vrijdag 30 april 2010

De meeuw - Sándor Márai

De meeste boeken van Sándor Márai draaien rond de onontkomelijke confrontatie tussen twee hoofdrolspelers, wier lotsbestemming met elkaar verbonden is door het leven van een afwezige derde. Dat wérkt ook bij de Hongaar: de beperkte line-up geeft de gemiddelde Márai-roman meer dramatische kracht dan wanneer hetzelfde verhaal zou worden uitgesmeerd over vier, vijf personages. Aan de andere kant schiet enig realisme er altijd bij in. Zeker in De meeuw.

Daarmee bedoel ik dat het proza van Sándor Márai meer gemeen heeft met doorwrocht teksttheater dan met het echte leven. De verhalen spelen zich af binnen één etmaal, vaak in een besloten ruimte, waarbij de protagonisten in grootse monologen met elkaar converseren. In de beste romans weet het vakmanschap van Márai daar een geloofwaardige draai aan te geven. In de tweede helft van De meeuw ontaardt het, ik zeg het niet graag, in kitsch.

Doodjammer is dat. In het eerste deel van De meeuw (1943), gepubliceerd een jaar na Gloed, haalt de Hongaarse meester nog zijn hoogste niveau. Het bevat prachtig droefgeestige scènes — in een espressobar, apotheek, operagebouw — die de beste foto's van Péter Nádas (Een zweem van licht) oproepen, versteend in zinnen die alleen Márai schrijven kan. Vertaler Frans van Nes verdient een pluim.

De openingsbladzijden alleen al zou je in zijn geheel willen citeren. Een ambtenaar, nadat hij zorgvuldig de ebonieten dop op zijn vulpen heeft geschroefd, tuurt door een raam met ijsbloemen. Zijn blik reikt verder dan de binnenstad van Boedapest. Hij ziet ook het achterland, met zijn vele miljoenen mensen. Hij ziet de "Duitsers, de Russen, de oceaan."

Deze vijfenveertigjarige man heeft zonet een beslissing op papier gezet "die van bepalende invloed zal zijn op het verloop van de oorlog". Wát het ultrageheime document inhoudt, laat Márai in het ongewisse, maar het kan alleen gaan om de oorlogsverklaring van Hongarije aan de Sovjet-Unie op 27 juni 1941: Hongarije kiest op die dag de verkeerde kant, waardoor het land na afloop van de oorlog bijna een halve eeuw tot de invloedssfeer van de Sovjet-Unie verbannen wordt.

En de twintigste eeuw was al zo rampzalig begonnen voor Hongarije. Vanaf 1914 strijdt het vanzelfsprekend aan de Oostenrijkse kant in de Eerste Wereldoorlog, die door de centrale mogendheden verloren wordt. Op 4 juni 1920 wordt beslist wat er met Oostenrijk en Hongarije zal gaan gebeuren, in het Verdrag van Trianon, een onderdeel van het verdrag van Versailles. Voor beiden wordt het een pijnlijke gebeurtenis omdat ze gedwongen worden afstand te doen van grote gebiedsdelen. De Hongaren verliezen onder andere Slowakije, Transsylvanië en Kroatië. Het grondgebied van Hongarije slinkt met twee derden, het inwoneraantal daalt van 21 tot 7,5 miljoen.

Onder de conservatieve regent, admiraal Miklós Horthy, probeert het dan via de grote mogendheden om zijn oude grenzen terug te krijgen. Met name Duitsland, Oostenrijk en Italië staan hier niet afwijzend tegenover, en het is dan ook geen wonder dat het opkomend nationaal-socialisme in die landen ook aanslaat in Hongarije. In 1938 wordt de Hongaarse opstelling beloond door de as-mogendheden met het toewijzen van een strook land in Slowakije waar een Hongaarse minderheid sterk vertegenwoordigd was. Hongarije zelf lijft Karpatho-Oekraïne of Roethenië in en wil nog meer ex-Hongaarse gebieden heroveren.

Hierdoor levert Hongarije zich echter steeds meer uit aan de Duitsers. De Hongaarse eerste minister, de antisemitische graaf Pál Teleki, pleegt in april 1942 zelfmoord, wanneer de Nazi’s eigenmachtig Hongarije binnentrekken met het oog op een invasie in Joegoslavië. Hongarije blijkt dus niet meer buiten de oorlog te kunnen worden gehouden. De nieuwe eerste minister Bárdossy laat de weerstand helemaal varen en verklaart Stalin de oorlog, in juni 1941.

Hongarije slaagt er aanvankelijk in om grotendeels buiten de echte oorlogshandelingen te blijven, maar wanneer de Hongaren vanwege het pijnlijke strijdverloop tegen de Russen geheime vredesbesprekingen houden met de Westelijke geallieerden, laat Hitler op 18 maart 1944 het land bezetten. Joden ondergaan hetzelfde lot als in andere bezette landen (Aktion Höss). Horthy wordt vervangen door de pro-Duitse Ferenc Szálasi en zijn pijlkruisers. Het resultaat: het hele land wordt geplunderd door zowel Russische als Duitse soldaten, en honderdduizenden Hongaarse burgers verdwijnen in Russische dwangarbeiderskampen(*).

Zo concreet kan de rijksambtenaar van Márai de uitkomst van het document dat hij laat uittikken natuurlijk niet inschatten, maar hij heeft als man van cultuur en beschaving wel een sterk vermoeden waar de oorlog zal toe leiden.

Hij vraagt zich luidop af of de wereld "naast haar voorraden zeep en insuline, schoenzolen en koffiebonen", niet ook haar morele emotionele reserves aan het verkwisten is. Gepokt en gemazeld in de intellectuele traditie van het avondland — hij haalt Luther aan (religie), Metternich (politiek), Darwin (wetenschap), Huizinga (geschiedschrijving), Maeterlinck (literatuur) en Freud (psychoanalyse) — vreest hij het nieuwe verschijnsel massamens. Deze beschikt nog wel over "een lichaam, zenuwen en spraakvermogen", maar heeft geen ziel meer die weet wat echte liefde is.

Zeker in de nieuwe, totalitaire wereldorde die ophanden is — op communistische dan wel fascistische leest geschoeid, maakt niet uit — zal de afzonderlijke mens alleen nog maar een nummer zijn. (Nota bene: net omwille van dit soort cultuurpessimisme zal Márai zelf als 'bourgeoisauteur' na de oorlog in ongenade vallen bij de autoriteiten, waarna hij vrijwillig in ballingschap gaat, in Italië, later in de VS.)

Vijftig jaar geleden waren ze nog niet zo, denkt hij nu, koppig en streng. Het is een nieuwe soort, de massamens. Vijftig jaar geleden was in Europa iedereen nog volgens zijn eigen individuele wetten dom en slim, goed of slecht, arm of rijk. In de tussentijd is er iets gebeurd. Dankzij de kanalisatie, de profylaxis en andere nobele uitvindingen hebben de mensen evenredig aan hun vermeerdering ingeboet aan individualiteit. De steden zijn uitgedijd als apocalyptische cementmonsters en hebben de mensen verzwolgen. De mensen zijn geen individuen meer, maar gegevens in een statistiek. Ze ervaren hun leven noch hun dood als iets eigens.
Een tweede personage dient zich aan: een contragewicht voor de zwaarmoedige, plichtsbewuste ambtenaar. Een jonge vrouw haast zich in het trappenhuis van zijn ministerie naar boven ("Haar tred is licht als die van een vogel, ze lijkt van de ene tree op de volgende te hupsen"). Zij is een Finse lerares die Hongaars heeft geleerd, maar geen baan wou in het duistere Noorden van Lapland. De oorlog in haar land ontvlucht wil ze nu een visum en verblijfsvergunning aanvragen.
Ze spreekt vloeiend Hongaars, met een vreemd accent, maar met de correcte woordvolgorde. Toch lijkt ze elk woord angstvallig en zorgvuldig te selecteren uit een niet al te groot arsenaal. Haar Hongaars is zuinig, alsof ze bang is voortijdig door haar woordenschat heen te zijn.
De deur van het ministerie gaat open. Het is een donderdag, een doorsneedag, maar de ambtenaar weet niet waar hij het heeft. Het is net of deze vrouw zijn kamer al eerder heeft betreden, op precies dezelfde manier, vijf jaar geleden. De dame lijkt namelijk als twee druppels op zijn gestorven geliefde. Een getrouwe kopie van het origineel. Alsof zijn minnares uit het graf is opgestaan. De man moet zich vermannen.
Hij voelt zijn bloed naar zijn hart stromen. Ondertussen weet hij dat dit slechts een literaire overdrijving is, zoals hij die in oppervlakkige boeken heeft gelezen. In werkelijkheid is dit ‘stromen’ een fysiologische ongerijmdheid. Er stroomt natuurlijk altijd bloed naar het hart toe, maar een duizeling heeft niets te maken met het tempo van de bloedsomloop. Zulke sentimentele gemeenplaatsen lees je in boeken.
De vrouw waar de Finse op lijkt — de vroegere minnares van de ambtenaar, de tweeëntwintigjarige apothekersdochter Ilona — heeft zich met blauwzuur uit haar vaders zaak van het leven beroofd, waarschijnlijk omwille van nog een andere minnaar, een hoogleraar. In een mooie flashback kijken de ambtenaar en de apotheker samen naar haar foto. Waar is het misgelopen?
Ja, Ili had veel noten op haar zang. Ze was niet alleen uit op geluk, maar ook nog op iets anders, een soort surplus waar vrouwen doorgaans niet naar streven en dat ze ook niet ter hand nemen. Ze streefde bijvoorbeeld ook naar kennis, en dan niet alleen van de roddels en de maatschappelijke weetjes, en ook niet alleen van de luxeleerstof voor verveelde rijke meisjes, zoals kunstgeschiedenis of de volkse varianten van de experimentele psychologie. Ili wilde haar tijd niet verspillen aan dikdoenerij, maar ze wilde evengoed weten.
‘Als een vrouw wil weten, dan is dat bijna tragisch,’ zei hij onwillekeurig. ‘En die mogelijkheid werd haar door deze man misschien geboden,’ voegde hij er vermoeid aan toe, alsof hij iets had begrepen.
En nu staat deze Ilona (overigens de naam van Márai's echte vrouw) opnieuw voor de ambtenaar aan de deur, zij het in de fysieke gedaante van een Finse lerares, ogenschijnlijk een "mythisch wezen" uit de Kalevala, een meeuw uit het hoge Noorden.

Het formele gesprek wordt snel vertrouwelijker, al begrijpt de vrouw natuurlijk niet goed waarom. Het is mooi om te zien hoe de anders zo rationele ambtenaar de wonderbaarlijke ontmoeting bijna mystieke kantjes toedicht. De Finse vrouw heeft hem in een onbekende miljoenenstad gevonden met "de zekerheid waarmee vogels in de eindeloze ruimte hun voedsel zoeken", een oriëntatievermogen dat ons mensen te boven gaat. Het is alsof het lot hem nog eens de enige vrouw heeft bezorgd die hem vroeger echt heeft doen leven, evenwel zonder dat dit duplicaat hem nieuw leed kan berokkenen.
Hij raakt doortrokken van deze droevige zekerheid. Hij kijkt naar deze mooie, bekende vrouw, die door de lachwekkend ongerijmde, ontstellende en platvloerse wil van het leven nogmaals op zijn pad is gekomen en denkt met een heimelijke zucht van verlichting en niettemin bedrukt: nee, verschijning, jij zult mij mij geen leed meer kunnen berokkenen. De pijn is weg. Het leven heeft de pijn in iets anders veranderd. Hij heeft er kennis mee gemaakt, heeft gekreund en hem toen voor de wereld verborgen, hem als het ware geprepareerd en als een prachtige mummie opgesteld in de dodenhal van de herinneringen. Ook pijn die door liefde is veroorzaakt, gaat voorbij, hou jezelf niet voor de gek. Wat resteert is rouw, een officieel ritueel ten overstaan van vreemden en voor de herinnering. De pijn zelf was iets anders geweest, een dierlijk brullen, ook in zijn zwijgen. Zoals dieren brullen als ze iets onbegrijpelijks opmerken, sterrenlicht of een onbekende geur, en in hun angst aanslaan. Rouw daarentegen is rede en oefening. Pijn veradert op zekere dag: alles wat het gevoel aan gemis aan ijdelheid en gekwetstheid in zich verborgen heeft, droogt uit in het flakkerende vagevuur van de pijn, waarna de handelbare, tembare en plaatsbare herinnering overblijft. Zo gaat het met alles wat de mens zich inbeeldt en wat hem beroert. En omdat je dit weet, speelt het leven zijn zonderlinge quadrilles voor niets, roept het herinneringen op, brengt het griezelige en helse gelijkenissen tot stand, stuurt het langs duistere wegen duplicaten op je af, al kunnen deze ontmoetingen je van alles brengen — avontuur en verrassing — maar geen leed meer.
Hij idealiseert de Finse vrouw. Voelt een diepe verwantschap met haar. Niet alleen omdat hun beider moedertalen tot die bizarre Finoegrische tak behoren, ook omdat ze allebei uit een volk komen dat in zijn ziel nog even dicht bij de natuur staat, en "het levensritme van de wilde dieren bezit". Hongaren en Finnen zijn nooit helemaal verstedelijkt. Hun "verwante woordstammen" hebben zich weliswaar verspreid tijdens de volksverhuizingen, maar beiden hebben nooit de "fortuinlijker contreien waar milde golven en stromingen de zee en de kusten verwarmen" gekend waar de westerse volken zich hebben kunnen neervleien.

De ambtenaar gelooft sinds de verschijning van de engel opnieuw in de kracht van dromen om de werkelijkheid vorm te geven. Waar hij vroeger in alles een achterliggende reden zocht, is hij nu graag bereid als een vrouw "de feiten als antwoord te aanvaarden".
Ik ben een man die in het telefoonboek staat en die uiterst precies officiële stukken kan formuleren, dat zegt men tenminste. Meer niet. Wat ik geloofd heb, een beetje — omdat wij grijze mensen niet zonder rol kunnen leven, zonder een beetje pathos lukt het niet — , is dat ik de werkelijkheid onbevooroordeeld en scherp kon waarnemen en dat ik aan de hand van mijn waarnemingen kon afleiden door welk plan de verschijnselen werden opgeroepen. Dat was mijn rol, zo niet mijn opdracht in de wereld. Maar nu geloof ik ook dat niet meer onvoorwaardelijk. Ik geef toe, liefste, dat de wereld voor mijn ogen door elkaar is gaan lopen, nog maar net, sinds een paar uur. Sinds het moment dat jij vanmiddag mijn kamer binnenkwam.
Vergis u niet: we bevinden ons nog altijd aan de vooravond van de oorlog. "Nu zijn ze er nog, de mensen en de cultuur, en het lot houdt ze in zijn onverschillige hand," staat er ergens. Alleen dringt de dreiging niet door tot in de verduisterde microcosmos van dit tweetal — zoals zo vaak bij Márai grijpt de handeling 's avonds en 's nachts plaats.

Het paar trekt naar de opera (de plaats waar de komedie het langst wordt volgehouden), wisselt eenmalig een kus uit (een "getemde beet") en wijdt zich voor de rest van de roman aan uiterst kunstige, zeg maar gekunstelde conversatie. En daar gaat het voor mij mis: waar de roman een occulte keer neemt. Het oeverloos geklets over tijd en status quo, over verschil en eeuwige wederkeer: Márai's onvervangbare Midden-Europese droefenis mondt uit in wolligheid.

De ambtenaar klampt zich vast aan de schijnbare gelijktijdigheid van zijn oude wensdroom (Ilona) en het heden (de Finse), en zet daarvoor graag zijn paranoïa — is zij misschien een spionne? — opzij. De vrouw, van haar kant, raakt eveneens overtuigd dat hun ontmoeting volgens een hoger plan verloopt: in de woning van de ambtenaar heeft ze inmiddels de foto van Ilona en de sprekende gelijkenis met haar opgemerkt. Draak van een detail: Márai laat haar Aino Laine heten, Fins voor Enige Golf, oftewel: nuance en herhaling. Jaja.

Wat ik zeggen wil: het is allemaal futiele metafysica in het licht van het nieuws dat Hongarije begin 1943 bereikt, enkele maanden voor De meeuw wordt gepubliceerd. Tijdens de Slag bij Voronesj wordt het slecht bewapende Tweede Hongaarse Leger zo goed als vermorzeld door de zich revancherende Russen. Van de 200.000 Hongaarse soldaten en 50.000 joodse dwangarbeiders worden er 100.000 gedood, 35.000 gewond en 60.000 gevangengenomen. Duizenden Hongaarse families, én de relatieve rust in het thuisland, worden ontwricht.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Sándor Márai, De meeuw
191 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2009
Oorspr. Sirály (1943)
Vertaald door Frans van Nes



(*) Na de oorlog werd de monarchie formeel vervangen door een republiek en werd Hongarije gedwongen toe te treden tot het Warschau-pact (tegenhanger van de Navo) en de COMECON (tegenhanger van de EEG). Verder moest Hongarije afzien van buitenlandse hulp, werden banken en grote bedrijven genationaliseerd en weigerde de Sovjet-Unie om haar troepen terug te trekken uit het land. De politiek zeer actieve kardinaal Mindszenty en verklaard tegenstander van de communisten werd tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

De bevrijders bleken veroveraars. Onder de communistische MDP onder leiding van Mátyás Rákosi werd Hongarije een Sovjet-kloon met onteigening van privé-eigendom, collectivisering van de landbouw en nadruk op de zware industrie. Verder voerden de partij en de veiligheidspolitie een schrikbewind uit dat vele slachtoffers eiste. Na Stalins dood leek er even ruimte voor veranderingen, maar het tragische einde van de Hongaarse opstand eind 1956 maakte duidelijk dat de Sovjets de baas waren en bleven.

____

donderdag 29 april 2010

Mind & matter

What is matter? Never mind.
What is mind? No matter.
Thomas Hewitt Key, in Punch, Vol. 29 p. 19 (1855)

woensdag 28 april 2010

Daar is het gat van de deur - Gerrit Komrij

We schrijven begin jaren zeventig. Gerrit Komrij signaleert in Daar is het gat van de deur de problemen waar beroepsbesprekers mee te maken krijgen, bij het recenseren van nieuwe boeken van eigen bodem. Terwijl Nederlandse romans "grosso modo niet meer zijn dan een tweepits-puinhoop (op één pit suddert Karl Marx bien cuit, op de andere een bouillon van huiskamerrequisieten)" houdt de letterkundige kritiek uitverkoop: de superlatieven vliegen je om de oren.

En terwijl veertig jaar later de boekenproductie allang niet meer rood kleurt, blijft de overschatting van de middelmaat wel degelijk een probleem van alle tijden. Neem recent de onbegrijpelijke Gouden Uil voor 's Nachts komen de vossen.

Gerrit Komrij wierp zich als jonge dertiger al op om het Nederlandse lezerspubliek te bevrijden van de terreur van de doorsnee. Hij deed dat in virtuoos geschreven recensies, met bakken humor. Gelijk had-ie: als je dan toch iemand met je mening wil lastigvallen, kan je dat maar beter hoffelijk doen; humor is altijd hoffelijk.

In de laatste roman van Bernlef, Sneeuw, komen, hoewel hij enkele aardige en zelfs een aangrijpende scène bevat, drie kleinigheden voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtengang.
De beschouwing over Het jaar van de kreeft daargelaten, valt op dat Komrij in Daar is het gat van de deur geen enkele moeite doet om een roman naar behoren samen te vatten. Hij scharrelt een paar citaten bijelkaar, duwt ze snel en met kleine tikjes voor zich uit — een goede dribbelaar laat de bal het werk doen — en drijft er de karakteristieken van het boek mee op de spits.

Misschien is dat inderdaad de beste truc om een recensie leesbaar te houden, jaren na dato. Overdrijving. (Wat meteen het ergste doet vermoeden voor de plichtsbewuste boedelbeschrijvingen die mijn recensies zijn. Enfin, geeft niets, omdat ik met dit weblog vooral mijn eigen naslagwerk aan het schrijven ben.)
De echte, goeie kritikus (ik denk hierbij dus vooral aan mezelf) is een zure, slecht in het pak zittende tobber, die door tijdgenoot en nageslacht gelijkelijk verguisd wordt. Des morgens drinkt hij eerst een beker azijn; des middags nuttigt hij een licht déjeuner van zuring en karnemelk; en des avonds leest hij zijn verfoeilijke boekjes of kijkt hij naar minderwaardige tv-programma’s; des nachts ten slotte, na een soupeetje van duivelskervel en smeerwortel, zet hij zijn geniale gedachten zwierig op papier. De enigen met wie hij een warm, menselijk kontakt onderhoudt zijn de fiscus en de drukker.
Zo is het en het zal nooit anders worden. De kritikus rolt zich als een goddelijk varken in afzichtelijk proza, en kwijlt bij iedere misgeboorte. Het grote miskent hij, en de zwakkelingen trapt hij terug in de vergetelheid. O zeker, hij gaat zelfs naar béd met slechte boeken!
Spot is één manier voor Komrij om zelf lol te beleven aan het recenseren van romans zonder kraak of smaak. Een andere manier is om twee tegengestelde oordelen over een boek te vellen — een praktijk waaraan Komrij laatst nog in zijn prachtige Claus-lezing refereerde. Een derde is kop of munt de teneur van de bespreking te laten bepalen.
In een ‘bespreking’ van een boek van Hugo Claus begon ik aarzelend met het geven van twee meningen, waaruit de lezer kon kiezen. In een latere fase, in een ‘bespreking’ van een boek van Heere Heeresma, gaf ik toe dat ik mijn mening liet afhangen van het opgooien van een muntstuk. Maar het hoogtepunt bereikte ik in een ‘bespreking’ van een boek van Dirk Ayelt Kooiman, geheel bestaande uit aan boekhandel-folders ontleende uitgeverskreten, een ‘bespreking’ die zowel goed als slecht was, in één en dezelfde tekst.
Daar is het gat van de deur is trouwens niet alleen maar kommer en kwel. De vroege verhalen van Biesheuvel worden terecht geprezen, en afgetoetst aan enkele stijlkenmerken van de romantiek. Een boek van Jan Hanlo wordt gelinkt aan de strapatsen van Oscar Wilde, door Gide beschreven in Niet als de anderen. Waardering valt een paar outsiders uit de Nederlandse letteren ten deel.

Over Jan Arends:
De verhalenbundel Keefman is alweer enige tijd geleden verschenen, maar er is, zoals dat vaak gaat wanneer een goed boek in de grijze plomp van onze inktproduktie valt, nauwelijks serieus aandacht aan geschonken. Het boek zakt weg, en de plomp sluit zich.
Wie de rapporten in golfplatenproza van de geneeskundige stand vergelijkt met de klinische, overzichtelijke taal die in dit boek gebruikt wordt, een boek met haast uitsluitend verhalen over mensen die, aan de onderliggende kant, bij de psychiatrische wereld betrokken zijn, van enthousiaste gekken tot zenuwachtige malloten, die zich — uiteraard — allemaal slachtoffers voelen van de tegen hen samenzwerende buitenwereld, krijgt de indruk dat de rollen best eens omgekeerd konden worden, dat iedereen iedereen kan ‘genezen’, aangezien er niets te genezen valt.
Over Ethel Portnoy:
[D]e vertekening van extatische en hysterische relaties tussen mensen of groepen van mensen ontnuchtert ze, en traditionele, simplistische opvattingen die we huldigen over revolutie, discriminatie, idealen en vooruitgang laat ze uit elkaar spatten als luchtbellen in ons achterhoofd.
Maar het leukst blijven natuurlijk de afrekeningen. Als je alle stukken bijelkaar optelt is goed uit te maken waar Komrij een hekel aan heeft. Romans met een magere inhoud, die uit werkelijk niet meer bestaat dan de flaptekst. Personages die met elkaar dialogeren zoals nergens ter wereld gesproken wordt. Diepburgerlijke helden. Schrijvers die zich bezondigen aan wanstaltige beeldspraak of juist een tijdloze stijl hanteren (en alle treinen "zuchtend" tot stilstand laten komen). Voorts auteurs die lijden aan verbeteringszucht, zelfoverschatting, quasi-eruditie, en scribenten die bij gebrek aan ideeën dat ene ideetje sufinterpreteren.

Daar is het gat in de deur bevat trouwens ook algemenere beschouwingen. Over Jugendstil, watertorens ("De watertoren was, in zijn eenzaamheid, iets als een gedecentraliseerde kerktoren, en als zodanig dus tegelijk duivels én heilig"), uitvaartrituelen, en de kritische paranoïa (het aantonen van verbanden waar er absoluut geen zijn) van Salvador Dalí.

Afsluiten doet de bundel met de essays waarvan Komrij zijn vertalingen voorzag: over Superman van Alfred Jarry, Pausin Johanna van Emmanuel Rhoidis, Poggio Bracciolini's Groot grollenboek, De zonderlinge avonturen van Primus Prikkebeen van Rodolphe Töpffer en — het beste essay — over De profundis van Oscar Wilde.

Wat me zeker bij zal blijven is Komrij's oplossing voor het klassieke vraagstuk, of je als lezer mag speuren naar gelijkenissen tussen schepping en schrijver. Als je die aandrang voelt opkomen, zegt Komrij, is het eigenlijk al te laat.
Van Altena is nergens zijn stof meester [in Een tussen twee], want bij goede romans komen zulke overwegingen niet in je op, overwegingen over congruentie-ja of congruentie-nee tussen hoofdpersoon en auteur. Bij een boek als dit stormt weer de kwellende vraag op je af, een vraag die je niet mag stellen, omdat die een van de stutbalken van de literatuur doorzaagt, als hij beantwoord zou kunnen worden — de vraag: is een slechte roman óók een roman? Of eerder iets heel anders, iets van dezelfde orde als een plastic Delftse tegel, een Apollo uit boetseerklei of een fles Chianti van de Hema? Of toch een roman?
Opgeruimd staat netjes. Elk boek van Komrij sla je tevreden dicht. Dezelfde tevredenheid waarmee je met Nieuwjaar de vuilnisophaler een dikke fooi geeft voor bewezen diensten.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gerrit Komrij, Daar is het gat van de deur : kritieken en essays
244 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1974

____

dinsdag 27 april 2010

Van mensen en wereldrijken - Anthony Pagden

Het boek van Fernández-Armesto, Dus jij denkt dat je een mens bent?, ging over de vraag hoe de mens zich als soort definieert. Anthony Pagden vertelt het verhaal van hoe groepen mensen zich door de eeuwen heen hebben verenigd met elkaar. Daarbij wordt zeer duidelijk hoe versnipperd de wereld er tegenwoordig bij ligt, en hoe jong onze nationalistische reflex is om ons eerst te willen onderscheiden van anderen. De Europese geschiedenis is er vooral een van expansiepogingen.

Het begrip 'imperium' heeft tegenwoordig een negatieve connotatie en doet ons in de eerste plaats denken aan meedogenloze uitbuiting van volkeren die zich niet kunnen verweren. In de definitie van Anthony Pagden, hoogleraar geschiedenis en politieke wetenschappen aan de universiteit van Californië en specialist migratie in de vroegmoderne tijd, zijn imperia vooral een manier om verschillende groepen die vaak maar weinig met elkaar op hebben, stabiliteit op te leggen.

Van mensen en wereldrijken trapt af met een verhaal van Borges waarin een Lombardische ‘barbaar’ op zijn plundertochten de Byzantijnse stad Ravenna aandoet en in verwondering de paleizen aanziet. Daar wordt hij zich bewust van het begrip beschaving — een eigen plek met een cultuur die het waard is bewaard en zelfs verdedigd te worden.

De grondvesting van imperia, vervolgt Pagden, is dan ook altijd nauw gerelateerd aan steden (polis — politiek, civitas — civilisatie): grotendeels zelfstandig bestuurde stedelijke ruimten zoals Rome, Alexandrië, Herat, Arachosia, Begram, Eschate, Veracruz, Cholula en Tlaxcala. Het waren de Grieken (die de woordenschat bedachten om na te denken over onze levenswijze) die vanaf de opkomst van Athene in de zesde eeuw v.C. de link zouden leggen tussen een stedelijke omgeving en een bepaalde levenswijze. Denk aan de woorden van Aristoteles: de mens is een zoön politon, letterlijk: een dier gemaakt voor leven in de polis. Verbanning uit de steden was een erge straf in de antieke oudheid, waar zwervers en zigeuners met een scheef oog werden bekeken.

Maar: omdat een te veel inzichzelf gekeerde samenleving ten dode is opgeschreven, moet ze wel in beweging blijven en contact zoeken met leden buiten de groep. Pagden citeert Kant, die aangaf dat de geschiedenis van de mensheid er tegenwoordig een is van vestiging, en van (relatieve) ordening, vrede en recht, maar dat ze wel rusteloos begon, met het zoeken naar nieuwe hulpbronnen, naar een minder ruig klimaat en met de onstuitbare hang naar bezit.

Uit het boek van Pagden moeten we aannemen dat de Grieken als eersten dachten hun stempel te kunnen drukken op een andere beschaving. Dat Alexander de Grote al Oost en West met elkaar wou verbinden en dus het eerste echte imperium stichtte. Met de Romeinen deed dan weer het begrip 'glorie' zijn intrede: een imperium stond voor de beloningen en de glorie die een volk kreeg naarmate het groeide; goed burgerschap was dus aangewezen.

In de vroege middeleeuwen bleken de pogingen om Europa samen te houden vruchteloos. Alleen Karel V slaagde daar kortstondig nog even in. Vanaf de vroegmoderne tijd was de Europese expansie in toenemende mate van maritieme aard, waarbij zeevarende naties zich gaandeweg niet meer als kolonisatoren gingen beschouwen (die 'universele' imperia nastreefden) maar als avontuurlijke kooplieden, belust op 'handelsimperia'. De Vrede van Westfalen legde de kiem van het Europa van de natie.

Onafhankelijkheidsoorlogen en de dekolonisatiebeweging maakten daarna duidelijk dat ondergeschikte volkeren slechts onderworpen kunnen blijven zolang ten minste een aanzienlijk aantal van hen daar voordeel in ziet. Wanneer imperia te groot worden, en het centrum te veraf ligt van de periferie, worden het vanzelf kosmopolitische samenlevingen, tolerant tegenover culturele en soms zelfs religieuze diversiteit.

De ruime samenvatting hieronder, gebruikmakend van hele en halve zinnetjes uit het boek, moet echter met enige reserves gelezen worden. In het voortreffelijke Vergeten erfenis wordt Pagden als historicus door Jona Lendering beknord, omdat hij in een ander boek, The worlds at war, de Atheense, de antieke en de Europese cultuur op één hoop gooit en plaatst tegenover de religieus getinte, oosterse despotieën. Lendering toont nogal overtuigend aan dat deze culturen juist vooral met elkaar vervlochten waren.

Ook in Van mensen en wereldrijken zet Pagden Griekenland en Rome neer als de bakermat van onze beschaving. Aan in zichzelfgekeerde rijken als China, Vijayanagara, het Safawidische Iran, het rijk van Timoer, het Osmaanse sultanaat en de Inca's besteedt Pagden geen aandacht. Niet dat het hen aan territorium ontbrak: het rijk van Timoer reikte van de Zwarte Zee tot Kasjgar; het Osmaanse sultanaat van Hongarije tot Centraal-Azië; dat van de Inca’s omvatte het huidige Peru, Ecuador, Colombia, Bolivia, Noord-Chili en Noord-West-Argentinië. Alleen ziet Pagden imperia in termen van expansie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Former_empires

Anthony Pagden, Van mensen en wereldrijken
De Europese migratie, ontdekkingsreizen en veroveringen
van de Griekse Oudheid tot heden
239 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2002
Oorspr. Peoples and empires : Europeans and the rest of the world (2001)
Vertaald door Shirah Lachmann



De eerste imperia
Vanaf de Atheense beschaving werd de Griekse geschiedenis gevuld met zwervers op zoek naar kennis (Herodotus) — kennis die ook een middel was om bezit te nemen. Tussen de achtste eeuw en 580 v.C. trokken de Griekse stadsstaten het hele Middellandse-Zeegebied door. Deze kolonisatie eiste ervaren zeevaarders en grote schepen. De symbolische conflicten van voorheen (op het Amerikaanse, Afrikaanse of Australische continent) gingen in het mediterrane Westen over in oorlogen, waarin een groep zich bewust wordt om zijn stempel op de wereld te drukken. Duurzame metalen als brons en later ijzer (wapens die konden bijgeslepen worden) en een georganiseerde strijdmacht stelden een volk in staat de totale strijd te winnen. Het volk wordt leger, bereid om de Attische democratie te beschermen. Een voor allen, allen voor een.

Alexanders imperium (336-323 vC) was het grootste van de antieke wereld. Het maakte een eind aan het Achaemenidische Perzische rijk dat Athene voortdurend bedreigde, en verenigde grote delen van Europa en Azië, waaronder de versnipperde Griekse staten. Zijn vader Philippus II deed het voorwerk, door het door burgeroorlog verdeelde koninkijk Macedonië om te vormen tot een van de machtigste Griekse stadstaten. Toen Alexander stierf had hij echter geen volwaardige opvolger aangewezen; na een reeks bloedige burgeroorlogen werd zijn rijk verdeeld onder zijn vroegere generaals. Eeuwenlang werd Alexander beschouwd als de archetypische imperiumbouwer — door Caesar, Pompejus, Marcus Antonius, Trajanus en Napoleon.

De adminstratieve structuur van het Perzische rijk liet Alexander vrijwel intact, alleen stelde hij eigen mensen aan. Hij verwierp het vroegere onderscheid tussen waarachtige mensen (Grieken) en barbaren. Zijn streven was een verbinding te leggen tussen Oost en West, Azië en Europa, Helleens en barbaars. Deze visie heeft de kenmerken van latere imperia die leefruimte willen bieden aan zeer verschillende volkeren: van het oude Rome tot de Verenigde Staten. De vijandschap tussen Europa en Azië leefde natuurlijk voort na Alexanders dood (Romeinen, Grieken en christelijk Europa aan de ene kant, en de Osmaanse Turken en de Russen aan de andere kant), maar zijn ideaalbeeld bleef bestaan. De monarchie van Alexander was het eerste imperium; het antieke Rome zijn opvolger. Op zijn beurt inspireerde Rome vele moderne staten. Denk alleen aan de architectuur van Londen, Wenen, Berlijn, Washington.

Rome evolueerde van een onooglijke stadstaat langs de Nedertiber in de zevende eeuw tot een republiek tegen het einde van de zesde eeuw. Anders dan de Griekse stadstaten was het dus in geen enkel opzicht een democratie. De Romeinen waren ervaren tactici en militaire vernieuwers (virtus is afgeleid van vir man en betekent ‘moed in de strijd’). De ineenstorting van de republiek en de opkomst van het principaat was de uitkomst van datgene waarvoor alle imperia het meest beducht waren: de burgeroorlog. Het rijk was zo groot geworden dat de Senaat niet langer in staat was het leger en de tomeloze ambities van de machtigste generaals in bedwang te houden.

Caesar was een van die generaals, en na hem Octavianus (Augustus) die als eerste het woord ‘imperator’ aannam als titel en die de ideologische grondlegger was van het principaat: de periode waarin het rijk bestuurd werd door één man. Hij beteugelde de burgeroorlog, bezorgde het rijk vrede, ontnam de senaat en het volk het grootste deel van hun gezag, hervormde het recht en systematiseerde het belastingssysteem (dat zijn leger bekostigde) om het regelmatiger te maken. Het was ook de gouden eeuw van de Latijnse literatuur (Vergilius, Ovidius, Horatius, Tibullus, Propertius, Livius). Rijkdom werd aangevuld met glorie: het respect dat men kreeg van anderen. Een imperium stond voor de beloningen en de glorie die een volk kreeg naarmate het groeide. Er ontstond een militaire cultuur onder de gehele mannelijke bevolking: leger en volk smolten samen.

Maar naarmate het imperium groeide, groeide ook de afstand tussen het centrum van de macht en de buitengrenzen. Het imperium kon steeds moeilijker worden bestuurd— alleen met instemming van de leden ervan. Daarom moest er iets tegenover staan: infrastructuur, vrede, weelde, rijkdom. Het Romeinse burgerschap was een groot goed. Het Romeinse recht (p. 55-), een van de belangrijkste verwoordingen van de rationaliteit van de mens, werd het recht van heel Europa en gaf een ethische doelstelling aan de hele gemeenschap. James Wilson: ‘Men zou kunnen zeggen dat de Romeinen zich niet zozeer verspreidden over de hele aardbol, maar dat de bewoners van de aarde hun lot verbonden met dat van de Romeinen.’

Tegen de tijd van Augustus was Rome een kosmopolitische staat geworden, met mensen uit alle delen van het rijk in vrijwel iedere Romeinse provincie. De orbis terrarum en het imperium begon men te identificeren als één geheel. Ook de Mogol-vorsten van Noord-India en de heersers van Vijayanagara en de Chinese keizer noemden zich heersers van de wereld, maar het Rome stond voor meer dan uitoefening van macht, het had te maken met het scheppen van een wereld. Tot laat in de achttiende eeuw was ‘de wereld’ immers een immens oord dat geen zekerheden bood. Maar voor de opkomst van de Britten in de negentiende eeuw was het Romeinse rijk het meest uitgebreide wat betreft bewoonbare gebieden en bevolking dat de wereld ooit had gekend. De Russen, en vóór hen de Mongolen, heersten over een groter gebied, maar het merendeel was onbewoond en onbruikbaar.

In de tweede eeuw was de expansie tot staan gekomen; in het oosten werden de Romeinen tot staan gebracht door de Parthen, in het westen door de enorme uitgestrektheid van de Atlantische Oceaan. Het rijk was dan al te groot geworden om te besturen vanuit één centrum. In 200 was het Middellandse-Zeegebied getroffen door een ernstige terugval van de handel. De Romeinen leden vreselijke nederlagen tegen de Perzen, de Goten en andere Germaanse stammen en het imperiale bestuur stond als gevolg van burgeroorlog op het punt uiteen te vallen. Diocletianus deelde het rijk op in een oostelijk en westelijk deel. Zijn opvolger Constantijn de Grote stichtte in 324 een ‘nieuw Rome’ voor het oostelijk imperium, Constantinopel of Byzantium. Dat bleef tot in 1453 (p. 67) het rijk van de Romeinen, ook al was het reeds begin vijfde eeuw een Griekssprekende, volledig gehelleniseerde cultuur geworden. Begin vijfde eeuw werd het westelijke imperium overspoeld door horden Germaanse stammen.

Elk zijn eigen koninkrijk
Met de val het Byzantijnse rijk verdween de Griekse cultuur bijna vierhonderd jaar uit het zicht. De Europese samenleving werd gevormd naar Romeins model waar de gebruiken en de talen van de Germaanse binnendringers diepe sporen op achterlieten. Het rijk raakte versnipperd in leengoederen. Alles wat overbleef van de status van het oude Romeinse imperium was nog uitsluitend verbonden met de paus — het hoofd van een seculiere staat in Zuid- en Midden-Italië, maar vooral de leider van een wijdvertakte religie.

Leo III verleende Karel de Grote, die het Lombardische koninkrijk had veroverd en de stammen van de Nedersaksen en Westfalen had onderworpen en gekerstend, in 800 de titel van keizer. Het Verdrag van Verdun van 843 regelde de verdeling van het Karolingische rijk na de dood van Lodewijk de Vrome onder zijn drie zonen, Lotharius (de oudste), Lodewijk de Duitser en Karel de Kale. Deze rijksverdeling en de verdere deling van het Frankische Rijk liggen aan de basis van de eeuwenlange Frans-Duitse rivaliteit in Europa. Karel de Kale kreeg West-Francië, het latere Franse koninkrijk. Lotharius kreeg Midden-Francië, daaronder Lotharingen met de latere Nederlanden. Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië, het latere Duitse rijk.

Tegen het midden van de twaalfde eeuw claimde iedere koning een keizer te zijn in zijn eigen koninkrijk en wat overbleef van het imperium zelf raakte geleidelijk beperkt tot de Duitse koninkrijken. Daar zou het nog eens zevenhonderd jaar blijven bestaan, ‘noch Heilig, noch Rooms, noch een Rijk’, zoals Voltaire sarcastisch opmerkte, totdat Napoleon er in 1806 een einde aan maakte. De keizers van het Heilige Roomse Rijk gebruikten hun positie om de vrede te bewaren tussen alle machten (vrijsteden, rijkssteden, landgraven, hertogen, prinsen, bisschoppen, Duitse ridders) binnen het rijk.

Expansie van maritieme aard
De heerser die het kortstondig wist te veranderen van een zuiver Duitse aangelegenheid in een universeel imperium (1500-1558) was Karel V. Van zijn grootvader van vaderszijde, Maximiliaan I, had hij Midden- en Oost-Europa goeddeels geërfd en het hertog Bourgondië (met ook Nederland en België); van zijn grootouders langs moederszijde, Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, had hij Spanje, Castilië, Aragon, het Aragonese rijk in Italië en de oostelijke Middellandse Zee geërfd. Hij bezat tevens het transatlantische gebied dat toen ‘West-Indië’ werd genoemd. Zijn rijk was een wijdvertakte conglomeraat zonder hoofdstad, in huidige termen een multinational; Karel was voortdurend op weg om te reizen. Alle onderdanen genoten dezelfde status. Zijn aanspraken op universalisme werden alleen geëvenaard door de Osmanen (de rivalen van de Habsburgers) en, verder naar het oosten, de Safawiden en de Mogols. Het grote verschil was dat het grondgebied van Karel overzee lag. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw zou de Europese expansie in toenemende mate van maritieme aard zijn.

Tot de late achttiende eeuw zou de wereld voor de meeste Europeanen een plaats van grote geografische onderzekerheid blijven. Hoe groot hij was, wie er woonde, niemand wist het, zeker toen de wereld grondig bleek te verschillen van wat de antieken hadden gezegd. De grenzen van Afrika, Azië en Amerika waren mythisch van aard (zie wereldbeeld p. 78). De vroege Portugese reizen naar Afrika bleven beperkten zich tot de lange Atlantische kustlijn. Latere reizen hadden ten doel zich te verzekeren van een rechtstreekse aanvoer van luxegoederen uit het Oosten en de handel in Afrikaanse slaven. Niettegenstaande het bescheiden begin strekte het Portugese imperium zich in de zeventiende eeuw al uit van West-Afrika tot India en het zuiden van China. De Portugese zeevaarders (Vasco da Gama) hadden in 1497 Kaap de Goede Hoop gerond én teruggekeerd.

Toen Columbus in 1492 de Cariben bereikte veranderde het wereldbeeld van de Europeanen écht. Amerika bleek geen eiland, maar een continent. De hele aarde, op enkele woestijnen en koude gebieden na, waren bewoonbaar. (Ook het Zuiden, dat door Abel Tasman, was bevaren. Al zou het nog duren tot James Cook voor de omvang van Australië werd ingezien.) De Kerk, dat vaak de rol van bemiddelaar speelde, vaardigde decreten uit dat Ferndinand en Isabella de controle mochten hebben over Amerika. De inheemse volkeren moesten wel met zachte hand gekerstend worden. Spanje en Portugal raakten het eens over twee invloedssferen (Tordesillas-linie). De Afrikaanse dromen van landen boordevol goud werd nu geprojecteerd op Amerika. In de jaren dertig van de zestiende eeuw werden de zilvermijnen van Mexico en Peru ontdekt. Het spijsde tot ver in de achttiende eeuw de Spaanse kroon en Duitse, Hollandse en Italiaanse bankiers.

De snelle overzeese expansie was mogelijk door de opkomst van de Europese natiestaten, nieuwe navigatietechnieken en schepen die snel en effectief tegen de wind in konden varen. Tegen het einde van de achttiende eeuw hadden de twee Iberische imperia daadwerkelijk de hele aarde omspannen. De Arabieren hadden uitgebreide netwerken rond het Arabische schiereiland maar bleven daar. De Polynesiërs koloniseerden gebieden duizenden kilometers van hun geboortegrond, maar verlieten nooit de Stille Oceaan. Na de exploten van admiraal Zheng He, staakten de Chinezen alle handel over grote afstanden, uitbreiding van het rijk en contacten met buitenstaanders — een beslissing die noodlottig zou worden. Europese migraties per boot waren snel mogelijk en bleken onomkeerbaar.

Een christelijk rijk
Karel V zag zichzelf als de verdediger van de christenheid. Net zoals de Romeinse keizers hun rijk een religieus tintje gaven, waarbij zijzelf als godheid fungeerden en toewijding altijd een militair karakter had. Na Constantijns bekering werd de goddelijkheid die de heidense keizer omgaf overdragen op de christelijke keizer. Een sekte die afstand deed van het aardse werd staatsreligie. De verspreiding van de kennis van Jezus Christus werd een van de taken van de heersers. Vanaf dat moment liep de uitbreiding van de Europese imperia parallel met de verspreiding van het christelijk geloof, hoewel de meeste missionarissen een ongemakkelijk verbond hadden met de soldaten, avonturiers, kooplieden en koninklijke functionarisen tijdens hun kolonisatietochten. Soms (zie Las Casas en zijn Leyes Nuevas, p. 94-102) bleek het zelfs mogelijk wereldlijke heersers via religieuze verontwaardiging op andere gedachten te brengen.

Filips, de zoon van Karel V, verloor Oostenrijk, Duitsland en Bohemen, maar verwierf in 1580 via dynastieke grillen het koninkrijk Portugal en zijn overzeese rijk. Deze Katholieke Monarchie beleef bestaan tot 1640 en omspande de aardbol. Spaanse legers namen in de jaren zestig de Filippijnen in. Filips kon zich echter niet binnen op verdere expansie, richting China. Het verval van Spanje was al halverwege de zestiende eeuw begonnen. De Nederlanden kwamen in opstand, een oorlog die tachtig jaar duurde, en Spanje financieel en moreel bankroet maakte. Voor het eerst veroverde een rebellerende Europese vazalsstaat zelfbeschikkingsrecht. Delen van Spanje werden getroffen door inflatie (er was geen monetair beleid). Door de obsessie met edelmetalen had het de handel en landbouw in de overzeese gebieden verwaarloosd. Middelen werden ingezet om het imperium te beschermen.

Eind zestiende eeuw hadden de Hollanders een aanval ingezet op de Portugese bezittingen in Azië en Cochin, Malakka, Sumatra, Java, Borneo, Celebes, de Molukken, het westen van Nieuw-Guinea, Formosa, Timor en Ceylon in bezit gekregen. De Portugesen restte in Azië nog Goa in Zuid-India en Macao in China, Brazilië en de kolonies in West-Afrika. De Fransen en Engelsen knabbelden aan de Amerikaanse bezittingen van Spanje. Na de Successie-oorlog kregen de Franse Bourbons de macht over de Spaanse troon. Begin negentiende eeuw begonnen de Spaanse kolonisten zich te storen aan de autocratische aanwezigheid van een verre grootmachten, net zoals de Engelsen vóór hen.

Luthers opstand tegen de katholieke kerk werd gesteund door de Duitse prinsen en vrijsteden die zich verzetten tegen de steeds sterkere poging van Karel om de losse federatie van Duitse staten om te vormen tot een hecht imperium. De ruzie met de keizer groeide uit tot een langdurig geloofsconflict, een bloedige burgeroolog, tot de Vrede van Westfalen (1648). Zij bracht de schepping van het Europa van de natie (en bekrachtige het bestaan van de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse confederatie). Voortaan zou de heerser van iedere staat bepalen welk soort christendom er ingang vond.


Screenshot uit het game 'Empire: Total War'; afbeelding via Wikipedia

Handelsimperia
De Vrede van Westfalen was ook een culturele, politieke en economische scheiding. Het Iberische schiereiland raakte in verval, hun oude vijanden Frankrijk, Engeland en de Nederlanden waren in opkomst. De protestantse naties zagen in dat geen enkel land grote Europese ambities meer kon hebben. Nieuwe expedities zouden geen rijkdom meer opleveren. De toekomst lag op het vlak van de handel — handelsimperia die overeind bleven door de wereldzeeën te controleren.

Een nieuwe klasse van kooplieden ontstond in Engeland en Frankrijk, die in handel ook een beschavende, pacificerende kracht zag. De Portugese stichtten feitorias, factorijen. Engeland en Holland herkenden de economische motieven in elkaars overzeese politiek: beiden achtten zichzelf verlichte koopman-avonturiers in plaats van conquistadores. Deze imperia geboren uit de zee waren ook gefundeerd op de overtuiging dat handel en kapitaalvermeerdering alleen kunnen plaatsvinden in vrije samenlevingen. Men zou de inheemse bevolking niet langer uitbuiten, alleen hen afhelpen van religieuze dwalingen. Aan het eind van de Zevenjarige oorlog (Engeland versus Frankrijk) was Engeland de machtigste maritieme mogendheid.

De Onafhankelijkheidsoorlog liet zien dat kolonies ook op eigen benen wilden en konden staan. Hun nieuwe geïmmigreerde inwoners waren nieuwe volken geworden. Engeland verloor dertien koloniën en ging zich meer concentreren op Azië, Afrika en later de Stille Oceaan (start van ‘het tweede Britse imperium’). Denkers als Burke en Smith zagen het Engelse imperium veranderen in een soort gemenebest. En ook de Hollanders noch de Engelsen konden een agressiever beleid voeren in hun factorijen op Ambon, in Soerat en Madras, in Calcutta en Bombay. De Mogol-legers konden ze pas aan toen de East India Company sterker werd en de Engelsen de overhand kregen in grote delen van India.

Maar van de wil tot verankeren in die nieuwe gebieden was geen sprake, men wilde er gewoon rijker uit terugkeren. (Dit in tegenstelling met de Amerikaanse kolonisten uit Europa, die op zoek waren naar een wereld waar de sociale beperkingen van het avondland niet golden.) De Engelse wens een ‘vrijheidsimperium’ op te bouwen voor onderworpen volkeren, kon het verlangen naar bezit en grond niet onderdrukken. Noch werd er afgestapt van de slavernij.

In de oudheid kwamen slaven uit Syrië, Egypte, Judea, Dacië, Moesië, Germanië en Brittannië — overwonnen gebieden. Ook de islamitische wereld steunde sterk op slaven: de mamelukken. De Germanen die de Romeinen onder de voet liepen, waren georganiseerd in stamverbanden en konden weinig met de slaven, die vooral rendeerden in stedelijke levenswijzen. In het middeleeuwse Europa werden slaven eerst gehouden als landarbeiders — hulpjes voor de beroepsbevolking die hoofdzakelijk uit landbouwers bestond — tot het feodalisme aan het licht bracht dat horigen makkelijker te controleren waren, én productiever. De slavernij in het vroegmoderne Europa was dus een nieuw begin.

Het was de grootste gedwongen migratie in de geschiedenis. Complete culturen binnen Afrika spatten uiteen; aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ontstonden er nieuwe. De moderne multiraciale samenlevingen werden geboren. Het christelijk geloof noch de Koran zagen graten in het knechten van andere volken. Afrikanen werden verscheept als mankracht voor de overzeese kolonies, in de suikerrietplantage: de waarde van suiker voor de economie van de slavenhoudende naties maakte de afschaffing van de slavernij in de achttiende eeuw een onzekere zaak. En zelfs de abolitionisten geloofden in het beschavende vermogen van de Europese cultuur.

Wetenschappelijk prestige
Tegen het einde van de achttiende eeuw moest nog een gebied in kaart gebracht worden: de Stille Oceaan. Weinigen geloofden nog in menselijke curiositeiten, maar de droom van het aards paradijs, ergens, was nog niet gaan liggen. Denk aan Bougainville en zijn beschrijving van Tahiti en Voyage autour du monde, als een oord van volledige menselijke en seksuele vrijheid. De Engelsen en Fransen schepen doorkruisten de Stille Oceaan volledig en brachten elk eiland in kaart. De vermaardste reizen waren deze van James Cook. Polynesië was een soort antropologisch laboratorium, waar men de mens kon zien voor de beschaving vat op hem had kunnen krijgen.

Maar Frankrijk en Engeland, met argusogen bekeken door Spanje, hadden nog steeds plannen met de mogelijke rijkdommen van de zuidelijke oceaan. Charles de Brosses stond een nieuwe verlichte Franse aanwezigheid in de Stille Oceaan voor, door handel te combineren met onderwijs. Cook was dan weer voor de Engelsen een pion in de imperiale uitbreiding. Maar het bleef bij plannen. Bougainville en Cook kwamen vooral met een grotere kennis van de natuur van de Stille Zuidzee naar Europa, en inheemse mannen, zoals Aotourou en Omai.

Tijdens de late achttiende eeuw voerden expedities vooral botanici, werktuigkundigen, hydrografen, natuurkundigen, artsen, astronomen en schildes meer, en maar weinig soldaten en geen missionarissen. De wetenschap werd een algemeen erkende bron van macht en een nieuw terrein waarop de Europese grootmachten met elkaar streden om de superioriteit. Prestige was in deze trouwens belangrijker dan militair overwicht.

Patriotten
Cooks triomf werd beschouwd als een triomf voor de Engelse natie. Imperialisme ging geleidelijk over in nationalisme dat sinds de negentiende eeuw het dominante politieke credo was: de opvatting dat alle volkeren aparte, eigen kenmerken hebben, dat mensen verenigd worden door een gemeenschappelijke taal en leven onder een enkele en autochtone heerser. Volgens denkers als Herder waren het idee van een volk en het idee van imperium onverenigbaar. Alleen viel de wereld niet zo snel uit elkaar dan hij dacht. Vooral het Franse en Engelse imperium groeide in de schaduw van de opkomst van het imperialisme.

Post-revolutionair Frankrijk, omringd door vijanden, ijverde voor de eenwording van ongelijkwaardige lokale groepen (geleid door een keizer in plaats van een tirannieke ‘koning’). Napoleon liet zich in 1804 tot keizer kronen en nam officieel de rol aan die de keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie eens had bekleed. Hij wilde Europa verenigen, zoals Karel de Grote. En Oost (Egypte) en West verenigen, zoals Alexander. Een gecombineerde aanval van Engelsen en Osmanen werden de Fransen echter verdreven. Het Napoleontische rijk (op zijn hoogtepunt 44 miljoen onderdanen, veertig procent van de Europese bevolking) was de laatste poging voor Hitlers Derde Rijk om een imperium te stichten op Europese grond. In Engeland was Victoria’s aanvaarding van de titel ‘keizerin van India’ de meest verregaande poging om het oude Romeinse imperium te herscheppen. De Britten beschouwden hun imperium als vorm van vaderlijke voogdij, wat resulteerde in de leer van indirect rule, geschraagd door de nieuwe wetenschap van de sociale antropologie (p. 179).

Kolonies konden een bron zijn van patriottische trots, wat werd getoond op wereldtentoonstellingen in de Europese imperiale hoofdsteden, inclusief inboorlingen. Sinds het eind van de eeuw hadden de nieuwe sociale wetenschappen invloed gekregen op hoe imperia werden bestuurd: het beschavingsbeleid. De grote verschillen die de vele volkeren van de wereld van elkaar scheidden, konden alle worden verklaard uit een combinatie van factoren, waaronder klimaat, bodemgesteldheid, regeringsvorm en tijd besteed aan migratie. Een imperium werd nu gezien als een vorm van uitwisseling: de arbeid en de grondstoffen van de ‘onbeschaafden’ tegen de verlichting, technologie en christelijke inspiratie van de Europeanen.

Begin negentiende eeuw doemde een kwalijker opvatting (Julien-Joseph Virey, over verschillen op: het racisme. Het ging er vanuit dat er niet één ras, maar vele rassen bestonden (hoewel ook racisten een linguïstische gemeenschappelijkheid (zie het werk van William Jones, Max Müller) niet konden ontkennen). Het racisme zaaide uit van opvattingen over zeer algemene verschillen tussen Europeanen, joden en Arabieren, Chinezen en Amerikaanse indianen, tot verschillen tussen volkeren binnen Europa (Gobineau, p. 174).

De run op Afrika begon medio jaren zeventig van de negentiende eeuw: Fransen, Britten, Duitsers, Belgen, Hollanders, Italianen, Portugezen, Spanjaarden. Maar alleen de Hollanders en de Britten hadden nog aanzienlijke imperiale belangen elders te wereld. Tegen het einde van de achttiende eeuw bestreek de Europese macht op zee de hele aarde. Dit bleef zo tot het midden van de twintigste eeuw. De enige concurrenten waren China en het Osmaanse Rijk, die tot ver in de negentiende eeuw respect afdwongen.

Het Osmaanse sultanaat speelde de ene grootmacht uit tegen de andere (de ‘Great Game’) tot het in 1908 ingenomen werd door de Jonge Turken. China werd beschouwd als een belangrijke handelspartner, maar begon tegen de achttiende eeuw tekenen van verval te vertonen. De Europeanen stelden steeds grotere eisen om de deur voor hen open te zetten, wat resulteerde in de Opiumoorlogen. Engeland vergrootte zijn basis op Hong Kong en maakte Tibet zo goed als los van China. Duitsland vestigde bases in het noorden, de Fransen (die Indochina reeds hadden bezet) in het zuiden. Toen Engeland, Frankrijk, Rusland, Italië, Duitslands, de VS en en Japan (dat Korea en Taiwan had) zich verenigden om de Bokseropstand (1899-1901) neer te slaan en Beijing te plunderen stortte het Chinese Rijk in als gevolg van die raids. China, in de achttiende eeuw in de mode, was nu een schoolvoorbeeld van ‘oriëntaals despotisme’.

Globalisering?
De wereld kwam in handen van de voornaamste Europese mogendheden, Rusland en de VS. In 1914 bezetten zij 84 procent van het aardoppervlak. De pseudo-imperia van Hitler en Musolini kwamen binnen enkele jaren ten val. Het Sovjet-Russische imperium kwam met de ideologie die het voedde ten val. De Europese overzeese imperia verdwenen alle tussen 1947 en het einde van de jaren zestig (p. 190-). Niettemin blijft het Europese begrip ‘natie’ doorwerken in de postkoloniale landen. In Azië en Afrika werden op imperiale gronden volkeren samengebracht die weinig met elkaar gemeen hadden (192-), en ook in Europa (Spanje) was dit het geval.

Het overgrote deel van de mensen blijft in nationale begrippen over zichzelf denken. Globalisering is in hoofdzaak een economisch begrip. Kosmopolitisme is de luxe van wie het zich kan veroorloven. De Europese Unie is een pijnlijke, moeizame poging om natiestaten om te vormen tot een federatie. Imperia bestaan misschien nog, maar dan met markten, internationale financiële fondsen en non-gouvernementele organisaties respectievelijk als legers, bestuurders en priesters. Het internationale recht doet denken aan het Romeinse besef van de civitas.

____

maandag 26 april 2010

Hadzji Moerat - Leo Tolstoj

Het laatste wat Tolstoj schreef, Hadzji Moerat, is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. De novelle speelt in de jaren 1851-1852, tijdens de Kaukasusoorlog. De Russische despoot Nicolaas I wil Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus onderwerpen. Twee beschavingsmodellen staan tegenover elkaar: de verwesterde hofcultuur van de tsaar en zijn gevolg van vadsige, carrièrezieke officieren, versus de onbuigzame islamitische hoofdmannen uit de Tsjetsjeense bergen.

De legendarische Avarische hoofdman Hadzji Moerat bevindt zich door omstandigheden tussen deze twee vuren. Na een geschil met de grote Tsjetsjeense leider Sjamil loopt hij over naar het Russische kamp — maar alleen in de hoop om met de hulp van de kozakken zijn familie te kunnen bevrijden, die door Sjamil wordt gegijzeld. Hadzji Moerat wordt door de Russen met respect ontvangen maar toch buitenspel gezet. Dat kan Moerat natuurlijk niet hebben. Hij kan niet werkloos toezien hoe zijn familie wordt onthoofd.

Het duurde lang eer ik deze basale feiten, of beter gezegd de portee van die feiten, op een rijtje had, en dat schaadde het leesplezier heel erg. Hadzji Moerat bestaat uit korte hoofdstukjes waarin Leo Tolstoj voortdurend nieuwe personages introduceert met onmogelijke namen, zonder duidelijk aan te geven op wie de lezer moet scherpstellen. De vertaling is stroef en verouderd (Tsjetsjenen zijn hier nog 'Tsjertsjensen'), de woordenlijst bevat niet alle Russische eigenaardigheden ("de zwarte chozir op de witte tsjerkeska"?) en een voorwoord schittert bovendien door afwezigheid.

Vooral dat laatste is niet zo best. Niet iedereen heeft de Kaukasusoorlog paraat zitten. Bij deze: de strijd tussen het Russische Rijk aan de ene kant en Dagestan, Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus aan de andere kant, zou bijna vijftig jaar duren, van 1817 tot 1864, en bestond uit een serie militaire acties van de Russen, die erop gericht waren het gebied in te lijven bij het Russische Rijk. De oorlog vond plaats tijdens de regeringen van de tsaren Alexander I, Nicolaas I en Alexander II. De belangrijkste Russische generaals waren Aleksej Jermolov (1816-1827), Michail Worontsov (1844-1853) — links verwijzen naar personages die in de novelle voorkomen — en Aleksandr Barjatinski (1853-1856).

Van 1825 tot 1830 was het rustig aan het front, doordat het Russische Rijk verwikkeld was in een strijd tegen de Turken en de Iranezen. Maar nadat men tegen deze tegenstanders grote successen behaalde, werd de strijd in de Kaukasus voortgezet. Leiders als Ghazi Mollah, Gamzat-bek en Hadzji Moerat zorgden voor een grote tegenstand, die inderdaad nog werd versterkt onder de legendarische Imam Sjamil, die verschillende bergvolkeren verenigde in de strijd tegen de Russen, van 1834 tot zijn gevangenname in 1859. De strijd eindigde min of meer nadat Sjamil trouw had gezworen aan de tsaar en de Noordelijke Kaukasus door de Russische legers werd veroverd. De oorlog werd verklaard als beëindigd per tsaristische oekaze in juni 1864.

Een goede reden om deze novelle te lezen is de doorwerking van de historische achtergrond in het heden. Het negentiende-eeuwse conflict tussen de Russen en de Tsjetsjenen vormt de basis voor veel hedendaagse spanningen in het gebied. Het Kaukasisch Imamaat, een staat opgezet door de imams van Dagestan in het begin van de negentiende eeuw in het noorden van de Kaukasus, werd door velen als voorbeeld gezien tijdens het naar onafhankelijkheid streven van Tsjetsjenië na de val van de Sovjet-Unie. Toen werd een onafhankelijke staat gesticht door Dzjochar Doedajev onder de naam Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië. Het verzet in dit deel van de Kaukasus gaat tot op vandaag door.

Ze zullen ook mij doodpikken
Hadzji Moerat
is een verhaal van geweren en sabels, bontmutsen en kaplaarzen, maar begint in feite heel poëtisch. Door de velden op weg naar huis ziet de verteller in een ravijn een frambozenkleurige distel, in volle bloei — symbool voor Hadzji Moerat. De distel is een zogeheten ‘Tartaar’, die bij het maaien gespaard wordt, en als ze al toevallig afgemaaid wordt, opgezocht en weggegooid om er de handen niet aan te prikken. "Wat een energie," denkt de naamloze verteller bij zichzelf, "Alles heeft de mens overwonnen, miljoenen planten vernield, alleen dat ding geeft zich niet aan hem over."

De aanblik doet hem denken aan de oude Kaukasische held Moerat, een door zijn heldendaden beroemd hoofdman onder Sjamil. Hij is in onmin geraakt met zijn vroegere leider, en op de vlucht. Sjamil heeft de autochtone bevolking het bevel heeft gegeven om hem dood of levend aan hem uit te leveren. Op straffe des doods is het verboden zijn vroegere kompaan huisvesting te verlenen. Moerat vindt niettemin beschutting in het huis van Sado, een trouwe volgeling.

Twintig werst van het dorp waar Moerat zit ondergedoken, bevindt zich de vesting Wozdwizjenskaja, het kamp van de Russen. Daar treffen we een zoon van opperbevelhebbber Worontsow, een vorst die ondanks de relatieve luxe vindt dat hij een leven vol ontberingen leidt, én een compagniescommandant die een oogje heeft op zijn vrouw, vorstin Worontsowa. De soldaten zelf zijn al blij als ze wat te doen hebben, al houden ze onderling het imago van dappere krijger hoog.

Niettegenstaande alle officieren, en vooral zij, die al in de oorlog geweest waren, moesten weten en ook wel degelijk wisten, dat in die tijd in de oorlog in de Kaukasus, zomin als ergens anders, de soldaten handgemeen werden en dat, als het al eens voorkwam, ze met sabels en bajonetten de vluchtende vijand in de rug staken, toch deden de officieren of zij geloofden in die gevechten van man tegen man, die zij zich altijd voorstelden, die altijd beschreven werden, en die alleen in hun verbeelding bestonden.
Hadzji Moerat heeft altijd vertrouwen in zijn geluk gehad, en stelt zich voor hoe hij met het leger dat Worontsow senior hem geven zou tegen Sjamil zou oprukken, hoe hij hem gevangen zou nemen en zich wreken, hoe de Russische tsaar hem zou belonen en hij verder zou heersen, niet alleen in Avaria, maar in heel Tsjetsjenië, dat aan hem onderworpen zou worden.


Ongedateerde foto van Tolstoj, detail; via Wikimedia Commons

Hij besluit het erop te wagen. Hij laat eerst een bode zenden naar Wozdwizjenskaja om zijn overgave te melden. Bij zijn aankomst later in het Russische kamp wordt hij bespot door de soldaten, maar gerespecteerd door de hoge officieren, die de wildeman als welgekomen verzetje beschouwen in de sleur van het soldatenbestaan in deze uithoek van het Russische rijk. De verschrikkelijke bergbewoner blijkt ook nog eens van een kinderlijke goedmoedigheid te zijn. Worontsow junior wrijft zich intussen in de handen dat het hem, juist hem, gelukt is de woeste Avariër te vatten in stede van de plaatselijke generaal Meller-Zokomelskij.

Later wordt Hadzji Moerat gezonden naar Tiflis (nu de Georgische hoofdstad Tbilisi) waar Michail Worontsow, Worontsow senior, resideert, veldheer en overwinnaar van Napoleon bij de Krasnoje. Tolstojs beschrijving van de wachtkamer van de vorst, levert een mooie dwarsdoorsnede op van de toplagen van de gefragmenteerde Russische maatschappij.
Er waren onder anderen de generaal van de vorige dag, met zijn borstelige snorren, in groot tenue, met al zijn decoraties, die gekomen was om afscheid te nemen. Een regimentscommandant, die in verband met ontvreemding van fouragegelden onder voortdurende bedreiging van gerechtelijke vervolging leefde. Een rijke Armeniër, die begunstigd werd door Dr. Andrejewskij; hij had het monopolie voor de verkoop van wodka gehad en kwam nu het contract verlengen. Een weduwe van een gesneuveld officier, in diepe rouw, met een verzoek om pensioen of regeringsondersteuning voor haar kinderen. Een failliete Georgische vorst in een prachtig nationaal kostuum, die probeerde de afgeschafte kerkelijke domeinen in bezit te krijgen. De chef van de politie met een groot pakket, waarin zich nieuwe ontwerpen voor de bevrijding van de Kaukasus bevonden. Een Perzische Khan, die alleen gekomen was om thuis te kunnen zeggen, dat hij bij de vorst geweest was.
Tijdens de ontmoeting tussen Moerat en de vorst zet Tolstoj duidelijk de Muzelmaanse waardigheid temidden van door Europese invloed decadent geworden Russische functionarissen in de verf. Overigens moet het gesprek via een tolk verlopen die de Tartaarse taal van Moerat meester is.

Door een adjudant wordt het levensverhaal van Hadzji Moerat opgetekend. Hij werd geboren in het dorpje Zelmes en groeide op in een familie die close was met de locale Khans. We krijgen zicht op de onderlinge twisten tussen de khans en hoe de vete tussen Morat en Sjamil is ontstaan: de broer van Moerat kwam om bij een succesvolle poging om de Tsjetsjeense leider Gamzat om te brengen. Sjamil werd daarna de opvolger van Gamzat, maar slaagde er vanwege het bloed aan zijn handen niet in Hadzji Moerat aan zich te binden. De rest is geschiedenis.

Aanvankelijk zien de Russen (waaronder Worontsow) in Hadzji Moerat een handige gids die hen bij Sjamil zal brengen. Worontsows plannen worden echter tegengewerkt door Tsjernisjow, de minister van oorlog: Nicolaas I krijgt te horen dat de hoofdman mogelijks een spion is. Hadzji Moerat moet vastgehouden worden, en dat terwijl zijn familie door Sjamil wordt gegijzeld in het plaatsje Wedeno en Moerats vroegere vrienden hem niet willen helpen zijn familie te bevrijden. Zijn verzoek hem over te plaatsen naar Noecha, een klein stadje in Trans-Kaukasië, vanwaar het makkelijker zou zijn met Sjamil te onderhandelen (en waar er bovendien een moskee is, zodat hij zijn godsdienstige plichten kan vervullen) wordt meermaals afgewezen.

Op een dag krijgt hij van zijn broer te horen dat alles hem vergeven wordt, wanneer hij zich zonder morren weer bij Sjamil aansluit. Waarna hij overlegt met zijn geweten.
Wat moest hij doen? Sjamil geloven en naar hem terugkeren, maar dat was een schoft en die zou hem zeker bedriegen. En als hij hem ook niet bedroog, was het toch onmogelijk zich aan hem te onderwerpen, omdat Sjamil hem, nadat hij eenmaal bij de Russen geweest was, nooit meer zou vertrouwen. Hij moest denken aan een oud sprookje van een arend, die door de mensen gevangen was, enige tijd bij hen vertoefde en daarna terugvloog naar de bergen, naar de zijnen. Hij kwam terug, maar zijn poten waren met touwen vastgebonden en aan die touwen vastgebonden en aan die touwen hingen zilveren belletjes. De arenden wilden niets van hem weten: 'Vlieg terug naar hen, die je de zilveren belletjes, maar we zijn ook niet met touwen vastgebonden.' De arend wilde niet weg, maar de anderen duldden hem niet en pikten hem dood.
'Zo zullen ze mij ook doodpikken,' dacht Hadzji Moerat.
De novelle loopt stilaan op zijn einde. Hadzji Moerat wil naar de bergen vluchten en met de hem trouw gebleven Avariërs een overval op Wedeno doen. De roemloze manier waarop Tolstoj die poging laat mislukken, doen grote waarheidsgetrouwheid vermoeden.
Hij bewoog niet meer, maar hij had nog gevoel. Toen Hadzji-Aga, die het eerst naar hem toeliep, hem met een groot zwaard de schedel doorkliefde, scheen het hem, dat iemand met een hamer op zijn hoofd sloeg en hij kon niet begrijpen, hoe hij dat deed en waarom. Dat was zijn laatste gedachte, in verband met zijn lichaam. Meer voelde hij niet.
De vijanden stootten, trapten en sneden iets wat met hem niets gemeenzaams meer had. Hadzji-Aga zette zijn voet op de rug van het lijk, in twee bewegingen sloeg hij het hoofd af en voorzichtig, om zijn laarzen niet met bloed te besmeuren, stootte hij het met de voet weg. Helrood stroomde het bloed uit de hals, dat zich mengde met het zwarte bloed uit het hoofd en het gras begoot.
Persoonlijke appreciatie
Uit de correspondentie aan zijn broer Sergej weten we dat Tolstoj de historie van Hadzji Moerat voor het eerst hoorde toen hij zelf diende in de Kaukasus. Maar het zou nog veertig jaar duren eer hij het materiaal echt onder handen nam. Het zou zijn laatste prozawerk worden, waarvan het schrijven hem opbeurde in zijn laatste levensfase, die verstoord werd door een kwakkelende gezondheid en hevige brouilles met zijn vrouw.

Maar ook door de gebrekkige vertaling heen vond ik dit niet het meesterwerk waarvoor kenners (en Tolstoj zelf) het houden. Tolstoj dook uitgebreid de archieven in, en dat laat zich voelen. Hadzji Moerat is meer een afstandelijk relaas, dan een verhaal met grote dramatische kracht. De documentaire stijl houdt me ineens af van het plan binnen afzienbare termijn Oorlog en vrede te lezen, ook een historisch epos.

Tolstoj voert te veel personages op waardoor Hadzji Moerat een te volgeladen lift wordt die niet meer kan opstijgen. Hele hoofdstukken zijn niet relevant en kunnen zo weg. De waardigheid van de held wordt onvoldoende hard gemaakt en vernemen we vooral uit de tweede hand. Moerat is naar mijn smaak ook een veel grotere opportunist dan commentatoren ons willen doen geloven. De repetitiviteit van die rare naam, Hadzji Moerat, Hadzji Moerat, op elke bladzijde, díe werkt. Voorts maakt Tolstoj goed tastbaar hoe belangrijk liedjes en verhalen zijn in de Russische cultuur.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> De reputatie van de Tsjetsjenen in de Russische literatuur

Leo Tolstoj, Hadzji Moerat
159 p.
Uitgeverij Veen, 1976
Oorspr. Хаджи-Мурат (1912)
Vertaald door A. Kosloff
Geschreven tussen 1896-1904

____

zondag 25 april 2010

Max Müller

"Friedrich Max Müller (1823-1900), more regularly known as Max Müller, was a German philologist and Orientalist, one of the founders of the western academic field of Indian studies and the discipline of comparative religion. Müller wrote both scholarly and popular works on the subject of Indology, a discipline he introduced to the British reading public, and the Sacred books of the East, a massive, 50-volume set of English translations prepared under his direction, stands as an enduring monument to Victorian scholarship."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Max_Müller

____

Giovanni Botero

"Giovanni Botero (1544–1617) was an Italian thinker, priest, poet, and diplomat, best known for his 1589 work Della ragione di Stato (The reason of state). In this work, he argued against the amoral political philosophy associated with Niccolò Machiavelli's The prince, not only because it lacked a Christian foundation but also because it simply did not work. Basing his political and economic ideas primarily on the thought of Thomas Aquinas, Botero argued for a more sophisticated relationship between princes and their subjects, one that would give the people more power in the political and economic matters of the state. In this way, Botero foreshadowed the thought of later liberal thinkers, such as John Locke and Adam Smith."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Giovanni_Botero

____

Louis Calaferte

"Louis Calaferte (1928-1994) est un écrivain français. (...) Ses Carnets nous offrent le témoignage unique de la vie d'un écrivain volontairement en marge, en même temps que celui d'un créateur en proie à l'angoisse et à la maladie, adorateur de Dieu, des femmes et de la nature. Ils nous renseignent également sur l'autre facette artistique de l'écrivain, passionné de peinture, et sur ses goûts littéraires, qui vont de Stendhal, Léautaud et Jouhandeau, aux moralistes français et Kafka."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Louis_Calaferte

____

José de Alencar

"José Martiniano de Alencar (1829-1877) was a Brazilian lawyer, politician, orator, novelist and dramatist. He is one of the most famous writers of the first generation of Brazilian Romanticism, writing historical, regionalist and Indianist romances — being the most famous The guarani."


> http://en.wikipedia.org/wiki/José_de_Alencar

____

Harold Frederic

"Harold Frederic (1856-1898) was an Anglo-American journalist and novelist. (...) In 1875 he began work as a proofreader for the Utica Herald and then the Utica Daily Observer. Frederic later became a reporter, and by 1882 he was editor of the Albany Evening Journal. Two years later he went to live in England as London correspondent of the New York Times, and was soon recognized for his ability both as a writer and as a talker. He wrote several early stories, but it was not until he published Illumination (1896), better known by its American title, The damnation of Theron Ware, followed by Gloria mundi (1898), that his gifts as a novelist were fully realized. Jonathan Yardley called Damnation "a minor classic of realism"."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Harold_Frederic


____

vrijdag 23 april 2010

Gepasseerd station - Danièle Sallenave

Toen ze in maart 1992 een nogal nostalgisch artikel publiceerde in Les Temps Modernes over het einde van het communisme, werd Danièle Sallenave stevig aangepakt door Jean-François Revel, die haar verweet de communistische heilsleer te evalueren op basis van zijn goede bedoelingen, en niet op basis van zijn dramatische uitkomst. Zelfs naar Franse normen had Sallenave begin jaren negentig veel sympathie voor de modus vivendi van het Oostblok.

In Gepasseerd station is het gecontesteerde stuk ('Winter der zielen') opgenomen, voorafgegaan door de notities die de schrijfster in 1990 en 1991 bijhield op haar tochten door Bohemen, Joegoslavië, Roemenië en New York, net na de val van de Berlijnse muur. De reisdagboeken tonen dat die verknochtheid aan het Oostblok vooral emotionele gronden heeft. Ze getuigen van een bepaalde state of mind die er zou heersen, maar laten na een politieke analyse te geven die de ongelukkige clichés overstijgt.

De Russische goelag en het nazi-Lager zijn twee totaal verschillende entiteiten omdat de goelag geen kamp voor geprogrammeerde vernieting was. Er zijn miljoenen mensen omgekomen maar de dood vormde geen onderdeel van een systematisch vernietingsprogramma, van de wetenschappelijke uitvoering van een uitroeiingsbesluit. De nazi-kampen wel. Auschwitz, Treblinka waren geen strafkampen, de joden (de zigeuners) werden er niet heen gevoerd om een straf uit te zitten. Ze werden erheen gevoerd om ter dood gebracht te worden.
Danièle Sallenave (1940) is publiciste en doceert literatuur en geschiedenis te Parijs. Debuteren deed ze met experimentele verhalen in de trant van Marguerite Duras. In 2008 verscheen bij Gallimard de gewaardeerde, vuistdikke biografie van een van haar heldinnen, Simone de Beauvoir. Van de romans die ze verder publiceerde werden er enkele in het Nederlands vertaald (Een koude lente, Adieu en Schijnleven) zonder veel ophef te maken. Sallenave is een typische normalienne, die haar geboortegrond in Angers verruilde voor het bruisende intellectuele leven in de Franse hoofdstad.
Wanneer je wonen in Parijs verkoos boven alle mogelijke genoegens van Angoulême of een andere provinciestad, dan was dat omdat je zeker wist dat je in Parijs, om te kunnen bestaan, niet hoefde op te houden met denken en lezen; noch hoefde je, om je aan denken en lezen te kunnen wijden, het dagelijks leven de rug toe te keren. De verrukking kwam voort uit de ontdekking dat er in Parijs een geheim verdrag bestond tussen de cultuur en het leven in de volksbuurten, tussen oevers van de Seine en de directe omgeving van de bibliotheek Sainte-Geneviève, tussen de boeken en de petits crèmes aan de bar, tussen de wereld van de musea en die van de conciërges en de poezen, tussen kleine ambachten en de buurpraatjes onder de olmen (die ook verdwenen zijn, verdwenen!). Het ‘dagelijks leven’ in Parijs kon ineenvloeien met het ‘belangrijke leven’ en een doorsnee leven met gedachte worden.
Gepasseerd station is geen verslag van een pionier. Sallenave had de Oostbloklanden al vaker bereisd. In de jaren zeventig waren ze voor haar een middel om afstand te doen van de schoolse, esthetische opvatting van het leven, gestuurd door lessen over het antieke Griekenland en Rome. Mediterrane historie en een cultuur van eeuwen werden plots aangevuld met de troosteloosheid van Midden-Europa, waar toch ook een merkwaardige bekoring van uitging.

Sallenave ontdekte een nieuwe wereld, of liever: de tweedeling van een bestaande wereld. Het Romeinse rijk versus Byzantium, de Germanen versus de Slaven, het christendom versus de Turkse bezetting (waardoor hele delen van Europa geen Renaissance kenden) en — de meest recente tegenstelling — kapitalisme versus socialisme. Reizen was kennelijk niet alleen bewegen doorheen de ruimte, maar ook doorheen de tijd. Het genereerde een gevoel van alomvattend leven, een verbondenheid met vroegere plaatsen en tijdstippen. Sallenave, ronkend:
Want met tijd is het als met ruimte: soms vinden er verzakkingen plaats, onzichtbare continenten storten geruisloos in; de geschiedenis verheft zich, schikt zich in plooien, spuwt vuur, koelt weer af, verstart. Grote gedachtengletsjers laten hun koude uitlopers stromen tot aan de morenen waar wij ons vestigen. Dan treedt de dooi in en komen de bedolven vormen opnieuw te voorschijn.
Het Oostblok functioneerde voor de schrijfster als een optisch instrument om de West-Europese samenleving waaruit ze voortkwam beter te ontcijferen. Oostwaarts kon men nog door de geschiedenis wandelen, dat hielp. Het was net of de vooroorlogse situatie achter het IJzeren Gordijn was ingevroren. Wat Sallenave daar aantrof — de resten van een verloren gegane utoptie, primitief anti-Amerikaans gedrag, de ernst en waardigheid van de werkende klasse, clandestien intellectueel leven, openlijke spiritualiteit — paste goed bij haar melancholische natuur.

In de nieuwe reizen in Gepasseerd station zoekt ze naar sporen van dat verleden. Ergens in het dagboek bekent ze haar liefde voor de ruïne, omdat in vervallen bouwwerken de dood een aanvaardbare gedaante aanneemt. Sallenave beschouwt ruïnes (zie ook haar India-boek Le principe de ruine), niet als symbolen van verval, maar als tekens dat door de tijden heen iets blijft bestaan.

Daarnaast speurt ze naar verschillen, te wijten aan de langzame insijpeling van westerse invloeden. Wanneer haar concentratie verstoord wordt door Pepsi-drinkende jongeren ("Een beschaafd mens drinkt, als het geen wijn is, water") of zelfingenomen handelsreizigers die heel luid ("alsof de informatie die zij uitwisselen universele waarde zou hebben") over de wereld oreren in termen van groei, uitbreiding en verspreiding, mag Sallenave graag mijmeren over de grote cafés uit de tijd van de dubbelmonarchie — in Wenen Sacher und Demel, in Boedapest Gerbeaud, in Praag Slavia — die in haar ogen nog paleizen van welopgevoede conversatie waren.

In het Westen, klaagt ze, is de openbare ruimte het verlengde geworden van de privé-ruimte. Muziek is alomtegenwoordig, er hangt een vette etenslucht, de mensen lopen rond in vrijetijdskleding. Als er al eens protest klinkt, is dat niet tegen de consumptiemaatschappij, maar omdat te weinig mensen er kunnen aan deelnemen. Met de val van de Muur is ook het geloof in een moreel hoogstaande samenleving verdwenen. Terwijl Sallenave dat ideaal had willen behouden. Haar discours maakt een gedateerde indruk.
Ooit bestonden er andere dromen over het leven van de mens in de samenleving. Zijn we het vergeten? We dachten dat mensen zouden kunnen loskomen van de tradities en hun persoonlijke geloofsbeleving zouden kunnen losmaken van bijgeloof en gemeenschappelijke uitingen. Dan zouden ze vrij zijn en openstaan voor de gedachte, het gemeenschapsleven, vrije tijd en cultuur. Nieuwe 'Grieken' kortom, minus de slavernij en de uitsluiting van vrouwen. In de 'volksrepublieken' is deze vervormde utopie snel ontaard in de dommigheid en het geweld van de strijd tegen de godsdienst, terwijl in de 'westerse democratieën' een vorm van ongodsdienstigheid heeft gezegevieerd die niet getuigt van de eindelijk verworven geestelijke vrijheid maar gelijkstaat met wat in de negentiende eeuw het 'materialisme' werd genoemd: uitsluitend gericht op het verkrijgen van materiële goederen. De agora is dood: overal domineert wat in de Griekse taal, in een letterlijke vertaling die de reiziger doet glimlachen, de hyperagora wordt genoemd, de supermarkt. Dat is het nieuwe centrum van het gemeenschapsleven.
Misschien ook iets over de structuur van Gepasseerd station. Sallenave heeft niet voor klassieke reisnotities gekozen ("data en plaatsen, namen van schilders, bibliografische verwijzingen, uitdrukkingen die je opvangt, grappige tafereeltjes, telegramstijl") noch voor een traditioneel dagboek ("verslag van stemmingen, liefdes, weerbericht, buikpijn, hagiografische stijl"). Haar reisdagboeken zijn een zorgvuldig bewerkte mengvorm. Het hele jaar 1991 besteedt Sallenave aan het redigeren van aantekeningen uit 1990 om er, door koppelingen aan te brengen, herinneringen in te voegen, te associëren en terug te gaan in de tijd, een boek van te maken.

In de maanden die ze in Parijs doorbrengt, kan ze zelfs nauwelijks haar actuele dagboek bijhouden, omdat alles opgaat aan de redactie van de oude dagboekbladen. Ondertussen heeft de tijd zich ook al vastgezet tussen de oorspronkelijke gedachten en de vorm waarin Sallenave die gedachten heeft vastgelegd. Natuurgetrouwheid in geschrifte is een illusie.
Nu ik mijn aantekeningen teruglees (in Parijs, maandag 19 maart) merk ik dat ik me alles heel goed herinner, maar er zonder diezelfde aantekeningen misschien nooit meer aan zou hebben gedacht. Dat is misschien het verschil tussen de herinnering en het geheugen. Het geheugen maakt dat als je ergens aan wordt herinnerd, je erkent dat het heeft plaatsgevonden; de herinnering is het jezelf bewust worden van iets.
Soit. Gepasseerd station is voor een bundel reisindrukken een jammerlijk in zichzelf gekeerd boek. Sallenave schrijft wel dat de gerichtheid op de eigen persoon, hoe bescheiden ook, tijdens een reis geleidelijk minder wordt — "Er is een beweging in de richting van de dingen die je loutert. Wat overblijft is pure doelmatigheid: geen kou vatten, zorgen dat je geen pijn in je voeten krijgt" — maar haar misantropische kanttekeningen en de lof die ze zingt van het dagboekgenre liegen er niet om.
1) ik kan buiten werken, zelfs als ik loop; 2) ik kan altijd werken, en zo het leven voortdurend draaglijker maken; 3) ik kan eindelijk en onmiddellijk mijn diepste wens verwezenlijken: ieder moment van het bestaan omzetten in een geschreven bladzijde. Op die manier zal het leven niet vergeefs zijn geweest.
Sallenave is bovendien Française. Het tempo is loom, de woorden groot en zwaar; eenmaal omgezet in mensentaal baren de meeste van haar gedachten weinig opzien.

(Gebaseerd op notites van 10 april 2003.)

Danièle Sallenave, Gepasseerd station : teloorgang van een utopie 1990-1991
280 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996
Passages de l'est (1993)
Vertaald door Rosalie Siblesz
Privé-domein nr. 209

____

donderdag 22 april 2010

The Second Pass

"The Second Pass is an exclusively online publication devoted to reviews, essays, and blog posts about books new and old."

> http://thesecondpass.com/

____

The Library History Buff

"Promoting the appreciation, enjoyment, and preservation of library history."

> http://www.libraryhistorybuff.com/index.htm

____

The Jacket Museum

"Damn good covers since 2007."

> http://thejacketmuseum.wordpress.com/

____

New Type York

"Uncovering the typographic artifacts of New York City."

> http://www.newtypeyork.com/

____

Trending Topics

"Trending Topics is a trend search engine that finds emerging news and topics on the web."

> http://www.trendingtopics.org/

____

woensdag 21 april 2010

De dagboeken 1950-1962 - Sylvia Plath

"Ik kan veranderen, mijn vierkante hoeken afslijpen om in een cirkelvormig gat te passen." Zoals zoveel dagboeken die niet voor publicatie bestemd zijn, was dat van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath een broodnodig werkinstrument. En niet alleen als recipiënt voor penneprobeersels; in haar journaal sprak Plath zichzelf voortdurend moed in, in de hoop dat die na weerkaatsing op het blad ook overtuigend zou klinken — want als het ware uitgesproken door een vreemde.

Dit dagboek lezen is een tocht ondernemen door een geesteslandschap met hoge toppen en diepe dalen. Het is jammer genoeg een landschap waar weinig kan groeien. Sylvia Plath lijkt nooit los te komen van zichzelf. Ze ontbeert de afstand om een groot schrijfster te worden en verspilt bakken energie aan dorre zelfanalyse en weke fantasieën. Continu is er ook de behoefte zich te positioneren tegenover haar vader en haar moeder. Aldus zijn De dagboeken 1950-1962 het produkt van een eeuwige, zij het briljante, adolescent. Geen grootse literatuur, maar wel aangrijpend — omdat in die ijlende zinnen, waarin de Byroneske ampersands niet geschuwd worden, veel luciditeit schuilgaat.

Plath begon een dagboek bij te houden vanaf haar elfde, en bleef dat doen tot kort voor haar zelfdoding in 1963. Een eerste, kortgewiekte versie van haar volwassen dagboeken, die berusten bij het Smith College (waar Plath lesgaf), verscheen begin jaren tachtig. In die keuze onderbraken onder meer twee dagboeken die door haar man Ted Hughes waren verzegeld, met verwijzingen naar haar lesgeversjaren (aan datzelfde Smith College) en naar haar psychiatrische behandeling door dr. Ruth Breuscher. Kort voor zijn dood verbrak Hughes echter het zegel, zodat in 2000 The unabridged journals of Sylvia Plath konden verschijnen. Maar ook die uitgave is niet volledig. De laatste drie jaar van Plaths leven blijven zo goed als ongedocumenteerd: Hughes verbrandde één dagboek, waarvan hij niet wou dat de kinderen het lazen. Een ander dagboek zou spoorloos zijn en misschien wel voorgoed verdwenen. Er resten ons enkel wat verspreide notities uit die periode.

Dit Privé-domein brengt ook nog eens een sterk ingekorte selectie uit de Amerikaanse editie. Vertaalster Nelleke van Maaren heeft alle overlap, overbodige aanhangsels en losse notities weggelaten, schrijft ze, en toch een representatief beeld van de dichteres weten te bewaren. Dat laatste werd door Kristien Hemmerechts in haar recensie destijds fel betwist. De keuze zou braaf zijn, door veel van Plaths ingebakken agressie weg te laten, én preuts, door bepaalde seksuele toespelingen tussen Hughes en Plath niet te hebben begrepen.

Ik voel me Lazarus
Het beginjaar van De dagboeken 1950-1962 is het jaar waarin Plath met een beurs wordt toegelaten tot Smith College. Ze ontdekt er haar seksualiteit, flirt er met de jongens, en wordt tegelijk verteerd door de ambitie om een volmaakte studente te zijn. De aantekeningen uit die tijd, waarvan de kernwoorden driftig zijn onderstreept, ogen meisjesachtig en zelfingenomen, maar getuigen al van een grote sensibiliteit en een duidelijk talent om te formuleren. Dan al weet Plath dat zintuiglijke beschrijvingen haar het best liggen. Vooral tijdens de zonovergoten vakantiebaantjes in de zomermaanden kan ze haar hart ophalen. Ze ontdekt de boeken van D.H. Lawrence, schrijft haar eerste sonnet en verwoordt haar literaire dromen in duizend-en-een retorische vragen.

Tijdens haar studies loopt ze stage bij een damesblad in New York, dat eerder een verhaal van haar had opgenomen. Het is een lastige periode, die uitmondt in een zelfmoordpoging (niets daarover in het dagboek, zoals meer turbulente verwikkelingen niet worden gedocumenteerd) en de basis zal vormen voor de roman The bell jar (De glazen stolp) een paar jaar later. Ze komt onder behandeling in een psychiatrische instelling (McLean Hospital, waar haar electroshocks worden toegediend) en lijkt goed te herstellen. In 1955 studeert ze cum laude af, maar ze blijft met psychische setbacks kampen.

Ik ga deze week naar de psychiater, alleen om hem te leren kennen, te weten dat hij er is. En ironisch genoeg heb ik het gevoel dat ik hem nodig heb. Ik heb een vader nodig. Ik heb een moeder nodig. Ik heb een ouder, wijzer iemand nodig om bij uit te huilen. Ik praat tegen God, maar de hemel is leeg, en Orion wandelt voorbij zonder iets te zeggen. Ik voel me Lazarus: dat verhaal is zo fascinerend. Ik was dood en stond weer op uit de dood, ik vond zelfs een uitweg in de loutere gevoelswaarde van het feit dat ik suïcidaal ben, zo dichtbij komen, uit het graf verrijzen met de littekens en de ontsierende vlek op mijn wang die (denk ik dat maar?) steeds duidelijker zichtbaar wordt: als een lijkvlek wordt hij steeds bleker op mijn rode, door de wind gegeselde huid en op foto’s tekent hij zich donker en bruin af tegen mijn doodsbleke winterkleur. En ik identificeer me te veel met wat ik lees en schrijf. Ik ben Nina in Strange Interlude; ik wil inderdaad een echtgenoot, een minnaar, een vader en een zoon verenigd in één persoon hebben.
Plath krijgt opnieuw een beurs, ditmaal om aan de universiteit van Cambridge te gaan studeren. Daar treft ze een idool van haar, de rijzige womanizer en dichter Ted Hughes, met wie ze trouwt op 16 juni 1956. De ontmoeting, waarbij hij haar op de mond kust en zij hem in zijn wang bijt, wordt in het dagboek beschreven en maakt zeker indruk op de lezer. Over de aanloop naar het huwelijk, niets.

Plath zal in haar relatie met de grillige Hughes verscheurd worden door tegenstrijdige emoties. Enerzijds kijkt ze op naar haar Engelse man, wordt ze gestimuleerd door zijn talent en moet ze zich intomen om zich niet op hysterische wijze aan hem te geven; van de andere kant wil ze niet ten onder gaan als 'de vrouw van', en eist ze tijd voor haar eigen werk op. Dit zijn de jaren vijftig, moet je rekenen; de vrouw wordt automatisch met een centrale rol in het huishouden bedacht. Het ene moment fulmineert Plath tegen deze verstikkende situatie, even later heeft het gebrek aan zelfvertrouwen haar alweer in haar greep en raakt ze alleen uit haar somberheid en mokkende humeur door de hele dag gedichten van Ted uit te typen ("Ik leef door hem totdat ik op eigen kracht kan leven"), wiens roem zienderogen stijgt. Plath wil alles even goed doen. Een goede moeder zijn, de trouwe echtgenote spelen, een rijk liefdesleven hebben en ook nog eens een succesvolle schrijfster worden.

Plath componeert gedichten, en blijft kortverhalen sturen naar Amerikaanse bladen. In de dagboeken regent het echter afwijzingsbriefjes — "Ik huilde, gewoon omdat ik van het boek af wil, het in druk wil mummificeren, zodat niet alles wat ik nu wil schrijven in de muil van het vorige verdwijnt" — die haar perfectionistische aard nog verder opschroeven. Ze probeert vanalles om haar faalangst te bedwingen. Ze wil elke avond "een smaak, een aanraking, een aanblik vastleggen uit de massa rotzooi van die dag". Ze leest de verhalen van Frank O’Connor, bestudeert hoe hij tewerk gaat en probeert dat te imiteren. Om de indolentie tegen te gaan neemt Plath zich voor deadlines in te wisselen voor een kwantitatieve meetlat, de vierbladzijdenmethode (1000 woorden per dag).

Tegelijk is haar luciditeit te groot voor zelfbedrog. Een van haar grootste frustraties is dat ze statisch, beeldrijk proza schrijft, zonder veel voortgang. Ze overdrijft de verkeerde dingen en veronachtzaamt de belangrijke punten. Plath ontmoet nochtans genoeg mensen die stof bieden voor verhalen. Ze houdt van mensen, noteert ze in haar dagboek, "zoals een postzegelverzamelaar van zijn verzameling houdt." Maar het lukt haar niet echte mensen op het toneel te laten verschijnen die hun eigen bestemming bepalen. Haar journaal staat vol aanzetjes en zielloze, zinledige beschrijvingen. De drukke stijl kan de banaliteit ervan niet maskeren.
Drie weken lang heb ik in het Belmont als serveerster in de Side Hall gewerkt en mensen leren kennen als mevrouw York en mevrouw Sanders, Ray de koffieman, de toastman, Marietta, het hoofd van de huishouding, meneer en mevrouw Kinsley, de huismeester en de cheffin van de kamermeisjes, Oscar de vogelachtige, minuscule en geestige bandleider, en Guy, en Ray en Ordinaire Charlie; August, de knappe kapper met zijn zijden hemd, die nu al zes jaar lang tegen alle regels in rookt, de mooie, perfect gebouwde, kleine Betsy Buck, mijn donkerharige, pittige kamergenote Polly, de scherpe, intelligente, materialistische Gloria, met droge humor en zonder scrupules, de geniale, bruisende medische student Ray Wuunderlich van Columbia met zijn geheugengrammen, de rustige, serieuze rechtenstudent Art Kramer met zijn baan van $100 per week als nachtwakr bij de miljonairsvilla van de Blossoms, de knappe, praatzieke Italiaanse Gappy, Clark Williams, de rechtenstudent van Harvard met zijn stoïcijnse gezicht en de kaarsrechte rug, die hulpkelner was, de knappe Lloyd Fishr uit de Bronx, die medicijnen in Dartmouth studeerde en je het een en ander over de bijen en de bloemen kon vertellen, Dave, de merkwaardige, dikke vleeskok met zijn rode gezicht, Ghris, de tweede kok met zijn twinkelende oogjes, mevrouw Johnson, de lange, bitse vrouw van de Ierse hoofdkok met haar zware, zure Ierse accent en opvliegende karakter — en zo zou ik door kunnen gaan. En verder het strand, de zon, Dick en de late afspraakjes, en de hitte en de zwarte uniformen — en de uiteindelijke, catastrofale voorhoofdsholteontsteking.
Ook over het werken aan gedichten rapporteert Plath uitvoerig in het dagboek. Ook hier het gependel tussen zelfvergroting en zelfverkleining. In een arrogante bui denkt ze dat ze regels heeft geschreven die haar tot De Dichteres van Amerika maken ("zoals Ted De Dichter van Engeland en Het Gemenebest zal worden"). Ze ziet zichzelf al in het rijtje van gecanoniseerde groten als Sappho, Elizabeth Barrett Browning, Christina Rossetti, Amy Lowell, Emily Dickinson en Edna St. Vincent Millay, en van belangrijke contemporaine schrijfsters als Edith Sitwell, Marianne Moore, Anne Sexton, May Swenson, Isabella Gardner en Adrienne Rich. Juist: allemaal vrouwen. Het seksebesef zit er diep in bij Plath. Schrijfsters spelen in een aparte liga, en vóór alles moet eerst daar tot de top doorgestoten worden. Als dat niet dreigt te lukken, vervalt Plath in Marie Bashkirtseff-achtige wanhoop en jaloezie.



Veranderen, verschuiven, vloeien, smelten
Plath en Hughes wonen van juli 1957 tot oktober 1959 in de Verenigde Staten, waar Plath les geeft aan Smith College. Het valt haar moeilijk vrede te nemen met het passief uitleggen van de grote meesterwerken. Bovendien slorpt het de tijd en energie op die ze nodig heeft voor haar creatieve werk. Daarbij, grote literatuur laat zich niet verklaren. In dezelfde periode volgt ze poëzielessen bij Robert Lowell, die grote impact op haar hebben.

In 1958 en 1959 gaat ze in psychoanalyse bij Ruth Beuscher, de psychiater die in The bell jar aan haar bed zal staan bij het toedienen van elektrische schokken. Ze krijgt van de arts vrije baan om haar moeder en haar onmogelijke ideaalbeelden te haten, wat ze dan met overgave doet in het dagboek. Deze passages, die de hedendaagse lezer verkrampt voorkomen en zeker ook het onvermogen van alle psychoanalytische acribie blootleggen, behoren tot degene die Hughes schoorvoetend heeft vrijgegeven.

Wanneer Sylvia zwanger is, verhuist het echtpaar terug naar het Verenigd Koninkrijk, naar een plaatsje in Devon. In 1960 komt haar eerste dichtbundel uit, The colossus. In februari 1961 krijgt ze een miskraam. Door echtelijke ruzie, vooral naar aanleiding van Hughes' affaire met dichteres Assia Wevill, gaan Ted en Sylvia uit elkaar. Plath keert met haar kinderen (en met zelfdestructieve gevoelens) terug naar Londen. Ze huurt een woning in een appartementencomplex waar ook William Butler Yeats ooit woonde.

The bell jar verschijnt op in januari 1963 bij Heinemann onder het pseudoniem Victoria Lucas. Een paar weken later, op 11 februari 1963, pleegt Sylvia Plath zelfmoord in haar Londense woning. Ze verstikt zichzelf met het gas van haar oven (Wevill, die door Hughes zwanger is gemaakt, zal zich op vergelijkbare wijze het leven ontnemen in 1969). In de laatste maanden heeft Plath haar beste gedichten geschreven, die mee worden opgenomen in de postume bundel Ariel. Dat boek, en haar tot de verbeelding sprekende relatie met Hughes (die de fans van beide auteurs in twee kampen verdeelt), zullen haar naam postuum vestigen. De mooie, gekwelde schrijfster wordt zo'n beetje de Marilyn Monroe der dichteressen. Over Monroe heeft Plath overigens gedroomd, blijkens een dagboeknotitie.
Gisteravond verscheen Marilyn Monroe me in een droom als een soort feeachtige peettante. Een gelegenheid om met publiek te praten, zoals vermoedelijk ook de toestand met Eliot zal worden. Bijna in tranen vertelde ik haar hoeveel zij en Arthur Miller voor ons betekenen, hoewel ze ons natuurlijk helemaal niet konden kennen. Ze gaf me een professionele manicure. Ik had mijn haar niet gewassen en vroeg haar naar een kapper, vertelde haar dat mijn haar, waar ik ook ging, altijd verschrikkelijk werd geknipt. Ze nodigde me uit haar in de kerstvakantie te komen bezoeken en beloofde me een nieuw, bloeiend leven.
In het licht van die twee kapitale gebeurtenissen, The bell jar en de suïcide, eindigen De dagboeken 1950-1962 overigens zeer teleurstellend. In het aanhangsel over het jaar 1962 (Plath hield verschillende notitieboekjes bij met een zekere overlap, en eentje kon voor Hughes kennelijk toch door de beugel) komt die periode naar voren als stabiel, waarin Plath grossiert in roddelgrage aantekeningen op keuveltoon. Van het werk aan een roman wordt echter niet gerept. We kunnen alleen gissen naar de teneur van de notities in het dagboek dat Hughes heeft achtergehouden en in het journaal dat is zoekgeraakt. Maar, omdat geen van deze schriftjes voor publicatie bestemd waren, is het eigenlijk onkies om meer inzage te verlangen.

Hoe dan ook blijft het beeld hangen van een scherp, rusteloos, al te snel opgebruikt leven. Het is me niet duidelijk of ik Plath moet zien als een talentrijke vrouw die à la Virginia Woolf gekooid werd door de mores van haar tijd, dan wel als een vrouw à la Elizabeth Wurtzel tegenwoordig, behept met een aanleg voor depressie en een tragische intelligentie die alles kapotrelativeert. Ik neig persoonlijk naar het laatste, iets genetisch. Zoon Nicholas Hughes pleegde in 2009 ook zelfmoord. Ergens in het dagboek van zijn moeder greep de volgende passage me naar de keel:
Bij mij is het heden voor altijd, en het altijd blijft veranderen, verschuiven, vloeien, smelten. Deze seconde is het leven. En als hij voorbij is, is hij dood. maar je kunt niet elke seconde opnieuw beginnen. Je moet oordelen aan de hand van wat dood is. Het is net drijfzand… van het begin af aan uitzichtloos. Een verhaal, een plaatje kan de ervaring een beetje terugbrengen, maar niet genoeg, niet genoeg. Niets is echt behalve het heden, en ik kan nu al voelen hoe het gewicht van de eeuwen me smoort. Honderd jaar geleden moet er een meisje geweest zijn dat leefde zoals ik. En ze is dood. Ik ben het heden, maar ik weet dat ook ik voorbij zal gaan. Het grote moment, de brandende flits komt en verdwijnt, eeuwig drijfzand. En ik wil niet doodgaan.
(Gebaseerd op notities van 8 december 2005.)

Sylvia Plath, De dagboeken 1950-1962
442 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Vertaald door Nelleke van Maaren
Oorspr. The unabridged journals of Sylvia Plath 1950-1962 (2000)
Privé-domein nr. 255

____

Related Posts with Thumbnails