maandag 31 mei 2010

Van harte wetenschap - Marcel Hulspas

Wie ooit een wetenschappelijke bijdrage van dichtbij heeft gezien — en op internet zijn vakbladen makkelijker dan ooit in te kijken weet dat de teneur van dat soort artikels hemelsbreed verschilt van de stelligheid waarmee algemene media de zogenaamde conclusies ('Onderzoekers hebben ontdekt dat...') daaruit weergeven. Ik probeer dan ook alleen over wetenschap te lezen in (1) boeken die (2) een breed panorama schetsen en (3) geschreven zijn door vakmensen.

Journalist en astronoom Marcel Hulspas volgt de wetenschappelijke berichtgeving in de massamedia op de voet. Hulspas schreef ooit kritisch over de tekortkomingen van Wikipedia-lemmata over pseudo-wetenschappen, al had hij voor mijn part een onderscheid mogen maken tussen de Nederlandstalige en de Engelstalige Wiki. In Van harte wetenschap, een bundel columns gepubliceerd in de jaren negentig, ruim voor de start van Wikipedia (2001) dus, maakt hij zich druk over fouten, misleiding en gebrek aan nuance in onverdachtere bronnen: boeken, kranten, tijdschriften, televisie, en zelfs sommige populair-wetenschappelijke bladen.

Vooral flauwekul in gedrukte vorm is gevaarlijk, omdat kranten en boeken weinig aan prestige hebben ingeboet, zelfs in tijden van internet. Wetenschap en geschreven media versterken elkaars prestige ook nog eens. Hulspas wijst er op dat in 1 april-grappen wetenschap traditioneel een belangrijke rol speelt: wetenschappers heten betrouwbaar te zijn, en staan garant voor de meest onverwachte en nutteloze ontdekkingen. Het grote publiek is ook makkelijk te foppen, zeker wanneer het zogenaamde onderzoek te maken heeft met de favoriete angsten en obsessies van de natie.

Papier is gewillig. Voeg daarbij het gegeven dat de leugen interessanter is dan de waarheid (en daarom meer geld waard) en je krijgt een toevloed van teksten die kant nog wal raken. "Wie nooit een boek leest," schrijft Hulspas letterlijk, "heeft niet in de gaten dat aan het publiceren van een boek tegenwoordig nog maar nauwelijks intellectuele eisen worden gesteld, dat menige uitgever tegenwoordig leeft van het uitbrengen van de grootst mogelijke onzin." Hij noemt uitgevers die fotoboeken met graancirkels op de markt gooien (ooit een foto gezien van een cirkel die maar half op het veld is terechtgekomen? hoe zou dat toch komen?) of boeken over Nostradamus, en daarbij met opzet de lezer diens evident verkeerde voorspellingen onthouden. Hulspas noemt dat 'champignonfilosofie' ten aanzien van de boekenkopers: feed them shit and keep them in the dark.

Vaak verdient de populaire pers twee keer aan pseudo-wetenschappelijke onzin. Een eerste keer door een nieuwkomer of underdog met een lekker verhaal op een voetstuk te plaatsen; een tweede keer door hem of haar er met veel leedvermaak weer vanaf te trappen. Zie: Jomanda. Maar ook serieuze beroepsorganisaties doen lustig aan mee aan het promoten van bagger. Het thema van de Nederlandse Boekenweek 1997 was ‘Mijn God’, met als gevolg "een waarlijk adembenemende stroom reli-pulp".

Het drama is tweeledig: weerlegging van foute claims kost zoveel meer tijd dan alle research besteed aan waandenkbeelden (if any). En zolang er geen doden vallen, mag van de overheid iedereen zijn gang blijven gaan.

Slimme doch bange visjes
Zoals de ondertitel aangeeft, offreert Van harte wetenschap een vrolijk overzicht van "misstanden en misverstanden" in de wetenschap: poltergeisten die lijden aan het shyness-effect (als je erop staat te kijken doen ze niks); de experimenten met door de CIA gehypnotiseerde huurmoordenaars; de opportunistische rehabilitatie van Darwin door het Vaticaan; de Franse antropoloog Marcel Griaule die zijn eigen astronomische kennis projecteerde op de (inmiddels zelfs alweer achterhaalde) intuïtieve kennis van de sterrenkunde van de Dogon; de beperkte historische waarde van de Dode-Zeerollen; feel good-goeroes die de waarheid en het licht gevonden hebben bij een of andere ‘onontdekte’ stam; de overdreven aandacht voor buitenaards leven sinds Carl Sagan en diens (met I. S. Shklovskii geschreven) Intelligent life in the universe; de geflipte historicus Albert Delahaye; Feng Shui en het Hawthorne-effect; de lijst is werkelijk eindeloos.

Uit die bladzijden onthoud ik echter vooral de simpele observatie dat zo'n strijdkreet als Emile Ratelbands Tsjakkaa! niet zonder reden goed bekt in gelijk welke taal. Ronduit opgelucht was ik dan weer toen een kritisch boek over Marco Polo werd besproken en bleek dat ik alle reserves omtrent de wereldreiziger heb opgenomen in mijn boekbespreking van een paar weken geleden.

Wel vind ik dat Marcel Hulspas er zich soms een beetje gemakkelijk vanaf maakt. In bepaalde stukjes stapelt hij in de gauwte een paar onderwerpen op elkaar, zonder duidelijke samenhang. Hulspas vertrouwt ook blind op zijn badinerende toon, zonder te beseffen dat dat gemonkellach vooral de eigen parochie pleziert. Wie mensen over de streep wil trekken die zich niet speciaal in de wetenschap hebben verdiept, moet grondig argumenteren, en iets laten zien van het grotere rationele denkraam. Bij gebrek aan die context beantwoorden deze columns te makkelijk aan het clichébeeld van de arrogante witte stofjas die alle simpele zielen even komt berispen.

En dat is een gemiste kans. Want pseudo-intellectualiteit, wist ik al van Georges Charpak en Henri Boch, besmet alle sociale klassen. De mens, slim of dom, heeft van nature niet de neiging om logisch na te denken en focust bij voorkeur op wat in zijn straatje past. Hulspas vindt: de mens kan denken — niet om iets van zijn omgeving te begrijpen, maar om ondanks zijn omgeving gelukkig te blijven. Schotjes in je verstand zijn heel praktisch daarbij. Zo'n Marcel Möring minacht dan wel de uitwassen van de new age, maar hecht zelf overdreven belang aan zijn 'persoonlijk onderzochte' joodse roots.

Ook beleidsmakers blijven niet immuun voor bijgeloof. Zo gaat het verhaal dat de EBRD met astrologie het gedrag van de financiële markten probeert te voorspellen. De president van Sri Lanka liet naar verluidt alle nummerplaten van auto’s waarvan de cijfers bij elkaar opgeteld het getal dertien vormden verwijderen. En in het Kremlin ritselde het onder Jeltsin van de occultisten.

Aan de hand van het boek Feet of clay van Anthony Storr, worden in Van harte wetenschap dat soort goeroes doorgelicht. U weet wel, weldoeners die ideeën verkondigen die blijkbaar zo revolutionair zijn dat ze geen enkele verwijzing naar eerder onderzoek nodig achten. Storr concludeert in zijn boek dat goeroes eigenlijk maar één eigenschap gemeen hebben, narcisme:

Eenmaal overtuigd van hun eigen gelijk gaan ze ervan uit dat de wereld er uitsluitend en alleen voor hen is. Ze hebben geen vrienden maar uitsluitend volgelingen, en vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat die hen blindelings gehoorzamen. Maar volgelingen hebben tegelijkertijd een cruciale functie. Als zij er niet zouden zijn, dan was de goeroe gewoon gek.
Storr, zegt Hulspas, is dan wel een aanhanger van het "volstrekt belachelijke" principe der antipsychiatrie dat stelt dat de beslissing wie gek is en wie niet een zuiver maatschappelijke zou zijn. Maar in het geval van goeroes is dat een niet geheel onzinnige opmerking.
Net zoals een school slimme doch bange visjes zich uiteindelijk laat leiden door dat ene visje waarbij het brein is verwijderd en dat daardoor nergens gevaar ziet, zo laten velen zich op sleeptouw nemen door personen die twijfelloos overtuigd zijn van hun gelijk en almacht.
Hulspas ziet een link tussen politici en psychopaten:
In de politiek is pathologische zelfoverschatting een uiterst nuttige eigenschap. Robert Cook van de Caledonian University in Glasgow ontdekte opmerkelijke karakterologische overeenkomsten tussen Britse politici en psychopaten. In beide gevallen gaat het om egocentrische, asociale, waanwijze, aan zelfoverschatting lijdende, dwangmatige leugenaars. Het enige verschil was dat psychopaten het gewoon leuk vinden om mensen te misleiden en zichzelf daarbij niet in de hand hebben, terwijl politici het gedoseerd en doelbewust doen. Juist dat doelbewuste, dat georganiseerde liegen maakt dat politici op den duur overtuigend overkomen, als mensen met een ‘visie’.
Significant!
Tot zover evidente kletskoek. Maar ook serieuze kranten bezondigen zich regelmatig aan stemmingmakerij. Omdat ze de kunde missen om onderzoeksresultaten goed te interpreteren — probeer maar eens over genetica te rapporteren zonder in biologisch determinisme te vervallen — of omdat de wetenschappelijke wereld zelf fouten maakt. Alleen al de wildgroei aan research zorgt ervoor dat er voor eender welke bewering altijd wel een onderzoek te vinden is met significante resulaten in die richting.
De Britse geneticus Bill Amos rekende het in Nature van 8 februari 1996 even voor. Stel, tijdens een lezing op een congres krijgen twintig luisteraars dezelfde inval voor een klein onderzoekje, dat ze vervolgens ook uitvoeren. Ook al valt er niets aan te tonen, louter op grond van het toeval is de kans groot dat een van hen een significant resultaat haalt. Als dat gepubliceerd wordt, slaan 19 mensen zich voor het hoofd, terwijl (stel) pakweg duizend anderen een student aan het werk zetten. Dat levert weer vijftig significante resultaten op, waaronder enkele zéér significante. De beste onderzoeken verschijnen, de mindere volgen later, en worden gepresenteerd als evenzovele bevestigingen. En nog steeds is er niets aan de hand.
De betekenis van een positief resultaat is dus afhankelijk van het totale aantal onderzoeken dat wordt verricht. En niemand die daar ooit achter komt, want het gros wordt niet gepubliceerd. Hoe meer onderzoek ernaar wordt verricht, des te groter is dus de kans dat ozon-, edelsteen-, en Cuba-therapie ergens in de vakliteratuur in de prijzen vallen. ‘De logische conclusie,’ zo hield de redactie van Nature drie weken later voor, ‘is dat uw tijdschrift hoofdzakelijk statistische ruis bevat.’ Vandaar dat de redactie ook regelmatig brieven afdrukt van lezers die dankzij Nature weer scherp zijn gaan zien.
Hulspas' boekje brengt mooi in kaart waar het bij wetenschappelijk onderzoek allemaal kan mislopen. De groep respondenten is te klein of niet-representatief; er is geen controlegroep; de aannames of vraagstellingen zijn al te modieus; oorzaak en gevolg worden met elkaar verwisseld; dingen worden verklaard uit één enkele oorzaak; of er is belangenvermenging in het spel.

Neem het klassieke bericht als zou de kwaliteit van ons sperma achteruitkachelen. Toen men het meta-onderzoek ging herbekijken, bleek dat de oudste zaadmonsters vaak uit het oosten van de VS kwamen, de latere vaker uit het westen of uit de Derde Wereld — plaatsen waar het sperma traditioneel traag is. Neem de modieuze berichtgeving over verslaving, internetverslaving bijvoorbeeld. Vroeger was het heel gewoon om volstrekt monomaan te zijn — daar hebben we componisten aan te danken als Beethoven, politici als Bismarck en onderzoekers als Pasteur. Of neem het onderzoek "waaruit blijkt dat 90 procent van de overlevenden van een vliegtuigcrash tevoren gedacht had aan de nooduitgangen". Wie weet in godsnaam waar de mensen die het niet overleefden hebben aan gedacht?

Belangenvermenging zorgt ervoor dat kwakkels niet of niet snel genoeg de wereld worden uitgeholpen. Zo gaf het persagentschap Reuters opdracht voor een onderzoek waaruit blijkt dat mensen die te veel informatie over zich heen krijgen, kampen met angstgevoelens en besluiteloosheid en dus dringend behoefte hebben aan een systeem dat irrelevante data filtert. Hulspas noemt ook de "milieubeschermers en zeehondenknuffelaars" die altijd en eensgezind moeten verkondigen dat het met de Waddenzee slecht gesteld is en dat de zeehondjes opvang verdienen. Anders komt er natuurlijk niemand kijken.
Niet de bedreiging van het milieu, maar de bezorgdheid om het milieu is voor hen een levensvoorwaarde, en dient dus gecultiveerd.
Een ander voorbeeld van belangenvermenging is de veelheid aan doktoren die maar wat blij zijn met genezers als bovengenoemde Jomanda, omdat ze "uitgedokterde" patiënten hoop geven of het placebo-effect stimuleren.

En dan is er nog ene meneer Cavalli-Sforza, de grondlegger van het Human Genome Diversity Project, een wereldomspannend programma gericht op het verzamelen van bloedmonsters van zoveel mogelijk verschillende volkeren op aarde. Daarvan willen Cavalli-Sforza en zijn team genetische verwantschappen vaststellen en zo de geschiedenis van de mensheid reconstrueren. Gegevens die ook geld waard zijn natuurlijk: want als een bepaalde bevolkingsgroep een genetische ziekte vertoont en het verantwoordelijke genetische defect wordt opgespoord, dan is zo’n vondst miljoenen waard. Overigens komt de felste kritiek op het project van de kant van de antropologen.
Nu zij [de antropologen] met veel moeite begrippen als oud en nieuw, zuiver en onzuiver, 'hoger' en 'lager', uit hun jargon hebben verwijderd, beginnen genetici er weer aan. Wie niet uitsluitend naar extremen kijkt, ontdekt dat de fysieke diversiteit binnen etnische groepen enorm is, en de verschillen tussen de groepen klein.
Want dat is waar een buitenstaander ook moeilijk zicht op krijgt, omdat reguliere media er durven aan voorbijgaan: de stammentwisten tussen de wetenschapsdomeinen onderling. Denk aan de klassieke geschil tussen genetici (die naarstig speuren naar biochemische factoren die crimineel gedrag kunnen 'verklaren') en criminologen (die criminaliteit graag afschuiven op omgevingsfactoren).

Nog heviger is de strijd tussen natuurwetenschappers enerzijds en sociologen uit de SSK-hoek (‘Sociology of Scientific Knowledge’) zoals David Bloor, H.M. Collins, Bruno Latour en A. Pickering anderzijds. Een strijd die beslecht lijkt door de Sokal-hoax.

Controverse bracht ook het boek The end of science, waarin John Horgan stelde dat de tijd van de grote wetenschappelijke revoluties definitief voorbij is. Daar kwam nogal kritiek op uit medische hoek, waar de grootste uitdagingen (kanker, aids) nog moeten aangegaan worden. Alleen, zegt Hulspas, is het succesvol bestrijden van deze ziektes niet vergelijkbaar met de ontdekking van de kwantummechanica en de theorie van de continentverschuivingen. Integendeel. "Als we kanker en aids kunnen bestrijden is dat op basis van dat brede biochemische fundament dat de afgelopen eeuw is gestort."

Het rare van wetenschappelijke berichtgeving, tot slot, is dat zij een eigen dynamiek heeft en door belangrijke betrokken partijen perfect kan genegeerd worden, zonder dat er iemand om maalt. Toen aanwijzingen leken te wijzen op de mogelijkheid van leven op Mars (hoewel microscopisch klein en nu morsdood), lieten religieuze gezagsdragers helemaal niets van zich horen, terwijl buitenaards leven toch een redelijk theologische kluif is. Ondertussen raakt het grote publiek gewend aan alle berichtgeving over leven op Mars, door de opeenvolging van nieuwe ontdekkingen en de uiterst genuanceerde twijfels die men daar dan bij heeft. Als ontdekkers met eindelijk met sluitend bewijs komen zal niemand er meer verbaasd over staan. We hebben het gehad.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Marcel Hulspas, Van harte wetenschap
Misstanden en misverstanden in de wereld der wetenschap
176 p.
Uitgeverij Prometheus, 1997

____

zondag 30 mei 2010

Never argue with idiots

Never argue with idiots: they drag you down to their level and then beat you with experience.
Gelezen bij Michael J. Hurst

____

vrijdag 28 mei 2010

De echtbreukeling - Herman Leenders

Herman Leenders kende ik alleen van zijn dichtbundels: brave, windstille poëzie, geschoeid op de oude leest van de nieuw-realisten. Ik herinner me een polemisch stuk van Dirk van Bastelaere waarin een vers van Leenders helemaal werd vermorzeld, en ik weet nog dat ik zat te knikken. Enfin. In 2005 kwam de dichter met De echtbreukeling, en dat was andere koek. Tandenknarsend proza over een niet te verteren echtscheiding. Al past ook dit boekje in je binnenzak.

De hoofdpersoon ontvangt op zekere dag een aangetekende brief van zijn vrouw — de facto zijn ex-vrouw, maar kennelijk nog niet de jure. De brief komt ogenschijnlijk uit het niets, maar is formeel: de man moet het huis uit. Nu meteen.

Natuurlijk vecht de man dat juridisch aan, maar dat maakt het alleen maar erger: het hoederecht zal hem afgenomen worden en als hij niet oppast zal hij zijn vrouw (ook "eiseres" genoemd) forse alimentatie moeten betalen.

De man raakt op de dool. Het conflict dijt uit, besmet zijn vriendenkring, hypothekeert nieuwe liefdes. De omslagillustratie van De echtbreukeling is niet toevallig van Clark et Pougnaud, twee fotografen uit Parijs die de doeken van Edward Hopper reanimeren.

Herman Leenders laat man en vrouw voor de rechter verschijnen, en dus zal de lezer flink wat gekibbel uitzitten.

Zij zei dat hij een bord soep over haar uitgekeerd had en hij zei dat zij het botervlootje op zijn hoofd uitgesmeerd had maar de rechter bleef ernstig kijken, net als de koning en de koningin naast hem. Niets van wat zij tegen de rechter zeiden maakte ook maar enige indruk op hem. De rechter bestond slechts uit een zwarte toga en een paar ingelijste ogen. Het was alsof hij zelfs niet hoorde wat zij vertelden, zo was hij in zijn eigen gedachten verzonken. Die rechter sloeg nooit eens met zijn hamertje zoals in Amerikaanse speelfilms, dat hamertje bleef daar werkloos op zijn plankje liggen hoewel er een hoop onzin werd uitgekraamd en grove leugens en halve waarheden en er zaken werden verteld die er met de haren bij gesleurd waren en er eigenlijk niets mee te maken hadden todat de advocaat van zijn vrouw een briefje op tafel legde waarop K. zwart op wit geschreven had: ‘Laat mij a.u.b. met rust. Je bent een wolf in schaapsvacht!’ Dat was vast een schoolvoorbeeld van een grote belediging zoals vermeld in artikel 231 van het burgerlijk wetboek al mat het briefje slechts vijf bij tien centimeter en had hij het inderhaast neergekrabbeld als een bezetene die wanhopig riep naar zijn geliefde dat hij haar niet liefhad, zoals je op een deur bonkt die niet opengaat, altijd maar harder, eerst omdat ze je zouden horen daarna uit wanhoop om die onverschilligheid! En dankzij hem had zij nu een geschreven bewijs in handen waaruit ondubbelzinnig bleek dat hij haar had beledigd. En de bijziende rechter bekeek het briefje en hield het omhoog terwijl hij K. aankeek alsof hij naar gelijkenissen zocht tussen het verwarde handschrift en de haardos van de mens die voor hem zat en de haardos van de mens die voor hem zat en die tot zoiets in staat was gebleken.
‘Had u daar nog iets aan willen toevoegen?’ vroeg de rechter plots. Toen hij van wal wou steken, de toespraak zou geven die hij in gedachten al zo vaak geoefend had, een ‘I had a dream-speech’ die alles ten goede zou keren en waardoor de wereld eindelijk de onrechtvaardigheid zou zien waarvoor ze al decennialang blind was geweest, toen onderbrak de rechter hem terwijl hij nog maar één woord gezegd had en verzocht hem streng om te gaan staan als hij het woord tot het Hof richtte.
Een bijster goede roman wordt het niet, verder. De stof is zeer mager en Leenders reserveert voor zijn lezers een al te comfortabel zitje: dat van het standpunt van de man. De vrouw wordt zonder scrupules neergezet als een helleveeg, en voor de enkeling die dan nog niet weet welke partij te kiezen, bedenkt de auteur zijn anti-held met het initiaal K. — een hoogst pretentieuze allusie op Kafka's Josef K., de man die zonder opgaaf van reden door een wetsdienaar van zijn bed wordt gelicht.

Pretentieus, omdat de vrouw wél redenen heeft om zich van deze man te ontdoen. K. is immers het prototype van de auteur die helemaal opgeslorpt wordt door zijn schrijverij ("een verhaal zonder einde") en ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Lees schrijversbiografieën; het aantal monomane auteurs dat hun vrouw als veredelde werkster gebruikt is niet te tellen.

Medelijden met K. kreeg ik dus niet. Leenders formuleert af en toe mooi en dichterlijk — de hybride toon van De echtbreukeling, half laconiek, half pathetisch, zit al in de titel — maar maakt ook grote fouten. Zo ga je in een verhaaltje over echtscheiding niet Levi en Sjalamov zitten opvoeren. Smakeloos is dat.

Terwijl Leenders elders best aardige dingen schrijft.
Heeft het zin om op herinneringen te kauwen? Heeft het zin om zich af te vragen: waar was ik vorig jaar? Waarom is de herinnering zo’n flauw aftreksel van de beleving? Waarom is K. niet tevreden met de herinnering? Waarom herinnert hij zich haar, zomaar midden in de dag en zonder aanleiding? Meestal zijn ze op reis en staan ze op plaatsen die niet eens pittoresk zijn. Wie maakt op een parking een foto als zijn geliefde tussen de auto’s loopt? Waarom neemt zijn geheugen op deze plaatsen foto’s? Waarom blijven al die onbetekenende ogenblikken in zijn geheugen bestaan? Waarom anders dan om hem ermee te teisteren? Om hem eraan te herinneren dat het leven een aaneenschakeling is van onbetekenende ogenblikken en dat precies daarin het geluk ligt dat hij is kwijtgeraakt.
De finale van De echtbreukeling is dan weer goedkoop melodrama.

(Gebaseerd op notities van 8 december 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Herman Leenders, De echtbreukeling
142 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

____

donderdag 27 mei 2010

Kleine Pinakothek


Who's afraid of Tom Dice? (2010), Achille van den Branden, pixels op beeldscherm, 450 x 320 px



Bærum Boogie Woogie (2010), Achille van den Branden, pixels op beeldscherm, 450 x 319 px



Composition with baby blue, bondi blue, cerulean, midnight green, pine green, robin egg blue, teal, turquoise, verdigris, viridian, white and black (2010), Achille van den Branden, pixels op beeldscherm, 450 x 318 px

Nieuwe microhobby. Als je browser even blijft steken bij het scrollen: print screen nemen, bijsnijden, onnozele titel verzinnen.

____

woensdag 26 mei 2010

Majoor Aebi's overgave - Gianluigi Melega

Het is perfect mogelijk je dood te ergeren aan een prima geschreven boek. Het overkomt me meestal wanneer de auteur — niet zelden een auteur van zogeheten ideeënromans — het zichzelf erg gerieflijk heeft gemaakt. Majoor Aebi's overgave draait rond de seksuele uitspattingen van de hoofdpersoon, en de wijsgerige implicaties daarvan. Maar die uitspattingen zijn alleen maar mogelijk omdat majoor Aebi's bedpartners weinig meer zijn dan lappenpoppen.

Eerst creëert Gianluigi Melega een, nou ja, geen bordkartonnen figuur, maar laten we zeggen een vent van vezelplaat. Te weten: een rijke stinkerd in een midlifecrisis. Vervolgens laat hij elke vrouw nodeloos in katzwijm vallen voor deze man. Belanden ze daarna in bed, dan is dat meteen het signaal om copieuze seksscènes te gaan filmen, voorzien van potsierlijk rationaliserende ondertitels à la française.

Het verhaal? Is dun. Matthias Aebi is een gepensioneerde legerofficier uit Locarno. Zijn vrouw, enig kind van een supermarkttycoon, is op drieënvijftigjarige leeftijd overleden. Het koppel was altijd al vermogend geweest, en nu erft de majoor in zijn eentje het fortuin van zijn vrouw.

Het was een doodgewoon duo, vroeger, de majoor en zijn vrouw, een duo dat prat ging op goede smaak, duur ging dineren en regelmatig klassieke muziekconcerten bijwoonde (alsof hier bij voorbaat wordt gerefereerd aan het type nazibeul dat na de kantooruren ook kon genieten van een snuifje Schubert op zijn tijd). Keurig, keurig. Melega heeft er niet toevallig een stel Zwitsers van gemaakt.

Geen samenleving is zo egoïstisch georiënteerd als de burgerlijke maatschappij die men doorgaans aanduidt als de ‘westerse’. En daarbinnen lijkt de Zwitserse maatschappij, met haar uitgesproken positieve en negatieve kanten, de kwintessens te zijn van diverse nationale varianten van de burgerlijke maatschappij. De materiële welstand van het grootste deel van de bevolking doet dat wat in wezen een hardnekkig verdedigen is van de privileges van een kleine groep ten opzichte van de rest van de wereld voorkomen als democratische vrijheden.
Van seksuele prikkelingen heeft de majoor in de regel geen last; Verbena lijkt immers meer op een gezelschapsdame dan op een echtgenote. Maar dan, bijna even laconiek als ik het hier samenvat, wordt het stel opgegeild door een welgevormde serveerster, in een Weens restaurant.

Die ervaring blijft serieus nazinderen bij majoor Aebi. Na de dood van de vrouw gaat hij de serveerster, Trudi heet ze, opzoeken en biedt haar het dure tasje van zijn vrouw aan dat de eerste keer duidelijk haar aandacht had getrokken. Hij wendt voor dat hij het ding aan haar móet geven — opdracht van zijn overleden vrouw. En er is meer. De majoor komt met geld op de proppen.
Ze [Verbena] liet me beloven dat ik u die tienduizend schilling zou aanbieden opdat u, Trudi, met mij naar bed zou gaan (…).
Dan is eigenlijk al te zien wat voor kitch de Italiaanse schrijver Melega zal gaan bedrijven. De beschrijving van de seksscène is even verlekkerd als het toenaderingsproces tussen het tweetal kort en ongeloofwaardig is.

Trudi, en alle vrouwen die in de rest van het boek worden afgewerkt, stellen zich zonder opgaaf van reden volledig ten dienste van de majoor, accepteren alle vormen van geslachtsgemeenschap die hij van hen verlangt, alsof hun lichaam hen niet meer toebehoort. Slavinnen zijn het.

Want terug in Locarno wil de majoor al snel jacht maken op nieuwe verboden avonturen in sexualibus. Hij heeft zich gerealiseerd dat hij als vermogend man zo'n geneugten in vele andere en verschillende omstandigheden kan proeven. En wat is een mens die niets wenst dat hij niet heeft? Wat heeft het leven voor zin als je iedere volgende dag niet beschouwt als een gelegenheid om iets nieuws, leuks, interessants te doen?
Hij voelde zich als een ontdekkingsreiziger tegenover de afbeelding van een net in kaart gebracht continent waarop de woorden ‘Hic sunt leones’ prijkten.
Eerst gaat mevrouw Grunwald voor de bijl, een gescheiden vrouw van rond de vijfendertig die na de dood van Verbena de leiding van de supermarkt mag overnemen. Dit "schoolvoorbeeld van de onberispelijke ambtenaar" wordt door de majoor seksueel geknecht door gewoon op haar in te praten, recht in de ogen te kijken, op precieze plekken aan te raken en te verklaren dat het leven o zo opwindend is als je ongebonden bent.

Stilaan beseft hij dat het bijbehorende gevoel van macht hem geil maakt — te zien hoe hij de waardige houding van vrouwen kan ondermijnen, het neerhalen van de gangbare fatsoensnormen.
Wat hem opwond, hem als het ware een permanente mentale erectie bezorgde, voor hem een voorwaarde om lichamelijk tot een orgasme te komen, was de, overigens juiste, indruk dat mevrouw Grunwald iedere keer dat ze door hem werd aangezet tot een nieuw seksueel spel, de roes van het verbodene voelde: iets wat niet door de wet verboden was, maar door het geheel van gewoontes, opvoeding, vooroordelen, schijnheiligheden, spreekwoorden, gezegden, gemeenplaatsen, kortom, dat wat de essentie van het burgerlijke gedachtegoed vormt.
Een volgende stap, en al even opwindend, is het liefdesspel bedrijven in het zicht van toevallige passanten. Een studente, bijvoorbeeld. Dit exhibitionisme doet de majoor twijfelen aan zijn vroegere overtuiging een normale, heteroseksuele bourgeois te zijn.
Terwijl hij vanachter zijn donkere glazen heimelijk naar haar keek en deed alsof hij zich in volstrekte afzondering met mevrouw Grunwald bevond, laafde majoor Aebi zich aan de lange, ononderbroken siddering van pervers genot die de aanblik van de steeds veranderende uitdrukkingen op het gezicht van het meisje hem bezorgde. Hij herhaalde daarbij in zichzelf dat hij het was, hij met zijn gedurfde en abjecte gedrag die ze veroorzaakte.
Na de verbazing het ongeloof, daarna de nieuwsgierigheid, daarna het voyeurisme, daarna de ironie, daarna het zich schikken in de ongewone passieve rol, daarna een glimlach van medeplichtigheid, daarna een glimlach van toegeeflijkheid, daarna de gedachte op een dag ook zoiets te kunnen doen…
‘Ik heb haar gecorrumpeerd! Ook haar heb ik gecorrumpeerd,’ dacht de majoor in een opwelling van egotisme en genot, en hij had een intense ejaculatie.
Met de intrede van de Zweedse actrice Gerda Svensen ("die in bijna alle films van Bergman speelde", jaja) is het hek helemaal van de dam. Deze libertijnse stoot, een ontwikkelde vrouw met een kosmopolitische instelling, is nog zo ongerept dat ze niet al haar gedragingen wil goedpraten, en handelt zoveel mogelijk op het instinct. Eerst wordt ze de sparringpartner van mevrouw Grunwald, om aan Aebi’s lesbische fantasieën te voldoen. Al snel volgt een triootje: "Voor de serveerster lijkt het een vorm van maatschappelijke positie verbeteren dat ze op gelijke voet omging met een beroemd actrice en een directeur".

De seksuele excessen van de majoor gaan van kwaad naar erger. Op het laatst wordt hij gefascineerd door het idee om tegen betaling een plaats te krijgen in de erotische jeugdherinneringen van de een of andere toekomstige mooie vrouw: "haar niet zozeer fysiek ontmaagden als wel inwijden, om voor altijd een plaats te krijgen in haar verbeeldingswereld". (Wanneer Melega later meldt dat het geld van Aebi na zijn overleden naar Unicef gaat, valt het de lezer moeilijk een grijns te onderdrukken.)

Het konijntje en de luipaardvrouw
Helemaal duidelijk is het niet, waarvoor de majoor uiteindelijk wordt veroordeeld. Zijn het de schaamteloze orgieën in het openbaar, met als climax de dertienjarige jongen die de majoor heeft laten aftrekken door zijn driekoppige harem, of speelt er nog iets anders?

Dat de majoor achter de tralies beland is zelf geen verrassing. Omdat Melega bij het begin duidelijk een raamvertelling voorop zet, weten we al lang dat de roman die we aan het lezen zijn eigenlijk het boek is dat majoor Aebi tijdens zijn jarenlange opsluiting heeft geschreven.

Althans: voor een deel. Het manuscript werd persklaar gemaakt door de ik-persoon, een journalist die de majoor kort voor zijn dood heeft ontmoet. De introductie van die journalist heeft Melega natuurlijk de kans te reflecteren over de zin en onzin van het publiceren, en de redenen waarom iemand schrijft. Op die manier kan hij ook de twijfel aangeven die de majoor zelf bekroop bij het schrijven.

Was zijn drang om te schrijven gelegen in het zoeken naar een vervlogen geluk? Of was het een poging te laten zien dat het geluk binnen bereik lag van iedereen die bereid was alle sociale conventies, collectief en individueel, op het spel te zetten?

Bij monde van de gevangenisdirecteur David Muggia, weer een nieuw personage, waarmee de majoor diagnostische praatsessies houdt, kan Melega nóg verder in de ziel van de gedetineerde kijken.

In zijn boek, zo blijkt, wou de majoor in ieder geval duidelijk maken wat de juryleden destijds niet hebben willen begrijpen: de noodzaak van zijn perversiteiten. Ze vormden na de dood van zijn vrouw zijn enige bestaansgrond. Hij houdt vol dat hij als mens door zijn seksuele vergrijpen beter werd, maar dat hij dat de rechter en zijn medeburgers niet aan hun verstand heeft kunnen brengen. Hij acht zijn ‘misdaden’ minder erg dan die van ex-presidenten. Hij spiegelt zich aan de hoofdpersoon uit Maugham’s The moon and sixpence en stelt vast
dat hij zich niet schuldig maakte aan dat cynisme, aan die soort onverantwoordelijkheid, aan dat egoïsme dat die ander ten slotte vergeven werd vanwege de verdiensten van zijn werken.
In een vlaag van zelfrechtvaardiging vroeg de majoor zich af: heb ik misschien mijn vrouw verlaten, heb ik iemand verdriet aangedaan, heb ik niet gezorgd voor hoogstaand genot, ben ik in het genieten daarvan te egoïstisch geweest, was ik niet scheutig met geld waardoor ik mijn medeplichtigen weer andere genoegens heb vergund?
De vergrijpen, aldus de majoor, waren zijn manier om te ontsnappen aan een maatschappij waarin hij alles had of kon hebben. Wat moet een man met veel geld anders, om zich op Aebi's leeftijd nog vitaal te voelen? In zijn huis te Locarno hing ooit een doek van Léonor Fini met daarop hijzelf uitgebeeld als konijntje, in de klauwen van een luipaardvrouw met verdacht veel trekken aan Verbena. De metaforiek is duidelijk: de erotomane escapes vormden een ontsnappingsroute uit Aebi's beknelde burgerlijke bestaan.

Doctor Muggia, van zijn kant, acht de roman van majoor Aebi een misdrijf an sich. Niet vanwege de pornografische scènes, maar vanwege het schrijven zelf — "het schrijven met de bedoeling de morele normen van de maatschappij waar hij deel van uitmaakte en die hem had veroordeeld, te ondermijnen". In het antieke Griekenland had de majoor vast de gifbeker gekregen.

Het steekspel tussen Muggia en de majoor doet onvermijdelijk denken aan het model waar elke Italiaanse schrijver zich tegenover moet bepalen, de confrontatie tussen Cosini en dokter S. in Svevo's Bekentenissen van Zeno.
Wat waren de voorkeuren van doctor Muggia, vroeg de majoor zich af, en als een expert in contraspionage die een weinig spraakzame gevangengenomen agent van de tegenpartij op geraffineerde wijze ondervraagt om hem de gegevens te ontfutselen die hem kunnen ontmaskeren, bedacht de majoor geheel fictieve anekdotes over zijn ‘toenemende overtredingen’, alleen maar om erachter te komen wat de seksuele achilleshiel van de gevangenisdirecteur was, om hem zo te laten begrijpen dat de verschillen tussen hen beiden niet zo scherp waren.
Blijft over: onze journalist. Hij is zoals gezegd de al te schelle spreekbuis van Melega, die hem laat worstelen met de vraag waarom mensen schrijven. Heeft de majoor zijn boek echt geschreven omdat hij ziek was? Heeft het hem genezen? Zal het boek niet vooral om oneigenlijke redenen worden gekocht? Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht?

Hij blijft twijfelen. Met de publicatie zou hij de majoor de facto een tweede proces aandoen. En hij "zou daarbij de rechter zijn die vervolgens de tekst opstelde van een nieuwe uitspraak". Moet hij daarom afzien van publicatie, of het manuscript juist toch uitgeven, omdat de majoor al bij al een goede, klassieke verteller is?

De journalist neemt zich voor de roman vergezeld te doen gaan van een voorwoord dat, naast auteursrechten en inkomsten genereren, een antwoord zal formuleren op alle bovenstaande vragen — op de vraag: wat is de zin van literatuur?

De aantekeningen voor dat voorwoord blijven echter steken in aanzetjes. Wat de journalist en tekstklaarmaker wil zeggen, blijft steeds onscherp. De betekenis van de roman van majoor Aebi is niet zomaar voor één gat te vangen. Het boek herlezend moet de journalist bijvoorbeeld erkennen dat hij enkele erotische voorkeuren van de majoor deelt. Misschien wil hij het boek wel uitgeven omdat de publicatie hem zelf verlichting kan schenken.

Dan loopt het boek op zijn einde, en krijg je de indruk dat Melega in zijn eigen dialectiek is verstrikt geraakt, getuige de zeer plotse loutering die de journalist overvalt vanaf pagina 167. De oplossing van het raadsel schiet 'm zowaar te binnen op de trein naar Wenen, te midden van het stille en ordelijke Oostenrijkse landschap.

Kalenderwijsheden, maar pittiger verwoord.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gianluigi Melega, Majoor Aebi's overgave
187 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1999
Oorspr. Il maggiore Aebi (1996)
Vertaald door Edwin Krijgsman

____

maandag 24 mei 2010

Londen denkt - Patrick van IJzendoorn

Ik heb al eerder mijn voorliefde uitgedrukt voor de Angelsaksische empirische en pragmatische traditie, as opposed to de continentale — zeg maar Franse of Duitse denktrant. Dit is een levenshouding die de ervaring boven de theorie stelt en de waarde van een idee alleen laat afhangen van het nut en een gunstige uitwerking van dat idee in de praktijk. Ik hoopte van Londen denkt dat het de aspecten en kernfiguren van die traditie op een rij zou zetten.

Patrick van IJzendoorn doet dat ook, in een prima geschreven en uiterst informatief boek. Londen denkt offreert een thematisch overzicht van de hot topics in en de boegbeelden van het publieke debat in Groot-Brittannië. Een stoeterij van filosofen, sociologen, schrijvers, dichters, historici, literatuurwetenschappers, politici, journalisten en schrijvers van ingezonden brieven trekt aan de lezer voorbij, door Van IJzendoorn zo geordend dat de namen de ideeën niet ondersneeuwen. Taalfilosofen laat de auteur buiten beschouwing, naar eigen zeggen omdat ze een te geringe bijdrage leveren aan het publieke debat.

Naast de politieke voorgeschiedenis van een aantal denkers die ik graag lees, leerde het boek me dat de klassenstrijd in Engeland niet zozeer een zaak is van de lagere klassen, maar van de liberale, stedelijke middenklasse, de liberals. Dit gevecht tussen de liberals in de stad en de conservatieven in de graafschappen komt ook tot uiting in het debat omtrent religie, waarbij eerstgenoemden de rol van atheïst op zich nemen. Nieuw voor me was ook het gegeven dat Frankrijk, godbetert, voor conservatieven steeds meer de allure krijgt van het beloofde land.

Hieronder een samenvatting, goeddeels gebruikmakend van zinnen uit het boek.

De ervaringsleer
Patrick van IJzendoorn begint met de vaststelling dat er geen Engelse variant bestaat op de Parijse caféfilosoof of de Weense koffiehuisintellectueel: cafés in Engeland zijn van oudsher "masculiene" bolwerken waar haastig werd gedronken, geen broeiplaatsen voor het marxisme, dadaïsme en surrealisme, of ideeën over een Verenigd Europa. De term ‘intellectueel’ bezit over het Kanaal voornamelijk een negatieve connotatie. Denk aan Orwell die intellectualisme gelijkstelde aan salonsocialistisch denken, en de geëuropeaniseerde intelligentsia verweet dat ze al hun energie stopten in het ondermijnen van de moraal van het volk. Of Scruton, die een intellectueel ziet als "de synthese tussen de Franse bohemien en een Russische nihilist": vijanden van de burgerlijke normaliteit en de gevestigde orde. De Engelsman is bescheiden en simpel, zegt veel met weinig woorden. Hij is sceptisch, praktisch, vindingrijk van karakter en meer geïnteresseerd in concrete details dan in ijdele speculatie. Theorieën komen pas aan de orde wanneer de feiten erom vragen. Waar de Duitsers zich afvragen wat iets in hemelsnaam betekent, schrijft van IJzendoorn, daar luidt de vraag van de Engelsen: ‘What on earth does that mean?’

De hele Britse filosofie zit vol figuren die de praktijk van alledag verkozen boven theoretisering. William Ockham (14de eeuw) stelde dat het zinloos was een ingewikkelde theorie op te stellen waar een eenvoudige volstaat. Francis Bacon (16de eeuw) was de vader van de experimentele filosofie. John Locke (17de eeuw) vond dat mensen hun verstand moesten gebruiken in plaats van uit te gaan van absolute waarheden a priori. David Hume (18de eeuw) waarschuwde om sceptisch te staan tegenover alles wat niet voortkomt uit de eigen zintuiglijke indrukken en Kant uit "zijn dogmatische sluier" haalde. De Ier Edmund Burke (18de eeuw) verkoos evolutie boven revolutie. Adam Smith (18de eeuw) was de promotor van de vrije markt. Jeremy Bentham (18de eeuw) stelde dat het geluk van de mens bestaat in het ondergaan van genot en vermijden van pijn. Een goede, dus 'nuttige', handeling vergroot genot terwijl een slechte handeling tot pijn leidt. John Stuart Mill (19de eeuw) en Bertrand Russell (20ste eeuw) maakten geen onderscheid tussen denken en doen. Taalfilosofen als Freddie Ayer (20ste eeuw) combineerden Humes empirisme met het logisch-positivisme van de Wiener Kreis.

Naast de geografische ligging acht van IJzendoorn dit gebrek aan fanatisme als hetgene dat het land heeft behoed voor communisme en fascisme.

In Orwells Nineteen eighty-four verdedigt hoofdpersoon Winston het Britse empirisme niet voor niets tegen het leger van Big Brother. De analytische wijsbegeerte bereikte haar hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog, toen men elk spoor van metafysica of utopisch denken probeerde uit te wissen. Londen was weliswaar zwaargehavend uit de oorlog gekomen, maar ging voor de rest op dezelfde voet verder. Parijs, daarentegen, was materieel gezien vrijwel onbeschadigd, maar geestelijk gebroken. De Britten hebben zich nooit hoeven te schamen voor collaboratie, zoals de Fransen, of zich schuldig te voelen, zoals de Duitsers. Terwijl in Frankrijk na de oorlog de existentiefilosofie bloeide en de kritisch-theoretici van de Frankfurter Schule in Duitsland worstelden met het recente verleden, verlangden de Britten ernaar dat de filosofie de dienstmeid van de wetenschap zou worden. Het optimistische idee leefde dat alle filosofische vragen binnen afzienbare tijd zouden worden opgelost door de nuchtere taalfilosofen met hun glasheldere denken. Het ontbreken van de noodzaak tot introspectie en het stellen van wezenlijke vragen verklaart mede het gebrek aan intellectuele duels op het eiland.
De nadruk op vrijheid is ook datgene wat de twee voornaamste politieke tradities in het land bijeenhoudt: het conservatisme (met nadruk op vrijheid van vereniging) en liberalisme (met nadruk op de vrijheid van het individu). Conservatieven wantrouwen de rede van het individu en de zogenaamde zegeningen van de Verlichting. Een denker als Roger Scruton wil terug naar de Romantiek en hekelt de ontluistering en rationalisering die de Verlichting heeft gebracht. De filosoof Michael Oakeshott definieerde een conservatief als volgt:
Conservatief zijn betekent dat men de voorkeur geeft aan het bekende boven het onbekende, aan het beproefde boven het onbeproefde, het feit boven het mysterie, dat wat voorhanden is boven het mogelijke, het beperkte boven het grenzeloze, het nabije boven dat wat in de verte ligt, dat wat volstaat boven het overvloedige, het geschikte boven het volmaakte, plezier op dit moment boven utopische gelukzaligheid.
Vanaf John Locke en David Hume, de kerkvaders van de Verlichting, tot aan het heden wordt het Britse denken beheerst door de ervaringsleer. En dat is een groot verschil met de eeuwige intellectuele rivaal van Engeland, Frankrijk. De Fransen nemen meer het denken zelf als uitgangspunt. Van IJzendoorn ruimt een heel hoofdstuk in om de strubbelingen tussen beide voormalige grootmachten in kaart te brengen. De Entente cordiale tussen de Fransen en Engelsen verbond de naties korte tijd in hun gezamenlijke streven om de Duitsers in bedwang te houden. De vorming van de Europese Unie dreef Engeland en Frankrijk uit elkaar: een vrije markt, terwijl de Fransen niet alleen een economische, maar ook een diplomatieke en strategische macht willen zijn.

Het is mooi om te zien hoe tegengestelden elkaar toch nodig hebben om zichzelf te kunnen definiëren. Binnen de Britse intellectuele cultuur is men van oudsher meer geïnteresseerd in mensen (met hun onvolkomenheden), dan in ideeën of vergezichten (denk aan de Engelse interesse voor smeuïige biografieën van grote mensen). Aan de andere kant oefent de Franse elegantie en savoir-vivre een aantrekkingskracht uit op schrijvers als Julian Barnes en filosofen als Theodore Dalrymple. Vanuit conservatieve hoek wordt zelfs met jaloezie naar de Franse buren gekeken, als betrof het een superieure beschaving waar respect is voor intelligentie, politieke debatten en culinaire genoegens mogelijk zijn, elegante vrouwen rondlopen, een frivole omgang met seks overheerst, een succesvolle opvoeding de regel is, goede nutsvoorzieningen zijn en kleinschalige burgerlijke ongehoorzaamheid de kers op de taart is.

Parijs en Londen zijn twee verschillende steden. Het Londen van nu doet denken aan het Parijs van de jaren twintig: kosmopolitisch en energiek. Parijs is meer en meer een openluchtmuseum aan het worden. Tot op vandaag leven arm en rijk in het chaotische Londen letterlijk naast elkaar; in het door planologen gecreëerde Parijs leven ze veel meer van elkaar gescheiden.

De multiculturele samenleving
Het Britse wantrouwen jegens abstracte constructies uit zich ook in de politiek, met name de EU. Blair en New Labour (geënt op het denken van Anthony Giddens, met de steun van Ralf Dahrendorf en Timothy Garton Ash) wilden dat hun land wat Europeser zou worden, en Europa wat Britser. Maar veel Britten “zien de EU als een uitwas van een metafysische overmoed waarbij pogingen worden ondernomen om een realiteit te plakken op een situatie die subjectief wordt opgevat: ‘what should be’ in plaats van ‘what is’. Sterker, voor de Britten is dit een cartesiaans project dat op gespannen voet staat met hun empirische inslag. Het is bovendien een project van politici en niet van de mensen zelf.” De EU is voornamelijk de dwingelandij van een stel Brusselse bureaucraten. Een denker als Boris Johnson verwijt de EU een erfgenaam van het Romeinse Rijk te willen zijn, alleen is de gezamenlijke beleving er niet. Het wantrouwen tegen de Europese Unie wordt nog eens vergroot doordat veel Britten deze zien als een manier van de Fransen om een Europa naar haar evenbeeld te scheppen, een Groot-Frankrijk, gefinancierd door de schuldbewuste Duitsers. Van IJzendoorn haalt een anekdote op:
Toen Gerhard Schröder, Jacques Chirac en Vladimir Poetin zich tijdens een onderonsje afvroegen wat de Britten, behalve de gekkenkoeienziekte, nu eigenlijk aan Europa hadden geschonken, vroeg een krant zich af wat Europa zoal te danken had aan Duitsland, Frankrijk en Rusland, om meteen het antwoord te geven: Hitler, Napoleon en Stalin.
Van oudsher heeft ook de band tussen Groot-Brittannië en de VS een volwaardig lidmaatschap van de EU in de weg gestaan. De Britse machtspositie werd in de eerste helft van de vorige eeuw overgenomen door de Verenigde Staten. Het gekrompen wereldrijk bleef zitten met een troostprijs in de vorm van het Gemenebest, en de relieken in het British Museum. Een goede band met de VS was meer dan opportuun, vond Groot-Brittannië, in tegenstelling tot Frankrijk dat zich, zeker vanaf De Gaulle, steeds heeft afgezet van de VS. Van IJzendoorn besteedt overigens ruime aandacht aan alle stromingen die voorstander waren van de Irak-oorlog, en de reden waarom.

Een heet hangijzer in de Britse politiek is, net als overal in Europa, het migratiedebat. In tegenstelling tot Nederland heeft de nadruk bij het immigratiedebat in het Verenigd Koninkrijk gelegen op de voordelen, met name de economische. Immigranten staan bekend als mensen die hard willen werken voor een relatief laag loon, iets waar veel autochtone Engelsen steeds minder zin in hebben. Zoals Galbraith zei: migratie is het oudste wapen tegen armoede. Immigranten hebben in Engeland het recht hun cultuur te behouden, in tegenstelling tot Frankrijk, waar het idee van burgersschap sterker speelt. Geen van beide beleidsstandpunten lijkt voor een oplossing te zorgen. Van IJzendoorn citeert de conservatieve journalist George Walden:
Behandel moslims als Fransen en je krijgt getto’s, werkloosheid en rellen. Behandel ze als Britse moslims met een recht op diversiteit en je krijgt getto’s, werkloosheid en bommen.
De consensus over de vrijheid van meningsuiting (m.a.w. dat het individu moet beschermd worden tegen de tirannie van de meerderheid) blijkt in de praktijk op gespannen voet te staan met de multiculturele droom. Aan conservatieve zijde leeft een dubbel gevoel. Veel moslims en andere Britten van buitenlandse komaf koesteren immers traditionele normen en waarden die overeenkomen met het morele kompas van de Britse conservatieven. Tegenover deze culturele affiniteit staat echter een geheel andere benadering waar het gaat om de staatsrechtelijke inrichting van de maatschappij: in de islam vallen kerk en staat samen. Waar de meeste immigranten uit India zich door de flexibele hindoeïstische levensfilosofie makkelijk konden aanpassen, daar hielden de pakistani en Bengalen vast aan de Koran.

Veel moslimjongeren uit de tweede of derde generatie voelen zich aangetrokken tot het wahabisme binnen de islam. Zij zijn geen producten van misère of onderdrukking, maar van de voortdrijvende ambities van de middenklasse. Van IJzendoorn bespreekt in zijn boek natuurlijk de incidenten die het migratiedebat hebben gestuurd: de rol van de zaak Rushdie, 11 september, en de bomaanslagen van 7 juli 2005.

Een John Gray beseft dat de multiculturele samenleving geen ideaal is maar een feit. Daarom moet men er het beste van maken. Er kan geen ideale liberale samenleving bestaan met universele principes in de geest van Locke, Kant of Rawls. Isaiah Berlin kwam met het concept modus vivendi, een pluralistische samenleving waarin niet wordt gestreefd naar het ‘ideaal’ van de consensus, maar waarin burgers met verschillende ideeën erin slagen om redelijk vreedzaam met elkaar te leven.

De Britse identiteit
Een heel hoofdstuk van Londen denkt is gewijd aan de identiteit van Groot-Brittannië. Hoe zien de Britten zichzelf, en vinden ze het belangrijk die identiteit uit te dragen? Patriottisme, schrijft Van IJzendoorn, is in Engeland, de eerste natiestaat in Europa, van oudsher een ingetogen fenomeen geweest. Hij maakt een onderscheid tussen Englishness (vervat in de witte vlag met het rode kruis) en Britishness (de Union Jack).

Englishness bereikte een piek onder Henry VIII, toen het gevoel leefde dat het anglicaanse land alleen stond tegen het paapse Europa. Het nationale bewustzijn kreeg niet zozeer vorm in vendelzwaaierij maar door te komen met het eerste parlement, het beste rechtssysteem enzovoort. Er heerste een innig gevoel van nationale solidariteit, gebaseerd op de rule of law, cultuur en veerkrachtige instituties. Door zwakke familiestructuren in vergelijking met de Ieren, Russen en Indiërs was het Engelse patriottisme individualistischer van aard.

Omdat Englishness meer draaide om waarden en niet om territoriale aanspraken ging Engeland ook redelijk vlot op in Groot-Brittannië. In de eerste helft van de achttiende eeuw waren er strubbelingen, maar al snel ontstond iets als Britishness. De eenwording werd gemakkelijkt door het feit dat Groot-Brittannië een eiland is, en de Unie plaatsvond in een gouden eeuw. Het succes van de Unie hield vooral verband met de vorming van het Britse Wereldrijk, een project waarbij de Schotten verhoudingsgewijs sterk vertegenwoordigd waren.

Na de teleurstelling in de naoorlogse jaren — het verlies van het wereldrijk en de zware industrie — zou er krampachtig worden vastgehouden aan de officiële term Britishness. Deze ging een praktisch doel dienen: het opnemen van immigranten uit de voormalige koloniën. Iemand kan immers gemakkelijk een Britse Pakistani zijn, niet een Engelse Pakistani. 'Brits' was een politiek en juridisch begrip, ‘Engels’ etnisch en cultureel. Nadruk op de Engelse identiteit was na de Tweede Wereldoorlog overigens lange tijd not done, een zelfcensuur die vooral te maken had met een schuldgevoel over het koloniale verleden. De ontkenning van Englishness liep door onder de begindagen van New Labour en hun kreet Cool Brittannia.

Liefde voor tuinen, achtertuinen welteverstaan, maakt onverbrekelijk deel uit van de Engelse (Britse) identiteit. Ze weerspiegelt de Engelse houding ten opzichte van het platteland. Engelsen hebben weinig op met de stad, al woont uiteindelijk het merendeel van hen in een nieuwbouwstad met veel groene perken. De band met de natuur is een terugkerend thema in de literatuur, de poëzie en de kunst. In de bioscoop garanderen kostuumdrama’s met plattelandsdecors volle zalen. Het verlangen naar een idyllische wereld, zegt Van IJzendoorn, komt voort uit de treurnis van de Engelsen dat ze in het industriële tijdperk uit het paradijs verstoten zijn, hoewel ze tegenwoordig overwegend in een diensteneconomie leven. Bij een denker als Scruton is een expliciete voorliefde voor mythen te bespeuren (omdat deze mens en natuur naderbij brengen), een apologie van de jacht én een lofzang op de ridderlijkheid.

De plattelandsmelancholie duikt vooral op bij de politici van de Conservatieve partij. Het gaat om meer dan groen. Het is een strijd tussen traditie en moderniteit, tussen de Countryside Alliance en New Labour, tussen oud en nieuw geld, tussen de upper en de middle class. Vooral in het zuiden van Engeland winnen de laatsten het pleit. Het platteland dat nog overblijft verandert langzaamaan een schoon, veilig, kitscherig openluchtmuseum, en wordt steeds meer ingenomen door boerenbedrijven (zeker sinds de schaalvergroting van het boerenbedrijf na WOII) en intensieve veeteelt. Het rurale Frankrijk wordt voor conservatieven meer en meer het beloofde land.

Het maatschappelijk bestel
In de volgende hoofdstukken verbreedt Van IJzendoorn zijn belangstelling. De insijpeling van het liberalisme treft niet alleen het platteland, het tast volgens de conservatieven het hele maatschappelijke bestel aan. New Labour is de stem van de Big Business, terwijl de Cameroons opkomen voor de kleintjes, zo luidt het. In een neoliberale visie (met zijn nadruk op absoluut eigenbelang) is de interesse in de publieke zaak, de basis van elk effectief beleid verdwenen. De vertrouwensband tussen burger en overheid is sterk verzwakt. Van IJzendoorn verwoordt dit standpunt als volgt:
Politici hebben jarenlang geroepen dat staat en overheid moeten plaatsmaken voor de vrije markt. Nu burgers zijn vervangen door consumenten blijkt het lastig te zijn om mensen aan te spreken op hun burgerplicht. Er heerst cynisme aangaande de goede bedoelingen van de overheid, zeker in deze tijd van effectbejag en propaganda.
Idealistische milieuactivisten (onder meer James Lovelock) en sceptische conservatieven geven echter zeer verschillende antwoorden op een doorgeslagen liberalisme. Een denker als Furedi verkiest koel redeneren boven apocalyptisch denken. Hij herkent een neomarxistische strategie bij progressieve milieubeschermers die het milieu gebruiken om alsnog de kapitalistische maatschappij grondig te veranderen. Volgens een conservatieve historicus als Niall Ferguson is niet een utopische fantasie de beste basis voor beleid, maar verlicht eigenbelang. “Een conservatief rangschikt het landschap, de architectonische schoonheid tussen de belangrijke aspecten die een maatschappij moet bewaren.” Waarde gaat voor een conservatief verder dan ruilwaarde.

In het hoofdstuk 'Het marxisme van de middenklasse' wordt het Engels conservatisme (in navolging van Scruton) beschouwd als een alliantie tussen de aristocraten en de armen, tégen de destructieve drang van de middenklassen. Beide groepen zijn volgens de antropologe Kate Fox twee zelfverzekerde klassen aan beide uiteinden van het maatschappelijke hoefijzer die een groot aantal gewoontes delen; ze zien bijvoorbeeld beiden weinig in intellectuele bezigheden.
Deze verstandhouding tussen de uppers en downers zou jarenlang de ruggengraat vormen van de Britse samenleving, tussen 1870 en eind jaren veertig. De arbeidersklasse maakte een volwaardig deel uit van het Britse ancien régime: ze had haar eigen ziekenhuizen, scholen en clubs. De verzorgingsstaat (onder Clement Attlee) was een bijproduct van de Tweede Wereldoorlog (zie vanaf p. 116, ook over de demoralisering van de onderklasse en de slachtoffercultuur). Voor zover er in het Verenigd Koninkrijk sprake is van een klassenstrijd gaat deze tussen de bourgeoisie en de aristocratie, tussen de liberals en de conservatieven, professionelen en amateurs, stad en platteland.

In het hoofdstuk 'De nanny state' laat Van IJzendoorn de critici van de verzorgingsstaat aan het woord komen. Deze hekelen de overbescherming van de jeugd en de burgers in het algemeen. Elk probleem wordt herleid tot een opvoedkundig probleem. Er is een wildgroei aan aansprakelijkheidsdisputen. De mondige burger heeft plaatsgemaakt voor de klagende consument, loyaliteit voor cynisme. Het antwoord op pech is "niet langer een flegmatiek schouderophalen maar een zoektocht naar een schuldige". Persoonlijke verantwoordelijkheid wordt afgeschoven.

De progressieven delen de dromen van Bentham (die streefde naar het grootste geluk voor het grootste aantal) maar beloven meer dan ze kunnen waarmaken, zoals Von Hayek al vreesde. Akkoord, de verzorgingsstaat garandeerde min of meer werkgelegenheid, gratis onderwijs en uitkering bij ziekte, maar de maakbaarheid van vrijheid en geluk ging gepaard met talloze richtlijnen en geboden. Deze instructies dragen ertoe bij dat de lijm die de samenleving bijeenhoudt langzaam wordt opgelost. Mensen worden er niet meer toe in staat geacht om hun gezond verstand te gebruiken of rekening te houden met de medemens; in plaats daarvan krijg ze preken te horen en worden ze met gevangenschap bedreigd wanneer ze iets doen. Of geluk maakbaar is, is trouwens maar de vraag.
Sceptici, daarentegen, geloven dat mensen altijd geneigd zijn zich aan te passen aan hun omstandigheden en dat het mogelijk is om gelukkig te zijn in verschillende contexten. Geluk is naar hun idee iets wat je overkomt wanneer je naar iets anders op zoek bent.
Scepsis ten aanzien van alleenzaligmakende rationaliteit beheerst ook het felle debat over de zin en onzin van religie in Engeland. Want ook over het Kanaal is atheïsme een groeimarkt: de radicalisering binnen de islam en de opkomst van evangelisch rechts in de Verenigde Staten bleken een buitenkansje te zijn geweest voor seculiere denkers, die "zichzelf uitriepen tot de moderne apostelen van de ‘rede’". Waar hun betoog op neerkomt: God bestaat niet en hij is de schuld van alle ellende.

Van IJzendoorn neemt in dit hoofdstuk, 'Voltaire, c'est moi', meer dan elders een duidelijk standpunt in. De auteurs (Hitchens, Grayling en Dawkins) "zijn overwegend vertegenwoordigers van de liberale bourgeoisie en hebben een goed gevoel voor public relations". Hun felheid staat op gespannen voet met de flegmatieke houding van de Engelsen met levensbeschouwelijke zaken — lange tijd was het net zo ongemakkelijk als praten over seks, liefden en hygiëne. Van IJzendoorn geeft een uitstekende round-up van de critici van Dawkins en co: Terry Eagleton, Robert Skidelsky, Alister McGrath, John Cornwell, Michael Burleigh, John Gray en iedereen die twijfels had bij de erfenis van de paradoxale erfenis van de verlichting (Zgymunt Bauman, bijvoorbeeld) en daar soms middels dystopische romans (Huxley, Orwell, Conrad) uiting aan gaven. Zie pagina 134-141.

Het geheim van het religieuze pluralisme in Engeland, wordt in Londen denkt nog uitgelegd, is een combinatie van factoren geweest: de terughoudendheid in geloofsbeleving, William Tyndale, én de Anglicaanse kerk — een soort derde weg tussen Luther en de paus, gekenmerkt door een hechte verbondenheid met het platteland en weinig dogmatische precisie in de belijdenis. Waarheid telt voor het anglicanisme minder dan het sociale nut. Tegenwoordig speelt het anglicanisme op het platteland nog min of meer een rol, atheïsme is meer iets voor de buitenwijken. Atheïsten willen liefst het filantropische element van religie onderbrengen bij de staat en het pastorale bij de psychologie, maar allicht is dat tot mislukken gedoemd.

Het slothoofdstuk van dit boek heet 'Oude vrijheden, nieuwe rechten' en probeert nog eens het politieke klimaat te schetsen dat in Engeland heerste, tot de afstraffing van New Labour op 6 mei 2010. Regeren, schrijft Van IJzendoorn, was in Engeland iets zoals op de winkel passen, behalve dan bij Margaret Thatcher, "de kruideniersdochter die een bijna failliete boedel aantrof". New Labour liet een autoritaire regeerstijl zien. De Derde Weg van New Labour behelsde een technocratische, beheersmatige visie op de moderniteit en modernisering. Ontwikkelingen werden van bovenaf opgelegd, terwijl ze binnen de Engelse traditie doorgaans de omgekeerde route volgden. Een messianistisch vooruitgangsdenken deed zijn intrede, gebaseerd op globalisering en universele waarden. De nieuwe bewindslieden hechtten weinig waarde aan geschiedenis, verwierpen tradities en knipten alle draden van het geheugen door. Adviseurs kregen meer macht dan topambtenaren. Tony Blair ging op een autoritaire manier besturen, zich baserend op principes die hij universeel achtte. (Onder meer Leszek Kolakowski formuleerde fundamentele kritiek jegens de mensenrechten, ten faveure van de Magna Carta.)

Deze ‘continentale’ bestuursstijl kwam sterk tot uiting op het gebied van het recht. Het is het verschil tussen de continentale vraag ‘Waarom zou een overheid verkeersdeelnemers beschermen?’ en de Engels-conservatieve vraag ‘Waarom zou een overheid nuchtere automobilisten zonder aanleiding onderwerpen aan een ademtest?’ Blair, zelf een voormalig advocaat, leek meer te zien in de Code Napoléon dan in het gewoonterecht. Hij omschreef in het kader van de terrorismebestrijding het principe van de habeas corpus als 'nonsens'. Grote beroering ontstond bij het idee een identiteitskaart in te voeren, met tientallen persoonlijke gegevens.

Bovendien werd het antieke ambt van de Lord Chancellor uitgehold onder Blair. Tot de grondwetswijzing van 2005 had de Lord Chancellor grote juridische en wetgevende macht. Hij was voorzitter van het Hogerhuis en hoofd van de rechterlijke macht in Engeland en Wales. Ook was hij een rechter van het juridische comité van het Hogerhuis (de hoogste rechtbank van het Verenigd Koninkrijk) en voorzitter van het hooggerechtshof voor Engeland en Wales. In 2003 werd het ministerie van de Lord Chancellor hernoemd naar het Department of Constitutional Affairs (ministerie van grondwetszaken) en in 2007 naar het Ministry of Justice (ministerie van justitie). Hiermee werd de titel van Lord Chancellor een ceremoniële functie van de Britse minister van justitie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Patrick van IJzendoorn, Londen denkt : het publieke debat in Engeland
212 p.
Uitgeverij Boom, 2008

____

zondag 23 mei 2010

Uit de feedreader [15]

Achterstallige links. Oud en stokoud leesvoer.

> A map of four well-traveled tales

> Google is butchering the written word [.pdf]

> Do movie critics matter?

> The new math of poetry

> Een reis in 30 dagen langs 100 schrijversgraven

> The 'Dictionary of old English' explores the brutality and elegance of our ancestral tongue

> J. D. Salinger by Adam Gopnik

> Thoughts on autobiography from an abandoned autobiography

> Discovering Tocqueville

> The amazing story of how Esperanto came to be

> ‘Volksverheffing 2.0. Literatuurkritiek op het internet’

> IMDb: all keywords by letter

> Typometro on Vimeo

> Michael Hofmann on Zweig's 'The world of yesterday'

> 'Cheever: a life'

> Dawkins vs. Eagleton

> How to turn your boring movie into a Hitchcock thriller...

> Liberals and atheists smarter?

> An atheist meets the masters of the universe

> What about the people born between the beginning of World War II and its end?

> Ten rules for writing fiction part 1 and part 2

> Rudy Kousbroek overleden

> Schrijfmachines bij Dirk van Weelden

> Freethinker - historische documenten

> Tijdschriften bij KB.nl

> Paul Cliteur over de Verlichting

> De oorlog, een speeltuin

> The 25 greatest gen X books of all time

> The New Statesman books of the year 2009 part 1 and part 2

> Mesofacts

> Literaire tijdschriften en generatie Y

> Comparing the three faces of William Shakespeare

> Animals commit suicide too

> Can you alter your memory?

> List of 40 social media staff guidelines

> The world's foremost female architect

> A passage to Forster - Joseph Epstein

> New research suggests sexual objectification hinders some women’s cognitive ability

> Count Miklos Banffy and the great Hungarian novel

> Éditions Le Castor Astral

> Searching for Saddam

> Reactie op het Gedichtendagessay 2010 van Charles Ducal

> Pragmatism isn't just a character trait, it's a school of philosophy

> Reading up on Gutenberg as the iPad drops

> That's a bingo! - RHCdG over Inglourious Basterds

> The seen and the unseen in Iranian cinema

> Human culture, an evolutionary force

> The nannying British chef brings reality TV to West Virginia

> Nabokov lives on

> A week without books

> Twee businessmodellen : Jacket Magazine en de Poetry Foundation

> Avatar fans are learning how to speak Na'vi

> The New Commandments - Christopher Hitchens

> Illustrator Johan Thörnqvist

> Website Letterkundig Museum

> Gerrit Komrij: Clauslezing

> My philosophy : Alan Sokal

> Scientists say free will probably doesn't exist

> Two novels about money without morals by James Wood

> What do philosophers believe?

> The book of Genesis illustrated by R. Crumb

> Over 'Broeders van liefde' van Ramsey Nasr

> Schrijversgraven op Dodenakkers.nl

> Over 'Nieuwjaarsgroet' van Ramsey Nasr' (Hoe schrijf ik een sonnet?)

> Typewritercollector.com

> Thank you for not expressing yourself - Theodore Dalrymple

> The deeper meaning of glamour

> Are men the more belligerent sex?

> A mushroom cloud, recollected

> The Dreyfus affair

> Historians and nature

> Four techniques for combining fonts

> Boekopdekaart.nl

> Philosophers rip Darwin

> Texts without context

> The invention of the Jewish people

> Doubts about the social plague stir in the human superorganism

> Christopher Tayler on Clive James

> A celebration of bookmobile services

> Quixotic

> Why photography matters as art as never before

> The future of reading is backlit and bright - Anna Quindlen

> How a lack of control leads to superstition

> Nonfiction has long been treated as the lutefisk on the literary menu

> Molecular gastronomy and the artist

> Time to show our appreciation for classical music - Alex Ross

> Books in the age of the iPad

> Mind reading

> Deventer boekenstad

> The logic of economic calamities

> De Eerste Bergensche Boekhandel

> Blogging, now and then - Robert Darnton

> Girls! Girls! Girls! - Tony Judt

> On the poetry of Dorothy Parker

> The madness of crowds and an internet delusion

> Authoritarianism vs. the internet

> Reading in Vietnam

> The distinction between crime and thrillers on the one hand and "literary" fiction on the other lies in their attitude to language

> Bloomsbuy Publishing : The Bloomsbury Group

> R.A.M. documentaires

> Social darwinism isn't only morally wrong

> Britain : the disgrace of the universities

> Andrew Gallix looks at some of the most influential ideas in literary theory and criticism

> Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6

> Reflections on the revolution in Europe : immigration, islam, and the West

> Illustrator Bob Staake

> Kindled

> Avatar and the flight from reality

> Tariq Ali in Yemen

> Reading in an digital age - Sven Birkets

> The life of R.G. Collingwood

> Addiction and freedom

> The new Tower of London

> The scientific fictions of Richard Powers - James Wood

> Kermode's essays from the London Review of Books

> Environmentalism as a (post-)modern religion

> Michael Greenberg rereading Salinger

> 'American writings' by Lafcadio Hearn

> Conflict, convention, and Chang-Rae Lee’s 'The Surrendered', by James Wood

> Internet en ongelijkheid door een sociologische bril

> A grand history and an elegiac new film explore Britain’s recent, and irrecoverable, past

> Will Self on W. G. Sebald’s writing about the Holocaust

> Las nuevas voces de la narrativa de Estados Unidos

> The Arab world today is ruled by contradiction

> How to greet the Dalai Lama

> Eight centuries of financial folly

> Movie misquotations

> 'A new literary history of America' by Greil Marcus and Werner Sollors

> Israel and Palestine : reappraisals, revisions, refutations

> Decoding the new Taliban

> Daniel Mendelsohn on James Cameron's 'Avatar'

> The rise and fall of humanitarianism

> Adam Kisch on Zadie Smith

> 'Reality hunger : a manifesto' by David Shields

> Hornby, Blume, Lamott, Diaz, Kidder, Sittenfeld and others share their 2009 favorites

> We are hardly aware of who our new president is, the president of the EU

> Philip K. Dick : a 'plastic' paradox

> The decade in masculinity

> How they killed the economy

> Sterke verhalen over Ryszard Kapuscinski

> A new book argues that the key to decoding the Bible is understanding its poetry

> Celebrity hypochondria

> A foodie’s guide to the history of humanity

> The dangers of a high-information diet

> 50 most powerful women in business

> Second person fiction

> In an age of classroom multitasking, scholars probe the nature of learning and memory

> Notes on 'The gaze' - Daniel Chandler

> The nature of the book : print and knowledge in the making - Adrian Johns [review]

> Elaine Showalter chooses the best novelists writing in the US today

> Revolutionaries - Tony Judt

> The connection between fame and hypochondria

> The tumultuous history behind China's clash with Google

> Kim Jong-il's regime is even weirder and more despicable than you thought

> The comedy circuit : when your brain gets the joke

> The intersecting lives of da Vinci, Machiavelli, and Borgia and the world they shaped

> Back to the new paleolithic age

> A really hard test really helps learning

> Kashmir : the world's most dangerous place

> 'Charles Dickens' - Michael Slater

> A nation of commentators

> Masters of American literature - Mark Lawson

> The Galbraith revival

> Publishing : the revolutionary future - Jason Epstein

> Barry Miles has written a fascinating yet faulty account of London's counterculture since the Second World War

> The anger of exile - Colm Tóibín

> How is Yiddish doing?

> Geheugennissen, beelden en metaforen over de rol van het geheugen van oudheid tot heden

> The marketplace of ideas : reform and resistance in the American university

> The stories of Heinrich von Kleist - Michael Dirda

> Google’s computing power refines translation tool

> Easy going (Why our brains like it)

> New study shows we can tell Democrats from Republicans in head shots

> Built in book cases @ Instructables

> Colin Bisset is inspired to do nothing

> Skewering intellectuals

> Literature's first unreliable narrator

> Russia's new media paradox

> Natural selection’s secular critics get it wrong

> Risk and the adolescent brain

> Top 40 bad books @ The American Book Review [.pdf]

> Writing about writers

> A week without books

> A lament for the bookshelf

> Sylvia Beach, the midwife of Modernism

> Newspaper articles are too long

> A piercing account of the daily ordeals faced by ordinary North Koreans

> Van Gogh : an end to the myth of the tortured soul

> Two futures of the internet : next cold war or up in the clouds

> Toward a new Alexandria

> The dull new global novel - Tim Parks

> Old and new ways of thinking proceeded side by side in sixteenth-century Italy

> Mavis Gallant's early stories explore the shifting worlds of the rootless and the dispossessed

> Cracks in the Jihad

> In the world of Facebook

> Edge people - Tony Judt

> The neuroscience of what jokes are funny

> Blitzkrieg en woordmodder bij Erwin Mortier

> Giving Emerson the boot

> Antonia Fraser's eulogy to her husband

> Mr. Coffee and Mr. Fixit : Raymond Carver

> Harvard views of readers, readership and reading history

> Think humans are born selfish?

> How Iran became a nuclear state

> 'Conceiving God : the cognitive origin and evolution of religion' - David Lewis-Williams

> It's the arrangement of the words that counts. Take note, Twitter users.

> Botox may freeze emotions along with facial muscles

> Orhan Pamuk's obsession ('The museum of innocence')

> 11 of the coolest bookcases

> The anti-Enlightenment tradition

> The future of publishing - created by DK (UK)

> Digital book world : the piracy, social media, and will publishers ever understand new technology?

> 'The Oxford book of modern science writing'

> Marcus Aurelius and stoicism

> Comic literature rarely wins prizes but, in a world of sub-genres, the best examples are still a serious joy to read

> U.S. versus Europe : no winner

> On the predictable American response to translated literature

> Is it really so difficult for a poetry reader to decide, and rather quickly, what’s worth reading?

> Is it time to write lit mags off?

> James Wood’s remarkable misreading of Richard Powers’s 'Generosity'

> Why are there patterns in nature?

> Wanting to be something else (on Pamuk's 'The museum of innocence')

> The duty of harsh criticism

> A new biography takes a look at Derrida’s philosophy of disillusionment

> De mooiste boeken uit mijn boekenkast - Tom van den Born

> A cultural history of the great depression [Times]

> A cultural history of the great depression [The New Republic]

> Information o0verload? It's always been so

> A deal with the Taliban?

> Assaulting Arendt

> Flagg Miller has listened to hundreds of audio tapes that once belonged to Osama bin Laden

> The catchphrase of the decade

> Growing up in ethology - Richard Dawkins

> Moscow-Vladivostok : virtual journey on Google Maps

> Rudyard Kipling's 'Just so stories'

> Nature as a standpoint for social criticism

> 101 greatest screenplays

> Why Jaron Lanier rants against what the web has become

> Erotic reverie increases brain power, creativity

> On the origin of stories

> Aflame Books

> The Erich Segal archive at The New Republic

> The making of a book cover ('Blameless' by Gail Carriger') @ YouTube

> The Edge annual question : how is the internet changing the way you think?

> Douglas Coupland returns with Generation A

> Are there secular reasons?

> Kibbutz - Tony Judt

> The Google Books settlement: an exchange with the authors guild

> Revealing the real Iran

> Is true translation impossible?

> What children's minds tell us about truthy, love, and the meaning of life

> A history of executive power from George Washington to George W. Bush

> Isaiah Berlin's civilized malice

> Tony Judt and Kristina Božic

> Is James Joyce’s grandson suppressing scholarship?

> On David Levine (1926–2009)

> The original of 'Laura'

> Three versions of conservatism

> About the legacy of critic Pauline Kael

> The vice of reading - Edith Wharton

> Screenwriting : archive of screenwriting tips

> The great firewall of China

> The future of magazines and photobooks?

> The future of reading - Josh Quittner

> David Levine : an audio portrait

> The first great novel about islamism

> Can science explain religion?

> Flann O'Brien's triumph

> The potency of romance through the ages

> The Sun King (and his wife)

> Mixtape : 10 best songs about libraries and librarians

> Author name pronunciation guide

> Talibans à la française?

> In the graveyard of empires : America's war in Afghanistan

> The most amazing libraries in the world @ The Huffington Post

> Steve Wasserman on the fate of books after the age of print

> Leo Tolstoy : the forgotten genius?

> Borges and the plain sense of things

> Upright hubris : a short tale of skyscrapers

> Iran’s women of war

> A review of Édouard Levé's 'Suicide'

> Ayn Rand : engineer of souls

> Peirene Press

> Yeats's quest for an idiom to convey the essence of Greek tragedy has influenced our greatest poets and dramatists

> Will America follow Europe into anomie and atheism? - Theodore Dalrymple

> Arthur Miller could hardly have hoped for a more sympathetic biographer

> Just how attractive was Cleopatra anyway?

> What Beijing fears most

> Europe’s new walls

> Gray magic : Luc Tuymans

> 'Stripping bare the body : politics violence war' - by Mark Danner

> How to make a Chinese or Japanese book cover

> Jonathan Safran Foer’s contingent vegetarianism

> A review of David Shields' 'Reality hunger'

> De Dichter des Vaderlands en andere curiositeiten [.pdf]

> How you can become the most important poet in America overnight

> Chess metaphors : artificial intelligence and the human mind

> The new sexism, lost feminist dreams, the false ideals of marriage – and Barbie dolls

> Top 100 children's novels

> Theodore Dalrymple on self-esteem vs. self-respect

> Robert Altman : the oral biography [The New Republic]

> Robert Altman : the oral biography [The New York Review of Books]

> Koestler : the literary and political odyssey of a twentieth-century skeptic

____

Related Posts with Thumbnails