woensdag 31 maart 2010

Geen ochtend ter wereld - Pascal Quignard

Zoals ik bij het parfumeren ook geen heel flesje leegkap over mijn hoofd, maar omzichtig met de verstuiver speel, zo lees ik Franse literatuur. Echt grote schrijvers hebben ze niet meer in Parijs, maar er lopen een paar aardige specialisten rond die doen waar Fransen al eeuwen goed in zijn: schrijven over de schoonheid, de liefde, en de schoonheid van de liefde. Met inzicht, en zonder ironie. Pascal Quignard (1948) is er een van. Ik mag zijn boeken graag lezen — indien goed gedoseerd.

Geen ochtend ter wereld — allicht kennen meer mensen de verfilming van Alain Corneau, Tous les matins du monde — was een van de deeltjes waarmee Van Oorschot zijn Franse Bibliotheek op gang schoot, begin jaren negentig. De novelle van Pascal Quignard is een soort pendant in fictie van diens essay uit 1987, La leçon de musique.

In dat essay gaf hij een nogal mallotige verklaring waarom bijna alle componisten mannen zijn. Compensatiegedrag, zegt Quignard. In de puberteit slaat de kinderstem van een jongen aan het muiten en dat wordt aangevoeld als verraad. De muzikaal begaafde jongeman zoekt dan maar naar een nieuwe, pure manier om een 'stem' te geven aan zijn talent: via het muziekinstrument. En zie, in Geen ochtend ter wereld laat Quignard iemand van zijn hoofdpersoon, een virtuoze zeventiende-eeuwse gambist, zeggen dat hij

erin slaagde alle buigingen van de menselijke stem na te bootsen: van de zucht van een jonge vrouw tot de snik van een hoogbejaarde man, van de oorlogskreet van Hendrik van Navarra tot de zachte ademhaling van een kind dat ingespannen aan het tekenen is, van het onregelmatige gereutel dat het genot soms uitlokt tot de bijna sprakeloze ernst, met zeer weinig, en heel sobere, akkoorden, van een man die opgaat in zijn gebed.
Ook de man waar het in het eerste deel van La leçon de musique over ging, Marin Marais, een koorknaap in het koor van de koning die wordt weggestuurd wanneer hij de baard in de keel krijgt, komt letterlijk terug. Ook in dit boek wordt hij de leerling van de (voornaamloos gebleven) monsieur de Sainte Colombe, de virtuoze gambist waarvan sprake.

Deze Sainte Colombe zou de geschiedenisboekjes alleen ingaan als de leermeester van de beroemd geworden Marin Marais. Quignard, die van Sainte Colombe juist de centrale held maakt, probeert hem recht te doen in zijn novelle, of liever: hij buit de paar gegevens die van deze historische figuur bekend zijn uit om er een feeëriek boek op te enten. Dat doen Franse schrijvers vaak, en zonder schaamte — denk alleen al aan Joseph Roulin, de postbode van Van Gogh van Pierre Michon.

De geraffineerde zinnen van Quignard — Prix Goncourt 2002 met Les ombres errantes — doen je bijna vergeten hoe schematisch de vertelling is. Er is de ernstige, jansenistische meester op de viola da gamba — een wereldverzakende weduwnaar die na de dood van zijn vrouw een hut in de tuin laat bouwen, in de takken van een moerbeiboom, en daar via zijn muziek in contact met haar treedt. En er is de koortsachtig ambitieuze Marin Marais (in de film gespeeld door Guillaume Depardieu en Gérard Depardieu) die na het verlies van zijn kinderstem op zijn zeventiende in de leer gaat bij de meester om zijn kunde op een ander instrument te vervolmaken.

Om de gestrengheid van Sainte Colombe te illustreren, laat Quignard dienaars van het hof aanrukken, die de begenadigde muzikant naar Versailles willen halen. Bevel van de koning! De gambist is echter niet onder de indruk van het profane kransje en berispt hun schaamteloosheid.
Ik verkies het licht van de ondergaande zon op mijn handen boven het goud dat hij me in het vooruitzicht stelt. Ik verkies mijn kippen boven de violen van de koning en mijn varkens boven uzelf.
Muziek dient niet om te behagen, dient zelfs niet ter vermaak van de hoogste pieten. Muzikanten zijn geen circuspaarden die kunstjes vertonen voor de koning. Sainte Colombe wil met zijn kunst enkel een stem geven wat van zichzelf geen stem heeft. Hoe haalt de buitenwereld het in zijn hoofd dat het per definitie recht heeft op zijn bladmuziek?

Het is dezelfde les die de onstuimige Marin krijgt te horen, die het belang van ascese en gebundelde aandacht ook niet lijkt te begrijpen.
'U beheerst de houding van het lichaam. Uw spel is niet zonder gevoel. Uw streek is licht en danst. Uw linkerhand springt als een eekhoorn en sluipt als een muis over de snaren. Uw versieringen zijn vindingrijk en soms charmant. Maar muziek heb ik niet gehoord.'
De jeugdige Marin Marais was aan gemengde gevoelens ten prooi bij het horen van de conclusies van zijn leermeester: hij was blij dat hij was aangenomen en kookte van woede bij de bedenkingen die monsieur de Sainte Colombe de ene na de andere naar voren bracht met even weinig emotie als had hij de tuinman jonge loten en zaaigoed aangewezen.
‘U zult van nut kunnen zijn bij het dansen voor de mensen die dansen.’ Vervolgde de laatste. ‘U zult de acteurs die zingen op het toneel kunnen begeleiden. U zult uw brood verdienen. U zult leven omringd door muziek maar musicus zult u niet zijn.'
De leraar heeft twee dochters, Madeleine en Toinette, die ook musiceren. Met de oudste krijgt Marin een verhouding, en dat zorgt ervoor dat hij onder de moerbeiboom een tijdje naar de muziek van Sainte Colombe kan blijven luisteren, nadat deze hem eerst zijn congé heeft gegeven. Maar hij wordt ontdekt en moet nu voorgoed verdwijnen.

Als Madeleine gestorven is, probeert Marin opnieuw in contact te komen met zijn vroegere leermeester. Sainte Colombe is inmiddels een oude man geworden, Marin heeft intussen naam gemaakt als een van de belangrijkste musici aan het hof van de Zonnekoning, aan de zijde van Couperin. Marin wil de muziek van Sainte Colombe redden van de vergetelheid. Maar of dat lukt?

Het geluid van de warme urine
Ik heb goeie herinneringen aan Geen ochtend ter wereld. Ik las het verhaal als jonge twintiger. Verrukkelijke avond. Setting en timing waren perfect. Het was op een feestje dat me verveelde; ik trok me terug in een belendende kamer (vol zilverwerk en schilderijen en antiek), deed de deur op slot, nam het parelmoeren boekje en las, op de achtergrond de typisch afgeronde klank van muziek waar een muur tussen zit. Ik was ook jong genoeg. Ik had nog geen idee waarin de Franse literatuur zich onderscheidde van, bijvoorbeeld, de Nederlandse of de Engelse.

Ik vond dat Quignard een juweel had geschreven. 'Een juweel uit één stuk' zeggen mijn notities van toen. Inmiddels kan ik de losse bestanddelen zien die in Geen ochtend ter wereld zitten. Het is toch vooral een fabel; een fabeltje in een marinade van kunstige beschrijving.

Ik zie deze novelle nu als een moderne nazaat van de préciosité — de literaire stroming in het Frankrijk van, jawel, de vroege zeventiende eeuw, waarin vooral geëmancipeerde vrouwen, maar ook enkele mannen, zich afzetten tegen de ruwe, mannelijke cultuur aan het hof van Hendrik IX en Lodewijk XIII. Precieuse literatuur was in feite één groot manifest tegen de ongemanierdheid. Van adel zijn alleen was niet meer genoeg, men moest nu ook over noblesse du coeur beschikken.

Kijk maar. Quignard zet zijn geaffecteerde held af tegen de vulgaire buitenwereld. De hele stijl van het boek is er een van bovenmenselijke, ultrasonore esthetiek ("Het geluid van de warme urine die door de sneeuw drong vermengde zich met het geluid van de sneeuwkristallen die geleidelijk smolten").

Wat de novelle moeilijk te weerstaan maakt, is dat onverwoestbare thema natuurlijk, de liefde over de dood heen, maar ook het sjabloon van de getormenteerde, hypersensitieve kunstenaar. Voorts blijft muziek heel dankbaar als grondstof voor een roman. Lezen over muziek is als kijken naar ballet op tv, met het volume op nul: een soundtrack als een lege mal, die iedereen naar wens kan invullen. Dat Quignard soms heel concreet wordt, doet er niet toe. Wie is thuis in zeventiende-eeuwse strijkmuziek?

Wat Quignard uiteindelijk redt, is zijn scènische aanpak. Het boekje gaat niet ten onder aan de introspectie die veel Franse romannetjes impotent maakt; het beschrijft juist heel filmisch wat er gebeurt, in 27 korte hoofdstukjes. Het hoeft niet te verbazen dat de schrijver in het jaar van publicatie al overging tot het maken van een scenario voor het witte doek. De blauwdruk was er al.

Meer van deze schrijver op Achille:
> Villa Amalia - Pascal Quignard

Ook besproken uit Van Oorschots Franse bibliotheek:
> Illustere voorgangers - Jean Rouaud
> Het roze huis - Pierre Bergounioux
> Meer - Jean Echenoz

(Gebaseerd op notities van 6 januari 2001.)

Pascal Quignard, Geen ochtend ter wereld
78 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1993
Oorspr. Tous les matins du monde (1991)
Vertaald door Marianne Kaas

____

dinsdag 30 maart 2010

Mijn Nederland - Geert van Istendael

Een halve boekenkast kan je vullen met boeken van Vlamingen die Nederland en Nederlanders die Vlaanderen ontdekken. In de eerste categorie is vooral Onder Hollanders (2001) van Steven De Foer een beginnerstip voor Nederlanders die willen weten hoe een genuanceerde zuiderbuur over hun land denkt. Met Geert van Istendael weet de lezer automatisch dat hij een veel taliger boek krijgt, en dat de lemmata in Mijn Nederland vooral zullen dienen om stokpaardjes te berijden.

Geert van Istendael (1947) wordt geboren in Ukkel, maar brengt zijn jeugd door in Utrecht, waar zijn vader vijf jaar lang het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV) bestuurt, voor het hoofdkwartier naar Brussel verhuist. Het echtpaar Vanistendael (zoals de naam eigenlijk gespeld wordt) belandt in een protestantse buurt, maar brengt hun kind onder in een katholieke kleuterschool.

Het leert er lezen met de verhalen van Annie M.G. Schmidt (Ot en Sien krijgen een hoofdstukje in Mijn Nederland) en de methode aap-noot-mies. In die periode ontkiemt de liefde van Geert van Istendael voor puntgaaf gesproken en geschreven Nederlands, dat een paar jaar later ook in een andere verschijningsvorm terugkeert, het negatief daarvan — de afkeer voor alle vormen van taalverloedering, in Vlaanderen en Nederland. Ten zuiden van de grens het Nederfrans en het Verkavelingsvlaams ("Ebde gij dien auto goe geparkeerd?"), ten Noorden de overmaat aan verkleinwoorden en het Amsterdamengels ("Nou, dat is on wolking distuns, maar u laup wel heilemaal fukkeerd"). Het Nederlands zoals Lennaert Nijgh het schrijft en Boudewijn de Groot het uitspreekt zou volgens hem de norm moeten zijn.

Wanneer hij naar Vlaanderen terugkeert, gebeurt iets waarin ik mezelf herken. De puber die alleen maar wil lezen vindt zijn gading niet in het boekenaanbod van zijn vaderland. We schrijven eind jaren vijftig, begin jaren zestig, moet je rekenen: de katholieke censuur kent in onze contreien nog zedelijke quoteringen toe aan boeken, en leerlingen krijgen Claes, Streuvels en Timmermans op hun bord in plaats van Elsschot, Boon, Claus en Walschap.

Mijn leraars Nederlands ignoreerden Nescio, erger, ze hadden de naam nog nooit gehoord en in de boekhandels, waar ik uren lezend doorbracht zonder iets te kopen, want mijn zakgeld was bij het begin van de week altijd op, vond ik geen spoor. Sindsdien ben ik er rotsvast van overtuigd dat literaire canons schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Elke literaire canon wil de prachtigste boeken verstoppen, verdonkeremanen, wegmoffelen, in de duisternissen werpen, verbannen naar oorden van nooddruft. Wie literaire canons bemint, haat literatuur. De literaire canon is de boekverbranding van de gierigaard. Je hoeft niet eens lucifers te kopen. De literaire kanonnier is een van God verlaten grootinquisiteur. In de hel zal hij branden, op een mutsaard van zijn eigen dorre geschriften, methodisch en geestdriftig gestookt door de dichters die hij veroordeelde tot de vergetelheid. [uit 'Nescio']
Niet dat ik als middelbare scholier nog Heimatromans moest lezen in de jaren negentig. Neen, wat ik herken is dat geen enkele leerkracht me ooit warm heeft kunnen maken voor een binnenlandse schrijver, of wist aan te tonen dat er in Vlaanderen überhaupt een literaire cultuur bestond die het verdiende opgevolgd te worden. Op onze leeslijsten stonden Elsschot, Boon, Claus juist wel, maar ik heb in die zes jaar nooit iemand met een stuk krijt en bordenwisser gezien in wiens leven die schrijvers een zichtbaar verschil hadden gemaakt.

Ik wil niet veralgemenen — onderwijs is een zaak van een paar inspirerende leerkrachten en je moet gewoon de juiste mensen treffen — maar het punt is dat ik net als Van Istendael mijn literaire volwassenheid te danken heb aan Nederlanders. Hun boeken zagen er mooier uit in de bibliotheek, ze zeiden vinniger dingen in interviews, en je zag ze weleens opduiken in algemene televisieprogramma's.

Als ik in mijn puberteit al Vlaamse schrijvers las — Brusselmans, Lanoye, De Coninck — zaten die om een of andere reden ook al bij een Hollands uitgevershuis. Sterker, later bleken alle Vlaamse schrijvers die me interesseerden daar te zitten. En kijk, zonder Amsterdam bestond de Vlaamse literatuur niet, noteert Van Istendael, onder een gelijknamig kopje.
Toen Felix Timmermans zijn uitbundige Pallieter wilde publiceren en prompt de harde kromstaf van de bisschop op zijn krullenbol kreeg, trok hij naar Amsterdam, naar Van Kampen. We schreven 1916. De Kapellekensbaan, waarin Louis Paul Boon een experimentele taal gebruikt die het Aalsterse dialect oproept, verscheen in Amsterdam. Claus? Amsterdam. De Coninck? Amsterdam. Lanoye? Amsterdam. Nolens? Amsterdam. Uw dienaar? Amsterdam. Zonder Amsterdamse uitgevers bestond de Vlaamse literatuur niet. Trouwens, er bestaat alleen een Nederlandse literatuur, waarin je Brabantse, Surinaamse, Vlaamse, Hollandse, calvinistische, joodse, roomse en vooral veel gemengde afdelingen aantreft. Maar ik dwaal af. [uit 'Amsterdam']
Behalve Manteau was er in het Vlaanderen waarin Van Istendael groot werd geen enkele volwassen uitgever te vinden. Met 'volwassen uitgever' bedoel ik: een rendabel bedrijf van formaat dat met een kosmopolitische blik literaire romans publiceert. Soethoudt startte zijn activiteiten pas in 1964. Van Istendael zou er nota bene debuteren, maar publiceert sinds de vroege jaren zijn boeken in... Nederland. Het is overigens in die periode dat zijn liefde een tweede opstoot krijgt; in de jaren zeventig had hij het land wat verwaarloosd.

Voor dit boek maakte hij twee jaar lang uitstapjes naar Nederland, las Nederlandse kranten, keek Nederlandse televisie en doorploos thuis geschiedenisboeken en wetenschappelijke rapporten. Zijn bevindingen krijgen, zoals de Atlas-reeks 'Mijn...' het wil, hun beslag in tientallen makkelijk te verhapstukken hoofdstukjes, alfabetisch gerangschikt. Achtenvijftig in totaal: van '1830' (met 1585 de datum die het hart van orangist Van Istendael het meest doet bloeden) tot 'Zoeaven' ("Ze vochten voor de paus? Dubbel vreemd, dubbel vreemd. Welke Nederlander vecht nu voor de Heilige Vader?").

Mijn Nederland laat zich moeiteloos uitlezen. Omdat de schrijver zijn boek afwisselend documenteert met feiten en sentimenten. En omdat hij, zoals altijd, volmaakt Nederlands schrijft. Hier is een auteur aan het werk die even graag walgt als bewondert. Ode en reprimande liggen zo dicht bijeen, omdat Van Istendael dan pas ronkende volzinnen kan bouwen. Eindeloos gedubbelcheckte volzinnen.
Terwijl ik dit verhaal schreef heb ik de dikke Van Dale meer dan vierhonderdtachtig keer geconsulteerd. In dit stuk staan iets meer dan drieduizend woorden, dat betekent dat ik voor zowat één woord op zes de goede raad nodig had van de hoofonderwijzer uit Sluis en zijn hooggeleerde stedenhouders. Ik dank hen allen zeer. [uit: 'Johan Hendrik van Dale']
Er is de zorgeloze Van Istendael die nieuw bloed tracht te pompen in de sterotiepen die Hollanders zelf liever vermijden: 'Molens', 'André Hazes', 'Oranje' en 'Tulpen' ("dit is niet de baard van Calvijn, dit is de feestende prachtlievendheid van Ottomaanse kaliefen"). Er is de welwillende Van Istendael die naast het voorspelbare (maar daarom voor de Belg niet minder geestige) hekelschrift over bitterballen de lof zingt over het kruidenbitter beerenburg. En er is de ouderwetsige Van Istendael die, net zoals in zijn beste gedichten, op zoek gaat naar degelijke, ambachtelijk gemaakte dingen — klompen, of de meubels van Alexander Jacobus Kropholler. Prachtig hoe hij daarover schrijft.


Hoek van Holland, Akbar Simonse (2007); picture available under a Creative Commons license via Flickr

Edoch, nogal wat zaken die worden behandeld in het boek zijn niet typisch Nederlands, maar typisch West-Europees, typisch Westers. Dan gebruikt Van Istendael een toevallig Nederlandse sample om te kunnen doorbomen over zijn neurosen.

Gruwzame architectuur en ruimtelijke ordening is er daar een van. In Nederland kun je nog de grens zien tussen stad en platteland, verzucht de schrijver dan, terwijl België verziekt wordt door lintbebouwing — het gevolg van de wet-De Taeye (een katholieke minister die wou dat mensen hun woningen in eigen dorp bouwden, opdat ze niet onder invloed van de socialisten in de steden zouden komen). Van Istendael prijst het planmatige van de Nederlanders. Tegelijk overvalt hem een degout van te veel overzicht en mercantiliteit in de moderne binnensteden; typevoorbeeld: Almere ("Het is geen stadscentrum, het is een darmstelsel volgepropt met consumptiegoederen").

Zijn weerzin tegen de uitwassen van de vrije markt is nog zoiets. De overheersende ideologie vandaag is die van de zakenman, zegt Van Istendael. Ze wordt niet eens meer waargenomen als ideologie, wat het kenmerk is van overheersende ideologieën. Privatisering van overheidsbedrijven is slechts één van haar aspecten. Wat graag weerlegt hij tijdens een ritje met de trein of een bezoek aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie de "schandelijke hedendaagse leugen" dat privébedrijven beter zouden werken dan openbare instellingen. Liberalisering en individualisering gaan in zijn optiek trouwens hand in hand. Van Istendael bespreekt Schets van een beschavingsoffensief van G. van den Brink en prijst een term daaruit, 'de privatisering van het normbesef', een gedachte ook al eens beschreven in Leve het vooroordeel! van Theodore Dalrymple.

Wat Nederland werkelijk exotisch maakt voor mij, en de gemiddelde Belg, daar heeft hij het gelukkig ook over. Hoe een klein land als Nederland een zelfvertrouwen bezit dat in massiviteit niet hoeft onder te doen voor dat van Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië; zich zelfs gidsland waant. In het verlengde daarvan: het kale onbegrip (Van Istendael gebruikt de woorden in de opmaat van Het Belgisch labyrint) voor wat buiten de landsgrenzen ligt. In het verlengde dáár weer van: de grote mond die Nederlanders opzetten tegen al wat vreemd is en zich verbazen over de nare gevolgen die daarbij horen. Eén van de stukjes in Mijn Nederland heet 'Tact'. Een ander is getiteld 'Xenofobie'. Daarin wordt met een paar halen de geschiedenis van de Nederlandse verdraagzaamheid getekend, te beginnen bij de zeventiende eeuw, die zo tolerant voor Spinoza was geweest.
Een paar eeuwen later muteerde de Nederlandse verdraagzaamheid tot verzuiling. Je had je eigen kerk, je eigen school, je eigen universiteit, je eigen vakverbond, je eigen partij, je eigen zangkoor, je eigen zomerkamp, je eigen bakker en je eigen sigaren.
Niet eens één eeuw later muteerde de netjes verkavelde verdraagzaamheid tot algemeen wildplassen; vanuit het buitenland bekeken de doorgaans welingelichte waarnemers met stijgend onbegrijp de hasjdampen die uit de ramen van statige grachtenpanden omhoogkronkelden en de lange haren die van onder de helmen van de Nederlandse dienstplichtigen omlaagkronkelden. Wat zij niet zagen en nog veel minder hoorden, om de goede reden dat de meesten van hen geen woord Nederlands kenden, was de steeds wijder opengesperde brutale bek. Na provo en de bezetting van het Maagdenhuis heeft Nederland de brutale bek geïnstitutionaliseerd. Tussen de brutale bek en het vrije woord werd een gelijkheidsteken geplaatst. Aangezien het vrije woord in een democratie inderdaad onaantastbaar is, kon het grofste van het grove niet alleen bon ton worden, maar, we zijn in Nederland, vrienden, grofheid werd dus ook nog eens plicht.
Waarom plicht? In protestants Nederland moet en zal alles worden uitgepraat. Alles. De calvinisten zijn de nudisten van het woord. [uit: 'Xenofobie']
Zeer zeker onbegrijpelijk is het protestantse geloof. Niet eens de warboel aan kerken boven de Moerdijk, een krant als het Reformatorisch Dagblad, het bannen van rituelen, decorum, pastoors. Of het feit dat men er geen aardse instituten duldt die religieuze dogma's uitvaardigen. Neen. Dat laatste is begrijpelijk en zelfs te prijzen. Het gegeven dat een gelovige helemaal afhangt van de genade Gods, zonder dat zijn gedrag daar iets kan aan veranderen, dát vindt een katholiek van een absurde en onrechtvaardige hardvochtigheid. Bij uitbreiding zal hij ook de kilte van het calvinisme niet begrijpen, noch het bijbehorende gebrek aan generositeit en savoir vivre in het leven van alledag.

Het meest actuele van alle Hollandse bizarrerieën is echter de discrepantie tussen het zelfbeeld en de werkelijkheid. Onverschilligheid gaat in Nederland verkleed in tolerantie, conformisme wordt er vermomd als individualiteit, brutaliteit gelijkgesteld aan vrijemeningsuiting. En is Nederland wel zo exemplarisch-vredelievend? Tijdens de Eerste Wereldoorlog kon het mooi neutraal blijven. In de Tweede Wereldoorlog beschermde het gezagstrouwe Nederland de joden veel minder goed dan gedacht (in Nederland overleefde slechts een kwart van de joden de oorlog, in België meer dan de helft; Van Istendael stelt de vraag: "Wanneer wordt een gebrek aan inzicht schuldig?"). Er waren de militaire strafexpedities tegen Indonesische onhankelijkheidsstrijders. Er was Srebrenica. En het land voert nog steeds oorlog in Afghanistan.

Van Istendaels analyse van bovenstaande problemen — xenofobie, geen tact, verstoord zelfbeeld, verstikkende religie — is niet origineel en komt te laat. Een probaat middel wordt ook al niet aangeleverd, of overstijgt nauwelijks de Spielerei. Zo mijmert de schrijver dat een voortzetting van de Verenigde Nederlanden het katholieke en protestantse elkaar mooi in evenwicht hadden kunnen houden.
Denk na, handel, doe wat moet, met calvinistische ernst, met roomse genadigheid, met liberale buigzaamheid, met sociaal-democratische slagkracht. En af en toe een witz uit de ouwe Jodenbreestraat.
Voorts staat bescheidenheid hoog op zijn agenda — discretie is echt geen zelfcensuur. Het blinde geloof in Angelsaksische modellen moet verlaten worden. Doorgedreven pluralisme is een van de remedies ("Iedereen in de minderheid, het lijkt me een goed beginsel voor de organisatie van een maatschappij") en het poldermodel kan misschien dienen om een te sterke islam in op te lossen ("Binnen de kortste keren zal een dolerende islam ontstaan, een vrijgemaakte islam, een islam van gekrookte dadelpalmen, een islam binnen hersteld verband, een oud-islamitische islam, natuurlijk naast, onder, tussen, boven en tegen de vanouds bestaande facties").

Tot slot moet Nederland het beste van haar tradities behouden en herwaarderen. Het zuivere Nederland van dorpen en kleine steden, orde en regelmaat. Van fietsers. Van kaasmakers. Van schaatsenrijders!
Op dagen van ijs verandert Nederland. Dat was al zo in de somberste tijden, toen het land zich nog niet had bevrijd van normen en waarden. Schaatsers zijn uitgelaten, schuldeloos, zorgeloos. Ze zijn behulpzaam en een enkele keer zelfs voorkomend. Het werkelijk goede van de vaderlandse gastronomie wordt met volle teugen genoten: beerenburg en hete snert. De NV Nederland gaat voor een paar dagen dicht, ondanks de schrille kreten over concurrentie en competitie waarmee managers, politici en Europese Commissarissen de opwellende vreugde proberen te dempen. Tijdens die verlossende dagen is de wapenspreuk van de Nederlanders eendrachtig: vriezen we dood, dan vriezen we dood. En ze trekken nog een paar fraaie krullen. Voor al het andere zijn ze doof. Zou het toeval zijn dat Hendrick Avercamp, de beroemdste, en na Pieter Bruegel de Oude ook de beste schilder van ijspret, zelf doofstom was?
Zodra de natie ijsvrij krijgt flitst ze terug naar de hoogste bloei van haar beschaving, naar de zeventiende eeuw. [uit 'IJsvrij']
Een mooi boek dat om zijn liefhebberende miniaturen moet geprezen worden, niet omdat hier duidelijk een volk en een natie worden ontleed.

(Gebaseerd op notities van 30 oktober 2005)

> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Geert van Istendael, Mijn Nederland
382 p.
Uitgeverij Atlas, 2005

____

maandag 29 maart 2010

Gesprekken met mijn dode god - Geert van Istendael

Ik had dit boek nodig. Geert van Istendael is eigenlijk de zoon van, terwijl ik de grote vakbondsman August Vanistendael alleen ken als de vader van. Ik ben te jong: August ging al met pensioen in 1983; zelfs Geert zette toen pas zijn eerste stapjes in de literatuur. Dit mooie boek is het gevleide portret van een katholieke vader door zijn goddeloze zoon. Het wordt net geen heiligenleven, juist door die religieuze geschillen: "Ik had mijn geloof verloren. Ik had jouw geloof verloren."

August 'Gust' Vanistendael (1917-2003) — het Wikipedia-lemma rept nog met geen woord van dit boek — zal in Engeland geboren worden. Dat zit zo. De grootouders van Geert van Istendael kwamen uit Brussel, uit de Marollen, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog vlucht het gezin naar Groot-Brittannië. Dat kon prima: de Engelsen zijn dankbaar dat de Duitsers, die in de zomer van 1914 België zijn binnengevallen, opgehouden worden aan de IJzer. De Engelse regering richt zelfs een ministerie van Vluchtelingenzaken op.

Pierre en Adèle Vanistendael komen in 1916 met hun drie kinderen aan in Elisabethville, een kamp bij Birtley met houten huizen. Meteen in die eerste bladzijden van Gesprekken met mijn dode god wordt weer duidelijk hoe mooi en makkelijk Van Istendael het verleden naar het heden kan halen. Door die historische praesens van 'm, natuurlijk, maar ook door de kleurrijke zinnen, een groot arsenaal woorden en zijn moderne zin voor beknoptheid en sentiment.

De Belgische regering heeft de regering van Zijne Majesteit verzocht een half miljoen vluchtelingen te herbergen. Britse gravinnen en graven, burgers hoog en laag, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, schatrijke joden laten alles vallen en spoeden zich naar de General Buildings in Aldwych of Alexandra Palace, meer in het noorden van de stad, bij Wood Green, om de Belgische helden te omarmen. Zij vinden er niet de pittoreske boeren die ze van de schilderijen menen te kennen, geen boezeroenen, geen blank geschuurde klompen, maar doodgewone stedelingen, slagers, textielarbeiders, onderwijzers, wasvrouwen, wat verfomfaaid, nogal ongedurig, ontoegankelijke dialecten brabbelend, maar voor het overige normaal, geïndustrialiseerd volk. Dat kan de liefde niet bekoelen. Sympathy was enormous. Iemand vergelijkt de Belgische vluchtelingen met de joden tijdens hun exodus uit Egypte.
Toch is het leven over het kanaal verre van idyllisch. Er dient gewerkt (munitiefabriek, mijnbouw) in een snel verslijtend uniform, en de communicatie tussen de Waalse ploegbazen en directeurs en de Vlaamse arbeiders verloopt lastig. In 1919 keren de Vanistendaels terug naar België. August zal zijn leven lang een Brits paspoort houden, en anglofiel blijven.

Het gezin komt terecht in De Rode Straat, een verpauperde buurt in Sint-Truiden. Daar wordt het pientere communistenjoch August opgemerkt door een kapelaan die vastbesloten is de ruwe en dieprode arbeiderswijk te kerstenen. Het betreffende hoofdstuk zien we door de ogen van die kapelaan, die door de bisschop van Luik naar Limburg is gestuurd (heel Limburg valt tot 1967 onder het bisdom Luik). Geert van Istendael treedt op als buikspreker, een romantechniek die hij in de loop van het boek nog een paar keer zal toepassen.
Zie jij dan niets? riep ik. Of wil jij het niet zien? Dat jong van jou heeft meer verstand in zijn krullenkop dan de hele straat hier samen. Zie jij dan niet dat dat manneke aan de hele wereld zal bewijzen dat er in de Rode Straat mensen wonen die zo goed zijn als iedereen?
De kapelaan pleit voor een studiebeurs en laat Gust sturen naar de paters Salesianen in Hechtel. Kostschool dus, opdat zijn vader zijn goddeloze invloed niet meer zou kunnen laten gelden — de kapelaan zelf zal ook geen invloed meer hebben: het gezin verhuist spoedig naar Brussel, vroeg in de jaren dertig. Maar zijn moeite is vergeefs. Het ventje gelooft in de katholieke leer, doet de Latijnse en de retorica, maar voelt geen priesterroeping. Leuven, en een studie theologie of filosofie, zitten er niet in. Die openlijk bekentenis kost hem — volgens Geert, Gust zelf heeft het nooit willen geloven — zijn middelbare diploma.

Het gezin Vanistendael verhuist trouwens vele malen, in het Brusselse, in het Antwerpse. Het is eigen aan armoe. Het is crisis. Mensen lijden honger en er is geen werk. Nergens. "Tegenwoordig zeggen ze, armoedecultuur," laat Geert zijn vader opmerken. “Dat zeggen mensen die nooit met de armoe aan tafel hebben gezeten. Armoe maakt mensen moreel kapot. Geen vreten, geen moraal." Een allusie, dat laatste, op de Driestuiversopera van Brecht, uit 1928.

De jaren dertig zijn een periode van klassenstrijd, stakingen, bereden politie, volkswoede. Van Misère au Borinage en goede resultaten voor Vlaamse nationalisten en communisten. Paul van Zeeland kondigt in juni 1936 sociale maatregelen aan: de veertigurenweek, de eerste betaalde vakantie, verplichte ziekteverzekering, een hoger minimumloon. De aanvaring met armoede zal Gust Vanistendael inspireren en zijn solidariteit met de minderbedeelden een stevige basis geven.

Don Augusto
Hij wordt om te beginnen een kajotter: hij gaat bij de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ), de jongerentak van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Stichter en bezieler van de KAJ is priester (later kardinaal) Jozef Cardijn (1882-1967). Door de pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891, door zijn bewondering voor priester Daens en door zijn contacten met arbeidersbewegingen in binnen- en buitenland wou Cardijn iets voor de Belgische (jonge) arbeiders te doen. Na zijn onderhoud met Paus Pius XI in 1925 werd zijn beweging als katholieke actie voor de arbeidersjeugd officieel erkend, en werd hij er de eerste proost van.

De actiemethode van Cardijn, schrijft Van Istendael in zijn boek, stond haaks op de katholieke traditie. Er moest geen leger van volgzame leken opstaan, milites Christi, maar actie ontstaan "voor, door en met jongeren." Niettemin was het een conservatieve beweging, tégen het socialisme gekeerd en tégen een open seksuele moraal à la Walschap. In 1935 opent de Kajotterscentrale aan de Poincarélaan in Brussel, een voormalige breigoedfabriek. De beweging van Cardijn staat met de Franstalige afdeling Jeunesse Ouvrière Chrétienne (JOC) zeker in het begin sterker in Brussel en Wallonië (een van de belangrijkste industriegebieden in Europa) dan in Vlaanderen.

In 1938 stapt Vanistendael over van de christelijke arbeidersbeweging (ACW) naar de christelijke vakbond (ACV): eerst doet hij stage aan de Sociale Hogeschool van het ACW, studeert alweer niet af ("Mijn enige hogere diploma is het diploma van het leven"), gaat werken voor de coöperatieve bank van de vakbeweging (de BAC), legt het examen af om vakbondssecretaris te worden en slaagt.

Vanistendael krijgt de sector hotel en restaurant en trekt naar Antwerpen. Hij moet de katholieke arbeidersbeweging daar als het ware "uit de grond trekken". In die dagen zwaaien de socialisten in de arbeidersbeweging de plak; de katholieken, "dat waren de kleine misdienaars". Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid.

De Tweede Wereldoorlog zorgt voor een nieuwe wending in het leven van de vakbondsman. In 1940 worden de bestaande vakbonden door de Duitsers vervangen door de Union des Travailleurs Manuels et Intellectuels (UTMI). Ze stellen Jozef de Ridder van het ACV aan als beheerder. De Ridder had immers voordien al sympathie voor het nationaalsocialisme laten blijken. Gust ziet die UTMI niet zitten, weigert samen te werken met De Ridder, en neemt ontslag. Zijn ACV-connecties helpen hem snel aan een post bij het ministerie van Economische Zaken. De Duitse speurhonden indachtig kiest hij voor een leven in de luwte in Onze-Lieve-Vrouw Tielt, bij Leuven.

Na de oorlog, schrijft Van Istendael, treden de grote vakbonden snel weer op de voorgrond. Zoals in andere West-Europese landen, hebben ze mee het omvangrijke stelsel van sociale zekerheid bedacht en opgebouwd. In het jaar waarin hij wordt geboren, 1947, verlaat zijn vader de katholieke vakbond in België en trekt naar het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV, nu WVA), waar hij benoemd wordt tot adjunct-secretaris-generaal (vanaf 1952 secretaris-generaal).

Hier ligt de kiem voor de verering van Geert van Istendael voor Nederland. Want vooraleer het ICV-hoofdkwartier naar Brussel komt, ligt het in Utrecht — een stad in een neutraal gebleven land, alsmede een spoorwegknooppunt in een tijd waar de trein het internationale vervoermiddel bij uitstek is — zodat vader Vanistendael zijn eerste vijf jaren dienstjaren in Nederland volbrengt. "Ze hadden daar een Belg nodig die talen sprak." De Roomse Belg dwingt respect af bij de calvinisten, en ook kleine Geert wil voorlopig niet naar Vlaanderen — "een vijandig gebied, waar de mensen modderig spreken en de huizen hoog en donker zijn" — spijts het knippen van zijn amandelen (een verhaal dat de schrijver al elders in extenso heeft opgetekend) hem met een trauma opzadelt.

De tijd dat bonden vlot konden federeren over de landsgrenzen heen is voorbij en komt na de Tweede Wereldoorlog ook niet meer terug. Wil August dat 'zijn' christelijke arbeidersbeweging internationale afdelingen kent, dan moet hij daar de hele wereldbol voor afreizen. Geert van Istendael schetst in het midden van Gesprekken met mijn dode god wat de functie van zijn vader behelsde. De secretaris geeft advies, stampt nieuwe afdelingen uit de grond, montert militanten op, tolkt (want kent Spaans, Frans, Duits, Engels, Portugees), schrijft rapporten en geeft motivational speeches. In het hoofdstuk ‘Rede tot de zwarte arbeiders’ reconstrueert Geert van Istendael zo'n toespraak, waarvan meestal niet meer dan een handvol steekwoorden zijn overgeleverd.

Het harde werk werpt wel zijn vruchten af. In 1947 werkte de christelijke arbeidersbeweging in een half dozijn Europese landen. Toen vader Vanistendael wegging was ze een feit in meer dan zestig landen, ook in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Een trotse zoon: "In Latijns-Amerika werd hij begroet als de legendarische Don Augusto, in India als een ware brother, in West-Afrika was hij un vrai frère."

Zijn truc: hij kan goed luisteren en zoekt in de grote wereldgodsdiensten naar een gemeenschappelijke ethische basis om de sociale actie van hun aanhangers te oriënteren. "Hij dacht, de Katholieke Kerk is al een halve eeuw lang een sociale leer aan het ontwikkelen, sinds 1891, sinds de grote encycliek Rerum Novarum. Het kan toch haast niet anders of de kernstukken van die leer zijn ook geldig in andere godsdiensten."

Die aanpak lijdt tot kritiek vanwege het Heilig Officie én van figuren binnen de vakbeweging. Men vindt hem een verrader (Rome) of een fantast (intern). Het Vaticaan was sowieso altijd nogal zuinigjes geweest met steunbetuigingen voor de christelijke vakbond. "In de antichambres van de curie," schrijft Geert van Istendael, "wonen de onbetwistbare meesters van het sfumato."

August Vanistendael betreurt het feit dat de kerk een machtsbastion is geworden, dat neerkijkt op het lekeninitatief. De grootste historische vergissing van het christendom vindt hij de verbinding tussen kerk en macht onder Constantijn in de vierde eeuw.

Voorts neemt hij het de officiële Kerk kwalijk dat zij achttien eeuwen de tijd heeft gehad om de verzuchtingen van de armen te belichamen, dat heeft nagelaten en zodoende ruimte heeft geschapen voor de heilsleer van het communisme. Katholieken moeten ook niet zeuren dat de Wereldgezondheidsorganisatie, de UNO of de UNESCO zich keren tegen christelijke waarden. Ze hebben die instellingen zelf verwaarloosd. De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders — verwend, zich bewegend in een overbeschermde omgeving — hebben geen benul van het dagelijkse leven. De katholieke sociale leer beperkt zich tot liefdadigheid en goede werken. Om dat uit te leggen vertelt de vakbondsman een parabel.
Hij zei: ‘Als je in een café een glas bier bestelt en de baas tapt het zonder schuim, tja, dan neem je het, maar eigenlijk is het toch zuur en zuinigjes. Goed, je drinkt het op, zonder er plezier aan te beleven. Als ze je een glas voorzetten met alleen schuim erin, dan ga je buiten. Dat hoef je niet te nemen, dat is schaamteloos bedrog. De goede kastelein, die tapt je een glas met genoeg helder koud bier en een fraaie schuimkraag, niet te dik, niet te dun. Een waar genot! Dat schuim is de liefdadigheid. De vloeistof is de rechtvaardigheid. Een beetje liefdadigheid en veel rechtvaardigheid, dat moet het principe zijn van de sociale leer van de Kerk.’
Zevenenzeventig uitroeptekens
Tegelijk blijft Vanistendael altijd en overal overtuigd katholiek. Hij kan het niet verkroppen dat het marxisme de mensen de hoop ontnomen heeft — de laatste waardigheid van mensen die uitgebuit worden: dat wat het aardse te boven gaat. De socialistische bonden zijn hem te materialistisch, te weinig volksverheffend. Een geloof zonder gerechtigheid was voor hem een contradictio in terminis. Maar ook omgekeerd, zonder geloof was echte gerechtigheid onmogelijk. Dat leidt tot een intellectuele breuk met zijn zoon, die in dit boek schrijft:
Met het eerste idee ben ik het nog altijd eens. Met het tweede ben ik het nooit eens geweest. Meestal kon mijn vader de dingen breed zien en gul, maar onverhoeds, bij een atheïstisch argument, versmalde zijn blik, werd roomser dan rooms, er viel een onbehaaglijk stemmende zweem van superioriteit over hem heen. Niet vaak, soms. Op zulke momenten had ik het te kwaad, werd ik ongeduldig, had ik moeite om van hem te houden. Je bent toch beter dan dat, dacht ik dan.
Maar daarna erkende hij weer volmondig dat het christendom niet meer dan een twijfelachtig alternatief bood voor het humanisme. Dat volgens hem te wijten aan de onwaardigheid van de christenen zelf. Zijn geloof wankelde niet, maar talrijk waren de medegelovigen die hem tot de rand van de wanhoop dreven.
In de jaren zeventig gaat diezelfde zoon "uit verlaten puberale balorigheid" bij de socialistische bond werken in Brussel. Het betekent niet dat hij niets heeft meegekregen van zijn vader.
Hij heeft me nooit aangesproken op die overstap naar de rode bond, die zowel tegenstander was als medestander. Geen verwijt kwam over zijn lippen, nog veel minder is hij uitgebarsten in donderpreken en zeker niet in tranen, terwijl ik toch ostentatief zijn idealen de rug had toegedraaid. Een deel van die idealen, het roomse deel, het kerkse. Het deed hem meer pijn dan hij kon zeggen. Was het daarom dat hij zweeg? We hebben er nooit over gepraat, maar op den duur hadden we geen woorden meer nodig om het te vatten. Denk ik. Hoop ik. In ieder geval is hij het geweest die me behoed heeft voor de totalitaire bekoring die in mijn studententijd schier onweerstaanbaar leek te zijn. Mijn vaders opvattingen over vrije vakbonden kwamen me voor als huis-tuin-en-keukenmeubelen die er altijd gestaan hadden en altijd zouden blijven staan. Dankzij hem heb ik nooit de aanvechting gevoeld om lid te worden van een of ander maoïstisch, trotskistisch of Moskovisch kerkgenootschap. Ik heb daar geen enkele verdienste aan en hij hoefde er niets speciaals voor te doen. Zijn leven volstond, al was hij dan zelden thuis. En nog steeds geldt, na al die jaren, wie op de vakbond trapt, trapt op mijn ziel. Die kern, zijn kern, heb ik bewaard en wil ik blijven bewaren.
Latijns-Amerika wordt het favoriete werkterrein van Gust Vanistendael, die al vroeg doorheeft dat Europa en het christendom niet langer het centrum van de wereld zijn. In het katholieke Latijns-Amerika kan hij tegen de communisten strijden, tegen de Amerikanen en hun imperialistische ambities, en tegen de armoede.

Vooral in de jaren 1960-1964 ontplooit hij grote activiteit op het Zuid-Amerikaanse continent, meer bepaald in Chili. Hij steunt de verkiezingscampagne van christendemoraat Eduardo Frei. Maar we zitten midden in de Koude Oorlog: helemaal koosjer verloopt dat niet. Zo trekt Geert van Istendael bijna een derde van zijn boek uit om de aard van de samenwerking met Pater Roger Vekemans uit te spitten. Deze jezuïet zou CIA-gelden doorgesluisd zou hebben naar het campagneteam van Frei. Het resultaat van dat onderzoek krijgt zijn beslag in de hoofdstukken 'De jezuïet' en 'De oude vrienden'. De auteur steekt er de Atlantische oceaan voor over.

Wat — los van de affaire Vekemans — buiten kijf staat is dat August Vanistendael een weinig transparante bestuurder was, en er een chaotische boekhouding op nahield. Zijn ontslag komt niet onverwacht. Hij verlaat het ICV in 1967, en leidt nog acht jaar de Cooperation Internationale pour le Développement Socio-Economique (CIDSE), een netwerk van katholieke organisaties die aan ontwikkelingshulp doen — ziekenhuizen, gezondsheidszorg, preventie, onderwijs, opleiding, plattelandsontwikkeling, cultuur. Daarna wordt hij acht jaar lang voorzitter van Caritas Catholica, van 1975 tot zijn pensioen in 1983.

Het respect blijft ook na het beëindigen van zijn actieve loopbaan groot. De koning benoemt hem tot minister van staat in 1983, de KULeuven verleent hem een eredoctoraat in 1988. Sinds zijn dood in 2003 berusten de 704 mappen van zijn archief bij het Katholiek Documentatiecentrum in Leuven.

Het is voornamelijk aan de hand van die archiefdozen, plus geschiedenisboeken, plus gesprekken met bejaarde getuigen, dat Geert van Istendael dit monument voor zijn vader heeft opgetrokken. Hij kon niet anders. De titelloze litanie aan het begin van het boek (waar de auteur een voorkeur voor heeft, zie ook Het Belgisch labyrint) begint met de niet mis te verstane regel "Je was de eeuwig afwezige, vader". Gesprekken met mijn dode god gaat, hoewel het woord nergens valt, over een workaholic. Nooit thuis, altijd onderweg.

Alleen in het hoofdstuk 'Liefde in Vlaanderen in 1937’ komen we iets te weten over Vanistendael privé. Daarin wordt de prille verliefdheid tussen August en zijn latere vrouw Paula Smout beschreven. Of eigenlijk ook weer gereconstrueerd, goeddeels, aan de hand van de briefwisseling tussen die twee, met tussenteksten van zoonlief.
Op honderd korte regels zevenenzeventig uitroeptekens. Het ongemeen fraaie, zwierige en regelmatige handschrift, dat klassieke, heldere handschrift dat ik altijd zo bewonderd heb, raakt gaandeweg in het ongerede, duikt boven en onder de regel, kan ik hier en daar moeilijk ontcijferen. Ziek van passie is hij.
Paula’s ouders zijn gegoede burgerij, August een proleet. Maar de verhouding, eerst clandestien, houdt stand. Paula en Gust trouwen op 22 april 1941. Mooi is de scène waarin de eerste ontmoeting van Gust met Paula's vader wordt beschreven: "De patriarch heeft zijn pianohand op de werkmanshand gelegd. Die dat niet is. Gust heeft in zijn leven misschien drie keer de binnenkant van een fabriek gezien."

Persoonlijke appreciatie
Biografie, sociale geschiedenis, in memoriam, onderzoeksjournalistiek — dit boek is vele dingen onder één dak, en dat is juist zijn geluk. De lyrische en documentaire intuïtie van de schrijver houden elkaar mooi in evenwicht. Gesprekken met mijn dode god lijdt soms onder de galm die de titel suggereert — de galm van een lege kerk — maar de collagevorm en de meningsverschillen tussen senior en junior maken de vaderverering draaglijk.

Het boek doet me nog het meest denken aan de zelfbewuste confessies van Günter Grass, type De rokken van de ui. Het zit 'm in de taalbeheersing, in de listige manieren om droge informatie toch ingang te doen vinden bij de lezer, maar dus ook in de sterk uitvergrotende stijl van Van Istendael, die alle details betekenis wil geven.

Vergeeflijk maar overbodig, overbodig maar vergeeflijk, is bijvoorbeeld ‘Soprattutto io sono poeta’, het hoofdstuk waarin de marginale dichterscarrière — penneprobeersels op het vliegtuig, voor de maaltijd, in een onbewaakt moment — van vader Van Istendael met veel te veel serieux wordt opgerakeld. Deze richtte met Jos de Haes en Hubert van Herreweghen het kortstondige tijdschrift Podium op (1942-1944, niet te verwarren met het Nederlandse blad) en pleegde ook zelf sonnetten, soms.

Daar staat tegenover dat ik door dit boek eindelijk begrijp waar het engagement van zijn zoon vandaan komt. En niet alleen diens engagement, ook de kosmopolitische instelling, de liefde voor talen, de fascinatie voor Duitsland. (August Vanistendael schopte het tot persoonlijk raadgever van Adenauer en kardinaal Frings van Keulen.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Joos Florquin ten huize van... August Vanistendael [dbnl.org]

Geert van Istendael, Gesprekken met mijn dode god
302 p.
Uitgeverij Atlas, 2009

____

zondag 28 maart 2010

Boekenfestijn 2010

Het Boekenfestijn is een noodzakelijk kwaad dat elk jaar terugkeert. 'Festijn' staat hier voor: winkelen in een grote betonnen bunker, snelwandelen langs duizenden deprimerende items (new age, wellness, manga, software, chicklit — let op de ijzeren cadans), en maken dat je wegkomt met een al te magere buit. Het Boekenfestijn: de Colruyt van de boekenmarkten.

De wervende slogan spreekt van "één miljoen actuele boeken". Een cijfer dat misschien klopt, als je alle boeken in de verkoopshal ("zo groot als een voetbalveld") bij elkaar optelt en gemakshalve vergeet dat zowat elke titel er opgetast ligt in 10 exemplaren.

Maar, zelfs met één miljoen boeken ga je er het best zo onbevangen mogelijk naartoe. Laat uw wenslijstje thuis. Ik, althans, vind er nooit wat ik wil.

Naar koopjes is het sowieso lang zoeken. Zo oogt het aanbod sterk afgeprijsde Engelstalige boeken heel klein op het Boekenfestijn, tenzij je graag genrefictie (King, Cookson, Cussler) leest.

Kunstboeken zijn er betrekkelijk goedkoop, maar dat zijn de titels uit de Taschen-stal sowieso al. En: op het Boekenfestijn is het met een vergrootglas zoeken naar monografieën van individuele kunstenaars.

In het 'Stripmekka' vind je veel doordeweekse strips, plus die manga's dus, maar geen graphic novels.

De schraagtafels met Nederlandse fictie moet je helemaal omploegen, wil je tussen de romantische en spannende boeken die paar literaire romans zien. Verhoudingsgewijs ligt er meer literatuur (ook vertaald) bij het hysterische kopje 'De laatste stuks', maar in die rubriek is de prijsvermindering dan weer verwaarloosbaar.

En ik kan nog een tijdje doorgaan. De computerboeken zijn zeer gedateerd. De woordenboeken dekken alleen de grote talen. Het fonds van de university presses is goedkoper te krijgen op het internet. De afdeling 'Reizen & atlassen': overvoerd met conventionele gidsjes.

Alleen op het aanbod grootletterboeken is werkelijk niets aan te merken. Dat aanbod is groot; de boeken goedkoop (3, 4, 5 euro, waar je normaliter 40 euro à 50 euro betaalt).

En toch. Na twee uur lopen met een langzaam opzwellende kop, na een kwartier rekenen en herberekenen, na twee ritjes naar de teruggeefbalie waar je alle ballast zonder schuldgevoel kan dumpen, begeef ik me naar de kassa.

Ik neem mee: drie (waarvan twee koningsblauwe) Wordsworth Classics (Gibbon, Mackay en Boswell); mooie fotoboeken van Alfred Stieglitz en Albert Kahn, Het modernisme van Peter Gay (kleine 10 euro), de dagboeken van C.O. Jellema, twee goedkope delen De Lage Landen van E.H. Kossmann, en het even gecomprimeerde als interessante Stof waar honger uit ontstond van J. Goudsblom.

____

vrijdag 26 maart 2010

Literary taste - Arnold Bennett

Een aardig curiosum uit 1909, dit. Net voor het modernistische geweld losbarst in Engeland, komt Arnold Bennett aanzetten met een ouderwets pleidooi voor literatuur als middel om het volk te verheffen. Wie geen goede boeken leest, leeft maar half, schrijft Bennett. "Hij kan niet zien, horen of voelen." In Literary taste wil hij de doorsnee lezer de middelen aanreiken om zijn literaire smaak te ontwikkelen. Daarbij legt Bennett een heilig respect voor de klassiekers aan de dag.

De waarde van boeken steekt volgens Arnold Bennett in het vermogen om het leven van de lezer een nieuwe draai te geven. Het gaat hem om de beleving van literatuur — niet om de kennis van de literatuur als deel van iemands culturele vervolmaking, om voor ‘vol’ te mogen doorgaan in een beschaafde maatschappij. Literatuur is geen "accessoire", maar het sine qua non voor een intenser en completer bestaan.

The aim of literary study is not to amuse the hours of leisure; it is to awake oneself, it is to be alive, to intensify one’s capacity for pleasure, for sympathy, and for comprehension.
Maar om die staat van verlichting te bereiken, moeten mensen zich voeden met tijdloze meesterwerken, vindt Bennett. Kijk maar eens hoe snel een goed verkopend boek wordt vergeten, zelfs door de mensen die het boek graag gelezen hebben. Dat komt omdat de smaak van een ongeoefende lezer zonder richting is en persoonlijkheid ontbeert. Hij surft mee op de waan van de dag.

Meesterwerken zijn dat dus niet geworden omdat iedereen die boeken door de eeuwen heen heeft omarmd. Shakespeare, als het van de gewone man in de straat zou afhangen, was al lang vergeten. De grote massa kan een reputatie wel maken of kraken, maar 'm niet bewaren. De roem van tijdloze boeken steunt op het oordeel van wat Bennett noemt "the passionate few".
A classic is a work which gives pleasure to the minority which is intensely and permanently interested in literature. It lives on because the minority, eager to renew the sensation of pleasure, is eternally curious and is therefore engaged in an eternal process of rediscovery. A classic does not survive for any ethical reason. It does not survive because it conforms to certain canons, or because neglect would not kill it. It survives because it is a source of pleasure, and because the passionate few can no more neglect it than a bee can neglect a flower.
Maar goed, literair volwassen worden, hoe pakken we dat aan? Literary taste wijst ons graag de weg. Elementair is dat we resoluut moeten zijn in ons streven: dat betekent elke week op zijn minst enkele uren spenderen aan lezen. Er is volharding nodig. Bennett beschrijft mooi hoe halfslachtige pogingen stranden.
I will take, for an example, Sir Thomas Browne, as to whom the average person has no offensive juvenile memories. He is bound to have read somewhere that the style of Sir Thomas Browne is unsurpassed by anything in English literature. One day he sees the Religio medici in a shop-window (or, rather, outside a shop-window, for he would hesitate about entering a bookshop), and he buys it, by way of a mild experiment. He does not expect to be enchanted by it; a profound instinct tells him that Sir Thomas Browne is "not in his line"; and in the result he is even less enchanted than he expected to be. He reads the introduction, and he glances at the first page or two of the work. He sees nothing but words. The work makes no appeal to him whatever. He is surrounded by trees, and cannot perceive the forest. He puts the book away. If Sir Thomas Browne is mentioned, he will say, "Yes, very fine!" with a feeling of pride that he has at any rate bought and inspected Sir Thomas Browne. Deep in his heart is a suspicion that people who get enthusiastic about Sir Thomas Browne are vain and conceited poseurs. After a year or so, when he has recovered from the discouragement caused by Sir Thomas Browne, he may, if he is young and hopeful, repeat the experiment with Congreve or Addison. Same sequel! And so on for perhaps a decade, until his commerce with the classics finally expires! That, magazines and newish fiction apart, is the literary history of the average decent person.
Het probleem met klassieke auteurs, zegt Bennett, is dat hun namen het lezerspubliek voornamelijk aan boeken doet denken, en daar schuilt een misvatting in. Een schrijver is in de eerste plaats een mens van vlees en bloed. Bennett wil dat we vooraf de mens leren kennen achter de schrijver, omdat in zijn optiek het boek de volmaakte uitdrukking is van diens persoonlijkheid. Op dezelfde manier komt de stijl van een boek op natuurlijke wijze voort uit de persoonlijkheid van de schrijver. Als je de stijl van een boek niet lust, zal je de man niet lusten. Stijl is geen surplus, kan niet los gezien worden van de inhoud. "There is no such thing as literary style", schrijft Bennett. "You cannot divide literature into two elements and say: This is matter and that style."

En daarmee ontmaskert Bennett zich ineens als een oubollige Edwardiaanse auteur. Literary taste werd geschreven in 1909, vooraleer de Eerste Wereldoorlog het geloof in de West-Europese waarden aan het wankelen bracht. Freud, wiens ideeën de modernisten sterkten in hun overtuiging dat het 'ik' van de auteur geen eenheid meer vormde, is niet aan hem besteed. Bennett gelooft nog ongeremd in de communicatieve kracht van een tekst, en in het doorlopende verhaal. Als in een Victoriaanse of Edwardiaanse roman de visies van verschillende personages aan bod komen, zal er altijd een verteller te hulp snellen om die met elkaar te verbinden.


Arnold Bennett, door Oliver Herford, uit: Confessions of a caricaturist (1917), via Project Gutenberg.

Passons. Wat zegt Bennett nog meer? Om te kunnen lezen, moeten we boeken kopen. Betaalbare boeken, maar geen vodjes. Het oog wil ook wat. En we moeten zorgen voor diversiteit: literatuur omvat filosofie, wetenschap, ethiek, religie en geschiedenis. Een goede bibliotheek heeft niet alleen titels die aan de verbeelding ontsproten zijn maar ook werken die het resultaat zijn van koortsachtige intellectuele activiteit. Bennett deelt boeken op in "the inspiring kind" en "the informing kind". Elke verdere genre-indeling is overbodig: "All literature is the expression of feeling, of passion, of emotion, caused by a sensation of the interestingness of life."

Achteraan Literary taste worden 337 boeken opgelijst van 226 auteurs [zie de volledige lijst op Wikipedia], door Bennett geselecteerd op beschikbaarheid en betaalbaarheid. Een ijzeren canon, zo lijkt het, maar op het eind van zijn boekje zwakt Bennett zijn standpunt enigszins af, dat iemand alleen gereputeerde meesterwerken zou moeten lezen.
In the choice of reading the individual must count; caprice must count, for caprice is often the truest index to the individuality. Stand defiantly on your own feet, and do not excuse yourself to yourself. You do not exist in order to honour literature by becoming an encyclopaedia of literature. Literature exists for your service. Wherever you happen to be, that, for you, is the centre of literature.
Literary taste schiet zijn pedagogische doel volledig voorbij, omdat Bennett nogal naïef gelooft in concrete leestips. Zo moet de prozalezer volgens hem beginnen met een of ander beschouwend stuk van Charles Lamb. En nadat we dat essay gelezen hebben, vertelt hij ons wat er van moeten vinden: "As, having read the essay, you reflect upon it, you will see how its emotional power over you has sprung from the sincere and unexaggerated expression of actual emotions exactly remembered by someone who had an eye always open for beauty, who was, indeed, obsessed by beauty." Is het heus?

Met poëzie gaat het net zo. Bennett heeft een strak zesstappenplan paraat. Eén: maak tabula rasa met uw vroegere ideeën over poëzie. Twee: lees 'On poetry in general', het essay van William Hazlitt. Drie: lees het nog eens, voor een beter begrip. Vier: neem de bijbel erbij en lees het veertigste hoofdstuk uit Jesaja. Vijf: lees Hazlitt een derde maal. Zes: Lees 'The brothers' van Wordsworth.

Uit het hoofdstuk 'Verse' onthoud ik vooral hoe poëzie ook toen al, aan het begin van de twintigste eeuw, verfoeid werd. Bennett heeft zijn handen vol om zijn doelgroep uit te leggen dat poëzie niet zomaar staat voor kunstmatig en overdreven taalgebruik. Maar een literaire heropvoeding is niet compleet als ook niet dat laatste vooroordeel overwonnen is. Hoe moeilijk ook. "The case is extremely delicate, like all nervous cases."

Literatuur, waarschuwt Bennett ten slotte, brengt de lezer geen gewelddadig genot maar subtiel plezier. Genieten van boeken lukt des te beter, als ons lezen toch een achterliggend doel heeft (religieus, esthetisch, moreel, politiek, wetenschappelijk) dat ons stuurt. Lezen heeft ook geen zin als we nooit stilstaan bij wat boeken ons gebracht hebben. We moeten op gezette tijden een tussentijdse balans opmaken, en evalueren of boeken hebben bijgedragen aan onze levenskwaliteit. Zoniet, moeten we beter lezen, of andere dingen lezen.

Bennetts literatuuropvatting is niet de mijne. Maken goede boeken completere mensen van ons? Rond mij zie ik alvast veel mensen die hun leven een rijke invulling geven, en toch nooit een boek openslaan. Ik heb de neiging lezen te ontdoen van nobele bedoelingen en bijwerkingen. Lezen (en schrijven!) beschouw ik in de eerste plaats als een vorm van gedrag — aanpassingsgedrag, compensatiegedrag, van mensen die te snel verveeld of gekwetst worden in de echte wereld.

Goede schrijvers scherpen inderdaad je zintuigen. Maar is dat louter positief? Het betekent dat je niet alleen meer oog krijgt voor schoonheid, maar ook voor lelijkheid. Schrijvers laten je naar de wereld kijken met andere ogen, akkoord, maar misschien doet dat ons wel ons vermogen verleren om met eigen ogen naar de wereld te kijken.

Voor mij heeft mijn liefde voor literatuur maar gedeeltelijk te maken met de wens me te onderwerpen aan de superieure mensen die klassieke schrijvers zouden zijn. Het is evenzeer, en eigenlijk nog meer, een instrument om kritischer te worden. Maar nogmaals, of ik daar nu een gelukkiger of beter mens van word? Boeken maken je slimmer, maar doen je ook je eigen aanvankelijke domheid beseffen. En misschien maken ze ons juist weker, intoleranter. Sadder, naast wiser.

Bovendien is het flauwekul dat je goede smaak zou kunnen ontwikkelen aan de hand van het beste van wat ooit geschreven is alléén. Er is geen shortcut. Je kan alleen een klassieker naar waarde schatten als je ook een idee hebt van de dikke humuslaag die zo'n meesterproef heeft mogelijk gemaakt. Wie goede boeken wil waarderen, moet eerst ellendig veel slechte boeken lezen. En soms is dat niet eens mogelijk. We kennen allemaal Madame Bovary, maar wie heeft voldoende Franse genrefictie gelezen uit het midden van de negentiende eeuw om het genie van Flaubert na te voelen?

Mocht ik aspirant-lezers één tip geven — Bennett geeft 'm niet — dan zou ik zeggen: houd een leesdagboek bij, hoe miniem ook. Zelfs het meest mediocere boek bevat waardevolle dingen. Die neerschrijven, geeft je het gevoel zelfs van een vervelend tussenstation in je leesparcours iets te maken. Het helpt je zeker om te blijven lezen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de integrale tekst van Literary taste op Project Gutenberg

Arnold Bennett, Literary taste
How to form it, with detailed instructions for collecting
a complete library of English literature

99 p.
Uitgeverij Arc Manor, 2008
Oorspr. (1909)

____

donderdag 25 maart 2010

The PopSci Archives

"We've partnered with Google to offer our entire 137-year archive for free browsing."

> http://www.popsci.com/archives

____

The Hypothetical Library

"Imaginary book covers, designed for actual authors."

> http://hypolib.typepad.com/the-hypothetical-library/

____

IMSDb

"The web's largest movie script resource!"

> http://www.imsdb.com/

____

The Berlin Review of Books

"The Berlin Review of Books aims to publish high-quality reviews of, and insightful essays based on, important recent books published in any language, with a focus on non-fiction."

> http://berlinbooks.org/brb/

____

Little Brown Mushroom Blog

"This is a place to talk about good books (our own and others)."

> http://littlebrownmushroom.wordpress.com/
> http://littlebrownmushroom.wordpress.com/photo-books-link-page/
> http://littlebrownmushroom.wordpress.com/blog-links/

____

woensdag 24 maart 2010

Reis naar het verleden - Stefan Zweig

De wereld van gisteren, de memoires van Stefan Zweig in Privé-domein, zal ik een prachtig boek vinden. Dat weet ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Toch spaar ik dat boek al tien jaar op. Voor een ideale zomeravond, op vakantie in Wenen, ooit. Intussen lees ik de novellen van Zweig, die om of een of andere reden opvallend populair zijn op Engelstalige weblogs. Atlas kwam vorig jaar met Reis naar het verleden. Een larmoyant iets uit de nalatenschap.

Reis naar het verleden werd gedeeltelijk gepubliceerd in 1929 in een Oostenrijkse bloemlezing, maar het volledige manuscript dook pas vijftig jaar later op in een Londens archief. Wat mij betreft draagt deze novelle inderdaad alle kenmerken van een onvoldragen werk, iets wat beter in de la was blijven liggen.

Veel mensen, waaronder de Nederlandse uitgever, denken daar dus anders over. Atlas is het voorbeeld gevolgd van Grasset, die Le voyage dans le passé in november 2008 in een tweetalige editie op de markt bracht en daarmee grote successen boekte: 180.000 exemplaren gingen er over de toonbank.

Het Franse lezerspubliek kennende, denk ik wel te weten waarom. Eén: Reis naar het verleden is een dun, introspectief boekje over een hartstochtelijke liefde. Twee: het verhaal is dat van een damesroman — onbemiddelde man begint iets met de vrouw van een rijke industrieel. Drie: Zweig mijdt een concrete historische setting, wat lekker makkelijk is voor lezer en schrijver. Vier: het boekje bevat een krachtige aanklacht tegen het nazisme. Meer moet dat niet zijn.

Het verhaal? Ene Ludwig heeft zich voortijdig ontworsteld "aan een door armoede vernederde kindertijd"; met baantjes als huisleraar en bijlesleraar heeft hij zijn studies scheikunde kunnen bekostigen. Afgestudeerd op zijn drieëntwintigste komt hij terecht bij de directeur van een groot bedrijf bij Frankfurt am Main. Daar werkt hij zich op van gewone bediende tot de privé-secretaris van deze 'geheimraad'.

Zijn nieuwe functie loodst Ludwig meteen in het huis van zijn baas, en brengt hem in contact met diens vrouw. De vrouw, Zweig laat haar naamloos, betrekt hem geleidelijk aan bij het leven in de familiekring. Dat is nodig: Ludwig kampt nog steeds met gevoelens van minderwaardigheid.

Ludwig wordt verliefd op haar, al duurt het een tijdje eer hij voor zichzelf toegeeft dat zijn bewondering en eerbied eigenlijk gecamoufleerde liefde is. Het valt hem moeilijk in zijn meerdere, die hij zich alleen maar als geslachtsloze vrouw kan voorstellen, het object van een hartstocht te herkennen.

Dan wordt de jongeman weggestuurd voor zaken. Het nieuwe chemische procedé dat de industrieel wil toepassen in zijn fabriek vereist grote hoeveelheden van bepaalde ertsen, en die zijn vooral in Mexico te vinden. Hij stuurt zijn nieuwe vertrouweling op pad. Het verblijf wordt begroot op twee jaar.

Ludwig kan de opdracht niet weigeren. Hij kan geen goede reden voorleggen zonder zijn kostbare geheim te verraden. Hij wordt verscheurd door smart ("Mijn god, haar verlaten, als een mes sneed het door het trots gebolde zeil van zijn vreugde"). Het plotse adieu heeft immers ook de wederzijdsheid van zijn gevoelens aan het licht gebracht.

Het noodlot houdt lelijk huis. Het verblijf van twee jaar tussen de mestiezen in een arbeiderskolonie, waarin Ludwigs passie niet is gaan liggen, moet noodgedwongen verlengd worden: de Eerste Wereldoorlog verhinderen hem om terug te keren naar Duitsland.

De liefde zal deze nieuwe verwijdering in de tijd niet kunnen overbruggen. De hartstocht taant, de herinnering vervliegt, en Ludwig gaat door met zijn leven. Hij trouwt, krijgt kinderen, vestigt zich in Latijns-Amerika. Zweig schetst die evolutie overigens nogal bruusk.

Ludwigs gevoelens laaien eventjes op wanneer de Eerste Wereldoorlog is afgelopen. Hij schrijft de vrouw een brief en komt zo te weten dat haar man gestorven is. Maar eigenlijk is het goed zo. Ludwig heeft nu een florerend bedrijf, en zijn vroegere geliefde kan veilig gekoesterd worden als een goede vriendin.

Maar dan, na in totaal negen jaar, kan hij onverwachts terug naar Europa — hij moet voor een Amerikaanse firma in Berlijn over patenten onderhandelen. En het telefoontje dat hij de vrouw doet — hij wil haar een groet brengen — lijkt hem te zeggen dat er tussen hen tweeën op de keper beschouwd niets veranderd is.

Daarmee is Zweig bij zijn eigenlijke thema beland. Want kan de liefde het verstrijken van vele jaren overleven? Of is de angst voor goedkope nostalgie een terechte angst, en wordt de onschuld van het verleden door het heden vermoord? De eerste ontmoeting, door Zweig in prachtige zinnen gevat, belooft alvast veel goeds.

Odysseus, de honden in huis herkennen je, zal de bazin je ook herkennen? Maar op dat moment schoof ze de portière al opzij en kwam ze hem met uitgestoken handen tegemoet. Een ogenblik, terwijl hun handen elkaar vast bleven houden, keken ze elkaar aan. Een korte en toch magisch vervulde pauze van vergelijken, bekijken, aftasten, intens nadenken, van beschaamd geluk en blikken die het gevoel van geluk alweer verborgen. Toen pas ging de vraag over in een glimlach, de blik in een vertrouwelijke groet. Ja, ze was het nog, een beetje ouder weliswaar, links liep een zilveren lok door het nog altijd gescheiden haar, een zilveren glans die haar milde, vertrouwde gezicht nog iets stiller, iets ernstiger maakte, en hij voelde het verlangen van die eindeloze jaren, terwijl hij haar stem indronk, die zachte door een warm dialect zo vertrouwde stem, die hem nu begroette: ‘Wat lief van je dat je gekomen bent.’
Dat klonk zo zuiver en ongedwongen alsof er een stemvork was aangeslagen, nu vond het gesprek de juiste toon en houvast, vragen en vertellen gingen als de rechter- en de linkerhand over de toetsen welluidend en helder in elkaar over.
Het koppel neemt de trein naar Heidelberg. Een sentimental journey: het is de plaats waar ze beiden een jaar of tien geleden kort verblijf hebben gehouden, "nog vreemden voor elkaar, maar toch al bewogen door het vermoeden van hun geestelijke nabijheid".

Wat ze daar aantreffen schokt het liefdespaar, en de lezer, tot op het merg. Widerstand der Wirklichkeit heet het boek in het Duits, en de werkelijkheid barricadeert inderdaad elke wensdroom... Maar ook de Nederlandse titel, Reis naar het verleden, blijkt ineens een sinistere dubbele bodem te hebben.

Deze novelle bevat een aantal Midden-Europese elementen waar ik zeer gevoelig voor ben. Net als bij Joseph Roth kan de held van Zweig de zeden van een snel veranderende wereld niet aanvaarden, of zelfs maar bijhouden. Net als veel boeken van Sándor Márai draait Reis naar het verleden rond een ontmoeting die onder hoogspanning staat.

Zweig is hier alleen niet op zijn best. Hij plaatst de lezer voor voldongen feiten, in plaats van op gelijke voet met die lezer te ontdekken wat er gebeurt. Hij struikelt over zijn bijzinnen, en hij hanteert een toon die pathetischer is dan ik verdragen kan: "vurig", "begerig", "hunkerend", "rusteloos", "verlangend", "hijgend", dat werk. Komt daar nog een vertaling bij die — "Teleurgesteld in hun verwachting dankzij hun kaartjes eersteklas het rijk alleen te hebben" — niet zo best is.

Vroeger zou ik de protserigheid van Zweig aan de tijdsgeest van het Interbellum gewijd hebben. Inmiddels weet ik dat die veronderstelling niet klopt. Kort na Zweig las ik Happend naar lucht van George Orwell, een roman uit 1939, óók spelend aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, en dat is toch andere koek.

Blijft over: nagaan hoeveel Zweig uit zijn leven geput heeft voor dit verhaal. Weinig, zo blijkt. Zweig maakte de Eerste Wereldoorlog wel degelijk mee op het Europese vasteland. Hij heeft zich vrijwillig gemeld bij de Oostenrijkse oorlogspers. Het verloop van de oorlog maakte hem echter steeds meer pacifist en toen hij in 1917 van zijn dienst werd vrijgesteld, verhuisde hij naar het neutrale Zwitserland.

Zweig kwam ook pas ná het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Latijns-Amerika terecht, in 1940. Hij had toen al de Engelse nationaliteit aangenomen en strandde via Londen, New York, Argentinië en Paraguay tijdens een lezingentournee in Brazilië. In 1942 maakte hij daar met zijn tweede vrouw Charlotte Altmann een einde aan zijn leven. Altmann was zijn secretaresse — een machtsverhouding die opnieuw haaks staat op die uit Reis naar het verleden.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Zweig op Achille: Balzac

Stefan Zweig, Reis naar het verleden
159 p.
Uitgeverij Atlas, 2009
Oorspr. Widerstand der Wirklichkeit (1976)

Vertaald door Liesbeth van Nes
Gevolgd door de oorspronkelijke Duitse tekst


Stefan Zweig en Charlotte Altmann, op hun sterfbed (1942); foto via.

____

dinsdag 23 maart 2010

To have and to hold - Philipp Blom

Philipp Blom is bij ons bekend van De duizelingwekkende jaren, een boek over het Europa van net voor de Eerste Wereldoorlog. Nog niet vertaald is zijn aardige cultuurgeschiedenis van het verzamelen. Al is 'cultuurgeschiedenis' te veel eer voor een boek dat meer een portrettengalerij is dan een grondige synthese. Nu accordeert dat nevengeschikte karakter wel met het onderwerp. Immers, welke stijlfiguur past beter bij de verzamelaar dan de opsomming?

To have and to hold ontstond uit een bijdrage voor de Süddeutsche Zeitung. Aangemoedigd door onder andere Geert Mak breidde Philipp Blom zijn krantenstuk uit tot een boek.

Bloms fascinatie voor verzamelaars is goeddeels autobiografisch. In het inleidende hoofdstuk ‘Three old men’ spreekt hij over de mensen uit zijn kennissenkring die hem deden nadenken over de rol van verzamelen in iemands leven. Zijn overgrootvader was zo'n figuur. Willem Eldert Blom werkte zich via avondstudie op van timmermanshulpje tot een allround intellectueel die bij zijn dood een doctoraat Russisch op zak had, zeventien talen sprak en kon terugkijken op een zeer veelzijdig beroepsleven. De man liet een bibliotheek na met dertigduizend banden. Boekenkennis had hem, zoals zoveel verzamelaars, toegelaten de grenzen van tijd, ruimte, afkomst en opvoeding te overstijgen.

De verzameling als rariteitenkabinet
Philipp Blom begint ermee, in wat meteen zijn boeiendste bladzijden zijn, de oorsprong van het moderne verzamelen te situeren in het zestiende-eeuwse Italië. Dat land bruiste toen van de intellectuele activiteit, en het verschil met vroeger was dat de drijvende krachten geleerden en liefhebbers waren, geen priesters of oude filosofen. Men ging inzien dat wijsheid evengoed, of misschien zelfs beter, op de marktplaats te vinden was, als in de bibliotheek. Het aardse, het materiële mocht eindelijk de studiekamer binnen, en dat opende de deur voor het verzamelen als zelfstandige activiteit.

Voorheen, in de middeleeuwen, bleef verzamelen voorbehouden voor koningen, keizers en kerkvaders. Zij gaarden relieken en andere kostbare objecten bijeen. Uit die middeleeuwse schatkamers ontstond vanaf de veertiende eeuw langzaam een particuliere variant, de studiolo. Het verzamelen van kunst en kostbaarheden begon een tijdverdrijf te worden, en kon zelfs ontaarden in een allesverterende passie. Privacy, dat onlosmakelijk verbonden was met het idee van zelfstudie, onderscheidde deze particuliere collecties van de meer openbare verzamelingen van hoge lieden.

Wat deze veertiende-eeuwsers en vijftiende-eeuwers verzamelden werd wel nog altijd beschouwd als een getrouwe afspiegeling van de natuur, van de wereld buiten het verzamelcabinet. De echte wereld bleef het primaat. Verzamelen had nog niets te maken met de jacht op zeldzaamheden en curiositeiten die een hoge vlucht zou nemen in de zestiende en zeventiende eeuw.

In de zestiende en de zeventiende eeuw veranderde de mentaliteit. De wereld bleek veel groter dan gedacht. Nieuwe continenten werden ontdekt en bereisd, de macrokosmos werd in kaart gebracht via de telescoop, de microkosmos via de microscoop. Europa stapte uit de schaduw van de oudheid. Men besefte dat de antieken veel over het hoofd hadden gezien. Met het prille ontluiken van een wetenschappelijke attitude in de Renaissance besefte de geleerde dat hij zijn behaaglijke salon uitmoest, de dingen voor zichzelf moest zien. Tegelijk kwam de wereld dichterbij. Vooral in de Nederlanden, wier handelsbetrekkingen liepen van de Baltische Zee tot de Indië, kwamen exotische spullen binnen, via de havens van Amsterdam en Rotterdam.

Why was it during the sixteenth century that Europe experienced its first explosion of collecting activity, indeed the first collecting activity not limited to a handful of people known since Roman times?
The answer, it seems, lies partly in this world and partly in the next. The worldly explanation is that the expansion of knowledge in the sixteenth century necessitated new responses, new approaches to new phenomena. Scholars across Europe explored the macrocosm through the telescope and the smallest things through the microscope. Technological innovations, such as the printing press, advances in ship building and navigation facilitated trade across the globe and brought more and cheaper wares to Europe. At home, a more sophisticated banking system smoothed the exchange of goods. With trading empires such as the Dutch and Venetian republics came unprecedented wealth, another crucial factor for a flourishing collecting nature. In order to take objects out of circulation or to devote oneself to finding useless things, one has to be able to afford the time and resources to do so.
In een meer geseculariseerde wereld werden mensen zich ook bewuster van hun eigen sterfelijkheid. Als de dood het einde betekende, een onherroepelijk verlies van het leven, en niet een onderdeel van de eindeloze cyclus van Gods schepping, dan was het normaal dat de focus verschoof richting materiële wereld, naar het hic et nunc. Zelfbewuste burgers gingen belang hechten aan materiële goederen. In de kunst kwam het genre van het portret en het stilleven tot bloei.
Together with these earthly revolutions [cf. supra, AvdB], though, another, less palpable, one was occuring, a change in the perception of death and the material world. Medieval Christians were forced to choose either to love the physical world and the pleasures in it and suffer eternal damnation, or to renounce it in favour of heaven — for little it profit a man if he gain the whole world but lose his own soul, as the gospel put it. From the perspective of the faithful, death was a transition, a moment of reckoning marked by public spectacle and common ritual. Even for those few able to afford it, accumulating objects without immediate use was acceptable only if they were in accordance with this conception of the world: relics and works of beauty, glorifying God. We do not know of any collections of plants, stones or animals during this time, though individual pieces with seemingly otherwordly properties such as ‘dragon bones’, usually fossils, often found their way into the treasuries of Church and nobility.
By the increasingly secular and capitalist 1500s attitudes to mortality and to worldly goods had changed. A heightened awareness of the impending end dominated poetry and art, as witnessed by the innumerable vanitas still lifes that were part of every wealthy home. In every one of them, the seductive beauty of the here and now is contrasted with its inherent decay. Every blossom was seen to contain the germ of putrefaction, and on every canvas the passage of time was counted down by hourglasses, skulls or burning candles among the sumptuous displays of fruit, precious objects or beautiful flowers.
Zo ontstonden het kunst- en later het rariteitenkabinet. Het woord 'kabinet' sloeg aanvankelijk op het opbergmeubel waarin deze voorwerpen verzameld werden. Mettertijd ging men de kamer waar de 'rariteiten' opgeslagen waren kabinet noemen, en tenslotte omvatte het woord kabinet de hele verzameling. De Kunstkammer bevatte schilderijen, kostbare munten, edelstenen en antiquiten. Toen deze verzameling niet meer volstond om de eindeloze mogelijkheden te weerspiegelen die de wereld bood, was er een verfijndere verzameling nodig: de Wunderkammer.

De kunst- en rariteitenkabinetten vonden vooral ingang in Nederland in de zeventiende eeuw. De plotse populariteit was vooral te verklaren door de inwijking van handelaars en intellectuelen uit de Zuidelijke Nederlanden na de val van Antwerpen in 1585, en, zoals gezegd, door het contact van Hollandse handelaren met exotische tropische oorden. Onder 'rariteiten' werden zeldzame voorwerpen verstaan die meestal waren ingevoerd vanuit de kolonies. Dat konden vreemde schelpen, exotische dieren en planten zijn. De 'kunstcollectie' omvatte vooral schilderijen, waarvan Nederland in zijn Gouden Eeuw een enorme productie had. Het calvinisme stond mensen niet toe om hun rijkdom uit te dragen in het straatbeeld, maar binnenskamers mocht het blijkbaar wel.

Toch moet Blom de Nederlandse grens over voor zijn meest fascinerende voorbeelden. Hij noemt de 'ark' van de Britse natuurvorser John Tradescant de Oude in 'An ark abducted' als een van de prototypes van het rariteitenkabinet. Blom maakt daarnaast melding van het Kunstschrank van Philipp Hainhofer. Dat was niet zomaar een kast met rariteiten maar een heuse "encyclopedie in objecten"; geen meubelstuk maar een "metafysisch manifest" in 3D, waarvan elk object zijn plaats had in Gods schema. Merk inderdaad op dat er in die dagen nog geen onderscheid werd gemaakt tussen ‘artificieel’ en ‘natuurlijk’.

Dan, in het hoofdstuk ‘A melancholy ailment’, wordt de Wunderkammer van het Praagse hof bezocht, waar Rudolf II tal van maniëristische kunstenaars (Von Aachen, Spranger, Archimboldo) en occulte geleerden (John Dee) rond zich verzamelde. Blom legt uit dat alchemie in de zestiende eeuw nog werd gezien als wetenschap op het scherp van de snee. Van alchemisten en magiërs werd verwacht dat ze het alfabet van het leven ontcijferden, een taak die qua prestige te vergelijken is met het DNA-onderzoek tegenwoordig.

In ‘The exquisite art of Dr Ruysch’ belicht Blom een ander soort verzameling waarmee later, in de zeventiende eeuw, getracht werd de geheimen van de goddelijke schepping te ontrafelen: de collectie menselijke lichamen die in het theatrum anatomicum werden opgesneden.
Anatomists and other daring to make the human body not only subject but also object of the collecting passion have staged some of the most dramatic productions in the theatre of memories. While collectors in Italy dramatized nature and art, and while Rudolf II acted out his own inclination towards melancholy as a cosmic drama, the men pictured in this group portrait and those who shared their passion went further than anybody else by putting on stage the last frontier of an increasingly secular world: mortality. By collecting and investigating parts of human bodies in the name of science they dropped, reluctantly at times, the last meditation between the human condition and the material world by focusing on the fact that bodies could themselves be objects, dead matter. Always in part a striving for eternity, for memory, and for transcending the death, collecting was put before the public here more naked than at any other time. Public dissections of criminals were seen as recognized form of entertainment and as a part of the sentence spoken over them, a posthumous punishment, part grizzly spectacle, part moral drama, part revelation, and were performed throughout Europe.
To have and to hold bespreekt het werk van de grote Nederlandse anatoom Frederik Ruysch. Ook zijn anatomische lessen waren niet in strijd met de leer van de calvinistische kerk: de dissectie van lijken van misdadigers en armelui werd gezien als een morele les.

De verzameling als studieobject
Waarna Blom stilaan toewerkt naar een nieuwe belangrijke evolutie: de versmelting van de particuliere kunst van het verzamelen enerzijds en de meer systematische wetenschapsbeoefening anderzijds. Uit dat samengaan zou namelijk een nieuw instituut ontstaan dat we vandaag nog steeds kennen: het museum. ‘The curious old gentleman’ portretteert Hans Sloane, die met zijn verzameling manuscripten, tekeningen, prenten, drukwerk, munten, antiquiteiten, (edel)stenen en wiskundige instrumenten, de basis legde voor het British Museum.

Sloane was allicht de laatste universele collectioneur. De Verlichting kwam eraan, en men ging op een wetenschappelijk verantwoorde manier verzamelen. De verzameling kreeg een systematisch karakter, met een onderverdeling in rubrieken. Het bijeenbrengen, dat in het rariteitencabinet van de zestiende tot de achttiende eeuw vooropstond, maakte plaats voor het rangschikken. Een verzameling moest nu vooral representatief zijn. Duplicaten waren niet meer gewenst. Alles verzamelen was sowieso onzinnig geworden. De wereld was gewoon te groot. De studie van die wereld diende onderverdeeld in disciplines, beoefend aan gespecialiseerde academies.

Geneeskunde was zo'n discipline die een gespecialiseerde collectie studieobjecten behoefde. Als voorbeeld mag Frans Joseph Gall (hfdst. ‘Angelus novus’) gelden. Hij was een pionier in de studie van het lokaliseren van mentale functies in het brein, en een grondlegger van de frenologie. In die hoedanigheid had hij een indrukwekkende verzameling menselijke schedels en gipsafdrukken onder zijn hoede.

Ook hier is er een verschuiving in mentaliteit te zien. De anatomische collecties van hospitalen en universiteiten (Blom geeft als voorbeeld de verzameling preparaten in de Narrenturm in Wenen, de eerste psychiatrische kliniek) drukten de mens met de neus op zijn sterfelijkheid. Net zoals de anatomische lessen — akkoord. Maar er gaapt een ideologische kloof tussen de voornoemde preparaten en de lijken van Frederik Ruysch. Terwijl het werk van de Nederlandse anatoom nog gratie had, en een hoger doel, waren collecties als deze in de Narrentrum helemaal verstoken sentiment, en bedoeld om nuchter te bestuderen.

De verzameling als tentoonstelling
Hoewel het een particulier uit Amerika was die het eerste gebouw liet optrekken dat bedoeld was als museumruimte — Charles Willson Peale (hfdst. 'The mastodon and the taxonomy of memory’) — kwam het museumwezen pas goed tot bloei in het negentiende-eeuwse Europa, toen de pasgeboren natiestaten de noodzaak voelden om het nationale verleden en een collectieve mythologie gestalte te geven.

Het hoofdstuk ‘The greatness of empires’ gaat dieper in op die ontwikkeling. In de negentiende eeuw groeide opnieuw het geloof in verzamelingen als een weerafspiegeling van de wereld, als instrument om die wereld en de rol van de mens daarin te begrijpen. Men begreep ook dat een museum via een uitgekiende presentatie elke willekeurige opvatting kon onderstrepen. Musea werden daarom ingezet om de imperiale ambities te rechtvaardigen. Verzamelingen dienden niet langer een wetenschappelijk doel — onderzoek — maar hadden in de eerste plaats een instructief doel: mensen bewust laten worden van een gedeeld verleden.
During the nineteenth century, burgeoning museums were thrown into a series of curiously ill-matched marriages: young states wanted long ancestries and tried to invent them spiritually if they could not establish them practically. At the same time the finest achievements of the arts had to be displayed as scientifically as possible; the all-dominating spirit of rationalism, commerce and inquiry was attempting to establish its own mythology.
Many museums throughout Europe set out to achieve what the great Vienna museums were to proclaim in their very architecture: completeness and universality. Rooms filled with plaster casts at the Victoria & Albert Museum still remind visitors that what was not actually there could be recreated in order to show the public all that was great in art, but during the nineteenth century the British Museum, too, filled the gaps in its ranks of Greek and Roman sculpture with plaster casts of great masterworks.
In their new public function, museums assumed the roles of public educator and arbiter of taste and knowledge with the whole-hearted ferocity of a Victorian missionary bringing to childlike natives the gospel and the rules of cricket. As empires expanded into increasingly remote parts of the globe it was felt necessary to display the spoils of this new-found power at home, arranged in a Darwinian, or even Hegelian, progression of civilizations and human types from the primitives who had been found in a pitiful state and blessed with the gift of Christian progress to the very pinnacles of this culture, which happened to coincide (depending on the museum’s location) with the life and horizons of the British ruling class, of German Protestantism, of the newly restored French monarchy, or of the liberty of the Americans.

De kunstenaar in zijn museum (detail), zelfportret van Charles Willson Peale, 1833; afbeelding via Wikipedia.

Toch verliep de overgang van private collecties naar nationale musea traag. Blom toont aan hoe lastig het was het Louvre, van oorsprong een koninklijk paleis, om te turnen tot een museum. Er kwam pas schot in de zaak in 1804, toen Napoleon Vivant Denon aanstelde als directeur van het nieuwe Musée Napoleon in de gebouwen van het Louvre. De kunstwerken van Napoleons verzameling waren voor een groot deel afkomstig uit de Franse koninklijke collectie, aangeslagen kastelen, ontwijde kerken en opgeheven kloosters. Lees: geroofd of onder dwang afgestaan. Beroemd is de buit die voortkwam uit Napoleons Egyptische expeditie in 1798.

Denon bracht die collectie bij elkaar, vulde hiaten op, en, uniek voor die tijd, presenteerde de kunstwerken op een doordrachte manier: systematisch, in de geest van natuurvorsers als Carl Linnaeus en (zijn opponent) Buffon. Door vergeten werken aan een breder publiek te tonen en te catalogeren verkregen zij weer allure. De Franse museumstaf ontwikkelde ook nieuwe restauratietechnieken om de werken te verdoeken of van hout op doek over te brengen. Men begreep dat de geëtaleerde collectie van groot cultureel belang was en in stand moest gehouden te worden.

Terwijl in de negentiende eeuw de grote Europese naties hun erfgoed in de vitrinekast begonnen te zetten, keek vanover de Atlantische oceaan een bepaald slag mensen aandachtig mee naar wat er op het oude continent gebeurde. Mensen met geld. In ‘An elevator to the heavens’ kiest Blom J. Pierpont Morgan en William Randolph Hearst uit als voorbeelden van Amerikaanse moguls die Europa beroofden van talrijke kunstschatten.

De machtige bankier J.P. Morgan stond tijdens zijn leven bekend als verzamelaar van boeken, schilderijen en andere objecten. Veel hiervan leende of schonk hij aan het Metropolitan Museum of Art, waarvan hij zelf president was. Ook stonden veel van zijn verzamelde werken in zijn huis in Londen en zijn privébibliotheek in New York. Uit de Pierpont Morgan Library groeide het huidige Morgan Library and Museum. Krantenmagnaat William Randolph Hearst begon in 1919 met de bouw van Hearst Castle, een immens landgoed in het dorpje San Simeon halverwege Los Angeles en San Francisco. Het hoofdgebouw was opgetrokken uit een ratjetoe van stijlen ("in what was later called the Bastard-Spanish-Moorish-Romanesque-Gothic-Renaissance-Bull-Market-Damn-the-Expensive Style"). Daarnaast had Hearst uitgebreide magazijnen waar een immense hoeveelheid in Europa opgekochte kunstschatten (tot volledige gedemonteerde gebouwen toe) stonden te verstoffen. [zie verder mijn bespreking van de roman De nacht in van Olaf Olafsson]

Kunsthandelaren als Joseph Duveen waren belangrijke schakels in dit gebeuren. Zij waren het die nieuw Amerikaans geld in contact bracht met oude Europese kunstschatten. Bedoeling was de kopers te doen geloven dat ze een soort Medicis waren — dat ze via hun aanschaffen ook onsterfelijkheid kochten, want deel gingen uitmaken van een prestigieuze stamboom van vorige bezitters.

De verzameling als geheugenpaleis
In het laatste derde van To have and to hold gaat Philipp Blom dieper in op de psychologische aspecten van het verzamelen. Het hoofdstuk ‘Why boiling people is wrong’ behandelt het verzamelen van objecten als poging om direct fysiek contact met het verleden te verkrijgen, en de handel in relikwieën in het bijzonder. En daarmee belanden we onvermijdelijk in de katholieke Middeleeuwen.
Many religions venerate relics, and they are important in some Buddhist traditions, but nothing can equal Christian fervour in this respect. Being an important part of Christian worship, relics were treated very seriously by theologians. Scholastic writers classified relics into reliquiae insignes, those that included either the entire corpse or at least head, arms or legs, and reliquiae non insignes, lesser relics. The division was carried further when the faithful came to distinguish between notabiles, large and significant body parts, and exiguae, such as fingers and teeth. Even today, the relics of the Catholic Church are officially classified as being first calls, i.e., insignes, second class, exiguae, and third class, i.e., objects merely touched by or belonging to a saint.
Blom noemt Suger van St. Denis. Hij was de abt van de abdij van Saint-Denis en raadgever van Lodewijk VI. De onder zijn leiding en volgens zijn ideeën uitgevoerde verbouwing van het koor van de abdijkerk, die ook de Franse koningsgraven herbergt, geldt als het begin van de gotiek. Daarnaast was hij een van de grootste reliekjagers van de elfde eeuw.

Later, nadat de kruisvaarders het Midden-Oosten hadden ontsloten, bloeide de handel in relieken pas echt. Wanneer eminente of heilige mannen stierven in den vreemde werd het vlees van hun botten gekookt (volgens de technieken van de kruisvaarders), waarna de botten meegenomen werden naar huis. Dat een heilig bot of been niet te onderscheiden was van dat van een gewone sterveling, daar deden handelaren hun voordeel mee.

Een van de zenuwknooppunten van de relikwiehandel was Constantinopel. Maar ook in West-Europa was er een markt voor. Naar verluidt werd Franciscus van Assisië toen deze zijn einde voelde naderen onder permanent bewaking gesteld, opdat gauwdieven uit het naburige en vijandige Perugia hem niets afhandig zouden kunnen maken.

Het valt de lezer moeilijk om dat soort verhalen niet met meewarigheid te lezen. En toch, zegt Blom, is het koesteren van relieken een krachtig mechanisme, dat teruggaat tot de bakermat van onze beschaving, waar magie, fetisjen, totems en scalpen een belangrijke rol speelden. Wie, schrijft hij, kan onberoerd blijven wanneer hij de viool van Mozart in zijn hand houdt, een manuscript van Shelley, de pantoffels van Churchill, een basebal met handtekening van Babe Ruth?
Ancestor cult is one of the very oldest forms of religious observance and evidence of it dates back to the earliest finds of human cultural activity. Even the mightiest regimes and ideologies have been powerless to eradicate it while others, such as Stalin’s USSR, found it expedient to encourage it. No amount of atheist rationalism, though, has been able to expunge it altogether; when the Red Guards smashed China’s great heritage during the Cultural Revolution, even the zealous mobs of youngsters driving the destruction did not dare lay a finger on the tombs of the Ming emperors, wich still stand today as they were hundreds of years ago, protected by an avenue of mythical beasts in stone, untouched by the hammers of ideology, staring at the visitors, exactly as the did centuries ago.
'Three flying ducks’ signaleert, voor het eerst eigenlijk in To have and to hold, hoe gewone, niet noodzakelijk welbemiddelde mensen een degelijke verzameling kunnen aanleggen. Dat kon natuurlijk pas toen massagoederen op de markt kwamen. Bloms hoofdstuk gaat dan ook over kitschobjecten, die hij definieert als goedkope imitaties van dingen die werkelijk waarde bezitten.
Het woord 'kitsch' werd voor het eerst gebruikt door kunsthandelaren in München rond 1870. Ze zochten manieren om hun producten te verpatsen aan niet-Duitssprekende kopers die verzochten om een goedkope ‘sketch’, ‘schets’, van het authentieke product. Kitsch is gedomesticeerde kunst — kunst of kunstobjecten getemd om binnenskamers bij gewone burgers te kunnen aarden. Kitsch is gezellig, want verkleint de grote dramatische momenten van het leven tot postkaartformaat.

Interessant is Bloms terloopse opmerking dat het idee van 'de verzameling compleet hebben' pas kon ontstaan in tijden van massaproductie. Voorheen kon niemand de illusie koesteren 'de volledige set' te bezitten. Verzamelobjecten waren nu eenmaal zeldzaam, of uniek, en raakten makkelijk versnipperd.

Het hoofdstuk ‘A theatre of memories’ gaat over de functie van de verzameling als geheugenpaleis: het cultiveren van musea of denkbeeldige musea om het geheugen te ontwikkelen door de te onthouden stof te dramatiseren. De Britse historica Frances Yates wijdde haar beroemde boek The art of memory aan dit fenomeen. De 'geheugenkunst' — men leert dingen uit het hoofd door middel van een mnemotechnische bruggetje waarbij sleutelbegrippen aan plaatsen en beelden worden gelinkt — gaat terug tot de tijd van de oude Grieken. In de eeuwen vóór de boekdrukkunst was een geoefend geheugen van vitaal belang, en de manipulatie van beelden in het geheugen raakte tot op zekere hoogte de hele psyche.

Cicero beschouwde in zijn De oratore het vermogen om te onthouden als een van de vijf onderdelen van de retorica, en ook in een andere beroemde verhandeling over redenaarskunst, Quintilianus' Institutio oratoria, komt het fenomeen voor. Om een reeks plaatsen in het geheugen te formeren, zegt Quintilianus, moeten wij ons een huis in gedachten nemen, en wel een zo ruim en gevarieerd mogelijk gebouw, met een voorhof, een huiskamer, slaapkamers en zitkamers, en niet te vergeten standbeelden en andere ornamenten waarmee de kamers zijn gedecoreerd. De beelden waarmee de redevoering wordt onthouden zetten we in onze verbeelding op die plaatsen die we ons in het huis in het geheugen hebben geprent. Hierna worden, zodra we ons de feiten weer voor de geest willen roepen, al deze plaatsen om beurten bezocht en de verschillende deposito's van hun bewakers teruggevraagd. We moeten de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw beweegt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. De methode garandeert dat de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde worden onthouden, omdat de volgorde is vastgelegd in de opeenvolging van plaatsen in het huis.

Blom zelf heeft het over Giulio Camillo Delmino, een van de beroemdste mannen van de zestiende eeuw. Camillo besteedde bijna heel zijn leven aan zijn theater, een houten bouwsel, dat hij in opdracht van de Franse koning Frans I mocht construeren. Vermoedelijk was het een soort renaissancekastachtig bouwwerk, halfcirkelvormig, zodat twee volwassen mannen er voor of in konden staan. De vorm was geïnspireerd op de Vitruviaanse architectuur. Een andere beoefenaar van de geheugenkunst Sir Thomas Browne, die met zijn Musaeum Clausum or Bibliotheca Abscondita een van de grote catalogi maakte van de zeventiende eeuw.

Een extreme toespitsing van de verzameling als extern geheugen is wanneer die verzameling het laatste overblijfsel is van de verzamelaar — wanneer de verzamelaar door zijn verzameling onsterfelijk wordt.

Zo beschrijft Blom in ‘Leporello and his master’ de nadagen van Casanova. In 1785 moest Casanova, straatarm geworden was, het reizen opgeven. De beroemde rokkenjager werd bibliothecaris van de Hertog van Waldstein in het kasteel van Dux in de Bohemen (nu Duchcov in Tsjechië). Daar besteedde hij zijn laatste levensjaren aan het schrijven van zijn memoires. Op die manier redde Casanova zijn verzameling vrouwen van de vergetelheid en werd hij zelf onsterfelijk. Blom onderzoekt onder meer de link tussen Casanova en de catalogusaria van Don Giovanni. Casanova zou mogelijk suggesties gegeven hebben aan librettist Lorenzo Da Ponte voor de opera van Mozart. Verder is er aandacht voor de erotische implicaties van het bezitten van een verzameling.

Sommigen maken bij leven al een soort graftombe voor zichzelf en hun werk. Sir John Soane (hfdst. 'Mr Soane is not at home') was een Engelse architect die gespecialiseerd was in het Brits neoclassicisme. Hij kreeg het voor elkaar om de uiteenlopende invloeden van Giovanni Battista Piranesi, Robert Adam en de Engelse barok met elkaar te verenigen. Soane zag zijn huis als een Gesamtkunstwerk en stouwde het vol met tekeningen, antiquiteiten en maquettes.

Soanes huis is nu een museum — zijn verzameling werd dus gered voor het nageslacht. Dat een verzameling intact blijft na de dood van de verzamelaar is echter verre van zeker. Het levenswerk van de eerder besproken Vivant Denont, de beheerder van de kunstcollectie van Napoleon, werd vernietigd toen het tweede Verdrag van Parijs, opgesteld in 1815 na de definitieve nederlaag van Napoleon in Waterloo, bepaalde dat alle roofkunst diende terug te keren naar de rechtmatige eigenaars. Toen Talleyrand protest aantekende, stuurde Paus Pius VII zijn beeldhouwer Antonio Canova naar Parijs om teruggave te verkrijgen van alles wat uit het Vaticaan geroofd werd. De Pruisen lieten alles in beslag nemen waarop zij recht op meenden te hebben. De Oostenrijkers eisten alle kunstwerken op die uit de Oostenrijkse gebieden waren geroofd, inclusief Venetië en vrijwel geheel Noord-Italië. Enzovoort.

Ook Sir Thomas Phillipps (hfdst. ‘A veritable vello-maniac’), een van de grootste boekengekken ooit, trof het niet met zijn verzameling. Zijn Bibliotheca Phillippica raakte versnipperd toen hij niet op tijd zijn testament had weten te maken. Pogingen van Harvard en de British Library om de collectie in zijn geheel op te kopen, strandden. Van Philipps' kolossale boekenverzameling resten slechts de catalogi.

Persoonlijke appreciatie
Onlangs werd er in mijn streek een leraar aangehouden toen er op zijn computer anderhalf miljoen plaatjes en duizenden filmpjes met kinderporno werden aangetroffen. Kranten waren er als de kippen bij om dit cijfermateriaal te vermelden. Met die aantallen suggereren ze ergens dat het hier om een extremere pedofiel ging dan iemand die een paar honderd plaatjes en filmpjes had gedownload. Het voorval — waarbij twee ziektebeelden, dat van de pedofiel en de dwangmatige verzamelaar, op een hoop worden gegooid — deed me beseffen dat Blom het in zijn boek nergens heeft over de technieken die het aanleggen van een verzameling mogelijk maken of zelfs in de hand werken. Met de digitale opslagcapaciteit van tegenwoordig en het gemak dat downloadmanagers bieden, zijn we ondertussen allemaal verzamelaars geworden. Van foto's, bestanden, teksten, filmpjes, muziek. Niets daarover bij Blom.

Maar To have and to hold mist nog op een andere manier de aansluiting met de eenentwintigste eeuw. Ons tijdperk is het eerste waarin verzamelen volledig geautomatiseerd kan gebeuren, via webcrawlers. Het meest tot de verbeelding sprekende bedrijf van de laatste jaren, Google, heeft van het verzamelen van alle informatie ter wereld zelfs zijn mission statement gemaakt. Google is in wezen een zeer autoritaire verzamelaar, maar slaagt er niettemin in zich aan de buitenwereld te verkopen als een wilde weldoener die haar collecties kostenloos aanbiedt en ontsluit. Blom heeft het anno 2002 niet over zoekmachines, en dat maakt To have and to hold ineens tot een ouderwets, zelfs weemoedig boek.

Verder mis ik toch wat synthese. Blom komt aanzetten met een portrettengalerij, waardoor zijn boek per definitie een willekeurige indruk maakt. Een andere auteur had andere voorbeelden gekozen — ik had zelf Eugène Atget willen zien opduiken — of een paar clichés ingeslikt. In het enige hoofdstuk dat ik goed kan inschatten, recycleert Blom twee overbekende sleutelteksten, 'Ik pak mijn bibliotheek uit' van Walter Benjamin en 'De bibliotheek van Babel' van Jorge Luis Borges. Hij komt hij niet verder dan de basale notie dat een bibliotheek niet zomaar een stapel boeken is, maar dat alleen wordt als die collectie doorzoekbaar is gemaakt volgens een bepaalde logica.

Over wat verzamelaars drijft, schrijft Blom uiteindelijk een opvallend kort hoofdstuk, ‘Anglers and utopias’, waarin hij verzamelen bij uitstek een mannelijke bezigheid noemt. Collectioneurs moeten houden van de jacht en de competitie: het belangrijkste exemplaar van de verzameling is waar de verzamelaar nu achteraanzit, het exemplaar dat de honger gaande houdt. Tegelijk laat een verzamelaar zich een leven lang vrijwillig opsluiten in een wereld van voorspelbare patronen. Wie de orde van een verzameling liefheeft, kan misschien moeilijk overweg met de complexiteit die gepaard gaat met het onderhouden van een sociaal leven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide, selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> lijst van verzamelaars in de commentaren hieronder

Philipp Blom, To have and to hold
An intimate history of collectors and collecting

273 p.
Uitgeverij The Overlook Press, 2003
Oorspr. (2002)

____

Related Posts with Thumbnails