donderdag 29 juli 2010

Banish your adjective demons

When we write, we have a tendency to add adjectives to things to give them extra meaning, instead of actually trying to think through what we want to say at a deeper level. It’s really easy, even for professional writers, to end up with a string of meaningless adjectives that are really just idea placeholders. If you find yourself describing something in overly flowerly terms, you’ve got two problems. One, you don’t need all the words you’re using. Two, you’re probably coming up with weird adjectives because you either don’t know how you got to that sentence or why it’s there, or you don’t know where you’re going and you’re buying time for your brain to catch up. If you find yourself falling into this trap, sit back and try and really think about what you’re writing. Is there something that you’re trying to say that is getting lost when it comes out on paper? Put simply, try and get back to the ‘why’ of the writing, not just the process of writing.
Laura @ Cottagecopy.com

____

woensdag 28 juli 2010

Joden, moren en christenen - Camilo José Cela

Joden, moren en christenen is een selectie uit de reisverhalen (1948-1965) van de Spaanse Nobelprijswinnaar Camilo José Cela. Zijn stijl doet denken aan die andere Nobellaureaat, Dario Fo — aards, volks, onstuimig, zintuiglijk. De verhalen zijn aardig omdat Cela resoluut kiest voor het Spaanse platteland. Steden laat hij links liggen. Alhoewel: "Steden moet je halverwege de middag doorkruisen, wanneer de meisjes een stukje gaan wandelen, vóór het rozenkransgebed."

Camilo José Cela komt uit het Galicische Iria-Flavia. Zijn studies geneeskunde en filosofie aan de universiteit van Madrid worden onderbroken door de Spaanse Burgeroorlog, waarin Cela dient als korporaal in Franco's leger — een zeldzaamheid voor een Spaanse schrijver. Na de oorlog is hij kort werkzaam als censor van de nationalistische regering. Later zal hij zich distantiëren van Franco's regime en een onafhankelijke positie innemen. De wreedheden tegen burgers die hij in de oorlog waarnam en het feit dat hij zelf gewond raakte bij een granaatinslag, zal hij uitgebreid recycleren in zijn boeken.

In 1940 gaat Cela rechten studeren, een studie die hij stopzet kort nadat zijn eerste, veelgeprezen werk verschijnt De familie van Pascual Duarte (1942). Zesentwintig is hij dan, en de roman brengt hem direct in conflict met de kerk. Een tweede uitgave moet in Buenos Aires uitgegeven worden, maar zal niettemin — net als zijn andere grote boek De bijenkorf — grote invloed uitoefenen op de moderne Spaanse literatuur. Het zit 'm in de montage-achtige verteltechniek, het documentair realisme, de satirische toon.

In 1954 verlaat de schrijver Madrid en gaat op Mallorca wonen. Daar geeft hij van 1956 tot 1979 het literaire blad Papeles de son armadans uit, dat op een berekende manier stelling neemt tegen het fascisme. Na het overlijden van Franco wordt Cela door de koning van Spanje benoemd tot lid van de Senaat van de eerste democratische Cortes. Als senator houdt hij zich bezig met het herzien van de grondwet, zoals deze door het parlement voorbereid wordt. In 1989 wordt hem de Nobelprijs toegekend, voor zijn "rijk en intensief proza, dat met ingehouden compassie een uitdagende visie op de kwetsbaarheid van de mens vormt". Na zijn dood in 2002 wordt duidelijk dat hij zich weleens aan plagiaat bezondigd heeft.

Camilo José Cela was ook een verwoed reiziger, wat zijn neerslag kreeg in diverse verhalen, waarvan er in Joden, moren en christenen enkele gebundeld zijn. Cela presenteert zich daarin als een sympathieke zwerver "in wiens wapen, zo hij een wapen had gehad, een vederlichte zaadpluis zou hebben gestaan". Cela's zwerver is een doelloze voetreiziger die lak heeft aan officiële grenzen — "Rivieren verbinden en bergen scheiden, het is de enige wijsheid die geldt" — graag meelift met de vrachtwagenchauffeur, en zich waar nodig bij de boer op zolder slaapt, moe en opgelucht "wanneer hij zijn benen als marionetten in de eerste de beste houding kan laten vallen".

De werkelijkheid lag een ietsje anders. Cela hield er een highbrow leefstijl op na, en verschillende internetbronnen vermelden dat hij er het liefst met een glimmende automobiel op uittrok — een Rolls Royce, Bentley of Jaguar, naargelang.

Schaars zijn hoe dan ook de klassieke bezienswaardigheden in dit boekje. Cela bezoekt Piedrahita, geboorteplaats van de groothertog van Alva. Hij komt langs de stieren van Guisando — waar de overeenkomst tussen Hendrik IV en zijn halfzuster Isabella van Castilië werd getekend. Het kasteel van Almodóvar del Rio komt voorbij, het klooster van La Rábida, en Sevilla met haar kathedraal. Echt opspringen deed ik alleen bij Cela's evocatie van Medina Azahara, dat mooie vakantieherinneringen triggerde.

Medina Azahara werd gebouwd in opdracht van Abderrahman III ter ere van zijn vrouw Zahara, de bloem. Medina Azahara (als Abderrahman een christen was geweest, had hij de stad Villa Florita genoemd) was het schitterendste hof van de zoon van de eerste en luisterrijkste aller kaliefs. De bouw moet begonnen zijn in 939 en voltooid zijn in 961, rond de sterfdatum van Abderrahman. De weelde van Medina Azahara is in de geschiedenis en geografie van het huidige Spanje nooit meer geëvenaard, en de praal van haar ceremoniën, het raffinement van haar architectuur en de beschaafde, subtiele geur van poëzie die men er ademde, is onvergelijkbaar gebleven. Met zijn Medina Azahara, waar hij nooit zelf van heeft kunnen genieten, liep Abderrahman III vele eeuwen vooruit op het Versailles uit welvarender tijden.
Genoemde kalief van Córdoba trad onder andere als scheidsrechter op bij de ruzies tussen de christelijke koningen en koninkjes. Aan zijn hof in Córdoba — Medina Azahara is nog niet gereed om de bezoeker met stomheid te slaan — ontvangt Abderrahman III koning Sancho I de Dikke, vorst van León, die naar de Moorse hoofdstad gaat op aandringen van zijn grootmoeder doña Tota, om de twee zegeningen te halen die hij verloren had: zijn gezondheid en de macht. Zijn gezondheid krijgt hij terug door toedoen van de joodse arts Hasday ben Xeprut, die hem een vermageringskuur voorschrijft; de macht door de hulp van de kalief.
Abderrahman komt te overlijden en Sancho houdt zich niet aan de afspraken. Alahquem II volgt zijn vader op als kalief van Córdoba, en de verslagen Leonese koning Ordoño IV de Kwade brengt hem een bezoek om zijn steun te vragen. Dit onderhoud heeft reeds in Medina Azahara plaats.
De koning van León is verbijsterd wanneer hij Medina Azahara ziet: het gouden dak, het doorschijnende marmer van de ramen, de reusachtige parel aan het plafond zijn wonderen waaraan de ogen van een berooide en inmiddels ook onttroonde koning niet gewend waren. De Moor en de christen sluiten een verbond en Ordoño keert terug naar León met het paard — als teken van de macht — dat Alhaquem hem heeft geschonken. En hij herovert de kroon.
Alhaquem had reden om zich in Medina Azahara almachtig en gelukkig te voelen. Medina Azahara was gebouwd in drie lagen; op het bovenste terras stond het paleis van de kalief, dat te mooi was om te overleven.
Als alle uitverkorenen stierf Medina Azahara jong en gewapenderhand. De barbaarse Berbers plunderden de stad in 1010 en joegen de bewoners over de kling. Nu is Medina Azahara een trieste, pijnlijke herinnering, bevolkt door raven en hagedissen, toeristen en archeologen.


Medina Azahara, augustus 2008; foto's AvdB



Geen grote trekpleisters, verder. Deze reisverhalen moeten het hebben van couleur locale. De aanblik van wasvrouwen, schapenscheerders en houtskoolbranders. Veel dieren ook: honden die in de volle zon de liefde bedrijven, een os die de littekens van zijn castratie likt, een ooievaar met een waterslangetje in zijn bek, merels "die het volkslied fluiten".

Het landschap is een personage op zich. Alle bergen en rotsen hebben namen, en rivieren worden in hun stroomdal met groot ontzag benaderd. Zeker in Castilië, "waar de grond veel zorg nodig heeft en niet snel iets oplevert, wenst men elkaar zowel vóór als na het schransen smakelijk eten". Spanje toont een dor landschap, met hier en daar een druk plaatsje. De straten van Huelva lijken "nog het meest op een geurige, borrelende frituurpan waarin kleine visjes gebakken worden".

De zwerver van Cela tendeert richting picaro. Inzicht en onnozelheid, vraatzucht en wellust wisselen elkaar af. Joden, moren en christenen zit boordevol recepten en de zwerver maakt graag een nummertje met een vrouw die in hem de reïncarnatie van haar man ziet.

In de reportages is een schrijver aan het werk die graag gesprekjes aanknoopt met mensen — ook met kinderen — en dan de dialogen uitschrijft. Spanjaarden bejegenen elkaar bot en kortaf, blijkt dan. Ze vertellen de gekste verhalen, debiteren dubieuze wijsheden ("Mijn moeder zei altijd..."), verpatsen huismiddeltjes op de markt en zijn apetrots als ze een of ander kunststukje mogen tonen.
‘Ze hebben mij een groot fortuin ontstolen, een erfenis.’
‘O ja?’
‘Jazeker, of gelooft u me niet?’
‘Natuurlijk, waarom zou ik u niet geloven?’
‘Het was de schat van de onderkoning van Peru. Heeft u ooit van de onderkoning van Peru gehoord?’
‘Jazeker, heel veel.’
‘Nou, die heeft me al zijn rijkdommen nagelaten. Op zijn sterfbed riep hij de notaris en schreef in diens aanwezigheid op een papiertje: Ik, don Jerónimo de Villegas y Martín, onderkoning van Peru, laat al mijn huidige en toekomstige bezittingen na aan mijn neef, don Estanislao de Kostka Rodríguez y Rodríguez, alias de Poepbroek. Ik ken het uit mijn hoofd. Het papiertje wordt bewaard in Rome, want ik ben verstandig geworden en vertrouw alleen de paus nog maar.’
De marskramer kwam overeind en vervolgde:
‘De erfenis is me ontstolen, en ik bleef achter in de grootste behoevendigheid.’
Het duurde enige ogenblikken voordat de reiziger begreep dat hij behoeftigheid had willen zeggen.
‘Maar ik zeg altijd: wat hebben ze eraan als in de vallei van Josafat de volle waarheid aan het licht zal komen?’
‘Inderdaad.’
Spanjaarden huldigen bovendien een combinatie van gulheid en achterdocht waar een buitenstaander moeilijk hoogte van krijgt. Fascinerend zijn de "zwerverstekens" — dunne houtskool- of krijtlijnen op de huizen (voorbeelden op p. 67-75) die aangeven wat voor reacties zwervers mogen verwachten van de autochtone bevolking. Krijgen ze een aalmoes of niet?

Soms voegt Cela anekdotes in van oude kroniekschrijvers (zoals Garcilaso de la Vega) en kaartenmakers (Pedro de Medina). Maar vaak volstaat de moderne overlevering. Zo ligt volgens de legende bij La Guingueta de Mall de Rottlan begraven, de ijzeren hameren van de dappere ridder Roeland die brak bij de nederlaag in Roncesvalles. Linares is het plaatsje waar Manolete om het leven kwam. In de baai van Domingo Rubio tuigde Columbus zijn karvelen op. Ergens bij een kleine bevolkingskern in de Pyreneeën bestaat nog het gebruik van de klaagvrouwen. Deze pluraires "huilen in commissie ter ere van de overledene; sommigen huilen vrij goed en heel echt, maar anderen zijn er met hun hoofd niet bij."

Het regime van Franco houdt zich afzijdig in deze verhalen. Hooguit staat de guardia civil op een of andere straathoek geposteerd, dollend met de inlandse meisjes. Wel klinkt de zwerver af en toe als een reactionaire zeur, met een wantrouwen jegens de moderniteit dat zo typisch was voor de rechtervleugel van Spanje.
‘Denkt u dat veel wassen gezond is voor de huid en de ingewanden?’
De zwerver dacht even na en gaf toen zijn mening.
‘Nee, ik denk dat je van water reuma en tyfus krijgt, en hondsdolheid, en andere ziekten zoals wormen, mazelen en kinderverlamming. Want God heeft de mens niet geschapen om het water in te gaan — daarvoor heb je kreeften en makrelen — , maar om op het land te lopen als hazen en paarden; dus ook niet om de lucht in te gaan als een arend, of de zeeën te bereizen als een haai, of de akkers om te woelen als een mol. Dat is mijn stellige overtuiging, en ik zweer u, mijn vriend, dat ik nooit overmoed of neiging heb gehad de plaats te verlaten die mij door de goddelijke voorzienigheid is aangewezen.’

[...]

De dingen kunnen altijd beter een beetje chaotisch door elkaar liggen. De kille administratieve orde van musea, kaartenbakken, statistieken en kerkhoven is een onmenselijke, tegennatuurlijke orde; het is in feite een wanorde. De echte orde is die van de natuur, waar nog nooit twee identieke bomen of bergen of paarden zijn voorgekomen. Het weghalen van de tapijten uit Pastrana om ze naar de hoofdstad te brengen is bovendien een vergissing geweest: het is veel dankbaarder zulke dingen schijnbaar toevallig tegen het lijf te lopen, dan ze kant en klaar en zonder het risico van bedrog te gaan opzoeken.

[...]

Bij Somorrostro begint de industrie. De zwerver denkt dat de industrie maar een zwakke verdediging heeft: je moet haar tolereren omdat zij nuttig en nodig is voor de medemens, maar om geen enkele andere reden. Wanneer de zwerver moet kiezen tussen een kalm maar oncomfortabel bestaan zonder industrie en een gerieflijk maar onrustig bestaan met industrie, kiest hij voor het eerste. Anders was hij geen zwerver geworden, maar landbouwingenieur, kadasterbeambte of ijzerhandelaar.
De zwerver denkt ook dat die twee opvattingen duidelijk hun voor- en tegenstanders hebben, en dat beide standpunten zoals gewoonlijk een kern van waarheid bevatten. In feite hebben de mensen nog nooit één idee weten te krijgen dat volkomen onzin is; de mensheid heeft nog een lange weg te gaan.
De zwerver, die zonder dat hij er iets kan aan doen een typische westerling is, stelt kalmte boven de techniek, hoewel hij weet dat zijn ideeën het nooit verder dan beschimmelde museumstukken zullen brengen. Naarmate de wereld dichter bij haar afgezaagde einde komt, neigt zij steeds meer tot machines en statistieken en vergeet zij daarvoor zelfs de prachtige namen van de sterrenbeelden, de tere kleuren van de wilde bloemen en de smaak van de lucht wanneer de zon opkomt boven het open veld. Wat doe je ertegen?
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> alle halteplaatsen van Cela in de commentaren hieronder
> 'Eulogy to the fable' - Cela's Nobelprijsrede

Camilo José Cela, Joden, moren en christenen : Spaanse reisverhalen
175 p.
Uitgeverij Veen, 1989
Samengesteld door Ricardo Bada
Oorspr. Vagabundo al servicio de España (verhalen uit 1948-1965)
Vertaald door Ton Ceelen
Reeks Op schrijvers voeten

____

dinsdag 27 juli 2010

Een niet bij name bekende vrouw - Lucia Graves

Alle redenen zijn goed om boeken te lezen. Volgende week dinsdag reizen we af naar Spanje. In tien dagen tijd zullen mijn geliefde en ik een grote lus rond Madrid maken, met bezoekjes aan Ávila, Toledo en Segovia. In de voorbereidende week ben ik op zoek naar boeken met persoonlijke getuigenissen over het alledaagse leven in het Spanje van de voorbije eeuw. Lezen met een dergelijk focuspunt doet me titels uitlezen die ik in andere omstandigheden niet had overleefd.

Lucia Graves — dochter van — heeft twintig jaar in Spanje gewoond, tot haar huwelijk op de klippen liep. Wanneer haar moeder een oogoperatie ondergaat, moet ze terug naar Spanje. Daar ziet ze wat een gedaanteverwisseling Barcelona heeft ondergaan door de Olympische Spelen. Al vindt ze dat nu ook weer niet zo verbazingwekkend, gezien Catalonië zich al een paar decennia zelfbewust omschrijft als de leider van de Spaanse economie. Hoe dan ook, het is het uitgelezen moment voor de Engelse schrijfster/vertaalster om terug te blikken op haar jeugdjaren, die ze deels op Mallorca, deels op het Spaanse vasteland doorbracht.

Misschien dat de vertaling het proza van Een niet bij name bekende vrouw wat genivelleerd heeft. Feit is dat ik snel moest lezen om over de oppervlakkige poëzie van Graves heen te komen. De kabbelende stijl van de betere damesroman.

Ik zette mijn auto op het hoofdplein en liep over de Carrer de sa Lluna — de Maanstraat, een lange, smalle straat met aan weerskanten winkels — in de richting van het verpleeghuis. Het moest ergens in een van de achterafstraatjes staan en ik betrad dus het schaduwrijke labyrint waar de versleten grijze straatstenen altijd glimmen als gepoetst tin. Na elke straathoek leek ik weer dezelfde twee rijen huizen te zien – pretentieloze huizen van twee verdiepingen, die met hun gebrek aan uiterlijk verschil bewezen dat er al generaties lang mensen woonden met dezelfde gezichten, dezelfde stemmen en dezelfde handen, die luiken altijd in dezelfde kleur overschilderden.
Maar ik kreeg wel iets terug voor mijn inspanningen: de levensechte details uit het leven onder Franco en Lucia's typeringen van de Spaanse volksaard sprongen beter in het oog.
In heel Spanje berust het gezondheidssysteem op verwantenhulp, en in een ziekenhuis wordt van die familieleden verwacht dat ze de patiënten dag en nacht in het oog houden, zorgen dat de infusen op hun plaats blijven, en dat ze allerlei kleine verpleegklusjes doen. Het gevoel van saamhorigheid in het Spaanse gezin is de kern van alles. Het overbrugt generaties, projecteert zichzelf op andere gezinnen en is in gesprekken alomtegenwoordig.
Blauwe overhemden
Het gezin Graves vestigde zich op Mallorca in 1946, waar ze een groot, stenen huis bewoonden dat Robert aan het begin van de jaren dertig van de opbrengst van zijn boeken had laten bouwen. Hij woonde al sinds 1929 op het eiland, tot de Spaanse Burgeroorlog hem naar het buitenland dreef. Na de Tweede Wereldoorlog keerde hij terug.

In de jaren veertig was Mallorca in wezen een rustige plattelandsgemeenschap. De Catalaanse koning Jaume de Veroveraar had het eiland in 1229 van zijn islamitische bezetters bevrijd, en snel daarna waren de moskeeën en synagoges verdwenen. Het was een eiland "van vissers en zeelieden", schrijft Graves, "van boeren en schaapherders, mystici en heiligen, cartografen en ontdekkingsreizigers, en de kusten werden door stoere wachttorens tegen Barbarijse zeerovers beschermd." Zelfs in de jaren veertig leek Mallorca nauwelijks aangeraakt door de Industriële Revolutie, laat staan van de moderne twintigste eeuw. Koken deed je op houtskoolvuren, water kwam uit een fontein, electriciteit was er niet.

Het was een moeilijke, Spartaanse tijd. Het land ging nog steeds onder de naweeën van de Burgeroorlog gebukt. Er was rantsoenering en de zwarte markt bloeide. Waterrechten (beheer van bronnen) konden langdurige vetes tussen families veroorzaken. Niettemin boden de grenzen van dit gesloten land ook een zekere vrijheid. Het was een eiland, en het bergdorp waar de Graves woonden was een soort eiland binnen een eiland. Het leven werd er beheerst door de cycli van een natuurlijke leefomgeving en door zulke oude rituelen dat niemand zich hun oorsprong herinnerde. Onder Franco kwam er misschien een andere vlag op het gemeentehuis, maar voor de rest werd het leven beheerst door de aarde, het water en de elementen. De Graves hielden contact met hun vaderland door bij een grote houten radio naar de BBC te luisteren. Lucia en haar broers verknipten Engelse of Amerikaanse tijdschriften.

Lucia wordt eerst naar het schooltje van het bergdorp gestuurd. Het wordt door drie of vier franciscannessen geleid. Ze leert er naaien, bidden en de catechismus. De Maagd Maria wordt haar idool. In de jaren vijftig verhuizen de Graves naar Palma om hun kinderen naar betere scholen te kunnen sturen. Ze betrekken er een typisch blauwgrijs flatgebouw, opgetrokken in de geest van de Reconstrucción Nacional: dof beton.

Ondertussen dwingt de Koude Oorlog het Westen zijn vijandige houding tegenover het hevig anti-communistische maar dictatoriale Spanje met zijn strategische ligging in de Middellandse Zee te herzien. In 1953 tekent Spanje een samenwerkingsverdrag met de VS, waarbij de Amerikanen de toestemming krijgen om in ruil voor financiële en militaire hulp luchtmacht- en marinebases in het land te vestigen.

Van die voorzichtige toenadering is op Lucia's school in Palma weinig te merken. Elke bladzijde van de godsdienst-, geschiedenis- en leesboeken is doordrenkt van de Movimiento-ideologie. De nonnen — dominicanessen nu — geven hun lessen met patriottistische vurigheid.

De stof van de geschiedenisles gaat bijvoorbeeld nauwelijks in op grote militaire nederlagen, zoals die van de Spaanse Armada, of kortstondige perioden van intellectuele rijkdom zoals die van de Verlichting en het liberalisme. Ferdinand en Isabelle worden voorgesteld als het symbool voor de Spaanse politieke en godsdienstige eenheid. Hun embleem — een juk met pijlen — wordt overgenomen door de Falange, de Spaanse fascistische partij die in 1933 door José Antonio Primo de Rivera gesticht was. Dictees gaan bij voorkeur over de roem van de Spaanse vlag. Het woord 'democratie' staat synoniem voor maatschappelijke chaos. Tijdens een gymnastiekwedstrijd moet ze de Falangistische hymne Cara al sol zingen en brengt ze de fascistengroet, zeer tegen de zin van haar ouders. Ondertusen heeft Lucia het moeilijk om te begrijpen wie die 'Roden' zijn die ze verondersteld wordt te verachten.

Over de nazi’s en de Tweede Wereldoorlog zeggen haar schoolboeken ook nooit iets specifieks. Van de Blauwe Divisie — genoemd naar de blauwe overhemden van de falangistas — wordt terloops de deelname vermeld aan een gevecht tussen de krachten van het licht en de duisternis — en de krachten van de duisternis waren dezelfde Roden die in Spanje zo veel ellende hadden veroorzaakt. Maar de rol van Duitsland en de Spaanse ideologische bindingen met het Derde Rijk worden in het leerplan van de jaren vijftig met de mantel der liefde bedekt, zodat de leerlingen met veel onbeantwoorde vragen blijven zitten.

Lucia leert ook dat de Spaanse taal veruit de meerdere is van het decadente Engels en Frans. Op de school mag ze alleen Castiliaans spreken (Habla en cristiano, christelijk praten). Het Mallorcaans is net als haar zustertaal het Catalaans door Franco officieel verboden. Het wordt als een dialect van ongeletterde boeren geminacht.

Mooi en waardevol aan Een niet bij name bekende vrouw zijn de vele vrouwenportretten die Lucia Graves in haar memoires weeft. Vrouwen hebben het zwaar onder Franco. Met medeleven schetst Lucia zuster Valentina, een van de nonnen op haar school. Het nonnenklooster was misschien de enige uitweg geweest voor deze vrouw, de enige manier om de kluisters van een ellendig huis of een even onaantrekkelijk huwelijksvooruitzicht te verbreken. Toetreding tot een kloosterorde was een van de weinige beslissingen die niemand kon aanvechten.

Ooit was het anders. Het linkse beleid van de Tweede Republiek in de vroege jaren dertig had vrouwen de kans gegeven om onafhankelijk te worden. Duizenden vrouwen verlieten toen hun keukens om te studeren, in de fabriek te gaan werken of carrière te maken. Door de scheiding van Kerk en staat werd ook het burgerlijk huwelijk aanvaard en werd een echtscheidingswet goedgekeurd. Franco schafte dit alles weer af. Duizenden echtparen die op de burgelijke stand waren getrouwd, moesten in de kerk hertrouwen. De nietigverklaring van alle Republikeinse huwelijken leidde er vaak toe dat sommige mannen en vrouwen zich weer aan een gebroken huwelijk moesten onderwerpen. Juridisch waren vrouwen goeddeels afhankelijk van hun man.

Interessant in dit boek zijn verder de persoonlijke verhalen over de Burgeroorlog die Lucia te horen krijgt. De massale vlucht van niet-regeringsgezinde burgers. De fascisten die alles inpikken en tot willekeurige arrestaties overgaan. Mallorca krijgt nogal wat immigranten uit Murcia en Zuid-Spanje te verwerken. De eilandbewoners kijken neer op deze forasters, mensen van het vasteland, die naast honger dus ook met vernedering moeten omgaan. Op het vasteland zelf zorgt de opdeling in republikeinen en nationalisten voor absurde taferelen en paranoia.
‘Toen in 1936 de oorlog uitbrak, was het dorp eerst verdeeld in Roden en fascisten — of in Republikeinen en Nationalisten, als je dat liever hoort — en dat hing af van de dokter die je had. Zo gemakkelijk was het. De ene dokter was socialist, de andere fascist. De socialistische dokter was een neef van mij die Hilario heette en in Madrid had gewerkt. Maar Ciudad Real werd niet door de Nationalisten veroverd en lag de hele oorlog in de Republikeinse zone. De mensen die eerst met Franco sympathiseerden, hielden zich dus gedeisd. In plaats van “¡Adiós!” zei iedereen in die tijd “¡Salud!”, want adiós klonk te religieus (…)’

Het huis van Robert Graves in Deiá, Mallorca; afbeelding via Wikipedia

Drietaligheid
Franco was naast een politieke ook een religieuze dictatuur. De collectieve herinnering aan het trauma van alle vrome Spanjaarden in de jaren dertig (toen de linkse regering heel wat anti-kerkelijke maatregelen nam) werkte in het voordeel van Franco’s naoorlogse alliantie van Kerk en staat. Pas in de stedelijke omgeving van Palma wordt kleine Lucia zich echt bewust van de afwijkende religieuze opvattingen van haar ouders. Ze voelt zich dubbel schuldig. Op de wanden van het klaslokaal kijken de beeltenis van Franco en een gekruisigde Jezus haar dreigend aan. Graves is én protestantse én Engelse — het volk dat Gibaltar op onwettige wijze van Spanje had afgepakt.
Ik was altijd diep bezorgd over mijn redding, want het agnosticisme van mijn ouders kon ik niet verzoenen met wat volgens anderen de enige waarheid ter wereld was. In het bergdorp waren mijn twee omgevingen in evenwicht geweest. Ze hadden allebei hun eigen mythen, verhalen, tradities en taal. Geen van beide had ooit een volledig overwicht op de ander geëist en in de fundamentele context van het terrassendal bestonden ze in mijn denken vredig naast elkaar. In mijn nieuwe stadsleven was dat evenwicht verstoord.
De aanwezigheid van een Noord-Europeens meisje uit een protestants gezin is natuurlijk helemaal een buitenkansje voor de bekeringsijverige dominicanessen. Wanneer de intimidaties te erg worden, wordt Lucia door haar ouders van de nonnenschool gehaald. Ze krijgt thuis een jaar les om haar Engels bij te spijkeren en wordt dan met haar jongste broer naar Genève gestuurd, de stad van Calvijn.

Daar belandt ze op een multinationale school. Veel Amerikanen, veel kapitalistenkindjes. Ze verliest er definitief haar vertrouwen in de goede bedoelingen van de generalísimo en haar geloof in hemel en hel. Toch krijgt ze in die nieuwe, alpiene omgeving een overweldigend heimwee naar Spanje: de felle kleuren, de ruigte van het landschap, de Moors klinkende volksmuziek van Mallorca en de Spaanse leefwijze, het eten, de menselijke warmte, de directheid, de chaos.
Ik richtte mijn kamer in alsof die een Spaans verkeersbureau was: met banderillas en affiches van stierengevechten.
Lucia leert dat haar vaders roem verder gaat dan de prestaties tijdens de Eerste Wereldoorlog van kapitein Robert Graves. De nadruk ligt in Genève dan ook op haar Britse identiteit, maar dat ervaart ze als beknellend. De facto is ze Brits, maar ze heeft nooit in Groot-Brittannië gewoond. Ze begint stilaan te begrijpen wat haar drietaligheid inhoudt: ze heeft zich op geen enkele taal volledig geconcentreerd, en als gevolg daarvan kan ze zich in geen enkele ervan volledig uiten. Later, veel later, zal ze haar voordeel doen met die halfslachtigheid. Ze wordt een gerespecteerd vertaler — Lucia Graves heeft onder meer de boeken van Carlos Ruiz Zafón in het Engels beschikbaar gemaakt.

Tijdens de Geneefse jaren doen zich ook veranderingen voor in Spanje, al dan niet onderhuids. De eerste studenten van de naoorlogse generatie zitten inmiddels op de universiteit en beginnen tegen de onderdrukking te reageren. Ze lezen verboden Argentijnse vertalingen van Sartre en Camus en geven die aan andere door. Ze worden lid van ondergrondse organisaties en drukken pamfletten. Bij Lucia's terugkeer is ook haar bergdorpje niet meer zo rustig. Het hele jaar door woont er nu een kolonie buitenlandse kunstenaars en schrijvers, en ’s zomers verdubbelt het inwonertal met de komst van Britse, Franse en Spaanse gezinnen op vakantie.

Op Mallorca ontmoet Lucia Graves in 1960 haar toekomstige man, een slagwerker in een jazzbandje. Maar dan gaat het opnieuw naar Engeland: na een toelatingsexamen bij de British Council in Madrid kan ze aan het St Anne’s College studeren. Daar leert ze eindelijk de complexiteiten van het Spaans en het wezen van Spanje te begrijpen. De vakbibliotheek van Oxford is onuitputtelijk. Gedurende twee prachtige bladzijden in Een niet bij name bekende vrouw buigt de werkgroep Spaans zich over alle onmogelijke finesses bij het vertalen van Benito Pérez Galdós.

Ook haar vader doceert rond die periode in Oxford, en Lucia begint de omstreden theorieën die hij ontvouwt in Witte godin — onder meer dat de matriarchale orde sinds de oude Grieken door patriarchiale systemen is onderdrukt geweest — toe te passen op de Spaanse maatschappij. Ze krijgt oog voor de gedwongen onderdanige positie van de vrouwen daar, hun dorre huwelijksleven, en de ideologische geïnspireerde seksuele voorlichting onder Franco (die stelt dat vrouwen van nature frigide zijn en geslachtsverkeer als een noodzakelijk offer voor de grote beloning van de voortplanting moeten beschouwen).

De officiële seksuele mores zijn streng in Spanje. Seks voor het huwelijk is taboe. (Al wil de ironie dat in de eerste jaren van het naoorlogse Spanje prostitutie een echte plaag was — oorlogsweduwen die de eindjes niet aan elkaar konden knopen.) De zeden op Mallorca verzachten pas wanneer het massatoerisme doorbreekt op de stranden van Palma. De oudere generaties zijn aanvankelijk geschokt door de aanblik van buitenlanders in bikini, maar de economische gevolgen van de toeristenindustrie zijn al snel zonneklaar, dus knijpt men een oogje dicht: Los números cantan, de cijfers zingen. Jonge Spanjaarden scheppen er ook genoegen in suecas (buitenlandse vrouwen, letterlijk: Zweedsen) te versieren.

Vanaf de jaren zeventig woont Lucia Graves in een plaatsje bij Barcelona. De nieuwe woonwijken, de urbanizaciones, breiden zich uit als een olievlek en doen het dorp langzaam veranderen in het voorgeborchte van de Catalaanse hoofdstad. Aan het einde van de jaren zeventig wordt de Catalaanse autonomie door de nieuwbakken democratische regering hersteld, en dat komt vooral Barcelona ten goede, een stad die levendiger, schoner, welvarender wordt dan enige andere Spaanse stad. In de jaren tachtig is het een en al design wat de klok slaat. Alles is hightech, postmodern en minimalistisch. De dorpsgemeenschap waar Graves vertoeft — dat is een ander paar mouwen.
Aan de ene kant had je de traditionele bewoners: de winkeliers en fabrikanten wier families allemaal op de een of andere manier aan elkaar geparenteerd waren. De zoon van de garage-eigenaar trouwde met de dochter van de man die de busdienst op Barcelona leidde. De moeder van de fotograaf was een zuster van de man wiens dochter met de slager was getrouwd, enzovoorts. Vervolgens had je de mensen uit Barcelona die in een van de nieuwe wijken een tweede huis hadden, waar ze de weekends en de schoolvakantie verbleven, of mensen zoals wij, die er het hele jaar woonden. Bij de echte dorpelingen stonden we bekend als als estiuejants — zomergasten — bekend, en we bleven altijd buitenstaanders. Zelfs toen ik er al vele jaren woonde, werd ik altijd aangesproken met het formele vostè of senyora. Ten slotte had je de immigranten uit Andalusië, Murcia of Extremadura, die na de oorlog als werkzoekenden naar Catalonië waren getrokken en bleven komen totdat de socialisten onder Felipe González pogingen gingen doen om Zuid-Spanje nieuw leven in te blazen. De traditionele bewoners maakten duidelijk dat alleen zij er thuishoorden, en bleven op afstand.
Onvertaalbaar
De dag na Franco’s dood wordt Juan Carlos tot koning gekroond en begint de transición in alle ernst. Arias-Navarro, de man met het dunne snorretje die Carrero Blanco’s functie had overgenomen, blijft regeringsleider tot juni 1976, tot de koning Adolfo Suárez, een van Franco’s jongste ex-ministers, tot nieuwe premier kiest. Tot ieders verrassing begint deze aan een breed politiek hervormingsprogramma. De godsdienstvrijheid wordt afgekondigd, politieke partijen gelegaliseerd, de doodstraf uit het Wetboek van Strafrecht gehaald.

In retrospect beseft Lucia de bekrompenheid van het niet-democratische Spanje. Corruptie, verkiezingsfraude, censuur. En vooral: de apathie die daaruit volgde. Heel lang vond een enorme tussengroep tussen links en rechts dat de snel groeiende economie bewees dat het politieke eenpartijsysteem nog helemaal niet zo gek was. Ook Graves conformeerde zich.
Tijdens mijn verblijf in het Catalaanse dorp kon ik me gemakkelijk aanpassen en verviel ik probleemloos in de manier van denken en reageren die bij de Spaanse en Catalaanse taal horen, ook al betekende dat de opoffering van een onvertaalbaar deel van mijn Engelse zelf en riskeerde ik een verkeerd beeld van mezelf. In gesprekken met buren stemde ik bijvoorbeeld in met — of verzette ik me in ieder geval niet tegen — meningen die ik helemaal niet deelde (over sociale kwesties, vrouwenrechten of onderwijs bijvoorbeeld), alleen maar omdat tegenspraak hun als wartaal in de oren zou hebben geklonken. Ik ging ervan uit dat je in vertalingen altijd dingen verliest en dat daaraan niets te doen was. Tegenwoordig besef ik wat ik toen aan het doen was: ik hield het onvertaalbare deel van mezelf verborgen en werd opnieuw een balling, een vreemdeling tussen de mensen van wie ik hield.
De laatste hoofdstukken van Een niet bij name bekende vrouw maken de cirkel mooi rond. Lucia Graves stuurt haar kinderen op hun beurt naar een Catalaanse school. We schrijven de jaren tachtig en van franquistische indoctrinatieprogramma’s of katholiek stampwerk is allang geen sprake meer. Graves ziet in haar kinderen als het ware het Catalonië van voor de Burgeroorlog herrijzen. Ze verdiept zich in de Catalaanse geschiedenis en ziet een aardige parallel tussen de Catalaanse republikeinen onder Franco en het historische lot van de joden op het Iberisch Schiereiland.

Catalonië ontstond in de negende eeuw als het graafschap Barcelona en was in de twaalfde eeuw sterk en succesvol genoeg om een confederatie te vormen met de zogenaamde Levantijnse staten, onder andere Aragón. Door veroveringen en zeehandel expandeerde de confederatie tot een mediterraan rijk, dat in de veertiende eeuw zijn hoogtepunt bereikte. Daarna taande de macht van Catalonië. Door het huwelijk tusen Ferdinand en Isabella ontstond er een monsterbond tussen Aragon en Castilië. Met de ontdekking van Amerika verschoof de Europese handel bovendien van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan. Castilië kreeg het handelsmonopolie en hield de Catalanen buiten de contracten.

De joden vormden al veel langer een gemeenschap op het Iberisch Schiereiland, al sinds de Romeinse tijd. De Hebreeuwse wetenschap bloeide zoals bekend onder de Moorse heerschappij, toen de joden uitblonken als artsen, financiële adviseurs, cartografen, vertalers en literatoren. Tijdens de Catalaans-Aragonese federatie (zie hierboven) werden ze als koninklijke bezit beschouwd. In de dertiende eeuw kwam echter, aangewakkerd door de dominicanen en bevorderd door maatschappelijke en politieke spanningen, een volks anti-semitisme op. De Spaanse joden werden ervan beschuldigd afpersers te zijn, rituele moorden op christelijke kinderen uit te voeren, de pest te verspreiden en wat niet al. Eind veertiende eeuw bereikte deze koorts zijn hoogtepunt met enorme slachtingen en pogroms tegens joodse gemeenschappen. Duizenden joden kwamen om, velen vluchten of bekeerden zich.

Een eeuw later vaardigden Ferdinand en Isabella een decreet uit met de keuze: het land verlaten of zich bekeren. De ‘nieuwe christenen’ werden conversos (bekeerden) genoemd en in het oog gehouden door de inquisitie, die geobsedeerd was door limpieza de sangre, zuiver bloed. Iemand hoefde alleen maar te zeggen dat er op zaterdag geen rook uit zijn schoorsteen kwam of dat er vrijdag te veel gekookt werd of dat de betrokkene een stuk perkament met Hebreeuwse letters als voering in zijn schoen had. Dat was al reden genoeg om iemand te arresteren, in de gevangenis te gooien of op de brandstapel te zetten. Op Mallorca integreerden de conversos nooit echt in de christelijke bevolking. Ze stonden bekend als xuetes, misschien een verkleinwoord van xulla, varkensvet, vanwege hun gewoonte om in de deur van hun huis of winkel stukjes varkensvet te kauwen en daarmee te bewijzen dat ze hun joodse geloof echt hadden afgezworen.

De parallel is duidelijk. Aan het einde van de Spaanse Burgeroorlog werd iedereen aangemoedigd om hun republikeins gezinde vrienden, familie en buren aan te geven, net zoals de inquisitie de christenen en nieuwe christenen aanmoedigden om heimelijke beoefenaars van het joodse geloof te verklikken. De joden mochten geen Hebreeuws meer spreken, Catalanen geen Catalaans. In 1939, na de Burgeroorlog, namen vele Catalaanse republikeinen trouwens dezelfde route als de joden van Girona: via Figueres en La Jonquera staken ze de Franse grens over.

Joden die vertrokken uit Spanje en niet meer terugkeerden, werden betiteld als sefardische joden. Vijf eeuwen lang hebben deze joden gemeenschappen met een sterke Spaanse identiteit in stand weten te houden in verschillende Oost-Europese en Noord-Afrikaanse landen. Sefardische joden spreken Ladino, dat verwant is met het Oud-Castiliaans. Graves wijdt ook nog wat woorden aan de kabbala (die in de Languedoc ontstond en zich via Catalonië over de rest van Spanje verspreidde), aan de dertiende eeuwse vrijdenker en mysticus Ramon Lull, en aan Margarida van Prades, de vijftiende-eeuwse beschermvrouwe van een literaire kring die de archaïsche stijl van de Provençaalse troubadours hanteerde en haar als hoofs ideaalbeeld zagen.

Slotsom
Het is goed om de mijlpalen uit de recente Spaanse geschiedenis eens niet te lezen in een gestroomlijnd handboek, maar te kijken wat voor impact die hadden op de levens van gewone mensen.

Deze memoires worden dan ook verduisterd door de slagschaduw van Francisco Franco y Bahamonde. Tot in het laatste hoofdstuk toe, wanneer in 1973 de bomauto van Luís Carrero Blanco ontploft en een van Franco’s langdurigste medewerkers met zijn Dodge Dart en al over een studentenhuis van de jezuïeten in het centrum van Madrid vloog. Of wanneer een jaar later de jonge Catalaanse anarchist Salvador Puig Antich een ijzeren kraag om de nek krijgt. Lucia herinnert die gebeurtenissen uit de eerste hand, en dat maakt indruk.

Aangezien Robert Graves weinig meer dan een figurant is in dit boek, zal ik me Een niet bij name bekende vrouw vooral herinneren als een verzameling vrouwenportretten.
Die bijzondere soort Spaanse vrouwen wier denken en voelen gevoed zijn met de vooruitstrevende gedachten van de Tweede Republiek; vrouwen die nooit het gevoel vergaten van persoonlijke emancipatie en prestaties die zij in die periode hadden ervaren. Dankzij hun sterke karakter wisten ze tijdens de lange, donkere jaren van het Franco-regime vrijdenkers.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Lucia Graves, Een niet bij name bekende vrouw
Herinneringen aan een Spaanse jeugd

256 p.
Uitgeverij Het Spectrum, 2000
Oorspr. A woman unknown : voices from a Spanish life (1999)
Vertaald door Jacques Meerman

____

maandag 26 juli 2010

De waanideeën van Don Quichot - Miranda France

Alleen een salongeleerde zal het wagen de aard van een heel volk op te hangen aan een stokoude roman. Maar de Britse schrijfster Miranda France is aards genoeg om dat niet te doen. Haar excursies naar de wereld van Cervantes en Don Quichot zijn ook gemakkelijk te negeren voor wie dat wil. Wat overblijft is een mooi tijdsbeeld van het vitale Spanje uit het einde van de jaren tachtig. France woonde van 1987 tot 1988 als student in de Madrileense wijk Chueca.

Twintig is Miranda France wanneer ze in het kader van haar studie Spaans in Edinburgh een jaartje op het Iberische schiereiland moet doorbrengen. Eens in Madrid komt ze terecht tussen de krakers, travestieten en drugsverslaafden, in een huizenblok dat tijdens de Burgeroorlog gebombardeerd werd omdat de straat dicht bij de telefoonmaatschappij lag. Ze woont er samen met Carmen, die fotomodel wil worden — "Na een ijzige start sloten we op een vrouwelijke manier vriendschap, door samen schoon te maken" — en Alvaro, een nietsnut die zijn studie geologie lang genoeg wil rekken om zijn dienstplicht (la mili) te ontduiken.

Spanje staat er goed voor in 1987. Franco is al twaalf jaar dood en hoewel er in 1981 nog een poging tot staatsgreep plaatsvond, gaf het krachtige verzet tegen die coup aan dat nog maar weinig mensen aan de macht van de democratie twijfelden. De socialistische president Felipe González is populair bij de jeugd en heeft een charismatische uitstraling. De economie bloeit: gedurende de laatste twintig jaar van Franco’s regime had de toestroom van toeristen uit Noord-Europa de economie opgekrikt en het toerisme tot de belangrijkste industrietak van het land gemaakt. Tussen 1959 en 1973 steeg het aantal toeristen van 3 miljoen naar 34 miljoen waardoor de bevolking een paar weken per jaar verdubbelde. De aanwezigheid van zoveel buitenlanders maakte dat Spanje zich steeds minder kon afsluiten voor ideeën van buitenaf; blootstelling aan die nieuwe impulsen droeg ertoe bij dat de Spanjaarden een andere samenleving wensten. Nadat Luís Carrero Blanco, Franco’s gedoodverfde opvolger (‘Mijn programma kan in één woord worden samengevat: continuar’), in 1973 door de Baskische separatisten van de ETA was vermoord, werd duidelijk dat een autoritair systeem in geen toekomst meer had in Spanje. De overgang naar de democratie verliep opmerkelijk soepel dankzij de vastberadenheid van alle partijen en niet in het minst die van koning Juan Carlos, die al jaren achter de schermen had gepraat met denkers en politici om hun ideeën over de toekomst van Spanje te horen.

Studeren doet France aan de Complutense, de universiteit van Madrid. Oorspronkelijk opgericht in 1506 in Alcalá de Henares werd het al snel een vooraanstaand instituut. Onder auspiciën van de grootinquisiteur kardinaal Ximénez de Cisneros werd in 1517 ’s werelds eerste meertalige bijbel in het Hebreeuws, Latijn, Grieks en Chaldeeuws gepubliceerd. In 1836 verhuisde de universiteit naar Madrid. Eind jaren tachtig, schrijft France, liggen de faculteiten "als wrokkige, broeierige gezwellen" verspreid over het gebied ten noordwesten van Madrid waar tijdens de Burgeroorlog strijd was geleverd tussen generaal Mola (met een troep Marokkaanse soldaten) en de 11de Internationale Brigade (met vrijwilligers uit Engeland, Frankrijk, Duitsland en Polen). Ongeveer tienduizend mensen waren in het universiteitscentrum om het leven gekomen.

In Madrid vindt Gringa, zoals France door de recht voor de raapse Spanjaarden wordt genoemd, de romantiek en de revolutionaire sfeer waarover ze bij George Orwell had gelezen. De familie van Pascual Duarte, de controversiële naoorlogse roman van Camilo José Cela, is er verplichte kost onder studenten. De jarenlange dictatuur in Spanje had een levendige tegencultuur doen ontstaan. Iedereen die France leert kennen, verzet zich wel op een of andere manier tegen de conventies. "Het leek wel alsof de Spanjaarden het nog steeds gemakkelijker vonden om zich tegen een autoriteit te verzetten dan gewoon deel te nemen aan een democratie." Gesprekken gaan over politiek, over het marxisme, over het kwaad van het kapitalisme en het racisme van de Spaanse politie. Eten doen de jongelui in een van de goedkope casas de comidas met hun menú del día.

Nu ik dan eindelijk in het soort gezelschap van idealisten verkeerde waar ik op gehoopt had toen ik in Spanje aankwam, waren er dagen waarop ik het eens was met Ernest Hemingway dat Spanje het helemaal was. Het was vaak koud maar de lucht was altijd wolkeloos. Je kon over politiek en idealen praten zonder pretentieus te klinken. Daarbij vergeleken was Engeland maar een banaal land. Als ik aan thuis dacht, kreeg ik beelden voor ogen van grote doe-het-zelfwinkels, kiosken volgepropt met repen chocolade, keurige parkjes en tv-programma’s over dieren. Ik stelde me bejaarden voor die op bankjes in het park zaten met gedenkplaten op de rugleuning waarop de vele bejaarden werden herdacht die hen waren voorgegaan. Ik dacht aan het verveelde gewauwel van winkelmeisjes met blonde plukken in hun haar: ‘Dus ik draai me om en ik zeg… en hij draait zich om en hij zegt… dus ik draai me om en ik zeg… en hij draait zich om. ‘Verkoopsters die steeds maar rondwervelen: zo zou een revolutie van verkoopsters eruitzien, een Engelse revolutie.
Madrid verkeert ook nog in de greep van een post-Franco terugslag die bekendstaat als la Movida of ‘de beroering’. De nachten zijn lang, de madrileños swingen in de straten. In bars wordt voor weinig geld drank geserveerd, maar baldadigheden zijn betrekkelijk zeldzaam. Madrid vormt een middelpunt voor alle Spanjaarden maar de stad oefende ook aantrekkingskracht uit op studenten en bannelingen die de woelige regimes in Latijns-Amerika waren ontvlucht.

Miranda wordt verliefd op een jonge revolutionair die 'de Europese afgevaardigde van de Peruviaanse Jonge Communisten' wordt genoemd. Het is een schriel, modieus gekleed mannetje dat zijn zaak verdedigt met dure praatjes ("Als je er eenmaal aan gewend raakt om dode lichamen in de straten te zien liggen, verandert je kijk op het leven"). De "details van zijn geëngageerdheid" worden France nooit helemaal duidelijk, maar ze vindt hem de aantrekkelijkste man die ze ooit heeft gezien. Ze is duidelijk trots dat ze de anders zo overspelige revolutionair aan zich kan binden: "Vrouwen psychologiseren graag, willen de kern van een man raken en daar hun vlag in steken. Nu ik geheel onverwacht dat geheime domein betreden had, begon ik meer vertrouwen te krijgen in onze relatie, die nu al drie maanden duurde."

Miranda's nieuwe vrienden koesteren grote, door kopieermachines vermenigvuldigde idealen en voelen allerlei verplichtingen, "behalve misschien de verplichting om af te wassen". Ze geloven in de vrije liefde en zijn voorstanders van het nudisme. Bijverdiensten komen uit een kraampje met tweedehandsboeken over politiek en marxisme, en zelfgemaakte sieraden. Het woord ‘reactionair’ valt vaak, een term die gemakkelijk wordt gebruikt voor eenieder die het niet eens is met de revolutionaire opvattingen. Verscheidene activisten zijn naar Cuba geweest om daar met de koffieoogst te helpen. Een Madrileens feest ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de Russische Revolutie wordt opgeluisterd met een bejaarde gastspreker gezonden door het politbureau. Geen van de studenten kan in 1987-1988 bevroeden dat het communisme zo snel een verouderde ideologie zou worden. Vele van France's beste bladzijden schetsen dit pseudo-intellectuele milieu en relativeren de baldadige kreten die er worden geslaakt.

Een bordpapieren vizier
Wat Miranda France precies heeft met Don Quichot, toch de rode draad in haar boek, wordt nooit echt duidelijk. Behalve dan dat zijn schepper Miguel de Cervantes Saavedra (1547-1616) wordt geboren in het reeds genoemde universiteitsstadje Alcalá de Henares. Cervantes zelf zal niet echt kunnen profiteren van die intellectuele humus. Gedurende de tweede helft van de zestiende eeuw heeft het Spaanse intellectuele leven zwaar te lijden van het regime van Filips II, en nog tijdens Cervantes’ leven raakt het land steeds verder afgesneden van het gedachtegoed van de Renaissance. Spanje, dat geweigerd heeft zijn economie te moderniseren en zwaar afhankelijk is van bankleningen (ogenschijnlijk gedekt door de rijkdommen uit de Nieuwe Wereld), begint aan zijn terugval. Hoewel Cervantes katholiek is, maakt zijn deels joodse afkomst dat hij het als converso niet makkelijk heeft in het Spanje van de Contrareformatie.

In 1569 verlaat hij Spanje en trekt naar Italië, in dienst van Giulio Acquaviva, die in 1570 kardinaal wordt. Als lid van het Spaanse leger vecht hij tegen de Ottomanen in de Slag bij Lepanto op 7 oktober 1571. In deze gevechten verwondt hij zijn linkerhand die voorgoed verlamd blijft. Vanaf dan wordt hij el manco de Lepanto (de éénarmige van Lepanto) genoemd, hoewel de arm nooit geamputeerd wordt. Hij keert aanvankelijk niet naar Spanje terug, maar vertrekt naar de Spaanse Nederlanden (waarschijnlijk was hij nog steeds soldaat). Wanneer hij naar Spanje wil terugkeren wordt hij door piraten uit Algiers gevangengenomen. Hij verblijft vijf jaar in gevangenschap en wordt in 1580 vrijgelaten nadat zijn losgeld is betaald.

Terug in Spanje huwt hij met Catalina de Salazar y Palacios en publiceert het toneelstuk La Galatea in 1585, dat in een tijd dat het theater door Lope de Vega wordt gedomineerd, maar een matig succes heeft. Korte tijd is hij actief als leverancier en belastingambtenaar. In 1597 begint de vijftiger met het schrijven van Don Quichot, terwijl hij in Sevilla gevangen zit wegens onbetaalde schulden. In 1605 publiceert hij het eerste deel, voluit El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha. Het tweede deel over de vernuftige edelman Don Quichot verschijnt pas 10 jaar later, in 1615. Het boek is weliswaar succesvol, maar Cervantes verliest de daardoor verworven inkomsten weer (valselijk beschuldigd van moord en opnieuw achter de tralies) en sterft in 1616 in armoedige omstandigheden te Madrid.

In Don Quichot vertelt Cervantes het verhaal van Alfonso Quijano, een vijftigjarige landedelman die gek wordt na de lectuur van een overdosis ridderverhalen. De edelman besluit ze te evenaren en begint zichzelf ‘Quichot’ noemen. Een plaatselijke landarbeider, de winden latende, grappende makende Sancho Panzo stemt erin toe als zijn schildknaap te fungeren. In De waanideeën van Don Quichot wordt het boek de meest succesvolle roman in de geschiedenis van het boekwezen genoemd, en het meest vertaalde werk na de bijbel. Wat Don Quichot zo bijzonder maakt volgens velen, is de menselijkheid van de personages. Voorheen presenteerden romans een geïdealiseerd beeld van het leven. In Don Quichot zijn de karakters complex en onvoorspelbaar, en kunnen ze van gedachten veranderen.

Miranda France laat in haar boek verschillende fans van Don Quichot aan het woord. Freud onderkende de invloed van Cervantes (ook diens andere roman De dialoog tussen de honden) op zijn ideeën over psychoanalyse en leerde zelfs Spaans om Don Quichot te kunnen lezen. Thomas Mann las het boek op de boot van nazi-Duitsland naar New York in 1934. Borges publiceerde een kortverhaal waarin ene Pierre Menard door voor zichzelf de omstandigheden van zestiende-eeuws Spanje op te roepen een geheel identiek Don Quichot probeert te schrijven. Nabokov was ook een liefhebber van het boek, maar vond de auteur nogal wreed omspringen met zijn sympathieke personage. Voor Flaubert was het ziektebeeld van Don Quichot een aanleiding om Madame Bovary te schrijven. Het psychologisch realisme van Cervantes zou van grote invloed zijn op de hele negentiende-eeuwse romankunst. Hedendaagse auteurs laven zich aan het postmodernisme avant la lettre in Don Quichot — personages die zich realiseren dat ze personages zijn, en reageren tegen het plagiaat van Avellaneda.

De attractiviteit van de vernuftige edelman heeft zeker ook te maken met de vaagheid van zijn motieven en de raadselachtige oorzaken van zijn ziektebeeld. Iedereen leest in het boek wat hij wil — dat Don Quichot tijdens de Spaanse Burgeroorlog werd opgeëist door nationalisten én republikeinen mag exemplarisch heten. Don Quichot wil een held zijn, maar de wereld waarin hij zijn heldendom wil bewijzen bestaat niet, dus verzint hij die, hetzij doelbewust of als gevolg van zijn krankzinnigheid. Juist dit grijze gebied maakt het boek fascinerend, schrijft France: de mate waarin hij het slachtoffer of de schepper is van zijn waanideeën.

Voor Don Quichot verandert een herberg in een kasteel, windmolens zijn reuzen, prostituees schijnen hem prinsessen toe, een kudde schapen wordt een leger, een paardentrog lijkt een doopvont. Waar komt die labiliteit vandaan? Wat is de functie van die waanideeën? Cervantes kende vast de theorie van Juan Huarte, die krankzinnigheid toeschreef aan een onevenwicht tussen de vier lichaamssappen: melancholie, bloed, gal en slijm. In onze moderne tijd, grapt France, zou men zijn aandacht richten op het seksleven van Don Quichot, het ontbreken van een vriendin. De schrijfster draagt ook een historische verklaring aan:
Het zou kunnen dat Don Quichot worstelde met statusverlies. De zestiende eeuw was een onzekere tijd voor een Spaanse edelman. Tot dan toe was de maatschappij verdeeld geweest tussen gewone burgers, die werkten en belasting betaalden, en edelen, die waren vrijgesteld van belasting maar in oorlogstijd de koning dienden. Als lage edelman of ‘hidalgo’ had Don Quichot misschien een hogere edelman moeten vergezellen in de strijd, en diens schild en wapen moeten dragen, maar door de modernisering in het leger was een dergelijke dienstverlening niet meer nodig. Spanje was bezig om van een feodale staat in een kapitalistische staat te veranderen. Een toevloed van goud en edelmetalen uit de Nieuwe Wereld dreef de prijzen op, waardoor veel kleine landeigenaars het hoofd niet meer boven water konden houden. De hidalgo’s zagen zich met een dilemma geconfronteerd: ze waren arm maar het was voor hen maatschappelijke onaanvaardbaar om te werken. Hoewel sommigen naar de steden trokken en daarin dienst traden van de aristocratie, werden velen heen en weer geslingerd tussen honger en de behoefte om de schijn op te houden.
Maar is Don Quichot écht een onversneden gek? Een twijfelaar die een vereenvoudigd patroon schept om de wereld aan te kunnen? Of een idealist die hoopt dingen te kunnen waarmaken door er maar sterk genoeg in te geloven? Ergens in de roman maakt hij een bordpapieren vizier voor zichzelf. Hij geeft er een klap met zijn zwaard op en natuurlijk breekt het ding onmiddellijk. Niet getreurd: Quichot maakt een tweede vizier, en besluit het niet meer uit te testen. Moraal van het verhaal: de realiteit zal hem niet treffen zolang hij weigert om die dichtbij te laten komen.

Don Quichot lijkt bovenal het verwoestend effect van boeken te beschrijven, maar France stelt dat het voor Cervantes niet een doel op zich was om de spot te drijven met ridderromans. Sinds het begin van de zestiende eeuw, aldus de schrijfster, genoten romantische verhalen over ridders inderdaad een enorme populariteit in Europa, zowel onder koningen en conquistadores als onder ongeletterde mensen. Boeken over Amadís van Gallië en Palmerijn van Engeland kwamen op de lijst van verboden werken te staan, maar de inquisitie liet het favoriete volksvermaak oogluikend toe. In de tijd van Don Quichot (begin zeventiende eeuw) was die populariteit echter al aan het afnemen. Niet door toedoen van Cervantes dus, maar onder druk van de tijdsgeest. Het wereldbeeld van de zeventiende eeuw werd wetenschappelijker. Bedenk: Galilei, Bacon en Descartes waren tijdgenoten van Cervantes. De waarheid won aan belang en Cervantes was in de optiek van France een van de eersten die beschreef hoe moeilijk het was die waarheid te bereiken.


Plaat uit Don Quichot, Gustave Doré (1863)

Een plaatsje in La Mancha
Het recept waarvan Miranda France zich bedient om Don Quichot en haar eigen Spaanse studententijd met elkaar te verweven, heet symmetrie. Een travestiet onder haar balkon koppelt ze aan een discussie over schijn en wezen tussen Sancho Panza en zijn baas. Preoccupaties met haar overspelige revolutionair mengt Miranda met het ideaal van ridderlijke trouw en exclusiviteit bij Cervantes. Opmerkingen over de onbetrouwbaarheid van Moren in de roman leiden dan weer tot bespiegelingen over de groeiende anti-Marokkaanse gevoelen bij de hedendaagse Spanjaarden. Haar mooiste parallel bewaart ze voor het einde van het boek, wanneer ze deelneemt aan een protestactie bij de NAVO-basis in Torrejón de Ardoz.

Toch had dat opzichtig gelink niet gehoeven voor mij. De herinneringen van France zijn ook zo al onderhoudend en leesbaar. Al was het maar omdat ze haar memoires ook afzet tegen de situatie tien jaar later, in 1998, als ze Spanje opnieuw bereist. Bepaalde zaken zijn eeuwig in Spanje, klinkt het dan. Iedere avond rond acht uur daalt er een bepaalde geur over het land. De kantoren sluiten, het serieuze gedeelte van de dag is achter de rug en een mengeling van haarlak en eau de cologne waait door de straten. Zelfs de meest slonzige huisvrouwen maken zich mooi op voor el paseo, de avondwandeling. De Spanjaarden zijn de meest sociale Europeanen en brengen iedere dag minstens tweeënhalf uur door met vrienden, meestal in een bar. Een onderzoek uit 1990 wees uit dat Spanje slechts iets minder bars telde dan de rest van de Europese Unie bij elkaar.

France ontmoet nogal wat nonnen in haar boek, waaronder een paar die hun land bij wijze van spreken niet meer hebben gezien sinds de invoering van de democratie. Maar het beeld van een arm, landelijk en katholiek land is allang achterhaald, stelt de schrijfster. Spanje scoort tamelijk laag op de internationale economische ranglijst, jazeker, maar de Spaanse levensstandaard — als je dus ook onderwijs en gezondheidszorg meeweegt — behoort tot de beste ter wereld. Spanjaarden met alle mogelijke achtergronden zijn nu rijker dan vroeger, en beschikken vaak over meer koopkracht dan hun tijdgenoten in Engeland. De meesten van hen wonen in de steden, hoewel negentig procent van Spanjes oppervlak uit landbouwgrond bestaat. Minder dan de helft van de Spanjaarden is nog praktiserend katholiek. Ze zijn wel nog steeds gehecht aan hun pueblo (geboortedorp) en komen altijd terug voor de traditionele feesten. Spanjaarden zijn zo dol op hun familie dat ze met zeer grote tegenzin uit huis gaan. "Spaanse mannen zijn toe vervelens toe trouw aan hun moeder", staat er ergens. Spanjaarden lijken daarin op Italianen.

Voor de rest verricht Miranda France enig veldwerk en doet ze verschillende Castiliaanse locaties aan. Zoals daar zijn: Argamasilla del Alba, dat zich erop beroept "het plaatsje" te zijn waar volgens de eerste zin van Don Quichot "een edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind" leefde.

Maar ook: Salamanca. Daar heeft Miranda France halverwege de jaren tachtig zes maanden gewoond om haar Spaans te oefenen voor ze naar de universiteit ging. Het staat bekend als het Oxford van Spanje, vanwege de fraaie architectuur, het zuivere Spaans, en omdat de stad al eeuwenlang een centrum van geleerdheid is. Columbus heeft hier academici geraadpleegd voordat hij zijn tocht naar de Nieuwe Wereld ondernam. In de zeventiende en de achttiende eeuw heeft de angst van de kerk voor intellectuelen de universiteit echter de das omgedaan toen bepaalde boeken verboden werden en de studies wiskunde en medicijnen werden opgeheven.

Salamanca ademt de waarden van het burgelijke, conservatieve Spanje. Net zoals aan het begin van de Burgeroorlog dus, toen de stad moeiteloos in de handen van de nationalisten viel. In 1936 vestigde Franco in deze stad zijn hoofdkwartier; hier hebben zijn medegeneraals hem de naam ‘Generalísimo’ gegeven en hem meer macht verleend dan enige andere Spaanse leider sinds Filips II ooit had genoten.

Miguel de Unamuno werd er in 1900 rector van de universiteit en behield die titel tot zijn dood in 1936. Unamuno was een van de bekendste Spaanse filosofen, gekweld door het failliet van Spanje, het al dan niet bestaan van God en de zin van het leven. Hij behoorde tot de Generatie van ’98, vernoemd naar het jaar waarin Spanje zijn laatste grote kolonie, Cuba, kwijtraakte (‘El Desastre’). Na een conflict tussen Unamuno en de nationalistische generaal Millán Astray, drie maanden na het begin van de Burgeroorlog, werd hij voorgoed onder huisarrest geplaatst.

In Toledo mijmert France over de doolhofachtige straatjes waar de nationalisten republikeinen mee naar toenamen om ze te executeren — in andere steden gebruikten ze bij voorkeur arena's voor de massale executies. Toledo is vanzelfsprekend aanleiding voor meditaties over de multiculturele wortels van de Spaanse cultuur. In 712 kwamen de Moren in Toledo aan. Gedurende de daaropvolgende drie eeuwen werd Toledo onder het bewind van de moslims een levendig handelscentrum en bood de stad onderdak aan een bloeiende mengeling van drie culturen: joden, moslims en mozarabieren (christenen onder Moorse heerschappij). Nadat de stad in 1085 door de christenen — met hulp van El Cid — was veroverd, werd die tolerante vermenging voortgezet. Ooit telde de stad zeven synagogen. In de twaalfde eeuw werd een gerenommeerde vertalersschool gesticht. In de tijd van Cervantes zetelde het koningshuis nog in Toledo, de Plaza de Zocódover was het centrum van het rijk.

Toen het koningshuis naar Madrid verhuisde in 1560 zette het verval van Toledo in. Aan het eind van de zestiende eeuw begon het hele land aan zijn neergang. Dankzij de conquistadores was het Spaanse rijk het grootste ter wereld geworden, en een belangrijk centrum van wetenschap en discussie. Maar de rijkdom bleek een illusie, en de voorraad zilver alleen maar in schijn onuitputtelijk. Slechts een kwart van Filips inkomsten kwam uit Latijns-Amerika, de rest was geleend van buitenlandse bankiers of via steeds hogere belastingen (geïnd door bureaucraten als Cervantes).

Ook de religieuze paranoia greep eind zestiende eeuw om zich heen. Spanje was vooral bang dat het lutheraanse protestantisme zich op het schiereiland zou wortelen. Erasmus, door de inquisitie als een Noord-Europese ketter beschouwd, werd verdacht populair. Figuren zoals hij zouden een wig drijven tussen de groep die Spanje wou openstellen voor het ideeëngoed uit het Renaissancistische buitenland, en een tweede groep die zich liever wou terugtrekken in haar herinneringen aan het glorieuze verleden. Spanje was in die dagen multiracialer dan zijn buurlanden en dat werd opeens als een bedreiging beschouwd. In 1567 verbood Filips II alle moslimgewoonten (geen varkensvlees eten, dagelijks een bad nemen). Vele morisco’s (‘christelijke’ moren na de val van Granada) kwamen op de brandstapel terecht. Morisco’s werden door velen beschouwd als agenten van het Turkse Rijk (tegen hetwelk Spanje in 1571 dus nog een overwinning had behaald bij Lepanto). In 1609 kregen 300.000 morisco’s de opdracht om Spanje te verlaten. Veel later verbood ook de katholieke Franco iedere andere religie om naar buiten te treden of literatuur te publiceren. Zodra de grondwet van 1978 de Spanjaarden de ondubbelzinnige vrijheid van godsdienst verleende, bekeerden honderden van huis uit katholieke Spanjaarden zich tot de islam.

Ooit vormden de aartsbisschoppen van Toledo, de kerkvorsten van Spanje, het op een na hoogste gezag na de koning. Nadat Tomás de Torquemada, een joodse converso (tot het christendom bekeerde jood), eerste generaal inquisiteur werd, werd de inquisitie minder gruwelijk, al bleef ze een geest van verraad en wraakneming in de hand werken. Waarschijnlijk is meer dan driekwart van alle converso’s die tijdens de driehonderd jaar dat de inquisitie bestond het leven hebben gelaten, eind 1400 ter dood gebracht, toen de paranoia (de idee dat de converso’s stiekem jood bleven) op zijn hoogst was. In dat licht moet ook de passage in Don Quichot bekeken worden waar Cervantes naar nieuwe verhalen speurt op de grote boekenmarkt in Toledo. Zodra deze een nieuw manuscript te pakken krijgt, wordt het verhaal verteld door een Arabier en vertaald door een morisco!

France doet ook Ávila aan, met zijn anderhalve kilometer borstwering, waar moslimgevangenen negen jaar aan hadden gebouwd nadat Alfons VI de stad in 1090 op de Moren had veroverd. De lezer verwacht een verhaal over mystiek — de heilige Theresia van Ávila of Sint-Johannes van het Kruis — maar de schrijfster laat het na. De mythe van romantisch Spanje komt ook niet voor in haar literatuurlijst.

Twee Spanjes
Dan gaat het naar Burgos: vijfhonderd jaar lang de hoofdstad van het koninkrijk Castilla y León geweest, en ook de geboorteplaats van El Cid, de held die het Arabische gedeelte van Spanje heroverde en wiens graf in de kathedraal ligt. Tijdens de Burgeroorlog was ook Burgos een nationalistisch bolwerk en de zetel van waaruit Franco zijn militaire operaties plande. France neemt de locatie te baat om te mediteren over de aanleiding van het bloedige conflict.

De negentiende eeuw had Spanje verspild aan staatsgrepen en conflicten tussen de zeer onverzoenlijke progressieven en reactionairen. De progressieven wilden Spanje — een voor de helft analfabeet land met beperkt stemrecht en een verstikkende relatie met de kerk — moderniseren en van de luie snobs een productieve elite maken. De reactionairen wilden daar allemaal niets van weten en Spanje zoveel mogelijk autarkisch maken. Zo ontstonden 'twee Spanjes'. Diverse intellectuelen zoals Unamuno, Azorín, Ramiro de Maeztu en Ortega y Gasset beschouwden de introversie van Spanje als een hinderpaal voor vooruitgang — een soort zelfmisleiding à la Don Quichot. Unamuno pleitte zelfs een tijdje voor een burgeroorlog bij wijze van wake up call.

In dit klimaat wordt Manuel Azaña in 1931 de eerste minister van de tweede Spaanse Republiek. Het is de eerste echte kans op democratie: aan het dictatorschap van Primo de Rivera was zonder bloedvergieten een einde gekomen; Alfonso XIII was uit eigen beweging in ballingschap gegaan. Er was een prille cultuur van compromissen ontstaan, iets waar de meeste politici in die tijd een hekel aan hadden. De meeste Spanjaarden, ook de middenklasse, koesterden bovendien anti-klerikale gevoelens. Onder Azaña komt er algemeen stemrecht, en worden kerk en staat gescheiden. De militaire academie in Zaragoza wordt gesloten en er komen anti-kerkelijke maatregelen: zo zouden alleen burgerlijke huwelijken worden erkend. De linkse partijen hechten veel belang aan cultuur en onderwijs: de republikeinse regering van de jaren dertig had rondreizende groepen acteurs, onderwijzers en kunstenaars — onder anderen Federico García Lorca — naar afgelegen gebieden gestuurd om daar cultuur, onderwijs en burgerlijke verantwoordelijkheid te propageren.

Bij de verkiezingen van 1933 draait een rechtse coalitie alle hervormingen echter terug. Drie jaar later, in 1936, worden de verkiezingen opnieuw gewonnen door Azaña, uit angst dat fascisme zou zegevieren. Stakingen van arbeiders verzwakken echter zijn regering, en uiteindelijk plegen de militairen een staatsgreep. Het Afrikaanse leger, onder leiding van generaal Franco, komt in Marokko in opstand, en de volgende dag sluiten verscheidene garnizoenen in Spanje zich daarbij aan. De nationalisten plannen een makkelijke overwinning, maar de felle tegenstand van republikeinen, het enthousiasme van de burgers, vakbondsleden en buitenlandse vrijwilligers zorgt voor een burgeroorlog van drie jaar en drieënhalf miljoen doden.

Eens aan de macht wil Franco Spanje voorgoed zuiveren van communisten, vrijmetselaars en buitenlanders, zonder daar echt heldere ideeën over te hebben. De overweldigende steun van de kerk garandeert Franco’s loyaliteit aan dat instituut. Hij bewondert openlijk de katholieke koningen Isabella en Ferdinand en roept het Escorial uit tot hét symbool voor Spanjes hoogtijdagen. De gedachte van ‘gezegende achterlijkheid’ domineert de jaren veertig. Onder Franco wordt de positie van de vrouw precair. Vrouwen krijgen maar beperkt toegang tot hoger onderwijs, en zijn juridisch voor zowat alles afhankelijk van de toestemming van de man. Echtscheiding is verboden. De kinderen die uit eventuele tweede huwelijken zijn geboren, worden als buitenechtelijk beschouwd. Seculier onderwijs is niet meer mogelijk.

In de jaren vijftig is de censuur in Spanje niet meer zo heel streng, maar de eerste tien jaar van Franco’s regime waren verschrikkelijk. Duizenden politieke dissidenten, docenten, academici en journalisten worden geëxecuteerd of raakten hun baan kwijt. In 1939 wordt de Wet op de Politieke Verantwoordelijkheid aangenomen en worden banen bij bibliotheken, instellingen of kranten door ambtenaren vervuld van wie men zeker weet dat ze Franco’s lijn volgen. Buitenlandse films zijn nagesynchroniseerd of aangepast. Illustraties in tijdschriften worden getoucheerd. ‘Russische salade’ moet veranderd worden in ‘keizelijke’ salade. De naam Roodkapje wordt omgeturnd tot Blauwkapje. Spanje viert de boekenbeurzen van 1939 en 1940 met... boekverbrandingen.
Dictators beseffen beter dan wie dan ook de gevaren van het lezen. De Spanjaarden die in de jaren veertig kranten openvouwden, troffen daar een inhoud aan die geen enkele controverse of discussie bevatte. Richtlijnen van Franco’s ministerie van Informatie verboden iedere verwijzing naar arrestaties, rechtszaken, executies, stakingen, de verbannen koninklijke familie, de verslagen republikeinen, misdaden, zelfmoorden, faillissementen, dalende beurskoersen, devaluaties, tekorten aan voedsel en huisvesting, prijsstijgingen, industriële en verkeersongelukken, epidemieën, droogte, overstromingen of stormschade.
Na Franco’s dood in 1975 kunnen de mensen terug scheiden. Voorbehoedsmiddelen zijn toegestaan, en de wil van de kerk is niet langer wet. In een poging om de kerk en de staat te scheiden kiest de in 1982 gevormde socialistische regering voor een wet waarbij belastingbetalers ervoor kunnen kiezen dat een deel van hun belasting naar de kerk ging. 'Roze romans’ (pornografie) maken hun comeback en een feministische schrijfster als Almuneda Grandes verkoopt een miljoen boeken. Almodóvar draait zijn bontgeschakeerde films. Waar vroeger alle filmkussen werden gecensureerd, is nu volop porno te bekijken op zaterdagavond. Het klassieke huwelijk komt onder druk te staan.

De autonomie van de noordelijke provincies — onder Franco vakkundig gefnuikt — wordt hersteld met de grondwet van 1978, waarin Galicië, Catalonië en Baskenland aangewezen worden als ‘historische nationaliteiten’. Hoewel deze provincies nog steeds bij Spanje hoorden werd hun claim dat ze anders waren toen voor vol aangezien: hun eigen talen werden officiëel erkend en de provincies kregen een autonome regering. Maar toen ze zagen wat die noordelijke provincies hadden bereikt, begonnen ook de mensen in de andere delen van Spanje om autonomie te roepen. Andalusië beweerde dat het zich onderscheidde van de rest van Spanje vanwege de Moorse invloed op die streek. En de inwoners van Valencia beweerden dat ze een eigen taal en erfgoed hadden. Eind 1983 maakt iedere provincie in Spanje daarom deel uit van een van de zeventien autonome regio’s. Zelfs bepaalde Castilianen (die niet kunnen klagen over de status van hun taal, die de nationale taal is geworden) vinden dat hun typische folklore — Burgos is heel lang de hoofdstad van het oude Castilië geweest — in de vergetelheid is geraakt.

En ach, dan moet ik nog kwijt dat bepaalde interviewees van France de Spaanse volksaard min of meer voorgespiegeld zien in Don Quichot. Het heeft te maken met een vastbeslotenheid om de wereld naar het eigen ideaal te vormen. Spanjaarden, zegt iemand tegen de schrijfster, passen zich niet aan de wereld aan, ze proberen de realiteit in hun eigen vorm te persen. De Burgeroorlog is daarvan het meest extreme voorbeeld. Er bestond geen absolute waarheid, geen enkele groepering had helemaal gelijk, en toch hebben ze elkaar verscheurd. Die onhebbelijke trek bestaat nog steeds. Kijk naar de praatprogramma’s op tv, die zo vaak in ruzies uitmonden, omdat deelnemers weigeren ruimte te maken voor andermans woorden.

Soit. Bij het oppakken van dit boek wou ik vooral een soort supplement lezen op het ooggetuigenverslag van Jan Morris, die in de jaren zestig Spanje bereisde. France loste die verwachtingen in. Ooit moet ik De waanideeën van Don Quichot vergelijken met In een dorpje van La Mancha..., het boekje waarin Marijke Arijs haar tochten door de Spaanse binnenlanden opsiert met bespiegelingen over Cervantes.

Jammer dat deze vertaling ontsierd wordt door evidente fouten: een 'kopie' van een boek, de korte 'roman' (novella) Die Wahrheit über Sancho Pansa, een biografie ‘over’ Cervantes...

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Miranda France, De waanideeën van Don Quichotte
Een reis door het Spanje van Cervantes

270 p.
Uitgeverij Atlas, 2006
Oorspr. Don Quixote’s delusions : travels in Castilian Spain (2001)
Vertaald door Ankie Klootwijk
____

zondag 11 juli 2010

Zomerreces 2010 [1]

Achille neemt tweemaal twee weken rust tijdens de maanden juli en augustus. Om van de zon te genieten, dikke boeken te lezen en de grens over te trekken. Nieuwe besprekingen niet eerder dan maandag 26 juli. De activiteiten op PvD gaan tijdens dit eerste oponthoud onverminderd verder.

____

Gespot op blogspot dot com [21]

Vintage Goodness ['a blog for all the vintage geeks']
> http://vintagegoodness.blogspot.com

Perpetua ['Ronald Searle tribute']
> http://ronaldsearle.blogspot.com/

Bldgblog ['architectural conjecture, urban speculation, landscape futures']
> http://bldgblog.blogspot.com/

____

zaterdag 10 juli 2010

Echte mannen willen niet naar Mars - Hans van Maanen

Alleen kritiek verheft wetenschap boven borrelpraat, zegt wetenschapsjournalist Hans van Maanen. Juist van de felle discussies tussen wetenschappers mag je hopen dat ze de ergste onzin filteren. Niet-gespecialiseerde journalisten lijken dat niet te begrijpen. Die denken dat resultaten uit het eerste het beste wetenschappelijk onderzoek meteen de harde waarheid bevatten. Maar zelfs onverdachte bronnen als Nature en Science blijken niet vrij van fouten.

Wetenschappelijk nieuws wordt veel te serieus genomen, vindt Hans van Maanen. Nieuwe wetenschappelijke vondsten in de vakbladen zijn in wezen niet meer dan vermoedens, suggesties om raadselachtige verschijnselen beter te verklaren.

Er is een groot verschil tussen de wetten van de zwaartekracht of de thermodynamica en de jongste bevindingen van het genenonderzoek of de epidemiologie — de eerste zijn onwankelbare zekerheden, de tweede onzekere wankelbaarheden.
Van Maanen stelt zich in zijn columns tot taak om onderzoek dat als wetenschappelijk gepresenteerd wordt met een sceptisch oog te bekijken. Dat hij een boekje van tweehonderd pagina's dertig pagina's verantwoording meegeeft — technische details, aanmerkingen, en rechten van antwoord van betrokken figuren — is veelzeggend. Dat hij op zijn website een langwerpige pagina met errata en dubbelchecks heeft staan, typeert 'm evenzeer.

De leukere tweede helft van Echte mannen willen niet naar Mars — wat mij betreft onmisbaar voor elke geïntereseerde leek — staat vol met kort en kritisch doorgelicht wetenschappelijk onderzoek. Daarover straks meer.

Aftrappen doet de bundel echter met enkele langere beschouwingen, die in zekere zin óók aanmanen tot scepsis. Het titelstuk gaat bijvoorbeeld over de medische, praktische, psychologische problemen die een bemande Marsreis (en de thuiskomst) met zich meebrengt. Als je het eenmaal gelezen hebt, kijk je toch anders naar alle berichtgeving over verre ruimtereizen. ‘Oorverdovende stilte bij Seti’ relativeert dan weer de zoektocht naar buitenaardse beschaving sinds Frank Drake.

‘Kans op veroveren heelal verkeken’ ontvouwt het doemdagargument van het duo Carter en Leslie. Met niet meer dan de veronderstelling dat wij slechts willekeurige intelligente wezens zijn, is volgens de kansrekening met 95 procent zekerheid af te leiden dat de mensheid nog hooguit tussen de tweehonderdduizend en de acht miljoen jaar te gaan heeft, dat de kans op een overbevolkingsramp zeer groot is en dat de mogelijkheden tot kolonisatie van ons melkwegstelsel al verkeken zijn. Immers, het algemeen geldt dat de levensduur van iets waarover geen informatie beschikbaar is — bijvoorbeeld omdat het volstrekt uniek — met 95 procent betrouwbaarheid kan worden voorspeld: het zal langer bestaan dan 1/39ste van de tijd dat het al bestaat, en korter dan 39 keer die periode. En dat is ook wel logisch: de tijd dat iets bestaat, is een indicatie voor de standvastigheid, niet alleen in het verleden maar ook in de toekomst.

Echte mannen gaat niet alleen over interplanetaire toestanden. 'Het nadeel van kleine mannen' geeft alle redenen aan waarom lichaamslengte het eerste criterium is bij de partnerkeuze. 'Mijn mobieltje is kleiner dan het jouwe' is het fascinerende verslag van een onderzoek dat de functie van "telefoonpraal" (imponeren met gsm's) probeert te achterhalen. 'Gödel, Escher maar geen Bach' somt alle slordigheden op die Douglas Hofstadter beging in Gödel, Escher, Bach. Als hij zo slordig omspringt met Bach, vraagt Van Maanen zich af, wat dan met de precisie over wat hij ten berde brengt over de werking van DNA, kunstmatige intelligentie en de rest van de wereld?

In 'De taal van de wetenschapper' verontschuldigt Van Maanen het gebruik van jargon bij wetenschappers; alledaagse woordenschat is ontoereikend om over niet-alledaagse dingen te spreken — maar ook voetbaltrainers, boekhouders en reisjournalisten ontkomen daar niet aan. Het gevaar bestaat wel dat jargon dat gemeengoed wordt ('moedercomplex') vaak niet de bijbehorende inhoud heeft meegekregen.

Verfrissend, en een goede aanvulling op dat klimaatsceptische boek van Salomon Kroonenberg is het artikel ‘Piekeren over het klimaat is van alle tijden’. Van Maanen vat daarin de ideeën van Hans von Storch en Nico Stehr samen uit hun boek Klima, Wetter, Mensch. Van oudsher denkt men al dat het klimaat de mens bepaalt (‘Noord-Europeanen zijn ijverig dan Afrikanen omdat ze in een ruwer klimaat moesten zien te overleven’), en dat in klimaatverschijnselen een straffende hand gezien moet worden. In het pessimistische klimaatdeterminsme van tegenwoordig valt bovendien een interessante paradox te ontwaren. Von Storch:
Er lijkt een soort terugkeer van het klimaatdeterminisme in de wetenschappelijke arena op te treden. Natuurlijk niet in dezelfde vorm als vroeger, want het klimaat is nu niet meer vast maar veranderlijk, en de geleerden werken nu met computermodellen en scenario’s waarin waterverbruik, levensverwachting en toerisme worden meegewogen. Maar nog steeds wordt met minder goed te voorspellen zaken als economische ontwikkelingen, technische mogelijkheden en maatschappelijke veranderingen geen rekening gehouden. De mens is in dit model toch weer speelbal van het — nu veranderlijke — klimaat geworden.
Wat steeds buiten beschouwing blijft, is dat boeren niet dom zijn: als het klimaat verandert, zullen zij mee veranderen en andere gewassen gaan verbouwen. Dat hebben ze de afgelopen duizenden jaren gedaan, dus dat zullen ze ook in de toekomst doen. Ik geloof er niets van dat de mens het nu opeens tot een catastrofe zou laten komen. Als je klimaatdeskundigen vraagt wat er dan precies zal misgaan, noemen ze altijd iets wat ver weg is — van de gevolgen dichter bij huis weten ze wel dat ze die aankunnen. Uiteindelijk komen ze altijd uit bij overstromingen in Bangladesh en bij een toename van malaria.
Echte mannen bevat daarnaast een roundup van drie beruchte fraudegevallen in de Nederlandse wetenschapswereld. Uit elke casus valt wel iets te leren.

Zo was er de affaire-Buikhuisen. Wim Buikhuisen was een hoogleraar Criminologie en Penologie aan de Universiteit van Leiden. Anders dan in die tijd gebruikelijk was, wilde Buikhuisen zich in het nature-nurturedebat niet richten op omgevingsfactoren (nurture) maar op biologische factoren (nature). Buikhuisen meende dat mensen een criminele aanleg kunnen hebben. Zo reageert de één anders op bijvoorbeeld stress dan de ander. Vrij Nederland en de VN-columnist Piet Grijs liepen voorop in een felle aanval op Buikhuisen. Volgens VN werden criminaliteit en andere afwijkingen primair veroorzaakt door de moderne kapitalistische maatschappij en/of een autoritaire opvoeding.

De indruk bestaat dat Buikhuisen door deze lastercampagne ten onder ging. Maar Grijs blijkt maar bijzaak. In 1981 maakte de vakgroep van Buikhuisen bekend dat Buikhuisen, ondanks de royale middelen die hij had gevraagd en gekregen, niets uitvoerde, geen onderzoeksvoorstel had afgerond, zich onttrok aan vergaderingen en zonder toestemming van de vakgroep buitenlandse reizen maakte. Hij werd toen overgeplaatst naar de psychologiefaculteit, maar meldde zich kort daarop ziek. In december 1988 hield Buikhuisen op doktersadvies de wetenschap helemaal voor gezien.

Ondertussen vervuilt de naam Buikhuisen de discussie het debat over aanleg en opvoeding. Elke keer valt zijn naam (en de onheuse manier waarop Buikhuisen behandeld zou zijn) bij pogingen om kritiek op nieuw onderzoek in sociobiologische zin onschadelijk te maken.

De affaire-Swaab toont dan weer mooi hoe de media over wetenschap berichten. Neurobioloog Dick Swaab is vooral bekend geworden door zijn onderzoek en ontdekkingen op het gebied van de hersenanatomie en -fysiologie, met name de invloed die allerlei hormonale en (bio)chemische factoren al in de baarmoeder op de hersenontwikkeling hebben. De kleine verschillen in de bouw van de hersenen tussen hetero's en homo's die Swaab ontdekte, werden in de media, tegen alle nuances van Swaab in, geïnterpreteerd als oorzaak van homoseksualiteit.

Derde geval is de affaire-Buck. Halverwege de jaren tachtig verkondigde de scheikundige Henk Buck een grote doorbraak in de strijd tegen aids te hebben geforceerd. Dat bleek niet zo te zijn. Later verweet een commissie dat Buck onvoldoende had gereageerd op kritische signalen uit zijn eigen vakgroep. Zijn naaste medewerker bleek ook niet in staat om binnen de gestelde tijd zuiver fosfaatgemethyleerd DNA (waar het hele onderzoek rond draaide) te leveren. Op grond van de bevindingen van de commissie werd professor Buck ontheven uit zijn leidende functies. Zijn artikel in Science moest worden teruggetrokken.

Van Maanen schetst hoe Buck bescherm genoot van zijn alma mater, en hoe makkelijk journalisten eerbied tonen voor geleerden die in het verleden goed werk hebben geleverd. De journalisten tuinden dus in de kwakkel, maar waren in tweede instantie ook de klokkenluiders.

Gangbare fouten in wetenschappelijk onderzoek
Dan zijn we toe aan de sceptische doorlichting van wetenschappelijk onderzoeksresultaten zoals die in krant en vakblad worden gepresenteerd. Uiterst geestige lectuur is het, waarin Van Maanen denkfouten en belabberde statistiek tegen het licht houdt — bij werk van promovendi gaat dat altijd gepaard met een sneer naar hun weinig kritische promotor. Dat zoveel onderzoek draait rond gezondheid en geneesmiddelen zal wel iets zeggen over de tijdsgeest.

Doodjammer alleen dat Van Maanen in een boekje als dit geen checklist opneemt waarmee de leek krantenberichtgeving beter kan taxeren. Het had de meerwaarde kunnen zijn van wat nu een vrijblijvende bundeling columns blijft.

Daarom een eigenhandige poging om de voornaamste gangbare fouten in wetenschappelijk onderzoek (zoals ze in dit boekje tot uiting komen) op een rijtje te zetten.

1. Correlatie verwisselen met causaliteit. Er is ook een verband tussen het aantal ooievaars in een streek en het aantal geboorten, maar dat betekent niet dat de ooievaar de kindertjes brengt. Beide kunnen bepaald worden door een derde factor, die we nog niet kennen. Van Maanen geeft nog een scherper voorbeeld om aan te geven dat begeleidende omstandigheden niet noodzakelijk de oorzaak zijn van iets. "Mannen langer dan 1,85 meter hebben maar liefst 88 procent meer kans op alvleesklierkanker dan mannen kleiner dan 1,73 meter."

2. Gemiddelden nemen als bepalend kenmerk. Mannen zijn gemiddeld zwaarder dan vrouwen, maar niet elke vrouw is lichter dan elke man. Op dezelfde manier kunnen we — na de wetenschap dat de ringvinger van mannen, van homoseksuele vrouwen en van goede voetballers gemiddeld gesproken langer is — nog niet voorspellen of iemand met een lange ringvinger homoseksueel of een goede voetballer is.

3. Effecten? Misschien, maar sowieso heel minimale. Middelbare vrouwen die ruimschoots vis eten zouden minder kans hebben op een beroerte. Van Maanen noemt een onderzoekje waarin die kans inderdaad leek te dalen, van ruwweg 1 procent (überhaupt al geen groot probleem dus) tot 0,5 procent. Uiteindelijk kan door veel vis te eten slechts één beroerte voorkomen worden op tweeduizend vrouwen, blijkt verder. En dat geldt dan nog alleen voor herseninfarcten, niet voor hersenbloedingen. Een ander onderzoekje beweerde dat frambozen slokdarmkanker zouden voorkomen. Althans, 13 van de 13 ratten die geen frambozen hadden gegeten (maar met kankerverwekkende nitrosamine werden ingespoten) kregen kanker, tegen 11 van de 14 die niet zoveel hadden gekregen, en 12 van de 13 ratten die veel frambozen hadden gegeten. Geen resultaten om naar huis over te schrijven.

4. Gevaar? Misschien, maar sowieso in onrealistische omstandigheden. Kinderen worden teveel blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen. Ja maar alleen als ze een paar kilo appels (!) per dag opeten.

5. Onderzoek dat gefinancierd wordt door belanghebbenden. Voorbeeld uit Echte mannen: een onderzoek waaruit blijkt dat drie op de tien gebruikers van antidepressiva seksuele klachten hebben (het resultaat van een schriftelijk onderzoek onder tweehonderd psychiaters) werd besteld en gefinancierd door het bedrijf Bristol-Myers Squibb, dat een paar weken later een antidepressiemiddel introduceerde dat... minder negatieve bijwerkingen op het seksuele vlak zou hebben.

6. Al te vlotte extrapolatie. Van Maanen verwijst naar onderzoek dat resultaten bevonden bij 667 Zutphense oude mannen werden geprojecteerd op de complete Nederlandse bevolking.

7. Onderschatten van de kans op een zeldzame gebeurtenis. Stel, het gemiddelde aantal verkeersdoden per jaar in Amsterdam van 1992 tot 1998 was 26,6. En stel dat er in 1999 opeens 32 verkeersdoden zijn. Dat lijkt een dramatische stijging. Maar volgens de poissonverdeling, puur door toevallig fluctuaties, is de kans op 32 of meer doden 17 procent. Zo’n extreem geval mogen we dus eens in de zes jaar verwachten, ook bij een gemiddelde van 26,6. Bovendien mag je bij onderzoeken, op grond van het enorme aantal gevoerde onderzoeken en op grond van het toeval, verwachten dat er altijd wel eentje een onverwachte vondst oplevert. Die spectaculaire uitkomst moet bijgevolg tegen herhaling van het onderzoek opgewassen zijn.

8. Betekenisloze cijfers. Zelfs enorme cijfers kunnen meevallen. Het grote aantal wachtenden in de zorgsector zegt an sich niet zoveel over het wachtprobleem. Cijfers hebben alleen betekenis bij een voldoende ruim genomen periode. Een spectaculaire stijging (van het aantal autodiefstallen) valt wel mee als je de jaren die buiten het gepubliceerde statistiekje er ook bij neemt. Nieuws is wat anders is dan gisteren; maar misschien is het wel niet zo nieuw in vergelijking met eergisteren.

9. Misleidende gemiddelden. Van Maanen, opnieuw over de wachttijden in de zorgsector: "Stel u gaat naar het postkantoor, er staat een rij van tien mensen en u vraagt hoe lang iedereen al wacht. De voorste wacht tien minuten, de tweede negen, de derde acht enzovoort tot de laatste, die een minuut wacht. De gemiddelde wachttijd is dan 5,5 minuten, maar u zult toch echt 11 minuten moeten wachten. De verwachte wachttijd is het dubbele van de gemiddelde wachttijd op een bepaald moment."

10. Enquetes die hun data zodanig kiezen dat ze de gezochte trend zo goed mogelijk weergeven. Van Maanen noemt het voorbeeld van de Britse scheepvaartdienst, die na de ramp met de Estonia in 1994 een persbericht verspreidde dat er ondanks deze ramp geen veiliger manier van transport was dan de boot, want sinds 1988 waren er bij het varen veel minder mensen omgekomen dan bijvoorbeeld bij vliegen of autorijden. Was de dienst in 1987 begonnen met tellen, dan had ze de ramp met de Herald of Free Enterprise erbij moeten rekenen.

11. Al te optimistische criminaliteitcijfers. Als er een bepaalde vraag is op de markt, komen criminelen altijd wel aan hun waar. Van Maanen schrijft over de vraag naar gestolen auto’s. Die ligt elk jaar rond de 25.000. Hij schrijft: "Als een nieuwe auto een startonderbreker heeft zodat hij niet op straat open te breken is, gaan de dieven de showroom in en stelen hem daar — proefritje maken, sleutels kopiëren, inbreken en klaar. Als ook een oudere auto een startonderbreker krijgt, stelen ze een nog wat oudere auto zonder startonderbreker. Als de politie in Zuid-Limburg actie onderneemt omdat het aantal gestolen auto’s de pan uit rijst, zoals in 1999, verplaatst het werkterrein zich naar de regio Gelderland, zoals in 2000."

12. Voorkennis ('dit is een test') of een onaangepaste locatie die de uitkomst van de enquête corrumperen. Van Maanen noemt een onderzoekje over het stemgedrag bij ingebruikname van twee soorten formulieren: een overzichtelijk formulier, en een naar verluidt minder overzichtelijk formulier. De test werd afgenomen in een winkelcentrum met een geïmproviseerd stemhokje. Alsof mensen even geconcentreerd hun stem zullen uitbrengen in een winkelcentrum dan in een echte verkiezingssituatie.

13. Een zogezegd bepalende factor hangt nauw samen met bepalende factoren waar niet over gesproken wordt. Volgens een onderzoek zouden kinderen die moedermelk drinken intelligenter zijn dan wie geen moedermelk drinkt. Bij nadere inspectie van Van Maanen bleek de intelligentie van de kleuters, behalve met borstvoeding, ook samen te hangen met het rookgedrag van de moeder voor de geboorte, haar leeftijd, haar opleiding, en, uiteraard, haar intelligentie. Wat blijkt? Slimme moeders roken minder vaak en geven ook langer borstvoeding — de factoren hangen dus allemaal met elkaar samen zodat het kluwen niet meer ontward kan worden.

14. Het overschatten van de toepasbaarheid van remedies met een schijnbaar lage foutenmarge. Van Maanen noemt een onderzoek dat zegt dat mensen die jokken systematisch warme ogen krijgen. Als dat waar is, dan is dat zichtbaar te maken met een gevoelige infraroodcamera, en dat zou een mooie manier zijn om terroristen uit de menigte te pikken. Stel dat zo'n camera in 85 procent van de gevallen inderdaad een juiste analyse maakt. Dat lijkt veel, maar is het niet, zeker bij een vrij zeldzaam fenomeen als terrorisme. "Stel dat vanaf Schiphol per jaar 4 terroristen wllen vertrekken. Er gaan per jaar ruwweg 40 miljoen mensen van Schiphop. Met de warme-ogentest zal er 1 terrorist ten onrechte worden doorgelaten, en 3.333.333 onschuldigen, ruim negenduizend per dag, vijfhonderd per uur, worden ten onrechte verdacht: zij moeten mee naar het bureau, moeten alles uitpakken, missen hun vliegtuig enzovoort. Zachtzinnig kan het er daarbij niet aan toegaan. Zelfs als de test 99,9 procent scoort, blijven 40.000 mensen per jaar de klos. De kans dat iemand die eruit gepikt wordt echt een terrorist is, is dan 0,01 procent." Denk dan maar eens na over de verveling van de marechaussee, die steeds opnieuw met onschuldige mensen te maken krijgt.

15. Scores relatief maken, zodat ze impressionanter zijn. Scores relatief maken betekent: scores nemen die een maat zijn voor de verbetering of verslechtering van de beginwaarden. Absolute cijfers, dus als werkelijke scoren van 1 tot 10, maken veel minder indruk.

Waardevol voor mij persoonlijk waren de kritische kanttekeningen van Hans van Maanen bij de sociobiologie. Deze discipline zegt dat het gedrag van mensen uiteindelijk verklaard moet worden uit de evolutionaire voordelen die dat gedrag voor onze voorouders heeft gehad — als het nadelen had gehad, was het immers niet overgeëerfd. Sociobiologen willen weleens neerkijken op sociologen of activisten.

Maar laten we eens kijken naar onze angsten voor spinnen en slangen. Ook die worden door bepaalde auteurs als evolutionair afdoen. Maar welk evolutionair voordeel zou die angst hebben, vraag Van Maanen zich af. Dat de vroege mensheid tijdens het jagen en verzamelen snel de gifslangen en de vogelspinnen herkende? Waren dat dan de belangrijkste vijanden van Homo erectus? "Als er werkelijk sprake van een evolutionair proces zou zijn, moeten mensen die niet bang zijn voor spinnen en slangen van oudsher zijn weg geselecteerd, doordat ze minder nageslacht produceerden dan de bangerds. Dat is moeilijk voorstelbaar. Een confrontatie met een giftige slang of spin is onplezierig, maar staat over het algemeen de verdere voortplanting niet in de weg. Bovendien zijn er veel te weinig dodelijke slangen en spinnen om voor voldoende ‘selectiedruk’ te zorgen."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Hans van Maanen, Echte mannen willen niet naar Mars
Rafelranden van de wetenschap
211 p.
Uitgeverij Prometheus, 2002



Extra. Staat u voldoende kritisch tegenover de sociobiologie? Een kleine test. Van Maanen bespreekt de theorie die Randy Thornhill en Craig Palmer ontvouwen in het boek A natural history of rape. Zij stellen daarin dat verkrachting uiteindelijk is ontstaan doordat vrouwen meer moeten investeren in het nageslacht dan mannen. Dat maakt vrouwen kieskeurig en mannen hebberig. "Verkrachting is daaraan ‘aangepast’ seksueel gedrag: het vergroot het voortplantingssucces van mannen die anderszins weinig kans op nageslacht hebben."

Waar zit de denkfout? Oplossing in de commentaren hieronder.

____

Related Posts with Thumbnails