Van harte wetenschap - Marcel Hulspas
Wie ooit een wetenschappelijke bijdrage van dichtbij heeft gezien — en op internet zijn vakbladen makkelijker dan ooit in te kijken — weet dat de teneur van dat soort artikels hemelsbreed verschilt van de stelligheid waarmee algemene media de zogenaamde conclusies ('Onderzoekers hebben ontdekt dat...') daaruit weergeven. Ik probeer dan ook alleen over wetenschap te lezen in (1) boeken die (2) een breed panorama schetsen en (3) geschreven zijn door vakmensen.
Journalist en astronoom Marcel Hulspas volgt de wetenschappelijke berichtgeving in de massamedia op de voet. Hulspas schreef ooit kritisch over de tekortkomingen van Wikipedia-lemmata over pseudo-wetenschappen, al had hij voor mijn part een onderscheid mogen maken tussen de Nederlandstalige en de Engelstalige Wiki. In Van harte wetenschap, een bundel columns gepubliceerd in de jaren negentig, ruim voor de start van Wikipedia (2001) dus, maakt hij zich druk over fouten, misleiding en gebrek aan nuance in onverdachtere bronnen: boeken, kranten, tijdschriften, televisie, en zelfs sommige populair-wetenschappelijke bladen.
Vooral flauwekul in gedrukte vorm is gevaarlijk, omdat kranten en boeken weinig aan prestige hebben ingeboet, zelfs in tijden van internet. Wetenschap en geschreven media versterken elkaars prestige ook nog eens. Hulspas wijst er op dat in 1 april-grappen wetenschap traditioneel een belangrijke rol speelt: wetenschappers heten betrouwbaar te zijn, en staan garant voor de meest onverwachte en nutteloze ontdekkingen. Het grote publiek is ook makkelijk te foppen, zeker wanneer het zogenaamde onderzoek te maken heeft met de favoriete angsten en obsessies van de natie.
Papier is gewillig. Voeg daarbij het gegeven dat de leugen interessanter is dan de waarheid (en daarom meer geld waard) en je krijgt een toevloed van teksten die kant nog wal raken. "Wie nooit een boek leest," schrijft Hulspas letterlijk, "heeft niet in de gaten dat aan het publiceren van een boek tegenwoordig nog maar nauwelijks intellectuele eisen worden gesteld, dat menige uitgever tegenwoordig leeft van het uitbrengen van de grootst mogelijke onzin." Hij noemt uitgevers die fotoboeken met graancirkels op de markt gooien (ooit een foto gezien van een cirkel die maar half op het veld is terechtgekomen? hoe zou dat toch komen?) of boeken over Nostradamus, en daarbij met opzet de lezer diens evident verkeerde voorspellingen onthouden. Hulspas noemt dat 'champignonfilosofie' ten aanzien van de boekenkopers: feed them shit and keep them in the dark.
Vaak verdient de populaire pers twee keer aan pseudo-wetenschappelijke onzin. Een eerste keer door een nieuwkomer of underdog met een lekker verhaal op een voetstuk te plaatsen; een tweede keer door hem of haar er met veel leedvermaak weer vanaf te trappen. Zie: Jomanda. Maar ook serieuze beroepsorganisaties doen lustig aan mee aan het promoten van bagger. Het thema van de Nederlandse Boekenweek 1997 was ‘Mijn God’, met als gevolg "een waarlijk adembenemende stroom reli-pulp".
Het drama is tweeledig: weerlegging van foute claims kost zoveel meer tijd dan alle research besteed aan waandenkbeelden (if any). En zolang er geen doden vallen, mag van de overheid iedereen zijn gang blijven gaan.
Slimme doch bange visjes
Zoals de ondertitel aangeeft, offreert Van harte wetenschap een vrolijk overzicht van "misstanden en misverstanden" in de wetenschap: poltergeisten die lijden aan het shyness-effect (als je erop staat te kijken doen ze niks); de experimenten met door de CIA gehypnotiseerde huurmoordenaars; de opportunistische rehabilitatie van Darwin door het Vaticaan; de Franse antropoloog Marcel Griaule die zijn eigen astronomische kennis projecteerde op de (inmiddels zelfs alweer achterhaalde) intuïtieve kennis van de sterrenkunde van de Dogon; de beperkte historische waarde van de Dode-Zeerollen; feel good-goeroes die de waarheid en het licht gevonden hebben bij een of andere ‘onontdekte’ stam; de overdreven aandacht voor buitenaards leven sinds Carl Sagan en diens (met I. S. Shklovskii geschreven) Intelligent life in the universe; de geflipte historicus Albert Delahaye; Feng Shui en het Hawthorne-effect; de lijst is werkelijk eindeloos.
Uit die bladzijden onthoud ik echter vooral de simpele observatie dat zo'n strijdkreet als Emile Ratelbands Tsjakkaa! niet zonder reden goed bekt in gelijk welke taal. Ronduit opgelucht was ik dan weer toen een kritisch boek over Marco Polo werd besproken en bleek dat ik alle reserves omtrent de wereldreiziger heb opgenomen in mijn boekbespreking van een paar weken geleden.
Wel vind ik dat Marcel Hulspas er zich soms een beetje gemakkelijk vanaf maakt. In bepaalde stukjes stapelt hij in de gauwte een paar onderwerpen op elkaar, zonder duidelijke samenhang. Hulspas vertrouwt ook blind op zijn badinerende toon, zonder te beseffen dat dat gemonkellach vooral de eigen parochie pleziert. Wie mensen over de streep wil trekken die zich niet speciaal in de wetenschap hebben verdiept, moet grondig argumenteren, en iets laten zien van het grotere rationele denkraam. Bij gebrek aan die context beantwoorden deze columns te makkelijk aan het clichébeeld van de arrogante witte stofjas die alle simpele zielen even komt berispen.
En dat is een gemiste kans. Want pseudo-intellectualiteit, wist ik al van Georges Charpak en Henri Boch, besmet alle sociale klassen. De mens, slim of dom, heeft van nature niet de neiging om logisch na te denken en focust bij voorkeur op wat in zijn straatje past. Hulspas vindt: de mens kan denken — niet om iets van zijn omgeving te begrijpen, maar om ondanks zijn omgeving gelukkig te blijven. Schotjes in je verstand zijn heel praktisch daarbij. Zo'n Marcel Möring minacht dan wel de uitwassen van de new age, maar hecht zelf overdreven belang aan zijn 'persoonlijk onderzochte' joodse roots.
Ook beleidsmakers blijven niet immuun voor bijgeloof. Zo gaat het verhaal dat de EBRD met astrologie het gedrag van de financiële markten probeert te voorspellen. De president van Sri Lanka liet naar verluidt alle nummerplaten van auto’s waarvan de cijfers bij elkaar opgeteld het getal dertien vormden verwijderen. En in het Kremlin ritselde het onder Jeltsin van de occultisten.
Aan de hand van het boek Feet of clay van Anthony Storr, worden in Van harte wetenschap dat soort goeroes doorgelicht. U weet wel, weldoeners die ideeën verkondigen die blijkbaar zo revolutionair zijn dat ze geen enkele verwijzing naar eerder onderzoek nodig achten. Storr concludeert in zijn boek dat goeroes eigenlijk maar één eigenschap gemeen hebben, narcisme:
Eenmaal overtuigd van hun eigen gelijk gaan ze ervan uit dat de wereld er uitsluitend en alleen voor hen is. Ze hebben geen vrienden maar uitsluitend volgelingen, en vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat die hen blindelings gehoorzamen. Maar volgelingen hebben tegelijkertijd een cruciale functie. Als zij er niet zouden zijn, dan was de goeroe gewoon gek.Storr, zegt Hulspas, is dan wel een aanhanger van het "volstrekt belachelijke" principe der antipsychiatrie dat stelt dat de beslissing wie gek is en wie niet een zuiver maatschappelijke zou zijn. Maar in het geval van goeroes is dat een niet geheel onzinnige opmerking.
Net zoals een school slimme doch bange visjes zich uiteindelijk laat leiden door dat ene visje waarbij het brein is verwijderd en dat daardoor nergens gevaar ziet, zo laten velen zich op sleeptouw nemen door personen die twijfelloos overtuigd zijn van hun gelijk en almacht.Hulspas ziet een link tussen politici en psychopaten:
In de politiek is pathologische zelfoverschatting een uiterst nuttige eigenschap. Robert Cook van de Caledonian University in Glasgow ontdekte opmerkelijke karakterologische overeenkomsten tussen Britse politici en psychopaten. In beide gevallen gaat het om egocentrische, asociale, waanwijze, aan zelfoverschatting lijdende, dwangmatige leugenaars. Het enige verschil was dat psychopaten het gewoon leuk vinden om mensen te misleiden en zichzelf daarbij niet in de hand hebben, terwijl politici het gedoseerd en doelbewust doen. Juist dat doelbewuste, dat georganiseerde liegen maakt dat politici op den duur overtuigend overkomen, als mensen met een ‘visie’.Significant!
Tot zover evidente kletskoek. Maar ook serieuze kranten bezondigen zich regelmatig aan stemmingmakerij. Omdat ze de kunde missen om onderzoeksresultaten goed te interpreteren — probeer maar eens over genetica te rapporteren zonder in biologisch determinisme te vervallen — of omdat de wetenschappelijke wereld zelf fouten maakt. Alleen al de wildgroei aan research zorgt ervoor dat er voor eender welke bewering altijd wel een onderzoek te vinden is met significante resulaten in die richting.
De Britse geneticus Bill Amos rekende het in Nature van 8 februari 1996 even voor. Stel, tijdens een lezing op een congres krijgen twintig luisteraars dezelfde inval voor een klein onderzoekje, dat ze vervolgens ook uitvoeren. Ook al valt er niets aan te tonen, louter op grond van het toeval is de kans groot dat een van hen een significant resultaat haalt. Als dat gepubliceerd wordt, slaan 19 mensen zich voor het hoofd, terwijl (stel) pakweg duizend anderen een student aan het werk zetten. Dat levert weer vijftig significante resultaten op, waaronder enkele zéér significante. De beste onderzoeken verschijnen, de mindere volgen later, en worden gepresenteerd als evenzovele bevestigingen. En nog steeds is er niets aan de hand.Hulspas' boekje brengt mooi in kaart waar het bij wetenschappelijk onderzoek allemaal kan mislopen. De groep respondenten is te klein of niet-representatief; er is geen controlegroep; de aannames of vraagstellingen zijn al te modieus; oorzaak en gevolg worden met elkaar verwisseld; dingen worden verklaard uit één enkele oorzaak; of er is belangenvermenging in het spel.
De betekenis van een positief resultaat is dus afhankelijk van het totale aantal onderzoeken dat wordt verricht. En niemand die daar ooit achter komt, want het gros wordt niet gepubliceerd. Hoe meer onderzoek ernaar wordt verricht, des te groter is dus de kans dat ozon-, edelsteen-, en Cuba-therapie ergens in de vakliteratuur in de prijzen vallen. ‘De logische conclusie,’ zo hield de redactie van Nature drie weken later voor, ‘is dat uw tijdschrift hoofdzakelijk statistische ruis bevat.’ Vandaar dat de redactie ook regelmatig brieven afdrukt van lezers die dankzij Nature weer scherp zijn gaan zien.
Neem het klassieke bericht als zou de kwaliteit van ons sperma achteruitkachelen. Toen men het meta-onderzoek ging herbekijken, bleek dat de oudste zaadmonsters vaak uit het oosten van de VS kwamen, de latere vaker uit het westen of uit de Derde Wereld — plaatsen waar het sperma traditioneel traag is. Neem de modieuze berichtgeving over verslaving, internetverslaving bijvoorbeeld. Vroeger was het heel gewoon om volstrekt monomaan te zijn — daar hebben we componisten aan te danken als Beethoven, politici als Bismarck en onderzoekers als Pasteur. Of neem het onderzoek "waaruit blijkt dat 90 procent van de overlevenden van een vliegtuigcrash tevoren gedacht had aan de nooduitgangen". Wie weet in godsnaam waar de mensen die het niet overleefden hebben aan gedacht?
Belangenvermenging zorgt ervoor dat kwakkels niet of niet snel genoeg de wereld worden uitgeholpen. Zo gaf het persagentschap Reuters opdracht voor een onderzoek waaruit blijkt dat mensen die te veel informatie over zich heen krijgen, kampen met angstgevoelens en besluiteloosheid en dus dringend behoefte hebben aan een systeem dat irrelevante data filtert. Hulspas noemt ook de "milieubeschermers en zeehondenknuffelaars" die altijd en eensgezind moeten verkondigen dat het met de Waddenzee slecht gesteld is en dat de zeehondjes opvang verdienen. Anders komt er natuurlijk niemand kijken.
Niet de bedreiging van het milieu, maar de bezorgdheid om het milieu is voor hen een levensvoorwaarde, en dient dus gecultiveerd.Een ander voorbeeld van belangenvermenging is de veelheid aan doktoren die maar wat blij zijn met genezers als bovengenoemde Jomanda, omdat ze "uitgedokterde" patiënten hoop geven of het placebo-effect stimuleren.
En dan is er nog ene meneer Cavalli-Sforza, de grondlegger van het Human Genome Diversity Project, een wereldomspannend programma gericht op het verzamelen van bloedmonsters van zoveel mogelijk verschillende volkeren op aarde. Daarvan willen Cavalli-Sforza en zijn team genetische verwantschappen vaststellen en zo de geschiedenis van de mensheid reconstrueren. Gegevens die ook geld waard zijn natuurlijk: want als een bepaalde bevolkingsgroep een genetische ziekte vertoont en het verantwoordelijke genetische defect wordt opgespoord, dan is zo’n vondst miljoenen waard. Overigens komt de felste kritiek op het project van de kant van de antropologen.
Nu zij [de antropologen] met veel moeite begrippen als oud en nieuw, zuiver en onzuiver, 'hoger' en 'lager', uit hun jargon hebben verwijderd, beginnen genetici er weer aan. Wie niet uitsluitend naar extremen kijkt, ontdekt dat de fysieke diversiteit binnen etnische groepen enorm is, en de verschillen tussen de groepen klein.Want dat is waar een buitenstaander ook moeilijk zicht op krijgt, omdat reguliere media er durven aan voorbijgaan: de stammentwisten tussen de wetenschapsdomeinen onderling. Denk aan de klassieke geschil tussen genetici (die naarstig speuren naar biochemische factoren die crimineel gedrag kunnen 'verklaren') en criminologen (die criminaliteit graag afschuiven op omgevingsfactoren).
Nog heviger is de strijd tussen natuurwetenschappers enerzijds en sociologen uit de SSK-hoek (‘Sociology of Scientific Knowledge’) zoals David Bloor, H.M. Collins, Bruno Latour en A. Pickering anderzijds. Een strijd die beslecht lijkt door de Sokal-hoax.
Controverse bracht ook het boek The end of science, waarin John Horgan stelde dat de tijd van de grote wetenschappelijke revoluties definitief voorbij is. Daar kwam nogal kritiek op uit medische hoek, waar de grootste uitdagingen (kanker, aids) nog moeten aangegaan worden. Alleen, zegt Hulspas, is het succesvol bestrijden van deze ziektes niet vergelijkbaar met de ontdekking van de kwantummechanica en de theorie van de continentverschuivingen. Integendeel. "Als we kanker en aids kunnen bestrijden is dat op basis van dat brede biochemische fundament dat de afgelopen eeuw is gestort."
Het rare van wetenschappelijke berichtgeving, tot slot, is dat zij een eigen dynamiek heeft en door belangrijke betrokken partijen perfect kan genegeerd worden, zonder dat er iemand om maalt. Toen aanwijzingen leken te wijzen op de mogelijkheid van leven op Mars (hoewel microscopisch klein en nu morsdood), lieten religieuze gezagsdragers helemaal niets van zich horen, terwijl buitenaards leven toch een redelijk theologische kluif is. Ondertussen raakt het grote publiek gewend aan alle berichtgeving over leven op Mars, door de opeenvolging van nieuwe ontdekkingen en de uiterst genuanceerde twijfels die men daar dan bij heeft. Als ontdekkers met eindelijk met sluitend bewijs komen zal niemand er meer verbaasd over staan. We hebben het gehad.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Marcel Hulspas, Van harte wetenschap
Misstanden en misverstanden in de wereld der wetenschap
176 p.
Uitgeverij Prometheus, 1997
____






