Een dun boekje dat aanvoelde als een warme, behouden thuiskomst. In een ijdele bui mag ik graag denken dat mijn leespatroon — met zijn bewuste balans tussen fictie en non-fictie — gestuurd wordt door een humanistisch ideaal: het speuren in boeken naar het beste wat ooit werd gezegd en gedacht, in de hoop daar zelf een beter mens van te worden. Jeroen Vanheste heeft me doen inzien dat humanisme breder gaat dan dat, en eigenlijk nog dieper in me zat dan ik dacht.
Ik heb lang lopen zoeken naar wat al die verschillende facetjes van mijn persoonlijkheid te betekenen hadden. Mijn voorkeur voor conservatieve cultuurcritici als Scruton en Dalrymple. Mijn afkeer voor kathedralenbouwers à la Hegel. De liefde voor Thomas Mann en de grote schrijvers uit de Donaumonarchie. Het onbegrip voor denkers die tekst zien als louter tekst. Het geloof dat mimesis (de afspiegeling van de menselijke conditie) een van de belangrijkste taken is van kunst en literatuur. De hekel aan filosofen die een waardevolle filter — het zien van idealen in termen van machtsuitoefening — helemaal op de spits drijven. De overtuiging dat rationaliteit getemperd moet worden door medemenselijkheid. De weerzin voor iedereen die het bestaan van schoonheid, waarheid en gerechtigheid ontkent.
Na het lezen van deze korte cultuurgeschiedenis was het alsof alle puzzelstukjes ineens op zijn plaats vielen. Al die facetten blijken immers één iets gemeen te hebben: ze kaderen in het grote verhaal van de idealen van het Europese humanisme sinds de oude Grieken.
Humanisme en het Avondland ontstond in de slipstream van het dikke en bijna onbetaalbare boek Guardians of the humanist legacy dat de schriftelijke neerslag is van het promotie-onderzoek van Jeroen Vanheste. Deze filosoof aan de Radboud Universiteit ziet niet het christendom als de bepalende factor van Europa, noch de rationaliteit en het wetenschappelijke denken, noch de liberale democratie, de burgerrechten of de scheiding van kerk en staat.
Vanheste stelt een overkoepelende benadering voor: wat Europa bijeenhoudt is het humanistische denken. Alleen met die gedachte in het achterhoofd kan je je serieus buigen over de vraag of het voormalige Oostblok, de Balkan en Turkije de Europese cultuur delen.
Vanheste vindt het humanisme ook een typisch Europese traditie, al voert hij daarvoor geen duidelijke argumenten aan. Behalve dan dat hij alleen de Europese cultuurgeschiedenis samenvat. Amerika valt uit de boot, omdat ze daar, met hun nadruk op fun en materiële genoegens, zouden kampen met een gebrek aan levenskunst.
Eigenlijk interesseert die discussie me niet. Mijn inziens is de enige factor die Europa voorheeft op de Amerikaanse situatie de wildgroei aan talen en nationaliteiten, die elkaar kunnen kruisbestuiven, maar ook relativeren. Een beetje intellectueel spreekt in Europa nog altijd vlot zijn talen: Engels, Frans, Duits. Al die culturen samen dwingen ons wel te zoeken naar universele waarden in die verscheidenheid, waar Amerikanen nogal snel denken hun maatschappij-inrichting vlotjes te kunnen overhevelen naar de andere kant van de wereld.
Humanisme en het Avondland deed me opnieuw zien, maar dan nu eens vanuit cultuurhistorische hoek, hoe de humanistische idealen van weleer verbleekt zijn. Aan de universiteiten en hogescholen natuurlijk, met hun beroepsgerichtheid, nuttigheidsdenken, competenties, vakkennis en specialisatie, maar ook in het middelbare onderwijs. Nooit heb ik op de schoolbanken iets geleerd over politiek, sociologie of techniek.
Ik laat hieronder graag een uitgebreide samenvatting van het boekje volgen, dat nog mooier was geweest, als Jeroen Vanheste er ook iets van zijn persoonlijke engagement had in gestoken..
Een korte geschiedenis van het humanisme
We moeten beginnen met een begripsbepaling. Want wat is nu humanisme? In de optiek van Vanheste is het humanisme geen doctrine of ideologie, maar veeleer een bepaalde houding ten opzichte van de mens, het menselijke leven en de cultuur. Eenvoudig gezegd is het een levensbeschouwing waarin de mens en zijn mogelijkheden een centrale positie innemen. Hoewel een humanist het individu belangrijker vindt dan de groep, gelooft hij dat er zoiets bestaat als een "univerele grammatica in elk mensenhart" (Santayana) die geslacht, seksuele geaardheid, ras of godsdienst overstijgt.
Op de twee belangrijke vragen die het humanisme zich stelt, overstijgen de antwoorden die het geeft dan ook de specifieke situatie van een cultuur. Die twee vragen zijn: Wat is de mens? (Van nature goed? Van nature slecht? Een onbeschreven blad? Is hij autonoom? Beschikt hij over een vrije wil?) en Wat is een vervuld leven? (Hoe moet ik leven? Wat is geluk? Hoe kan ik omgaan met leven en verlies?)
Op de vraag Wat is de mens? antwoordt het humanisme — foutief — dat de mens niet gradueel, maar principieel verschilt van het dier in zijn vermogen tot zelfbewustzijn en, door de gave van taal en het verstand, tot intellectuele, sociale en morele ontwikkeling.
Op de vraag Wat is een vervuld leven? antwoordt het humanisme dat de mens het gelukkigst is als hij zijn individuele mogelijkheden realiseert. Onderwijs en vorming acht een humanist dan ook cruciaal om dat potentieel te kietelen. Een student moet volgens de humanistische cultuuropvatting geen specialistische kennis opdoen, maar algemene kennis van wetenschap, techniek, politiek en maatschappij, geschiedenis, literatuur, en de kunsten.
De westerse humanistische tradities hebben volgens Vanheste hun wortels in het oude Griekenland. In enkele Griekse mythen komt de mens al stilaan naar voren als een onafhankelijk wezen dat de goden trotseert, en niet als een marionet van diezelfde goden. Het beeld van de mens als autonoom wezen kreeg echter pas echt filosofische grond in de zesde en vijfde eeuw voor Christus.
In het werk van de Ionische natuurfilosofen, de sofisten en Thucydides zien we de mens steeds meer als een rationeel en zelfstandig opererend persoon. Bij de Eleaten en de Pythagoreeërs vinden we de cultus van universaliteit en abstract denken die een permanente karakteristiek van de westerse cultuur zou blijven. In de dialogen van Socrates, de geschriften van Plato en Aristoteles en de stoïsche filosofie worden ideeën over menselijke waardigheid verder uitgewerkt.
Centraal in het humanisme van de Grieken staat het concept paideia: de ontplooiing van het menselijk potentieel en het streven naar het goede leven. Plato en Aristoteles zijn het erover eens dat de rede daarbij essentieel is. Maar in tegenstelling tot het vita centemplativa dat Plato voorstaat, zit er voor Aristoteles zit er ook een belangrijke praktische component aan vast: phronesis: praktisch verstand en levenservaring. Het vita activa.
De Romeinse variant en opvolger van het Griekse humanisme was het ideaalbeeld van de humanitas: hogere beschaving en menslievendheid, met Cicero als grote voorbeeld. Een gezond huwelijk van geest en lichaam, rede en zintuigen.
Humanitas heeft meer civiele en sociale connotaties dan het meer op zichzelf betrokken Griekse paideia. Beide idealen impliceren echter universalisme — de rede is in elke mens aanwezig — en een geloof in universele ethische normen. Let wel: dit moraalfilosofische kosmopolisme kreeg bij de antieke Grieken en Romeinen geen politieke of economisch pendant. Het ging hen alleen om ethiek.
De Middeleeuwen worden dikwijls overgeslagen in de geschiedenis van het humanisme, en dat is ten onrechte, aldus Vanheste. Überhaupt kon het christendom in zijn beginfase verspreidt worden dankzij het gegeven dat de omringende wereld verenigd was door de Griekse (hellenistische) beschaving en taal — het Nieuwe Testament werd in het Grieks geschreven. In de eerste eeuwen na Christus stelde men in Alexandrië pogingen in het werk om de Griekse-Romeinse traditie en christendom theoretisch te verzoenen en het bindelmiddel daarbij was het idee van paideia. Ook de latere kerkvaders (Ambrosius, Hieronymus en Augustinus) en de vroege scholastici (Boethius) werden sterk geïnspireerd door de klassieke traditie (die laatsten voornamelijk door de autoriteit van Aristoteles).
De synthese kwam erop neer dat de christenen ook konden geloven dat de mens, ondanks zijn erfzonde, nog het vermogen had om zich te verwezenlijken, hoewel hij daar in dit aardse leven niet volledig in kon slagen. Andere overeenkomst is de nadruk op het individu dat het christendom legt, en de grote rol van de menselijke rede (hoewel de rede bij de christenen slechts een dienstmaagd is van de theologie). Het belangrijkste verschilpunt is natuurlijk het ontbreken van elke gedachte over levenskunst en levensvreugde. In de Bijbel staat geen enkele grap.
Met de ontdekking van de mens in de Renaissance komt het humanisme weer dichter bij dat van de Oudheid te staan. Centraal staan figuren als Bartolomeo Facio, Gianozzo Manetti, Pico della Mirandola, Marsilio Ficino, Lorenzo Valla en — allicht de meest complete figuur van allemaal, dapper, werelds en erudiet — Baldassar Castiglione.
Een christelijk geïnspireerd humanisme werd gepropageerd door Erasmus (die in tegenstelling tot Luther geloofde dat de mens een vrije wil kreeg van God) met zijn afkeer van dogma's en vroomheid zonder geleerdheid. Op artistiek vlak geven Michelangelo, Leonardo, Boccaccio, Dante, Shakespeare, Rabelais en Montaigne een visie weer waarin de mens centraal staat.
De zeventiende en achttiende eeuw, vervolgt Vanheste, worden dan wel gedomineerd door katholiek en protestants dogmatisme, tegelijk vinden er een paar ontwikkelingen plaats met wortels in het humanisme (hier denk ik dat het een stuk ingewikkelder ligt dan Vanheste het voorstelt, maar goed). Het geloof in de menselijke rede vormde de voedingsbodem voor de wetenschappelijke en de latere industriële revoluties. Op eenzelfde manier vormde het universalisme en het geloof in de waardigheid van ieder mens een voedingsbodem voor het natuurrecht-denken, de Verlichting en de door de Engelse, Amerikaanse en Franse revoluties in gang gezette democratiseringsprocessen.
Belangrijke figuren in de zeventiende eeuw waren Spinoza, Locke, Hugo de Groot, Rembrandt, Racine en Cervantes; in de achttiende eeuw hebben we Voltaire en Kant. Deze laatsten stonden overigens geen pure rationaliteit voor en ook geen verwerping van religie, zoals nu vaak wordt gedacht. Hun deïsme was een redelijke godsdienst zonder heilige wonderen maar ook zonder twijfel aan de goddelijke orde.
Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw laten de laatste humanistische bloeiperiode zien, vooraleer de grote anti-humanistische tendenzen hun slag slaan. Er is het Weimar humanisme, ook wel Duitse Renaissance genoemd, met zijn hernieuwde interesse in vooral Griekse Oudheid. Het geloof in Bildung en geestesleven van Winckelmann, Schiller, Goethe en Wilhelm von Humboldt, was sterk verbonden met het Duitse filosofische idealisme.
Voor Jeroen Vanheste neemt in de negentiende eeuw het anti-humanisme twee gedaanten aan: enerzijds een al te sterk voortgezette en eenzijdige nadruk op rationaliteit, anderzijds juist een volledige afwijzing van die rationaliteit.
De eerste visie, de strikt rationele, openbaart zich in het positivisme van Comte en Durkheim, de utilitaristische ethiek van Bentham, het determinisme van van Herbert Spencer en Darwin, het idealisme van Hegel, en het materialisme van Marx. Wetenschappelijk rationalisme wijkt af van de humanistische traditie doordat ze het geloof in de menselijke wil, het ideaal van intellectuele en morele vorming, de betekenis van kunst en literatuur, en de nadruk op de morele, praktische, sociale en maatschappelijke toepassingen negeert. De leerstellingen van Hegel en Marx zijn ook een ander soort ‘wetenschappelijk’ rationalisme: de geschiedenis als een noodzakelijke beweging vol causale relaties.
Vooral de marxistische filosofie is anti-humanistisch in de zin dat zij menselijk gedrag, inclusief uitingen van kunst en literatuur, interpreteren als deel van de ‘bovenbouw’ en daarmee reduceert tot de expressie van klassebelangen. Humanisme is een bourgeois ideologie die de notie van het menselijk subject hanteert als een ideologisch machtsinstrument, als een middel om klasseverschillen aan het oog te onttrekken. Mensenrechten zijn in de praktijk slechts de rechten van de sociaal-economisch dominerende klasse, zoals het burgerrecht in de Griekse stadstaten slechts bestond ten koste van de slavernij.
De tweede visie, de irrationele, komt tot uiting in
Herder en de Romantiek. Zij wijst een humanistisch geloof in rede en universalisme af en stelt daar tegenover dat elk volk beschikt over een unieke
Volksgeist. Dat zou later een van de fundamenten vormen voor het nationalisme van de negentiende en twintigste eeuw en van het cultuurrelativisme van onze tijd, schrijft Vanheste.
Later schortte ook een denker als
Nietzsche het geloof in absolute waarden op. Een mens is geen kuddedier, vond-ie, en moet zijn eigen waarden scheppen. Maar wat de nationaal-socialistische en postmoderne recuperatie van zijn gedachtengoed uit het oog verliest, is dat Nietzsche een sterk voorstander was van onderwijs en beschaving.
Ondanks alles bleven er in de negentiende eeuw en de vroege twintigste eeuw — toen het geloof in de rede en het vrije menselijke subject ook nog eens door de freudiaanse psychologie aan de kaak werd gesteld — denkers die zochten naar een gulden, humanistische middenweg. Enerzijds denkers als
Max Weber,
John Stuart Mill en
Matthew Arnold. Anderzijds de vele intellectuelen tussen 1870 en 1914 in de steden van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie — Wenen, Praag, Boedapest, Bratislava, Czernowitz.
Dit laatste soort humanisme — met figuren als
Arthur Schnitzler,
Karl Kraus,
Hermann Broch, Gustav Mahler,
Sigmund Freud,
Arnold Schönberg,
Stefan Zweig,
Franz Kafka,
Joseph Roth,
Hugo von Hofmannsthal,
Martin Buber en
Ludwig Wittgenstein — werd gekleurd door de seculiere joodse cultuur. En werd bijgevolg verwoest door het nazisme en stalinisme. Vanheste haalt
George Steiner aan, waar die zegt dat Europa zelfmoord heeft gepleegd door de joden te vermoorden, omdat zij de belangrijkste exponent vormden van de Europese humanistische waarden.
Een korte geschiedenis van het anti-humanisme
Het humanisme heeft tijdens het interbellum —
Benda, Mann,
Ortega y Gasset,
Eliot,
Valéry,
Proust,
Maritain, Broch,
Huizinga — nog een sterke positie. Na de oorlog wordt het humanisme een minderheidsstandpunt. Jeroen Vanheste haalt
De Toverberg aan, waar dit kantelmoment in de laatste bladzijden wordt voorvoeld.
In de slotpassage van Manns boek zakt de hoofdpersoon Hans Castorp, en met hem het humanisme, weg in de modder van de loopgraven aan het westelijk front, op zijn lippen Schuberts lied Die Lindenbaum. De invloeden die op Hans Castorp hebben ingewerkt: het romantische zwelgen in het gevoelsleven, het nihilisme en militante irrationalisme van Naphta en de Dionysische levenskracht van Peeperkorn, bleken tezamen sterker dan het nuchtere humanisme van zijn leermeester Settembrini.
Het humanisme wordt in de twintigste eeuw genadeloos ingehaald door de werkelijkheid. Twee wereldoorlogen, en driest imperialisme en kolonialisme moeten wel duidelijk maken dat het goede
kennen niet noodzakelijk leidt tot het goede
doen. Waarden kunnen makkelijk gekaapt worden voor allerlei machtsdoeleinden. Iedereen kent het verhaal van de kampbeul die met Goethe dweept of deuntjes van Schubert neuriet — type Hans Frank in
Kaputt van
Malaparte.
De aanvankelijke kritiek — van
Sartre, van de Frankfurter Schule — gooide het geloof in menselijke vrijheid, emancipatie en de mogelijkheid van vooruitgang nog niet overboord. De latere stromingen in de continentale filosofie, het poststructuralisme en de deconstructiefilosofie, deden dat wel. Steiner, opnieuw Steiner, heeft de Duitse invloed — Marx, Freud, Nietzsche,
Heidegger — op de naoorlogse Franse filosofie cynisch gekarakteriseerd als de "voorzetting van de Duitse bezetting van Parijs".
Niet de rede maar de driften en de ‘wil tot macht’ waren respectievelijk voor neo-Freudiaan
Lacan en neo-Nietzscheaan
Foucault de ware aard van het beestje dat mens heet. Vrije wil, kennis, waarheid en moraal zijn voor hen loze begrippen — dekmantels voor het streven naar macht of een manier om zich te onderscheiden van anderen (
Bourdieu). Cultuur is bovenbouw. Cultuur is discours.
Finkielkraut noemde dit extreme standpunt een soort verlangen om te boeten voor een zondig verleden.
Ook de deconstructiefilosofie van
Derrida staat een nietzscheaanse ‘genealogische’ benadering voor waarbij ethische, esthetische en andere waarden gezien worden als symptomen die men kan herleiden tot achterliggende drijfveren. Daarenboven propageert zij een extreem taalscepticisme: zij vindt dat de relatie tussen woord en wereld volstrekt willekeurig is. Elke interpretatie (van een boek) is geldig, literatuur verwijst uitsluitend naar zichzelf, er zijn geen canonieke boeken, een tekst is niet meer dan de uitdrukking van een ideologie. Een auteur heeft niet langer de controle over de interpretaties van een tekst. Woorden verwijzen naar andere woorden,
ad infinitum.
Voor postmoderne denkers in het algemeen, zoals een
Rorty, is het menselijk ego niet meer dan een illusie, een constructie. Postmodernisten zien ook geen graten in het omarmen van populaire cultuur, wat ook weer aanslag is op de waarden van het humanisme.
Een laatste klap die het humanisme te verwerken kreeg in de twintigste eeuw, is de opkomst van sciëntistisch determinisme. Zeg maar: de evolutiebiologie, neurologie en genetica. Beoefenaars van deze wetenschappen huldigen de opvatting dat het verschil tussen mens en dier gradueel is, en niet principieel. Intelligentie is niet iets nobels, maar een overlevingsstrategie als een andere. De enige menselijke wil is die om te overleven.
Pleidooi voor het humanismeNiettemin zijn er nog altijd denkers en kunstenaars die, in de woorden van Jeroen Vanheste, het geloof in de menselijke eindregie uitdragen en vasthouden aan een humanistische opvatting van vrijheid. Voor hen is de mens niet goed of slecht, maar dan toch een open wezen dat zijn leven lang zijn eigen keuzen, karakter en identiteit vorm kan geven.
Vanheste noemt als voorbeelden George Steiner,
Luc Ferry,
Tzvetan Todorov, Roger Scruton,
Stephen Toulmin, Alain Finkielkraut,
Jacques Barzun,
Saul Bellow,
Milan Kundera. Dit soort intellectuelen, schrijft hij, herinnert er ons aan dat het humanisme geen ideologie of (politiek of ander) systeem is, maar bovenal een antropologie, waarop morele, culturele, artistieke of politieke ideeën gebouwd kunnen worden. Zij drukken op de relatieve onbepaaldheid van de mens (binnen onze eigen actieradius zijn we vrij), zijn sociale aard en het universeel menselijke dat we allen delen.
Moderne humanisten zien romanticisme, freudianisme, nietzscheanisme en vele vormen van postmodernisme als overreacties op de vermeende arrogantie van het rationalisme en diens onderdrukking van irrationele krachten — denk aan
de ondergrondse man van
Dostojevski, die vecht tegen een opvatting die de mens wil reduceren tot rationaliteit. Deze criticasters vergeten volgens de humanisten dat het humanisme net twijfel en tolerantie hoog in het vaandel heeft staan. Kennis van, bijvoorbeeld, de wereldliteratuur kan volgens een humanist juist begrip doen ontstaan voor andere culturen, en niet het opportunistische gebruik van andere culturen zoals-het-hem-uitkomt door de postmodernist.
Een humanist blijft geloven in het vermogen tot levenslange ontwikkeling, en de ontvankelijkheid en waardering van belangeloze kennis. De mens moet dan ook opgevoed worden tot een redelijk wezen, in alle betekenissen van het woord. Rationaliteit, akkoord, maar vooral als ze het goede leven dient.
Meer in het algemeen zou men kunnen stellen dat ieder humanisme een gezond midden probeert te vinden tussen diverse tegengestelden: tussen filosofisch idealisme en materialisme; tussen rationalisme en empirisme; tussen subjectivisme en objectivisme; tussen metafysisch dualisme en naturalistisch monisme; tussen irrationalisme en sciëntisme; tussen het geestelijk leven en het werelds leven; tussen individualisme en communitarisme; tussen authenticiteit en sociale betrokkenheid; tussen een pessimistisch mensbeeld waarin de mens beschouwd wordt als besmet door de erfzonde en een naïef optimistisch beeld waarin de mens gezien wordt als van nature goed.
Het palmares van het humanisme mag trouwens gezien worden, vindt Vanheste: algemeen stemrecht, recht op zelfbeschikking, algemeen recht op onderwijs, afschaffing van kinderarbeid, juridische gelijkheid van ieder individu ongeacht ras, geslacht, seksuele geaardheid of godsdienst, de anti-discriminatie-wetgeving, en natuurlijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Vanheste haalt Toulmin aan, waar die het betreurt dat de afgelopen vierhonderd jaar de — in de Oudheid nauw verwante — begrippen ‘redelijkheid’ en ‘rationaliteit’ van elkaar gescheiden werden ten gevolge van de nadruk die de zeventiende-eeuwse natuurfilosofen legden op formele afleidingstechnieken. Deze nadruk bracht volgens Toulmin ernstige schade toe aan de wijze van denken die we als gezond verstand plegen aan te duiden.
En, wat mij dan ook nog eens speciaal aanspreekt: dit boekje eindigt zowat met de stelling dat het belangrijkste instrument van de rede
de taal is. Want alleen door middel van taal kunnen ideeën duidelijk uitgedrukt en bediscussieerd worden. Taalvervuiling is daarom een belangrijk symptoom van culturele neergang.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> bibliografie in de commentaren hieronder
Jeroen Vanheste, Humanisme en het Avondland
De Europese humanistische traditie
96 p.
Uitgeverij Damon, 2007____