Alleen een salongeleerde zal het wagen de aard van een heel volk op te hangen aan een stokoude roman. Maar de Britse schrijfster Miranda France is aards genoeg om dat niet te doen. Haar excursies naar de wereld van Cervantes en Don Quichot zijn ook gemakkelijk te negeren voor wie dat wil. Wat overblijft is een mooi tijdsbeeld van het vitale Spanje uit het einde van de jaren tachtig. France woonde van 1987 tot 1988 als student in de Madrileense wijk Chueca.
Twintig is Miranda France wanneer ze in het kader van haar studie Spaans in Edinburgh een jaartje op het Iberische schiereiland moet doorbrengen. Eens in Madrid komt ze terecht tussen de krakers, travestieten en drugsverslaafden, in een huizenblok dat tijdens de Burgeroorlog gebombardeerd werd omdat de straat dicht bij de telefoonmaatschappij lag. Ze woont er samen met Carmen, die fotomodel wil worden — "Na een ijzige start sloten we op een vrouwelijke manier vriendschap, door samen schoon te maken" — en Alvaro, een nietsnut die zijn studie geologie lang genoeg wil rekken om zijn dienstplicht (la mili) te ontduiken.
Spanje staat er goed voor in 1987. Franco is al twaalf jaar dood en hoewel er in 1981 nog een poging tot staatsgreep plaatsvond, gaf het krachtige verzet tegen die coup aan dat nog maar weinig mensen aan de macht van de democratie twijfelden. De socialistische president Felipe González is populair bij de jeugd en heeft een charismatische uitstraling. De economie bloeit: gedurende de laatste twintig jaar van Franco’s regime had de toestroom van toeristen uit Noord-Europa de economie opgekrikt en het toerisme tot de belangrijkste industrietak van het land gemaakt. Tussen 1959 en 1973 steeg het aantal toeristen van 3 miljoen naar 34 miljoen waardoor de bevolking een paar weken per jaar verdubbelde. De aanwezigheid van zoveel buitenlanders maakte dat Spanje zich steeds minder kon afsluiten voor ideeën van buitenaf; blootstelling aan die nieuwe impulsen droeg ertoe bij dat de Spanjaarden een andere samenleving wensten. Nadat Luís Carrero Blanco, Franco’s gedoodverfde opvolger (‘Mijn programma kan in één woord worden samengevat: continuar’), in 1973 door de Baskische separatisten van de ETA was vermoord, werd duidelijk dat een autoritair systeem in geen toekomst meer had in Spanje. De overgang naar de democratie verliep opmerkelijk soepel dankzij de vastberadenheid van alle partijen en niet in het minst die van koning Juan Carlos, die al jaren achter de schermen had gepraat met denkers en politici om hun ideeën over de toekomst van Spanje te horen.
Studeren doet France aan de Complutense, de universiteit van Madrid. Oorspronkelijk opgericht in 1506 in Alcalá de Henares werd het al snel een vooraanstaand instituut. Onder auspiciën van de grootinquisiteur kardinaal Ximénez de Cisneros werd in 1517 ’s werelds eerste meertalige bijbel in het Hebreeuws, Latijn, Grieks en Chaldeeuws gepubliceerd. In 1836 verhuisde de universiteit naar Madrid. Eind jaren tachtig, schrijft France, liggen de faculteiten "als wrokkige, broeierige gezwellen" verspreid over het gebied ten noordwesten van Madrid waar tijdens de Burgeroorlog strijd was geleverd tussen generaal Mola (met een troep Marokkaanse soldaten) en de 11de Internationale Brigade (met vrijwilligers uit Engeland, Frankrijk, Duitsland en Polen). Ongeveer tienduizend mensen waren in het universiteitscentrum om het leven gekomen.
In Madrid vindt Gringa, zoals France door de recht voor de raapse Spanjaarden wordt genoemd, de romantiek en de revolutionaire sfeer waarover ze bij George Orwell had gelezen. De familie van Pascual Duarte, de controversiële naoorlogse roman van Camilo José Cela, is er verplichte kost onder studenten. De jarenlange dictatuur in Spanje had een levendige tegencultuur doen ontstaan. Iedereen die France leert kennen, verzet zich wel op een of andere manier tegen de conventies. "Het leek wel alsof de Spanjaarden het nog steeds gemakkelijker vonden om zich tegen een autoriteit te verzetten dan gewoon deel te nemen aan een democratie." Gesprekken gaan over politiek, over het marxisme, over het kwaad van het kapitalisme en het racisme van de Spaanse politie. Eten doen de jongelui in een van de goedkope casas de comidas met hun menú del día.
Nu ik dan eindelijk in het soort gezelschap van idealisten verkeerde waar ik op gehoopt had toen ik in Spanje aankwam, waren er dagen waarop ik het eens was met Ernest Hemingway dat Spanje het helemaal was. Het was vaak koud maar de lucht was altijd wolkeloos. Je kon over politiek en idealen praten zonder pretentieus te klinken. Daarbij vergeleken was Engeland maar een banaal land. Als ik aan thuis dacht, kreeg ik beelden voor ogen van grote doe-het-zelfwinkels, kiosken volgepropt met repen chocolade, keurige parkjes en tv-programma’s over dieren. Ik stelde me bejaarden voor die op bankjes in het park zaten met gedenkplaten op de rugleuning waarop de vele bejaarden werden herdacht die hen waren voorgegaan. Ik dacht aan het verveelde gewauwel van winkelmeisjes met blonde plukken in hun haar: ‘Dus ik draai me om en ik zeg… en hij draait zich om en hij zegt… dus ik draai me om en ik zeg… en hij draait zich om. ‘Verkoopsters die steeds maar rondwervelen: zo zou een revolutie van verkoopsters eruitzien, een Engelse revolutie.
Madrid verkeert ook nog in de greep van een post-Franco terugslag die bekendstaat als
la Movida of ‘de beroering’. De nachten zijn lang, de
madrileños swingen in de straten. In bars wordt voor weinig geld drank geserveerd, maar baldadigheden zijn betrekkelijk zeldzaam. Madrid vormt een middelpunt voor alle Spanjaarden maar de stad oefende ook aantrekkingskracht uit op studenten en bannelingen die de woelige regimes in Latijns-Amerika waren ontvlucht.
Miranda wordt verliefd op een jonge revolutionair die 'de Europese afgevaardigde van de Peruviaanse Jonge Communisten' wordt genoemd. Het is een schriel, modieus gekleed mannetje dat zijn zaak verdedigt met dure praatjes ("Als je er eenmaal aan gewend raakt om dode lichamen in de straten te zien liggen, verandert je kijk op het leven"). De "details van zijn geëngageerdheid" worden France nooit helemaal duidelijk, maar ze vindt hem de aantrekkelijkste man die ze ooit heeft gezien. Ze is duidelijk trots dat ze de anders zo overspelige revolutionair aan zich kan binden: "Vrouwen psychologiseren graag, willen de kern van een man raken en daar hun vlag in steken. Nu ik geheel onverwacht dat geheime domein betreden had, begon ik meer vertrouwen te krijgen in onze relatie, die nu al drie maanden duurde."
Miranda's nieuwe vrienden koesteren grote, door kopieermachines vermenigvuldigde idealen en voelen allerlei verplichtingen, "behalve misschien de verplichting om af te wassen". Ze geloven in de vrije liefde en zijn voorstanders van het nudisme. Bijverdiensten komen uit een kraampje met tweedehandsboeken over politiek en marxisme, en zelfgemaakte sieraden. Het woord ‘reactionair’ valt vaak, een term die gemakkelijk wordt gebruikt voor eenieder die het niet eens is met de revolutionaire opvattingen. Verscheidene activisten zijn naar Cuba geweest om daar met de koffieoogst te helpen. Een Madrileens feest ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de Russische Revolutie wordt opgeluisterd met een bejaarde gastspreker gezonden door het politbureau. Geen van de studenten kan in 1987-1988 bevroeden dat het communisme zo snel een verouderde ideologie zou worden. Vele van France's beste bladzijden schetsen dit pseudo-intellectuele milieu en relativeren de baldadige kreten die er worden geslaakt.
Een bordpapieren vizierWat Miranda France precies heeft met
Don Quichot, toch de rode draad in haar boek, wordt nooit echt duidelijk. Behalve dan dat zijn schepper
Miguel de Cervantes Saavedra (1547-1616) wordt geboren in het reeds genoemde universiteitsstadje Alcalá de Henares. Cervantes zelf zal niet echt kunnen profiteren van die intellectuele humus. Gedurende de tweede helft van de zestiende eeuw heeft het Spaanse intellectuele leven zwaar te lijden van het regime van Filips II, en nog tijdens Cervantes’ leven raakt het land steeds verder afgesneden van het gedachtegoed van de Renaissance. Spanje, dat geweigerd heeft zijn economie te moderniseren en zwaar afhankelijk is van bankleningen (ogenschijnlijk gedekt door de rijkdommen uit de Nieuwe Wereld), begint aan zijn terugval. Hoewel Cervantes katholiek is, maakt zijn deels joodse afkomst dat hij het als
converso niet makkelijk heeft in het Spanje van de Contrareformatie.
In 1569 verlaat hij Spanje en trekt naar Italië, in dienst van Giulio Acquaviva, die in 1570 kardinaal wordt. Als lid van het Spaanse leger vecht hij tegen de Ottomanen in de
Slag bij Lepanto op 7 oktober 1571. In deze gevechten verwondt hij zijn linkerhand die voorgoed verlamd blijft. Vanaf dan wordt hij
el manco de Lepanto (de éénarmige van Lepanto) genoemd, hoewel de arm nooit geamputeerd wordt. Hij keert aanvankelijk niet naar Spanje terug, maar vertrekt naar de Spaanse Nederlanden (waarschijnlijk was hij nog steeds soldaat). Wanneer hij naar Spanje wil terugkeren wordt hij door piraten uit Algiers gevangengenomen. Hij verblijft vijf jaar in gevangenschap en wordt in 1580 vrijgelaten nadat zijn losgeld is betaald.
Terug in Spanje huwt hij met Catalina de Salazar y Palacios en publiceert het toneelstuk
La Galatea in 1585, dat in een tijd dat het theater door
Lope de Vega wordt gedomineerd, maar een matig succes heeft. Korte tijd is hij actief als leverancier en belastingambtenaar. In 1597 begint de vijftiger met het schrijven van Don
Quichot, terwijl hij in Sevilla gevangen zit wegens onbetaalde schulden. In 1605 publiceert hij het eerste deel, voluit
El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha. Het tweede deel over de vernuftige edelman Don Quichot verschijnt pas 10 jaar later, in 1615. Het boek is weliswaar succesvol, maar Cervantes verliest de daardoor verworven inkomsten weer (valselijk beschuldigd van moord en opnieuw achter de tralies) en sterft in 1616 in armoedige omstandigheden te Madrid.
In
Don Quichot vertelt Cervantes het verhaal van Alfonso Quijano, een vijftigjarige landedelman die gek wordt na de lectuur van een overdosis ridderverhalen. De edelman besluit ze te evenaren en begint zichzelf ‘Quichot’ noemen. Een plaatselijke landarbeider, de winden latende, grappende makende Sancho Panzo stemt erin toe als zijn schildknaap te fungeren. In
De waanideeën van Don Quichot wordt het boek de meest succesvolle roman in de geschiedenis van het boekwezen genoemd, en het meest vertaalde werk na de bijbel. Wat
Don Quichot zo bijzonder maakt volgens velen, is de menselijkheid van de personages. Voorheen presenteerden romans een geïdealiseerd beeld van het leven. In
Don Quichot zijn de karakters complex en onvoorspelbaar, en kunnen ze van gedachten veranderen.
Miranda France laat in haar boek verschillende fans van
Don Quichot aan het woord.
Freud onderkende de invloed van Cervantes (ook diens andere roman
De dialoog tussen de honden) op zijn ideeën over psychoanalyse en leerde zelfs Spaans om
Don Quichot te kunnen lezen.
Thomas Mann las het boek op de boot van nazi-Duitsland naar New York in 1934.
Borges publiceerde een kortverhaal waarin ene Pierre Menard door voor zichzelf de omstandigheden van zestiende-eeuws Spanje op te roepen een geheel identiek
Don Quichot probeert te schrijven.
Nabokov was ook een liefhebber van het boek, maar vond de auteur nogal wreed omspringen met zijn sympathieke personage. Voor
Flaubert was het ziektebeeld van
Don Quichot een aanleiding om
Madame Bovary te schrijven. Het psychologisch realisme van Cervantes zou van grote invloed zijn op de hele negentiende-eeuwse romankunst. Hedendaagse auteurs laven zich aan het postmodernisme avant la lettre in
Don Quichot — personages die zich realiseren dat ze personages zijn, en reageren tegen het plagiaat van
Avellaneda.
De attractiviteit van de vernuftige edelman heeft zeker ook te maken met de
vaagheid van zijn motieven en de raadselachtige oorzaken van zijn ziektebeeld. Iedereen leest in het boek wat hij wil — dat Don Quichot tijdens de Spaanse Burgeroorlog werd opgeëist door nationalisten én republikeinen mag exemplarisch heten. Don Quichot wil een held zijn, maar de wereld waarin hij zijn heldendom wil bewijzen bestaat niet, dus verzint hij die, hetzij doelbewust of als gevolg van zijn krankzinnigheid. Juist dit grijze gebied maakt het boek fascinerend, schrijft France: de mate waarin hij het slachtoffer of de schepper is van zijn waanideeën.
Voor Don Quichot verandert een herberg in een kasteel, windmolens zijn reuzen, prostituees schijnen hem prinsessen toe, een kudde schapen wordt een leger, een paardentrog lijkt een doopvont. Waar komt die labiliteit vandaan? Wat is de functie van die waanideeën? Cervantes kende vast de theorie van
Juan Huarte, die krankzinnigheid toeschreef aan een onevenwicht tussen de vier lichaamssappen: melancholie, bloed, gal en slijm. In onze moderne tijd, grapt France, zou men zijn aandacht richten op het seksleven van Don Quichot, het ontbreken van een vriendin. De schrijfster draagt ook een historische verklaring aan:
Het zou kunnen dat Don Quichot worstelde met statusverlies. De zestiende eeuw was een onzekere tijd voor een Spaanse edelman. Tot dan toe was de maatschappij verdeeld geweest tussen gewone burgers, die werkten en belasting betaalden, en edelen, die waren vrijgesteld van belasting maar in oorlogstijd de koning dienden. Als lage edelman of ‘hidalgo’ had Don Quichot misschien een hogere edelman moeten vergezellen in de strijd, en diens schild en wapen moeten dragen, maar door de modernisering in het leger was een dergelijke dienstverlening niet meer nodig. Spanje was bezig om van een feodale staat in een kapitalistische staat te veranderen. Een toevloed van goud en edelmetalen uit de Nieuwe Wereld dreef de prijzen op, waardoor veel kleine landeigenaars het hoofd niet meer boven water konden houden. De hidalgo’s zagen zich met een dilemma geconfronteerd: ze waren arm maar het was voor hen maatschappelijke onaanvaardbaar om te werken. Hoewel sommigen naar de steden trokken en daarin dienst traden van de aristocratie, werden velen heen en weer geslingerd tussen honger en de behoefte om de schijn op te houden.
Maar is Don Quichot écht een onversneden gek? Een twijfelaar die een vereenvoudigd patroon schept om de wereld aan te kunnen? Of een idealist die hoopt dingen te kunnen waarmaken door er maar sterk genoeg in te geloven? Ergens in de roman maakt hij een bordpapieren vizier voor zichzelf. Hij geeft er een klap met zijn zwaard op en natuurlijk breekt het ding onmiddellijk. Niet getreurd: Quichot maakt een tweede vizier, en besluit het niet meer uit te testen. Moraal van het verhaal: de realiteit zal hem niet treffen zolang hij weigert om die dichtbij te laten komen.
Don Quichot lijkt bovenal het verwoestend effect van boeken te beschrijven, maar France stelt dat het voor Cervantes niet een doel op zich was om de spot te drijven met ridderromans. Sinds het begin van de zestiende eeuw, aldus de schrijfster, genoten romantische verhalen over ridders inderdaad een enorme populariteit in Europa, zowel onder koningen en conquistadores als onder ongeletterde mensen. Boeken over Amadís van Gallië en Palmerijn van Engeland kwamen op de lijst van verboden werken te staan, maar de inquisitie liet het favoriete volksvermaak oogluikend toe. In de tijd van
Don Quichot (begin zeventiende eeuw) was die populariteit echter al aan het afnemen. Niet door toedoen van Cervantes dus, maar onder druk van de tijdsgeest. Het wereldbeeld van de zeventiende eeuw werd wetenschappelijker. Bedenk: Galilei, Bacon en Descartes waren tijdgenoten van Cervantes. De waarheid won aan belang en Cervantes was in de optiek van France een van de eersten die beschreef hoe
moeilijk het was die waarheid te bereiken.
Plaat uit Don Quichot, Gustave Doré (1863)Een plaatsje in La Mancha Het recept waarvan Miranda France zich bedient om Don Quichot en haar eigen Spaanse studententijd met elkaar te verweven, heet symmetrie. Een travestiet onder haar balkon koppelt ze aan een discussie over schijn en wezen tussen Sancho Panza en zijn baas. Preoccupaties met haar overspelige revolutionair mengt Miranda met het ideaal van ridderlijke trouw en exclusiviteit bij Cervantes. Opmerkingen over de onbetrouwbaarheid van Moren in de roman leiden dan weer tot bespiegelingen over de groeiende anti-Marokkaanse gevoelen bij de hedendaagse Spanjaarden. Haar mooiste parallel bewaart ze voor het einde van het boek, wanneer ze deelneemt aan een protestactie bij de NAVO-basis in
Torrejón de Ardoz.
Toch had dat opzichtig gelink niet gehoeven voor mij. De herinneringen van France zijn ook zo al onderhoudend en leesbaar. Al was het maar omdat ze haar memoires ook afzet tegen de situatie tien jaar later, in 1998, als ze Spanje opnieuw bereist. Bepaalde zaken zijn eeuwig in Spanje, klinkt het dan. Iedere avond rond acht uur daalt er een bepaalde geur over het land. De kantoren sluiten, het serieuze gedeelte van de dag is achter de rug en een mengeling van haarlak en eau de cologne waait door de straten. Zelfs de meest slonzige huisvrouwen maken zich mooi op voor
el paseo, de avondwandeling. De Spanjaarden zijn de meest sociale Europeanen en brengen iedere dag minstens tweeënhalf uur door met vrienden, meestal in een bar. Een onderzoek uit 1990 wees uit dat Spanje slechts iets minder bars telde dan de rest van de Europese Unie bij elkaar.
France ontmoet nogal wat nonnen in haar boek, waaronder een paar die hun land bij wijze van spreken niet meer hebben gezien sinds de invoering van de democratie. Maar het beeld van een arm, landelijk en katholiek land is allang achterhaald, stelt de schrijfster. Spanje scoort tamelijk laag op de internationale economische ranglijst, jazeker, maar de Spaanse levensstandaard — als je dus ook onderwijs en gezondheidszorg meeweegt — behoort tot de beste ter wereld. Spanjaarden met alle mogelijke achtergronden zijn nu rijker dan vroeger, en beschikken vaak over meer koopkracht dan hun tijdgenoten in Engeland. De meesten van hen wonen in de steden, hoewel negentig procent van Spanjes oppervlak uit landbouwgrond bestaat. Minder dan de helft van de Spanjaarden is nog praktiserend katholiek. Ze zijn wel nog steeds gehecht aan hun
pueblo (geboortedorp) en komen altijd terug voor de traditionele feesten. Spanjaarden zijn zo dol op hun familie dat ze met zeer grote tegenzin uit huis gaan. "Spaanse mannen zijn toe vervelens toe trouw aan hun moeder", staat er ergens. Spanjaarden lijken daarin op
Italianen.
Voor de rest verricht Miranda France enig veldwerk en doet ze verschillende Castiliaanse locaties aan. Zoals daar zijn:
Argamasilla del Alba, dat zich erop beroept "het plaatsje" te zijn waar volgens de eerste zin van
Don Quichot "een edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind" leefde.
Maar ook: Salamanca. Daar heeft Miranda France halverwege de jaren tachtig zes maanden gewoond om haar Spaans te oefenen voor ze naar de universiteit ging. Het staat bekend als het Oxford van Spanje, vanwege de fraaie architectuur, het zuivere Spaans, en omdat de stad al eeuwenlang een centrum van geleerdheid is. Columbus heeft hier academici geraadpleegd voordat hij zijn tocht naar de Nieuwe Wereld ondernam. In de zeventiende en de achttiende eeuw heeft de angst van de kerk voor intellectuelen de
universiteit echter de das omgedaan toen bepaalde boeken verboden werden en de studies wiskunde en medicijnen werden opgeheven.
Salamanca ademt de waarden van het burgelijke, conservatieve Spanje. Net zoals aan het begin van de Burgeroorlog dus, toen de stad moeiteloos in de handen van de nationalisten viel. In 1936 vestigde Franco in deze stad zijn hoofdkwartier; hier hebben zijn medegeneraals hem de naam ‘Generalísimo’ gegeven en hem meer macht verleend dan enige andere Spaanse leider sinds Filips II ooit had genoten.
Miguel de Unamuno werd er in 1900 rector van de universiteit en behield die titel tot zijn dood in 1936. Unamuno was een van de bekendste Spaanse filosofen, gekweld door het failliet van Spanje, het al dan niet bestaan van God en de zin van het leven. Hij behoorde tot de Generatie van ’98, vernoemd naar het jaar waarin Spanje zijn laatste grote kolonie, Cuba, kwijtraakte (‘El Desastre’). Na een conflict tussen Unamuno en de nationalistische generaal Millán Astray, drie maanden na het begin van de Burgeroorlog, werd hij voorgoed onder huisarrest geplaatst.
In Toledo mijmert France over de doolhofachtige straatjes waar de nationalisten republikeinen mee naar toenamen om ze te executeren — in andere steden gebruikten ze bij voorkeur arena's voor de massale executies. Toledo is vanzelfsprekend aanleiding voor meditaties over de multiculturele wortels van de Spaanse cultuur. In 712 kwamen de Moren in Toledo aan. Gedurende de daaropvolgende drie eeuwen werd Toledo onder het bewind van de moslims een levendig handelscentrum en bood de stad onderdak aan een bloeiende mengeling van drie culturen: joden, moslims en
mozarabieren (christenen onder Moorse heerschappij). Nadat de stad in 1085 door de christenen — met hulp van El Cid — was veroverd, werd die tolerante vermenging voortgezet. Ooit telde de stad zeven synagogen. In de twaalfde eeuw werd een gerenommeerde vertalersschool gesticht. In de tijd van Cervantes zetelde het koningshuis nog in Toledo, de Plaza de Zocódover was het centrum van het rijk.
Toen het koningshuis naar Madrid verhuisde in 1560 zette het verval van Toledo in. Aan het eind van de zestiende eeuw begon het hele land aan zijn neergang. Dankzij de conquistadores was het Spaanse rijk het grootste ter wereld geworden, en een belangrijk centrum van wetenschap en discussie. Maar de rijkdom bleek een illusie, en de voorraad zilver alleen maar in schijn onuitputtelijk. Slechts een kwart van Filips inkomsten kwam uit Latijns-Amerika, de rest was geleend van buitenlandse bankiers of via steeds hogere belastingen (geïnd door bureaucraten als Cervantes).
Ook de religieuze paranoia greep eind zestiende eeuw om zich heen. Spanje was vooral bang dat het lutheraanse protestantisme zich op het schiereiland zou wortelen.
Erasmus, door de inquisitie als een Noord-Europese ketter beschouwd, werd verdacht populair. Figuren zoals hij zouden een wig drijven tussen de groep die Spanje wou openstellen voor het ideeëngoed uit het Renaissancistische buitenland, en een tweede groep die zich liever wou terugtrekken in haar herinneringen aan het glorieuze verleden. Spanje was in die dagen multiracialer dan zijn buurlanden en dat werd opeens als een bedreiging beschouwd. In 1567 verbood Filips II alle moslimgewoonten (geen varkensvlees eten, dagelijks een bad nemen). Vele
morisco’s (‘christelijke’ moren na de val van Granada) kwamen op de brandstapel terecht. Morisco’s werden door velen beschouwd als agenten van het Turkse Rijk (tegen hetwelk Spanje in 1571 dus nog een overwinning had behaald bij Lepanto). In 1609 kregen 300.000 morisco’s de opdracht om Spanje te verlaten. Veel later verbood ook de katholieke Franco iedere andere religie om naar buiten te treden of literatuur te publiceren. Zodra de grondwet van 1978 de Spanjaarden de ondubbelzinnige vrijheid van godsdienst verleende, bekeerden honderden van huis uit katholieke Spanjaarden zich tot de islam.
Ooit vormden de aartsbisschoppen van Toledo, de kerkvorsten van Spanje, het op een na hoogste gezag na de koning. Nadat
Tomás de Torquemada, een joodse converso (tot het christendom bekeerde jood), eerste generaal inquisiteur werd, werd de inquisitie minder gruwelijk, al bleef ze een geest van verraad en wraakneming in de hand werken. Waarschijnlijk is meer dan driekwart van alle converso’s die tijdens de driehonderd jaar dat de inquisitie bestond het leven hebben gelaten, eind 1400 ter dood gebracht, toen de paranoia (de idee dat de converso’s stiekem jood bleven) op zijn hoogst was. In dat licht moet ook de passage in
Don Quichot bekeken worden waar Cervantes naar nieuwe verhalen speurt op de grote boekenmarkt in Toledo. Zodra deze een nieuw manuscript te pakken krijgt, wordt het verhaal verteld door een Arabier en vertaald door een morisco!
France doet ook Ávila aan, met zijn anderhalve kilometer borstwering, waar moslimgevangenen negen jaar aan hadden gebouwd nadat Alfons VI de stad in 1090 op de Moren had veroverd. De lezer verwacht een verhaal over mystiek — de heilige
Theresia van Ávila of
Sint-Johannes van het Kruis — maar de schrijfster laat het na.
De mythe van romantisch Spanje komt ook niet voor in haar literatuurlijst.
Twee SpanjesDan gaat het naar Burgos: vijfhonderd jaar lang de hoofdstad van het koninkrijk Castilla y León geweest, en ook de geboorteplaats van El Cid, de held die het Arabische gedeelte van Spanje heroverde en wiens graf in de kathedraal ligt. Tijdens de Burgeroorlog was ook Burgos een nationalistisch bolwerk en de zetel van waaruit Franco zijn militaire operaties plande. France neemt de locatie te baat om te mediteren over de aanleiding van het bloedige conflict.
De negentiende eeuw had Spanje verspild aan staatsgrepen en conflicten tussen de zeer onverzoenlijke progressieven en reactionairen. De progressieven wilden Spanje — een voor de helft analfabeet land met beperkt stemrecht en een verstikkende relatie met de kerk — moderniseren en van de luie snobs een productieve elite maken. De reactionairen wilden daar allemaal niets van weten en Spanje zoveel mogelijk autarkisch maken. Zo ontstonden 'twee Spanjes'. Diverse intellectuelen zoals Unamuno,
Azorín,
Ramiro de Maeztu en
Ortega y Gasset beschouwden de introversie van Spanje als een hinderpaal voor vooruitgang — een soort zelfmisleiding à la Don Quichot. Unamuno pleitte zelfs een tijdje voor een burgeroorlog bij wijze van
wake up call.
In dit klimaat wordt
Manuel Azaña in 1931 de eerste minister van de tweede Spaanse Republiek. Het is de eerste echte kans op democratie: aan het dictatorschap van
Primo de Rivera was zonder bloedvergieten een einde gekomen;
Alfonso XIII was uit eigen beweging in ballingschap gegaan. Er was een prille cultuur van compromissen ontstaan, iets waar de meeste politici in die tijd een hekel aan hadden. De meeste Spanjaarden, ook de middenklasse, koesterden bovendien anti-klerikale gevoelens. Onder Azaña komt er algemeen stemrecht, en worden kerk en staat gescheiden. De militaire academie in Zaragoza wordt gesloten en er komen anti-kerkelijke maatregelen: zo zouden alleen burgerlijke huwelijken worden erkend. De linkse partijen hechten veel belang aan cultuur en onderwijs: de republikeinse regering van de jaren dertig had rondreizende groepen acteurs, onderwijzers en kunstenaars — onder anderen
Federico García Lorca — naar afgelegen gebieden gestuurd om daar cultuur, onderwijs en burgerlijke verantwoordelijkheid te propageren.
Bij de verkiezingen van 1933 draait een rechtse coalitie alle hervormingen echter terug. Drie jaar later, in 1936, worden de verkiezingen opnieuw gewonnen door Azaña, uit angst dat fascisme zou zegevieren. Stakingen van arbeiders verzwakken echter zijn regering, en uiteindelijk plegen de militairen een staatsgreep. Het Afrikaanse leger, onder leiding van generaal Franco, komt in Marokko in opstand, en de volgende dag sluiten verscheidene garnizoenen in Spanje zich daarbij aan. De nationalisten plannen een makkelijke overwinning, maar de felle tegenstand van republikeinen, het enthousiasme van de burgers, vakbondsleden en buitenlandse vrijwilligers zorgt voor een burgeroorlog van drie jaar en drieënhalf miljoen doden.
Eens aan de macht wil Franco Spanje voorgoed zuiveren van communisten, vrijmetselaars en buitenlanders, zonder daar echt heldere ideeën over te hebben. De overweldigende steun van de kerk garandeert Franco’s loyaliteit aan dat instituut. Hij bewondert openlijk de katholieke koningen Isabella en Ferdinand en roept
het Escorial uit tot hét symbool voor Spanjes hoogtijdagen. De gedachte van ‘gezegende achterlijkheid’ domineert de jaren veertig. Onder Franco wordt de positie van de vrouw precair. Vrouwen krijgen maar beperkt toegang tot hoger onderwijs, en zijn juridisch voor zowat alles afhankelijk van de toestemming van de man. Echtscheiding is verboden. De kinderen die uit eventuele tweede huwelijken zijn geboren, worden als buitenechtelijk beschouwd. Seculier onderwijs is niet meer mogelijk.
In de jaren vijftig is de censuur in Spanje niet meer zo heel streng, maar de eerste tien jaar van Franco’s regime waren verschrikkelijk. Duizenden politieke dissidenten, docenten, academici en journalisten worden geëxecuteerd of raakten hun baan kwijt. In 1939 wordt de Wet op de Politieke Verantwoordelijkheid aangenomen en worden banen bij bibliotheken, instellingen of kranten door ambtenaren vervuld van wie men zeker weet dat ze Franco’s lijn volgen. Buitenlandse films zijn nagesynchroniseerd of aangepast. Illustraties in tijdschriften worden getoucheerd. ‘Russische salade’ moet veranderd worden in ‘keizelijke’ salade. De naam Roodkapje wordt omgeturnd tot Blauwkapje. Spanje viert de boekenbeurzen van 1939 en 1940 met... boekverbrandingen.
Dictators beseffen beter dan wie dan ook de gevaren van het lezen. De Spanjaarden die in de jaren veertig kranten openvouwden, troffen daar een inhoud aan die geen enkele controverse of discussie bevatte. Richtlijnen van Franco’s ministerie van Informatie verboden iedere verwijzing naar arrestaties, rechtszaken, executies, stakingen, de verbannen koninklijke familie, de verslagen republikeinen, misdaden, zelfmoorden, faillissementen, dalende beurskoersen, devaluaties, tekorten aan voedsel en huisvesting, prijsstijgingen, industriële en verkeersongelukken, epidemieën, droogte, overstromingen of stormschade.
Na Franco’s dood in 1975 kunnen de mensen terug scheiden. Voorbehoedsmiddelen zijn toegestaan, en de wil van de kerk is niet langer wet. In een poging om de kerk en de staat te scheiden kiest de in 1982 gevormde socialistische regering voor een wet waarbij belastingbetalers ervoor kunnen kiezen dat een deel van hun belasting naar de kerk ging. 'Roze romans’ (pornografie) maken hun comeback en een feministische schrijfster als
Almuneda Grandes verkoopt een miljoen boeken. Almodóvar draait zijn bontgeschakeerde films. Waar vroeger alle filmkussen werden gecensureerd, is nu volop porno te bekijken op zaterdagavond. Het klassieke huwelijk komt onder druk te staan.
De autonomie van de noordelijke provincies — onder Franco vakkundig gefnuikt — wordt hersteld met de grondwet van 1978, waarin Galicië, Catalonië en Baskenland aangewezen worden als ‘historische nationaliteiten’. Hoewel deze provincies nog steeds bij Spanje hoorden werd hun claim dat ze anders waren toen voor vol aangezien: hun eigen talen werden officiëel erkend en de provincies kregen een autonome regering. Maar toen ze zagen wat die noordelijke provincies hadden bereikt, begonnen ook de mensen in de andere delen van Spanje om autonomie te roepen. Andalusië beweerde dat het zich onderscheidde van de rest van Spanje vanwege de Moorse invloed op die streek. En de inwoners van Valencia beweerden dat ze een eigen taal en erfgoed hadden. Eind 1983 maakt iedere provincie in Spanje daarom deel uit van een van de zeventien autonome regio’s. Zelfs bepaalde Castilianen (die niet kunnen klagen over de status van hun taal, die de nationale taal is geworden) vinden dat hun typische folklore — Burgos is heel lang de hoofdstad van het oude Castilië geweest — in de vergetelheid is geraakt.
En ach, dan moet ik nog kwijt dat bepaalde interviewees van France de Spaanse volksaard min of meer voorgespiegeld zien in
Don Quichot. Het heeft te maken met een vastbeslotenheid om de wereld naar het eigen ideaal te vormen. Spanjaarden, zegt iemand tegen de schrijfster, passen zich niet aan de wereld aan, ze proberen de realiteit in hun eigen vorm te persen. De Burgeroorlog is daarvan het meest extreme voorbeeld. Er bestond geen absolute waarheid, geen enkele groepering had helemaal gelijk, en toch hebben ze elkaar verscheurd. Die onhebbelijke trek bestaat nog steeds. Kijk naar de praatprogramma’s op tv, die zo vaak in ruzies uitmonden, omdat deelnemers weigeren ruimte te maken voor andermans woorden.
Soit. Bij het oppakken van dit boek wou ik vooral een soort supplement lezen op het
ooggetuigenverslag van
Jan Morris, die in de jaren zestig Spanje bereisde. France loste die verwachtingen in. Ooit moet ik
De waanideeën van Don Quichot vergelijken met
In een dorpje van La Mancha..., het boekje waarin
Marijke Arijs haar tochten door de Spaanse binnenlanden opsiert met bespiegelingen over Cervantes.
Jammer dat deze vertaling ontsierd wordt door evidente fouten: een 'kopie' van een boek, de korte 'roman' (
novella)
Die Wahrheit über Sancho Pansa, een biografie ‘over’ Cervantes...
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Miranda France, De waanideeën van Don Quichotte
Een reis door het Spanje van Cervantes
270 p.
Uitgeverij Atlas, 2006
Oorspr. Don Quixote’s delusions : travels in Castilian Spain (2001)
Vertaald door Ankie Klootwijk
____