Ergens in de prehistorie heb ik De passie (1987) gelezen. Met veel plezier: ik herinner me dat boek te hebben begroet als het vrouwelijke antwoord op Het parfum (1985). In de volgende boeken van Jeanette Winterson heb ik allicht zitten zoeken naar reminiscenties van De passie. Maar Gut-Symmetrie, Sinaasappels en demonen en Vuurtorenwachten draaiden om andere dingen, die ik vaak niet begreep. In Kunstobjecten lees ik voor het eerst wat Winterson wil dat we zoeken in boeken.
Kunstobjecten (de Nederlandse vertaling van het onvertaalbare Art objects) is, naast een verzameling essays, ook te beschouwen als een ronde kring van pamfletten die de lezer willen insluiten in hun eigen grote gelijk. De toon van Jeanette Winterson is die van een schrijver die zich ten overstaan van de maatschappij moet verantwoorden voor haar individualiteit.
Winterson verdedigt haar modernistische voorkeuren in een literair klimaat dat volgens haar wordt bezoedeld door naar negentiende-eeuws model geschreven romans; ze legt uit waarom haar vrouw-zijn niet essentieel is voor haar werk; en ze hamert erop dat haar lesbische geaardheid op zich niets bijbrengt om haar werk te begrijpen.
Soms doet ze dat met woorden die een maatje te groot zijn, getuige alleen al die afdelingen, met titels als 'Transformatie' en 'Extase en energie'. Maar in elk opstel van Kunstobjecten zijn veel nuttige ideeën te vinden, die ook nog eens uitstekend geformuleerd worden.
De schrijfster verwacht nogal veel van kunst en kunstenaars. Voor haar herinnert kunst ons te midden van de alledaagse onbeduidendheid aan de spirituele aspecten van het leven. Dat is echter niet mogelijk als kunst slechts een weerspiegeling is van het echte leven. Kunstobjecten is een pleidooi in verschillende staties voor beroezende kunst — kunst die de weg opent naar andere realiteiten dan de gangbare, naar andere persoonlijkheden dan deze die de samenleving ons opdringt.
We beleven onszelf voornamelijk aan de hand van een eindeloze reeks verhalen die we onszelf vertellen en die ons door anderen worden verteld. De zogenaamde feiten van onze individuele werelden zijn in hoge mate gekleurd en willekeurig en sluiten helemaal aan bij de fictie die we toevallig voor waar aannemen. We hebben een verhaal nodig, een alibi om de dag mee door te komen, maar wat gebeurt er als ons verhaal onze bijbel wordt? Als we niets meer herkennen dat buiten onze eigen realiteit valt? We moeten ervoor oppassen dat we niet vervallen tot een constante zelfcensuur, waarbij we alles wat niet strookt met ons wereldbeeld verwerpen of zozeer afzwakken dat het ons niet meer hindert. Tegen deze zelfopgelegde geestelijke beperkingen komt onze eigen verbeeldingskracht in opstand, en deze wijst ons op een innerlijk leven dat vaak geheel in strijd is met de uiterlijke vormen die we uit alle macht proberen in stand te houden.
Fel van leer trekt Winterson tegen de leer van het realisme. Wil de romanliteratuur blijven voortbestaan, dan zal ze meer moeten doen dan een verhaal vertellen. Romans als een soort gedrukte televisieserie zijn volstrekt overbodig, vindt ze, intriges op zich zeggen haar niets. Een romanschrijver moet morrelen aan ons afgevlakte dagelijkse taalgebruik en moet spelen met verhaalstructuur. Hij moet wedden "op wilde paarden", hetgeen hem onderscheidt van de academicus die niet wedt op wilde paarden, maar "de deugden roemt van knollen die hun wilde haren allang hebben verloren."
Taal, en de precisie van taal, brengen Jeanette Winterson in extase. De geneugten van een goeie roman vergelijkt ze ergens met de effecten van LSD. De hele bundel door heb ik me zitten afvragen waar de behoefte van Winterson vandaan komt om literatuur gelijk te schakelen met een soort hogere geestelijkheid. Tót de bijbelvastheid van
Sinaasappels en demonen me weer te binnenschoot, en het opstel 'Kunst & leven' achteraan de bundel mijn vermoedens bevestigden.
De adoptieouders van Winterson waren lid van de pinksterbeweging, een stroming binnen het christendom die sterk de nadruk legt op de Heilige Geest, die de discipelen van Jezus Christus volgens de Bijbel op de Pinksterdag ontvingen. Kleine Jeanette groeide op zonder te weten dat taal ook voor dagelijks gebruik was. "Ik groeide op met het Woord en het Woord was God." Het lezen van literatuur werd haar verboden, dus verstopte ze haar boeken onder de matras.
Literatuur, en dat was voor mij herkenbaar, werd een manier om de bekrompenheid van het arbeidersmilieu te overstijgen. In boeken vond ze "de ideale ruimte en die ruimte geeft je als lezer de mogelijkheid om je te bevrijden van de ongemakken van de zwaartekracht." Ik zeg niet dat literatuur voor Winterson nu een surrogaat is voor religie, maar allicht is het wel een manier om het spirituele gat te vullen dat in haar ziel werd geslagen tijdens haar jeugdjaren.
Smaak en gemeenplaatsHet essay 'Kunstobjecten', waar het boek mee aftrapt, focust dan wel op beeldende kunst, maar is evengoed toepasbaar op de literatuur. Het gaat over hoe we relaties aangaan met een kunstwerk en hoe moeilijk dat is. Wie kan er een uur lang naar een schilderij kijken, zonder weg te dromen, en zonder zich te laten sturen door de catalogustekst? Aan wie ligt dat? Zegt dit schilderij me niets, of heb ik het schilderij niets te zeggen? Kijk ik naar dit doek, of zet dit doek me te kijk?
Een goed schilderij, en bij uitbreiding een goed boek, zegt Winterson, verzet zich tegen gebrek aan concentratie. Het probleem is dat aandacht je niet automatisch overvalt tijdens een museumbezoek. Integendeel.
Wanneer schilderijen als een film aan je voorbijtrekken, buiten hun context, zonder samenhang, als een ratjetoe, wanneer ze te literair worden gepresenteerd met hun ellenlange begeleidende commentaar en te dicht opeengepakt hangen, pal naast elkaar, zaal na zaal, is het niet gemakkelijk om verliefd te worden. Liefde heeft tijd nodig.
Er zijn geen shortcuts, zegt Winterson. De enige manier om smaak te ontwikkelen is... door smaak te ontwikkelen. In feite hoef je iets niet eens mooi te vinden om er de waarde van in te zien, maar het kost jaren om zo’n niveau van zelfbewustzijn en verfijning te bereiken. Voor kunstbeleving zijn dan ook tijd en geld nodig.
Maar dat maakt kunst nog niet elitair. Reken maar uit hoeveel tijd u doorbrengt voor de televisie of in de doe-het-zelfwinkel en hoeveel uw nieuwe schotelantenne of pc hebben gekost. Wat kunstbeleving vooral in de weg staat, is onze angst om er de confrontatie mee aan te gaan. Een goed schilderij roept een andere, verontrustende wereld op, die we graag willen ontkennen. We zijn bang van onze verbeelding. Daarom bagatelliseren we kunst.
We horen voortdurend over de arrogantie van de kunstenaar maar bijna nooit over de arrogantie van het publiek. Het publiek, dat part noch deel heeft gehad aan het scheppende werk en geen risico’s heeft hoeven nemen, het publiek waarvan leven en bestaansmiddelen niet voortdurend onlosmakelijk zijn verbonden met hetgeen ze maken, dat nooit heeft stilgestaan bij het medium of de methode, zal even opkijken, vluchtig doorbladeren, door de beginakkoorden heenkletsen, om vervolgens met zijn vingers te knippen en weg te lopen als een beestachtige Romeinse tiran.
Een andere manier om de essentie van kunst te ontkennen is haar
vertrouwd te maken. Kunst wordt canon, wordt kunstgeschiedenis. We warmen ons aan de gloed van de traditie, zonder de link met het heden te zien. Rebellie verandert in gemeenplaats, en wordt zelfs richtlijn voor latere generaties. Wat ooit nieuw was, wordt ingelijfd bij onze traditionele waarden. Zouden trouwe liefhebbers van Constable zijn werk in 1824 ook hebben gewaardeerd, toen het in de Salon van Parijs grote opschudding veroorzaakte? Eens een pionier hangt Constable nu getemd in een museum.
Wie begrijpt in de dierentuin wat de leeuw bezielt?
Waarna we met het essay 'Schrijver, lezer, woorden' bij de literatuur zijn aanbeland. Daarin vertelt Jeanette Winterson hoe ook goede boeken een nieuwe invulling geven aan het leven, haar grenzen verleggen, de "omheining rond haar hart" omverwerpen.
Victorianen en modernistenTenminste, boeken die op zichzelf staan, en die vindt Winterson vooral bij de de grote modernisten uit de periode 1900-1945:
HD (Hilda Doolittle),
Marianne Moore,
Gertrude Stein,
Virginia Woolf,
Edith Sithwell,
Katherine Mansfield,
Natalie Barney,
Radclyffe Hall,
James Joyce,
T.S. Eliot,
Robert Graves,
Ezra Pound en
W.B. Yeats. Ze verzamelt die boeken ook, in eerste druk, vertelt ze later in 'De psychometrie van boeken'. (Psychometrie is het occulte vermogen om specifieke kenmerken van voorwerpen aan de weet te komen door ze slechts aan te raken.)
Grote boosdoeners voor Winterson zijn de
Victorianen —
Braddon,
Oliphant,
Trollope,
Wood, noem maar op. Het waren zij die, tussen de dood van de laatste romanticus (
Byron) en de hoogtijdagen van
Oscar Wilde, een geheel nieuw criterium in de kunstbeschouwing naar voren brachten: in hoeverre stemt het werk overeen met de werkelijkheid? De Victoriaanse schrijver werd een maatschappelijk werker of wijsgeer, literatuur een mengvorm van epiek en pamflet — een idee dat
Mary McCarthy al uitwerkte in
Ideas and the novel.
De Victorianen maakten dus komaf met de Sturm und Drang van de romantici. De ironie is volgens Winterson dat de teloorgang van de gevoelige romantische stijl de
schrijfster juist ten goede kwam. Terwijl mannen niet meer dromerig, bespiegelend of mystiek mochten zijn, werd dit vrouwen (
Letitia Elizabeth Landon,
Felicia Hermans,
Christina Rossetti en
Elizabeth Barrett Browning) wel nog toegestaan. Deze vrijheid, zegt Winterson, heeft de weg geëffend voor de aanzienlijke bijdrage die vrouwen aan het modernisme hebben geleverd, waarbij poëtische gevoeligheid (verbeelding, originaliteit, compact taalgebruik, geestigheid, intensiteit, verfijning) nu eenmaal op de eerste plaats kwam.
De modernen probeerden dus enigszins terug te keren naar de kunst als zelfstandige grootheid, naar het concept van kunst als een bewuste plek buiten het bereik van retoriek en clichés. Dat betekent niet dat mannen als Wilde,
Swinburne en Yeats, en later vrouwen als Virginia Woolf en Gertrude Stein "de langdradige New-Georgians met hun gekunstelde herderspoëzie" of de "extreem gedetailleerde, aftandse Victoriaanse roman" wegvaagden. Romans waren populair en in hun hoogtijdagen was het aantal geletterden gegroeid — boeken werden gelezen zoals we nu tv kijken. Sentimentele poëzie en eenvoudig proza waren daar geknipt voor.
Het lag dan ook voor de hand dat het modernisme als een elitaire, intellectuele en snobistische beweging werd gezien, die vervreemd was van de smaak van het publiek. Modernistische literatuur was moeilijk, schunnig en verwarrend. Maar het is nu eenmaal zo dat dichters van tijd tot tijd hun taalgebruik moeten aanpassen, "wanneer de dingen die eenvoudig zouden moeten worden verwoord op een ingewikkelde manier worden gezegd en wanneer hetgeen subtiel en complex zou moeten zijn veel te lomp wordt behandeld."
Gertrude Stein, photographed by Carl Van Vechten (detail), 1935; afbeelding via Wikipedia.Dat het modernisme het uiteindelijk niet heeft gehaald, bezorgt Winterson hartzeer. Vijfennegentig procent van de hedendaagse Engelse verhalen beschouwt ze als negentiende-eeuws. Romans zijn net ruime, uitpuilende, slappe tassen: "Je kunt er veel in proppen, het meeste zonder erbij na te denken." Het gros van de actuele romanschrijvers ontwerpt net als de Victorianen patronen en orde. Ze proberen de wereld een samenhang te verlenen die hij anders niet zo hebben. Ze beschouwen dus kunst als vorm van troost.
De school is daarbij
partner in crime. De 'gemiddelde lezer' (een relatief jong begrip, geboren in het begin van de twintigste eeuw) is een produkt van conservatief leesonderwijs. Leren lezen is niet hetzelfde als leren
hoe je moet lezen. De gemiddelde lezer wil zichzelf en zijn wereld terugzien in wat hij leest, zodat de schrijver altijd bij de tijd moet zijn, maar tegelijkertijd verlangt hij van de schrijver dat zijn werk wat stijl en vorm betreft al minstens honderd jaar uit de tijd is.
Leven en werkJammer genoeg gaat
Kunstobjecten gebukt onder een acuut gebrek aan tegenvoorbeelden — momenten waarop Winterson aantoont waarom we die modernistische romans moeten lezen. Drie stukken zijn er in totaal, met nogal algemene notities over twee favoriete schrijfsters.
Van haar grote heldin Virginia Woolf — de romantitel
Vuurtorenwachten wordt ineens een hele vette knipoog — bespreekt Winterson
Orlando ('De kunst van het vliegen') en
The waves ('Een sluier van woorden'). Ze wijst vooral op de kracht van dichterlijke taal en taalgestuurd associatievermogen. Virginia Woolf was een groot schrijver, niet omwille van haar biografie, maar omdat ze goed kon schrijven. En schrijven betekent: via taal en structuur vorm geven aan je obsessies; de communicatie goed strak houden door elke rommelige, informele sfeer uit een boek te houden.
De precisie waar een dichter op uit is, heeft niets te maken met de muggezifterij van de linguïst of de stapels die je in elk technisch handboek aantreft. Ze zoekt inspiratie in verbanden, net als de schilder, de architect en de musicus. Het gaat om de harmonie van de vorm: een secuur uitgebalanceerde reeks gewichten en maten en verhoudingen die op elkaar zijn afgestemd en een evenwichtig geheel vormen. Dichters en kathedralen zingen.
Ook Woolfs homoseksualiteit of fysieke problemen doen weinig ter zake. Denkt iemand bij het lezen van
John Keats aan zijn tuberculose? Neemt niet weg dat de biografie van Woolf tot de verbeelding spreekt van generaties artistieke vrouwen. Zij heeft voor zichzelf, net zoals
Jane Austen,
Emily Brontë,
Charlotte Brontë en
George Eliot vóór haar, onafhankelijkheid om te schrijven moeten afdwingen — in een tijd waarop op vrouwen druk werd uitgeoefend om zich bovenop het kunstenaarsschap te bewijzen als moeders en echtgenotes was dat een mannelijk privilege bij uitstek.
Waargebeurde feiten dienen voor een modernist enkel om de verbeelding van de schrijver kracht bij te zetten. Om dat te onderstrepen onderzoekt Winterson in 'Getuigenis tegen Gertrude Stein' de controverse rond
De autobiografie van Alice B. Toklas. Stein nam in dat boek doelbewust een loopje met het o zo waarheidsgetrouwe genre van de biografie. Ook zij was in de eerste plaats geïnteresseerd in taal, en zag zich het liefst als een personage van haar eigen fictie. De schijn van natuurgetrouwheid diende vooral om conservatieve lezers in het boek te smokkelen.
In de laatste drie essays, 'De semiotiek van seks', 'Verbeelding en realiteit', 'Mijn eigen werk' stelt Jeanette Winterson haar eigen positie als kunstenares nog eens goed scherp. Ze vraagt de lezer ook met betrekking tot háár werk abstractie te maken van haar seksuele voorkeur. "Ik ben een schrijver die toevallig van vrouwen houdt. Ik ben geen lesbienne die toevallig schrijft." Literatuur is geen lezing voor een specifieke belangengroep, zegt Winterson, maar een kracht die het publiek juist samenbrengt, die subgroepen doet verdwijnen.
Ze beseft wel dat de homowereld haar steentje heeft bijgedragen aan het mistverstand dat kunst gelijk staat met seksualiteit. Veel homoliteratuur, vooral over de aidscrisis, is niet meer dan therapie, een manier van afreageren — geen kunst. Aan een bepaalde seksuele voorkeur kan een schrijver immers geen bijzondere krachten ontlenen. Voor hem gaat op wat voor elke schrijver, componist, schilder opgaat: hij moet zijn gevoelens naar een artistieke vorm vertalen.
Wat homoliteratuur, en literatuur in het algemeen, wel kan doen is taboes een emotionele lading geven, net zoals muziek op een androgyne manier prikkelt en op mannen en vrouwen dezelfde sensuele uitwerking geeft. Complexe gevoelens volgen vaak op een belangrijke gebeurtenis in ons leven; seks, verliefdheid, geboorte en dood zijn daarvan de belangrijkste. In de krachten waarmee ze gepaard gaan schuilen sterke taboes. Een schrijver kan die naar boven halen (taboes doorbreken betekent hier dus niet: walging opwekken rond bekende, platvloerse thema's) en naar het heden brengen.
Persoonlijkheid en stijlWinterson ziet kunst zoals gezegd niet als een balsem voor de ziel, maar als "een energetisch veld dat een energetisch veld voortbrengt". Literatuur maakt veelkantige individuen van ons en vormt daarom een tegengewicht voor het soort leven dat overheid, massamedia en onderwijs ons graag laten leiden: onbedachtzaam, gedisciplineerd, gericht op een braaf en productief beroepsleven. Echt lezen is het vermogen om je met een tekst in te laten zoals je je met een ander mens inlaat, om de eigen stem van een tekst te laten spreken, en er geen buikspreekpop van te maken.
In goede modernistische literatuur valt die stem per definitie nooit samen met die van de schrijver, omdat in de stijl van het boek andere stijlen zijn verwerkt, die niet nevengeschikt op het blad liggen (als een collage) maar elkaar optillen (als een polyfonie).
Stijl — gevoeligheid en techniek op karakteristieke wijze samengevoegd — bevrijdt de schrijver van het gewicht van haar eigen persoonlijkheid en geeft haar een persoonlijke uitstraling, zodat ze iets tot uitdrukking kan brengen wat meer en anders is dan wat ze zelf is. (…) Stijl zet de conventionele grenzen tussen feiten en fictie op losse schroeven, stijl rekent af met de idee dat geschiedenis op feitelijkheden berust en benadrukt dat geschiedenis ontstaat uit zowel het moment zelf als de reconstructie daarvan. (…) Stijl is niet eerbiedig of afhankelijk van autoriteiten uit het verleden, maar toont wel altijd respect voor zijn persoonlijke voorouders. Een persoonlijke stijl is niet een soort literaire straalaandrijving waarmee de schrijver zich boven de saaie, alledaagse zinnen kan verheffen, maar een oerwereld waaraan alles ondergeschikt is, inclusief de schrijver.
Winterson vervolgt: genieten van een tekst omdat je er jezelf in herkent, heeft niets te maken met smaak, alles met ego. Haar afkeer van realisme wordt gevoed door haar afkeer van een eng-materialistische wereldvisie. De realist, schrijft Winterson, verdraait de samenhangende, meervoudige wereld zo, dat er een verzameling willekeurige objecten overblijft. Hij dicht de realiteit een objectieve bestaansvorm toe, maar het enige wat hij daarvan begrijpt, zijn de dingen die hij kan aanraken en voelen, verkopen en kopen. Een opvatting die sterk doet denken aan de reserves die
John Berger aantekent bij de opkomst van het olieverfschilderij. Genieten van kunst, zegt Winterson, is niet hetzelfde als het consumeren van kunstwerken. Als je je tijd aan echte dingen besteedt, hebben deze een eigen tempo dat niet kan worden versneld, maar waar je heel veel voor terugkrijgt.
De kunstenaar wisselt tijd niet in voor geld, de kunstenaar wisselt tijd in voor energie, voor intensiteit, voor visie.
Winterson sluit af met de hardnekkige wens van de onervaren lezer en recensent: hoe, mevrouw, zou u uw eigen boek samenvatten? Omdat de schrijfster taal en lyrische intensiteit zo essentieel acht, is dat natuurlijk een onzinnige vraag. Het heeft geen zin een literair werk te analyseren door het op te splitsen in betekenis enerzijds en woorden anderzijds. Een gedemonteerde machine werkt ook niet meer. Wat perfect gemaakt is, heeft geen sluitingen of naden. Het kan niet ‘in andere woorden’ worden omgezet.
Soit. Bij het dichtklappen van
Kunstobjecten overheerste toch een gevoel van onbehagen. Jeanette Winterson is een onversneden pleitbezorger van het modernisme. Dat betekent: inclusief alle dedain voor logica, klassiek narratief vakmanschap, het rechtlijnige verhaal en boeken die uit het leven voortspruiten, niet uit de taal. Ik word daar een beetje bang van. Ik kan me niet voorstellen dat ik me ooit zo strikt tot één verschijningsvorm van literatuur zou bekeren. Ook geografisch gezien: het blijft onduidelijk waarom Winterson alleen put uit Engelstalige voorbeelden. Geen spoor van continentale Europese literatuur.
Daarnaast is er spijt, omdat Jeanette Winterson haar betoog zo weinig ondersteunt met gedetailleerdere voorbeelden. Dat had
Kunstobjecten, een goed geschreven boek, echt incontournable gemaakt. Nu blijft vooral de
drive hangen: een algemeen inzicht in wat bepaalde hedendaagse 'moeilijke' schrijvers voortstuwt. In Vlaanderen denk ik aan
Peter Verhelst — niet toevallig een fan van Winterson. Eén van zijn boeken — ik ben vergeten welk — heeft als caption " 'I'm telling you stories. Trust me", uit
De passie.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van DenemarkenJeanette Winterson, Kunstobjecten
Essays over extase en onbeschaamdheid
191 p.
Uitgeverij Contact, 1996
Oorspr. Art objects (1995)
Vertaald door Jelle Noorman____