten gebruiken. In Noorwegen werd Deens de belangrijkste literaire taal. Zweden ontkwam door een verbond met de Hanze. Kloof nog groter door Reformatie met bijbel in Deense, Zweedse maar geen Noorse vertalingen. Vanaf 16de eeuw tanende Hanze: haringscholen verleggen hun broedplaatsen naar Noordzee. Vandanaf invloed van het Hoog-Duits. In de 17de een 18de eeuw invloed van het Frans. Vanaf Industriële Revolutie invloed van het Engels. Nationalisme in de negentiende eeuw: splitsing in Bokmal (Deens-Noors) en Nynorsk (Nieuw-Noors, minderheidstaal, ontwikkeld door Ivar Aasen). In IJsland IJslands, dat het meest op de oertaal lijkt.

Duits. Oudst bekende tekst uit 8ste eeuw. Toen al twee talen. Hoog-Duits niet hoogstaand, maar hooggelegen streek in het zuiden van Duitsland. Neder-Duits vanaf de Noordzee tot halverwege de Elbe, taal van de Saksen en de Friezen en de Franken aan de benedenloop van de Rijn en in Vlaanderen. Daaruit zou het Nederlands ontstaan. Oostelijke grens cf. vroegere grens Oost-en West-Duitsland. Ten oosten daarvan kwamen Saksen in aanrakingen met de Slavische Wenden. Franken wisten Gallië te veroveren, maar gaven niet hun taal aan Frankrijk. Vanuit Neder-Duitse gebieden oversteek van Angelen en Saksen naar Brittannië. Daaruit het Engels. Volksverhuizing in de Midden- en Zuid-Duitsland door de Alamannen (tot Zwitserland), de Beieren (tot Oostenrijk) en de Longobarden (tot Noord-Italië). Kelten werden overheerst, maar de Alamannen en de Beieren namen hun ongermaanse dialect over. Vanaf alfabetisering in de 11de eeuw Hoog-Duits taal van internationaal belang. Latijnse invloeden. Franse invloeden (zeker vanaf de 16de eeuw). Invloed van troubadours. Geen culturele uitwisseling aan de oostgrens. Modern Duits begint bij Maarten Luther en de Reformatie: Hoog-Duits werd voor heen Duitsland de geschreven en gesproken standaardtaal. Neder-Duits volksdialect. Luthers boodschap uitgedragen via drukpers. Nieuwe Testament in 1522; bijbel is essentiële huisraad. Grote dialectverschillen tot 19de eeuw, zeker na einde Dertigjarige Oorlog (1648). Na Napoleon eenheid en machtigste natie. Afwijkend Oostenrijks. Jiddisch ontstaan rond het einde van de 10de eeuw in het Duitse Rijnland; eerste sprekers joodse kolonie geëmigreerd uit Frankrijk. Namen het Duits over, met invloeden uit Hebreeuws (schrift, recht naar links), Slavisch, Romaans en Engels. Velen trekken mee naar Polen met Germaanse volksverhuizingen. Hoogtepunt rond Zwarte Dood. Voor WOI veel grote steden voor de helft jiddischtalig. Enorme emigratie naar VS. Rest kansloos in WOII. Duitse taalgebied, op het Russische na, grootste van Europa. Na WOII afkalving van Duits in Midden- en Oost-Europa ten gunste van de Slavische talen. Vertrek uit Polen, Oost-Pruisen, Tsjecho-Slowakije en Rusland. Nog Duitse kolonie in Roemenië.

Nederlands. Land volkomen anders dan de rest van Europa: strijd tussen de elementen. Maar welvarend geworden door de grond vruchtbaar en productief te maken en de zee te bedwingen. Overwinning op zee schonk hun onafhankelijke taal. Eigen taal: Germaanse klankverschuiving die het Hoog-Duits opleverde vond geen weerklank in de lage landen bij de zee. Oudste vorm? Tekstfragmenten uit 9de eeuw: Neder-Duits of Frankisch dialect met Oud-Saksische elementen. Vanaf 13de eeuw overvloed aan teksten: niet het Saksisch maar Neder-Frankisch zet lijn naar modern Nederlands voort. Heel de Middeleeuwen door politieke en vooral culturele invloed (Franse roman) van Frankrijk. Franse leenwoorden. Onafhankelijke natie, hoewel vorsten (zoals Willem van Oranje) in het Frans spraken. In 1585 Antwerpen onder beheer van de Spanjaarden: instorting dominante Brabant. Centrum nu verlegd naar de noordelijke provincies, vooral Holland (Amsterdam, Den Haag en Leiden, ten koste van Brugge en Antwerpen). Het Hollandse dialect werd de taal van de Nederlanden, hoewel de duizenden immigranten uit Brabant er een zuidelijk tintje aan gaven. Aanvankelijk allegaartje van Germaanse dialect groeit in de 17de eeuw tot eenheidstaal, toen de verenigde provincies uitgroeien tot een wereldmacht. Invloed van Statenbijbel, Vondel. Nederlands soepel qua buitenlandse invloeden, vooral Engels.

Fries. In zijn bloeiperiode strekte het gebied zich uit langs de Noordzee van de Rijnmonding tot het zuiden van Denemarken. Friezen in Duitsland, Nederland en Denemarken. Stadsfries (half Fries, half Nederlands) in de Friese steden. Vroeger Friese gebied veel groter (door Hanze handelsposten). Lange tijd gedacht dat Fries enig overgebleven schakel tussen het vasteland en het Engels was. Vanaf Romantiek opleving. Strijd voor erkenning van het West-Fries. Om het zo zuiver mogelijk te houden streven sommige Friese taalgeleerden naar een woordenschat die sterk afwijkt van de Nederlandse.

Afrikaans: toevallig ontstaan in de 17de eeuw doordat een klein groepje Nederlands een kolonie stichtte op Kaap de Goede Hoop als bevoorradingspost op weg naar Oost-Indië. Vereenvoudigd Nederlands als lingua franca? Aan het einde van de 19de eeuw status als schrijftaal. Ook negen andere talen bezitten nu officiële status, zoals het Xhosa, Swazi en Zoeloe.

Engels. Oorsprong: komst van de Jutten in 449 op de kust van Kent. Hun Germaanse dialect vermengd met dat van hun verwanten, de Angelen en de Saksen, werd algauw bekend als het Englisc. Jutten: Frankisch volk uit de Midden-Rijnstreek (geen Noorse elementen)? Jutten in het zuidoosten van Engeland, Angelen in het noorden en het oosten, Saksen in het zuiden en het westen. Jutten verdwenen als eersten. Oud-Engels was in hoge mate een ‘flectie’-taal (woorden hebben grammaticaal geslacht). Meer dan driekwart van de Oud-Engelse woordenschat is nu ook verdwenen. Resterende deel bevat de meest alledaagse woorden. In 597 arriveert het christendom in Engeland: leenwoorden. Invasie van de Noormannen (Denen); zij beheersen noordoosten, zuidwesten bleef Saksisch. Verwante talen, eenvoudige communicatie mogelijk, zeker wanneer in de 10de en 11de eeuw wat van de Germaanse woordeinden achterwege worden gelaten. Willem van Normandië in 1066 spreekt de langue d’oïl, vandanaf de taal van de Engelse overheidsinstellingen. Gewone man blijft eigen taal trouw. Ambtenaren en kloosterlingen brug. Chaucer stelt Engels in ere. Na Zwarte Dood (1350) krijgt de taal van de schaarser geworden handwerkslieden en arbeiders meer aanzien. Franse façade neergehaald. Normandische edelen en Angelsaksisch voetleger van vrije boer tegen de Fransen: ‘Engelsen’. Vereenvoudingsproces zet zich door, tegelijk bestookt door het Frans. Vervaging scherpe lijn aristocratie-volk in Engeland; nieuwe klassen: kooplieden en ambachtslieden. Duizenden woorden aan het Frans ontleend. Een Engels dat door iedereen verstaan werd. Ook verlatijnsd Engels (Thomas More). Tussen 1500 en 1650 tienduizend nieuwe woorden. Nieuwe woorden van Shakespeare. Geen regels. Door drukpers behoefte aan eenvormige spelling. Woordenboek van Samuel Johnson (meerlettergrepige woorden, soepel tov Frans).

Amerikaans. Engelse kolonies in Amerika begin 17de eeuw. Onafhankelijkheid VS in 1776. In het Victoriaanse tijdperk werd het Engels in alle windrichtingen verspreid. Engels in de tweede helft van de 19de internationaal gebruikt eerder dankzij groeiende rol in de internationale politiek dan dankzij het Engelse wereldrijk. Indiaanse leenwoorden. Franse en Nederlandse leenwoorden (kolonies): niet veel, maar invloedrijk. Woorden met slavenschepen aangevoerd. De regionale dialecten behoren bijna allemaal tot de oorspronkelijke gekoloniseerde gebieden, van New England tot de zuidelijke Staten. ‘Algemeen Amerikaans’ voor de rest, tweederde van het land. Grotere onderlinge verstaanbaarheid dan in Engeland. Dialecten zwakker na trek naar het westen en koloniale vermenging. American dictionary of the English language van Noah Webster in 1828. Verbreiding van talen over het continent: zie p. 146. Mencken: Amerikaans is bondig, conservatief, driest en fantasierijk: het Amerikaanse vulgaat. Eufemismen. Engelsen (gevangenen) in Australië vanaf 1788, Botany Bay. Rond 1840 transporten stopgezet. Leenwoorden van inboorlingen. Schots p. 151. Engelse leiderschap over andere talen zeer recent. J. Grimm: ‘Rijkdom en strakke eenvoud.’ In 19de eeuw nauwelijks gesproken door 20 miljoen mensen. Ware reden John Adams voorspeld: groeiende bevolking van Amerika en zijn handelsbetrekkingen met landen over de hele wereld. Voor 400 miljoen mensen eerste taal; nog meer tweede taal. Engels taal van het internet.

Slavische talen. In oostelijk Europa en een groot deel van Azië. Door vermenging en verspreiding, niet met geweld. Voor het eerst opgemerkt in eerste eeuw. Woonplaats staat niet vast. Balten en Iraniërs waren buren. Allicht tussen de rivieren de Weichsel en de Dnjepr. Bevolking allicht door ongezond moerasklimaat. Expansie opgehouden door de oostwaartse trek van de Goten en de inval van de Hunnen. Maar in 5de eeuw stort rijk van Atila en in trekken veel Germanen het afbrokkelende Romeinse Rijk binnen. Slaven vreedzame boeren (gedwee: ‘slaaf’). Via de Germanen die bleven in contact met westerse beschaving (o.a. betere landbouwmethoden). Tot aan andere kant van Elbe, tot zij voor Karel de Grote niet meer welkom waren. West-Slaven: Lusatisch, Kasjoebisch, Pools, Tsjechisch en Slowaaks. Oost-Slaven (voorouders Russen, Wit-Russen en Oekraïners) tot Moskou en Novgorod. Verder heersten de Turks-Tataarse ruiters en de Finnen. Derde groep trok naar het zuiden, de Balkan in (Slovenen, Kroaten en Serviërs) of tot in Macedonië (contacten met Byzantijnse Rijk, de latere godsdienst van Oost-Europa).

Invloed Oud-Kerk-Slavisch. In Bulgarije in 10de eeuw: Griekse religieuze teksten in een vorm van Slavisch, Oud-Kerk-Slavisch door Cyrillus (door velen goed te begrijpen vanwege de gemeenschappelijke oorsprong slechts een paar eeuwen daarvoor. Schiep schrift voor het weergeven van Slavische klanken. Missionarisschap van Cyrillus en broer Methodius in Moravië kende geen succes, maar lag wel aan de basis van de schrijftaal van Servië, Macedonië, Bulgarije en Rusland. Orthodoxe leer verspreid middels Oud-Kerk-Slavisch (hoewel al snel dode taal), cf. Latijn. Via Oud-Kerk-Slavisch, veel Griekse en Latijnse woorden onder Slavische talen. Schisma tussen oosters en westers christendom ook te zien in gebruik Cyrillisch schrift. Tsjechen in Moravië en de Polen beïnvloed door Byzantium. Slovenen en Kroaten onder Romeinse invloedssfeer (Romeins schrift). Servo-Kroatisch gebruikt beide. Roemenië nam Romeinse schrift over. Tsjechen gebruiken diakritische tekens voor hun Slavische klanken.

De Russische talen. ‘Russisch’ is eigenlijk Groot-Russisch, ter onderscheiding van Wit-Russisch en Oekraïens. Samen oostelijke Slavische taalfamilie. Nauw verwant. Vaak beschouwd als dialecten, wat in de Middeleeuwen ook zo was. Sinds ontbinding Sovjet-Unie officiële talen. Groot-Russisch is dialect van het vorstendom Moskou in de late Middeleeuwen. Voorheen (9de eeuw) was Kiev belangrijkste hoofdstad. Noorse Vikingen (Varjagen) voeren over de rivieren naar Zwarte Zee en Byzantium. Dynastie van Kiev gesticht door Rurik, Deen uit Jutland. Toen contact met Byzantium groeide: missionarissen naar Kiev om de Slaven te kerstenen. Vladimir bekeerd in 988: vaste voet, kloosterbouw. Geen plaatselijke geschreven taal, dus Oud-Kerk-Slavisch. Gaandeweg verschillen in uitspraak. In 12de meer Russisch karakter. Vanaf 1237 twee eeuwen onder invloed van de Mongools-Tataarse horde (weinig taalkundige invloed). In zelfde periode grote delen van Wit-Rusland en de Oekraïne onder Litouwse heerschappij. Aartsbisschoppelijke zetel van Kiev naar Moskou. Kozakken. Ivan de Verschrikkelijke eerste tsjaar. 17de eeuw: invoering slavernij, groei van handel, tanende invloed kloosters. Nieuwe bestuurstaal (versus literaire taal). Erkenning onder Peter de Groot. Modernisering na 1917. Leenwoorden uit Duits, Nederlands, Engels en vooral Frans (gallomanie onder 19de eeuwse aristocraten in St. Petersburg). Europese bezoeken van Peter de Grote. Na Napoleontische Oorlogen andere kijk op Frankrijk. Nationale trots. Oud-Slavisch en volkse Russisch versmelten. Oekraïens en Wit-Russisch: p. 163.

Pools. Enige belangrijke Slavische taal die beïnvloed is door West-Europa (door zijn westgrens en rooms-katholicisme). Na de Wenden vele stammen, waaronder de Polianie. In 10de eeuw christendom vanuit Moravië. Bedreiging Balten, Duitse boeren, Tataren. Latijn schrijftaal in moeilijke tijden, met Tsjechisch-Duits tintje. Toen Tataren verdwenen waren Duits invloedrijk. Kosmopolitisch koninkrijk tussen 14de en 17de eeuw. Grote aantalen joden, die Jiddisch praatten. Na eenwording met Litouwen in de 16de eeuw veel Wit-Russische en Oekraïeners onderdanen. Sterke invloed kerklatijn. Humanisme inspiratiebron in de 16de eeuw voor bloei Poolse literatuur. Franse invloed in de twee eeuwen daarop. Polen katholiek, kon dus niet putten uit het Kerk-Slavisch. Emigratie naar VS en andere landen. Annexatie van oostelijk Polen door Sovjets. Verdrijven van de Duitsers uit westelijk Polen. Paar duizend mensen in Duitsland spreken Wendisch: laatste overlevenden van de eerste grote verhuizing van de Slavischtaligen naar het Westen.

Tsjechisch en Slowaaks. Twee vormen van West-Slavisch veel gemeen. Pogingen om tijdens de eenmaking (1918-1991) ook één taal te maken. Na scheiding keerden taalgrenzen terug. Tsjechië machtigste koninkrijk van Midden-Europa in 13de en 14de eeuw. Tsjechisch als eerste een levendige literatuur. Veel Latijnse leenwoorden. Systematisering van de spel door Jan Hus (14de-15de eeuw). Godsdienstenoorlogen, conflicten met Oostenrijk. Tsjechen in 1620 onafhankelijkheid kwijt, de meest invloedrijke protestanten (die belangrijke bijbelvertaling maakten, de Kralice-bijbel) verdreven. In Bohemen en Moravië werd Duits de cultuurtaal. Cf. Slowaken onder Hongarije. Binnen de grenzen van Tsjecho-Slowakije Sudeten-Duitsers. Josef Dobrovsky: de patriarch van de Slavische filologie. Oproep om zich te ontworstelen aan het Duits. Literair Tsjechisch was gebaseerd op de taal van Praag, en stond veraf van het Slowaaks.

Servo-Kroatisch. Vaak vijandigheid tussen Slovenen, Serven en Kroaten. Afstammelingen van de Zuid-Slaven die in 6de eeuw vanuit Oost-Europa zuidwaarts naar het Balkan-schiereiland trokken. Sloten Illyrë in, veroverden Macedonië en groot deel Griekenland. 8de eeuw: koninkrijkjes Servië, Kroatië en Bulgarije. Servo-Kroatisch belangrijkste taal van voormalig Joegoslavië. Na oorlog terugkeer minieme oude taalverschillen. Verschillende alfabetten. Servië orthodoxe kerk (cyrillisch alfabet), Kroaten rooms-katholiek. Kroatië lang deel van Oostenrijk-Hongarije: invloed van Duits. Turkse elementen uit trots zoveel mogelijk verwijderd.

Sloveens. Eigen republiek rond Ljubljana. Ongestoorde leven in bergdalen. Zeer conservatieve taal. Rustige onderdanen van Venetië en Oostenrijk-Hongarije. Bijbelverbranding tijdens Reformatie. Romeins alfabet. Duitse invloed. Leenwoorden uit Servo-Kroatisch.

Macedonisch. Taal van Macedonië dat zich in 1991 afscheidde van Joegoslavië. In oudheid grensgebied tussen Grieks, Illyrisch en Thracisch. In 6de eeuw veroverd door Slavische stam. Onderdanen van Bulgaren, Byzantijnen, Turken. Opgaand in 1918 in Joegoslavië. Nauw verwant aan Bulgaars. Aan de wieg van het Oud-Kerk-Slavisch.

Bulgaars. Kleine taal maar invloedrijker in Europa dan het Russisch. Leidende rol bij het scheppen van het Oud-Slavisch, op zijn beurt van belang voor ontwikkeling van het Russisch. Bijdragen aan Roemeens en Hongaars. Hoogtepunt 10de eeuw. Daarna onderdanen van de Byzantijnen. Dan ingelijfd door de Turken. Invloed van vijf eeuwen Turkse overheersing. In 1878 bevrijd van de Turken. Strijd met Oostenrijk en Rusland over de macht in de Balkan. Alfabet dat sterk op het Russische lijkt.

De Baltische talen. Baltisch een van de kleinste onafhankelijke takken van de Indo-Europese taalfamilie. Verwantschap Litouws en Lets gaat terug tot contacten in de prehistorie. Andere dialecten (Oud-Pruisen, Borusen, Koerlanders) verdwenen. Pruisen in 13de eeuw door Duitse Ridderorde onderworpen. Litouwers laatste heidenen van Europa. Langdurige isolatie. Weinig invloeden op Litouws. Pas in 1386 gekerstend. In 1795 gingen Litouwen, Polen en Letland in Rusland op. In 1918 onafhankelijk. In 1940 geannexeerd. In 1991 onafhankelijk. Lets ‘Litouws gesproken door vreemdelingen’ = de Lijflanders, van Finse oorsprong. Overheerst door Duitse Ridderorde. Vanaf 16de eeuw eigen identiteit.

Fins, Ests en het Hongaars. Buitenstaanders: geen nakomelingen van de Indo-Europese stam. Leden van de Fins-Oegrische tak van de Oeraalse talen. Verre verwanten: onderling kunnen ze elkaar niet verstaan. Het eerste volk dat zich de Oeraalse familie losmaakte: Samojeden die in noordoostelijke richting Siberië introkken. De overblijvende talen behoren tot de Fins-Oegrische groep. Men neemt scheiding aan tussen Fins en Oegrische tak rond 400-300 v. Chr. Hongaars verwant aan het Ostjaaks en het Wogoels aan de andere kant van de Oeral. De sprekers van het Oegrisch hadden contact met Turkse nomadische herders. Hongaren voor het eerst opgemerkt in het Byzantijnse Rijk. Pas aan het einde van de 9de eeuw over de Karpaten naar de Donauvlakte. Plundertochten. Vanaf 1001 christelijk en goed gereguleerd koninkrijk, groter dan nu. Vanaf 1526 onder Turken, vanaf 1686 onder Oostenrijk tot aan het eind van WOI. Komst van Finnen en Esten in Europa minder spectaculair. Finnen kwamen niet als één volk tegelijk: Hämäläinen (vanuit Estland overzee) en Kareliërs (over land uit het oosten). Onafhankelijk vanaf 1917; daarvoor bestuurd door Zweden en vanaf het begin van de 19de eeuw Rusland. Een klein deel Finnen spreekt Zweeds. Fins en Hongaars hebben hekel aan meer consonanten aan begin van een woord. Pas na Reformatie Finse literatuur.

Turks. Valt onder de Europese talen want heeft een steunpunt op het continent. Geen verwantschap met de Indo-Europese talen. Lid van de Turkse taalfamilie (van de veel grotere groep van de Altaïsche talen), samen met de Kazachen, Kirgiezen, Toerkmeense Oezbeken en andere volken in Centraal-Azië. Turkse legers voor Wenen in 1683 verslagen.

Maltees. Sinds 9e eeuw een vorm van Arabisch. Tweede taal Engels, ook sinds onafhankelijkheid in 1964.

____

Related Posts with Thumbnails