zondag 31 januari 2010

The e-reader


Heeft Achille van den Branden een Kindle of een iPad op het oog? Neen, dat heeft hij niet. Ik ben een tactiel iemand, en vind boeken nog steeds bijzonder mooie objecten, met een schermresolutie die niet verbeterd kan worden.

Misschien dat kunstboeken een meerwaarde bieden op de e-reader, doordat de backlights de kleuren mooi doen oplichten. En akkoord, het ingebouwde woordenboek zal handig zijn om snel een nieuwe taal te leren. Maar dat kan evengoed op internet. De Google toolbar kan je zo instellen dat hij een Nederlands equivalent geeft als je over een woord hovert.

Als ik lees wil ik me een boek of een tekst bovendien eigen maken. Ik wil griffelen in de marge, pijltjes trekken en woorden omcirkelen. Met een Kindle kan je alleen passages onderlijnen, en dat is niet mijn manier.

Dus als ik ooit een e-reader koop, als, dan zal het meer de richting uitgaan van de Irex DR1000, met die prachtige markeerstift. Maar dan alleen als de boeken zelf nog goedkoper worden dan die tien euro gemiddeld van nu. De meeste tweedehandsboeken die ik op het internet bestel zijn zelfs inclusief verzendkosten makkelijk de helft goedkoper.

____

vrijdag 29 januari 2010

Van Rik Wouters tot René Magritte - diversen

Elke schilder zal je vertellen: schilderen draait om verf. De sensualiteit van verf. Het volstaat niet om in de beslotenheid van je huiskamer een plaatboek ter hand te nemen. Je moet de klodders op het doek zien, de spikkels, de borstelstreken. Ik ben zo vrij het daar niet altijd mee eens te zijn. Net zoals boeken soms een welbepaalde leeswijze opdringen — gedoseerd of met haast, in bed of op 'n terrasje — wisselen de optimale kijkomstandigheden van schilder tot schilder.

Een Jackson Pollock moet je zeker in het echt zien. Daar bestaat geen twijfel over. Alleen oog in oog met die enorme doeken voel je de energie waar het de Amerikaan om te doen was. Maar zowat elk schilderij van Magritte stelt me in een museum teleur. De bij wijlen slordige techniek van Magritte zie ik liever niet van dichtbij, en daarom vind ik dat oeuvre beter tot zijn recht komen in een kunstboek. Door de kleinere formaten ogen de reproducties veel scherper dan de originelen, en het egaal makende glanspapier van een kunstboek past heel wel bij de kille, doofstomme sfeer die er uit het werk van deze schilder opstijgt.

Maar goed, ik beken, ik ben geen museumganger. Ik kan me moeilijk concentreren in musea. Het is er te warm, te druk, en er lopen voortdurend mensen door mijn beeld. De treinreizen naar de exposities van mijn voorkeur, bijna altijd in hoofdstad, zijn er ook te veel aan. Dan moet je om twintig mooie doeken te zien voorbij die gore achtertuinen van de Brusselse voorsteden. Op de terugreis volgt dan nog eens een kwartier wachten in de kolenkelder van Brussel-Centraal. Ik ben erg gevoelig voor sfeer. Wat zo'n tentoonstelling heeft gebracht, verdampt dan vaak al ter plaatse.

Op tentoonstellingen krijg ik bovendien gedachten die er niet toe doen. Dan word ik verrast door de formaten van de doeken, om maar iets te noemen. In kunstboeken let ik nooit op de exacte afmetingen; mijn verbeelding maakt die eigenmachtig aan, op het gevoel, met alle fouten van dien.

Van Rik Wouters tot René Magritte brengt de Belgische beeldende kunst van de jaren tien tot en met de Tweede Wereldoorlog in kaart. De twintigste eeuw werd een ongedurige eeuw: scholen en stromingen buitelden over elkaar heen. Inleider Lars Kwakkenbos brengt in herinnering dat het fauvisme de eerste kunststroming van de nieuwe eeuw was. In 1905 schrijft een criticus in Parijs dat Henri Matisse en zijn kunstenaarsvrienden allemaal wilden — fauves — zijn. Kwakkenbos:

Een nieuwe kunststroming is geboren en er zullen er nog veel andere volgen voordat de twintigste eeuw halfweg is. De kunst moet op dat moment nog altijd wennen aan de idee dat die nieuwe eeuw al is begonnen. Impressionisten en luministen hebben de wereld proberen op te lossen in licht en kleur, symbolisten hebben van het kunstwerk een enigma gemaakt, maar de wereld verandert almaar sneller en iedereen heeft het gevoel dat de 20ste eeuw ook nieuwe kunst nodig heeft.
Zeker in dit tijdsvak valt opnieuw op wat ik zo'n beetje tegen de hele schilderkunst heb: het beperkte scala aan onderwerpen. Altijd weer die portretten en landschappen. Ook het prachtig onbesuisde kleurgebruik van de fauvisten en expressionisten kan niet verhullen hoe statisch hun taferelen eigenlijk zijn. Mensen en nog eens mensen — zittend, lezend, liggend, wandelend. Een verstilde, burgerlijke wereld. Geen bruuske bewegingen. Nauwelijks groepsportretten.

En toch, als een portret goed getroffen is, kan het diep naar binnen snijden, ook bij mij. Hippolyte Adhemar Daeye (1873-1952) studeerde aan de Gentse academie en begon als impressionist. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij in Londen met zijn familie. Daarna bekeerde hij zich tot het expressionisme. Zijn zelfportret uit 1930 vind ik prachtig. Joost De Geest schrijft erbij:
Aan het einde van de jaren 1920 en in de jaren 1930 ontwikkelt Deaye een persoonlijke stijl die niet veel meer te maken heeft met het Vlaamse expressionisme. Dikke kleurlagen, zoals bij Permeke, zijn er niet; de kleur lost op en wordt eerder suggestie dan uitgesproken aanwezigheid. Kleuren en lijnen voeren een eigen bestaan. De achtergrond, die vaak doorheen de figuur zichtbaar is, lijkt op een abstract schilderij. Daeye gebruikt de vervormingen van het kubisme en expressionisme slechts spaarzaam. Tegenover een zeer grote economie van de middelen staat een onverwachte rijkdom aan schakering en lichtreflectie. Achter het schetsmatige van vele werken gaat een groot raffinement schuil. Deze ‘arme’ kunst krijgt vrijwel geen navolging — de liefhebbers van de materie zijn nu eenmaal talrijker. In de tweede helft van de 20ste eeuw zijn er wel schilders die naar eenzelfde zuiverheid en eenvoud streven (bijvoorbeeld Dan Van Severen), maar in dat verband heeft men de neiging eerder naar Giorgio Morandi dan naar de weinig bekende Daeye te verwijzen. Misschien is James Whistler een voorbeeld geweest voor Daeye. Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Daeye in elk geval tijd genoeg om in Londen de kunst van Whistler en William Turner te bestuderen. Aan deze kunstenaars dankt hij wellicht zijn voortdurend zoeken naar verinnerlijking en een zekere afschuw van het spectaculaire.

Hippolyte Daeye, Zelfportret of De kunstenaar in zijn atelier (1930) (detail); foto: Groeningemuseum Brugge

Verder onthoud ik de naam van Marthe Donas, die door de Italiaanse critica Lea Vergine wordt beschouwd als de eerste abstracte schilderes. Donas zou internationaal onze succesvolste avant-gardekunstenares zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> mijn persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder

Diversen, Van Rik Wouters tot René Magritte
Fauvisme, expressionisme, abstractie en surrealisme
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 4



De inleiding van Lars Kwakkenbos in kortschrift:

Fauvisme als reactie tegen het symbolisme en de neiging om de vorm van het schilderij ondergeschikt te maken aan een literaire inhoud. Kijken naar het licht of de natuur (impressionisme) volstaat niet meer. Het gevoel primeert, net als decoratieve patronen: ontluiken van abstracte tendenzen.

Rik Wouters als voorman van de Brabantse fauvisten (‘Brusselse koloristen’) bij het begin van de 20ste eeuw: Ferdinand Schirren, Anne-Pierre De Kat, Willem Paerels, Jos Albert, Fernand Wéry, Jean Vanden Eeckhoudt. James Ensor en Cézanne grote voorbeelden.

Zoals het symbolisme de band vormde tussen de leden van de eerste kunstenaarsgroep van Sint-Martens-Latem, zo was het expressionisme het wachtwoord bij de tweede groep rond 1905: Constant Permeke, Jos Verdegem, Gust De Smet, Leon De Smet en Frits Van den Berghe.

De Eerste Wereldoorlog jaagt de Belgische kunstscene uit elkaar. Veel bekende namen naar het buitenland (Duits expressionisme, Frans kubisme en Italiaans futurisme). Frits Van den Berghe, Gustave De Smet (voorbereiders Vlaamse expressionisme), Georges Vantongerloo (De Stijl), Jules Schmalzigaug (futurist) in Nederland. Marthe Donas (kubiste) in Dublin en Parijs. Constant Permeke, Gustave Van de Woestijne, Edgart Tytgat en Hippolyte Daeye in Engeland.

In België gebeurt weinig. Aan het front (Anne-Pierre De Kat) schilderde men gewoonlijk op jute. Militaire censuur: geen moreel ondermijnende onderwerpen. Abstracte kunst in Brussel: Felix De Boeck, Prosper De Troyer, Victor Servranckx. Avant-garde in Antwerpen: Paul van Ostaijen en Paul Joostens.

Dadaïsme (protest tegen elke vorm van traditie) is in België in tegenstelling tot Zürich en Berlijn het werk van eenlingen: Clément Pansaers en Paul Joostens. Invloed op Van Ostaijen, Burssens en Victor J. Brunclair. Het expressionisme doet het veel beter: Frans Masereel, Permeke, Albert Servaes, Frits Van den Berghe. Dorps, minder waanzin dan in Duitse variant. In Wallonië: Auguste Mambout, Anto Carte. In België geen echte kubisten, maar de expressionisten worden er wel door beïnvloed.

Lezingen van Theo van Doesburg in Brussel in 1920. Jozef Peeters zijn tijdschrift Het Overzicht om: nu spreekbuis voor constructivisme en zuivere beelding (totale abstractie). In de vroege jaren twintig breekt de idee van abstractie door — Karel Maes, Pierre-Louis Flouquet, Jean-Jacques Gaillard, Marcel-Louis Baugniet, de serieuze Georges Vantongerloo — hoewel ze nooit gevestigde kunst wordt en halfweg de jaren twintig ingehaald wordt door het surrealisme. Invloed op Servranckx en Van den Berghe. Brusselse artistieke milieus: Paul Nougé, Marcel Lecomte en Camille Goemans (Correspondances) en E.L.T. Mesens en René Magritte.

In de jaren dertig Marcel Lefrancq, Armand Simon, Max Servais en Paul Delvaux.
Economische crisis treft België. Stromingen gaan ten onder. Einzelgängers: Jean Brusselmans, Edgar Tytgat, Hubert Malfait, War Van Overstraeten. Derde groep van Sint-Martens-Latem: Roger Raveel, Jules De Sutter.

___

donderdag 28 januari 2010

Gespot op blogspot dot com [18]

Jacket Mechanical [Peter Mendelsund's weblog]
> http://jacketmechanical.blogspot.com/

Spanish Book Covers ['Bienvenue au royaume du pulp hispanophone!']
> http://spanishbookcovers.blogspot.com/

Book Covers Anonymous [Tal Goretsky's weblog]
> http://bookcoversanonymous.blogspot.com/

____

woensdag 27 januari 2010

Van Pierre Alechinsky tot Roger Raveel - diversen

Wat houdt abstracte schilders aan de gang dezer dagen? Mensen als Mondriaan, Rothko of Newman hebben lang geleden al op grandioze wijze het eindpunt bereikt van wat in dat genre mogelijk is. Waarom toch weer op zoek naar nieuwe combinaties van lijnen, vlakken, kleuren en ritmes? Zijn abstracte schilders neuroten die in hun ontwerpen — strenge composities, met kleur als emotionele grondlaag — eindelijk tot rust komen?

Door een bizar toeval kwam ik gisteravond over de vloer bij een schilder die alleen maar abstract werkt. Een kinderlijke, genereuze man die helemaal leeft voor zijn kunst. Zijn woonkamer oogde kaal — een tafel, een kleine televisie, voor de rest geen prullaria of decoratie. Zijn atelier was boven. Hij schilderde daar, en fotografeerde dan het doek.

Ik kreeg het fotoboek te zien — de catalogus van een leven lang zelfopgelegde dwangarbeid — en werd gewezen op de werken waarop de schilder trots was en degene die hij verachte. Zijn criteria waren voor mij onzichtbaar, maar ik was onder de indruk van het schuim dat op de lippen van deze zestigjarige man stond.

Daarna, en nu komt het, toonde hij een portret van een notabele uit de stad dat hij om den brode had gemaakt. Het had hem twee uur gekost, en kreeg er twee maandlonen voor betaald. Het portret was met sprekend gemak geschilderd, de gelijkenis treffend. Maar figuratie interesseerde de schilder geen bal. Hij was blij dat hij met dat geld weer naar zijn monochromen kon, zijn contouren, zijn guirlandes. Wanneer hij niet schilderde, loste hij sudoku's op, waar hij nauwelijks langer over deed dan nodig is om die vakjes met willekeurige cijfers in te vullen.

Eigenlijk wens ik iedereen zo'n intieme ontmoeting toe. Misschien dat zo de doeken meer gaan spreken dan wanneer je ze ziet in een museum, dat, zoals ik eerder schreef, vaak het midden houdt tussen een circus, een bedrijf en een mortuarium.

Het blijft alleszins de moeite om ook het internet af te speuren naar de mineuren van de abstracte schilderkunst. Een uitgeverij als Taschen heeft vele verdiensten, alleen hoort de blik verbreden van de geïnteresseerde leek daar niet bij. De Duitsers brengen het kruim van de canon in betaalbare edities, maar waarom eens geen boek over Helen Frankenthaler, op wier Robinson's wrap (1971) ik enkele maanden geleden stootte?

Van Pierre Alechinsky tot Roger Raveel leerde me wel dat er geen Belgische abstracte kunstenaars zijn waar ik echt iets mee heb. Niet dat daar meer achter steekt dan de willekeur van het lot. Wel memorabel was de kennismaking met de mij onbekende Joseph Lacasse. Althans, met de wetenschap dat hij in de jaren 1909-1910 al niet-figuratieve tekeningen maakte. Er ontstond een polemiek omdat deze tekeningen eerder zijn gemaakt dan de eerste abstracte werken van Kandinsky. Het was natuurlijk ondenkbaar dat een arbeiderszoon uit Doornik de eerste abstracte schilder kon zijn.

In Van Pierre Alechinksy tot Roger Raveel stond ik voornamelijk stil bij figuratiever werkende meesters. Zo'n geweldige outsider als Pjeroo Roobjee, bijvoorbeeld. Belgen zijn charlatans. Misschien dat ons temperament zich minder leent tot onwrikbare geometrieën. Dat we daar geen echt grote hoogten in bereiken.

Prettig was het weerzien met Octave Landuyt, wiens werk ik ontdekte op de middelbare school. Ik was gek op zijn gezichten, kopieerde de plaatjes, kleefde ze op mijn mappen, en schreef er duistere frasen bij. Maar in de persoon Landuyt heb ik me nooit verdiept. De duiding van Joost De Geest bij het schilderij De verzwolgene is niet al te best en vlucht in algemeenheden en geschiedschrijving:

In het begin van de jaren 1960, na een periode van aanleunen bij de abstractie, herneemt Octave Landuyt een aantal thema’s die hij onmiddellijk na de oorlog al behandelde, maar nu in een meer suggestieve realistische stijl. Je voelt in die vroege werken de dreiging van de Koude Oorlog en de atoombom. De figuren staan vaak naar de hemel te kijken, van waaruit alleen maar onheil lijkt te kunnen komen. In de grote werken die Landuyt dan schildert, focust hij als het ware op details uit de vroege werken in klein formaat. Met zijn reeks hallucinante koppen maakt Landuyt grote indruk. Het publiek interpreteert dit werk als de uitdrukking van pure angst, paniek, een laatste schreeuw. De technische zorg waarmee alles geschilderd is, maakt het geheel des te overtuigender. De diepe kleuren spelen ook een rol — de schilder laat in die tijd zijn voorliefde voor de grisaille wat rusten. Deze reeks is een hoogtepunt in Landuyts oeuvre. Hij vindt er een evenwicht tussen de bekommernissen van het publiek en zijn eigen evolutie naar een monumentalere uitdrukking. Als virtuoos kunstenaar zal hij nog vaak indrukwekkende werken scheppen, in vele materialen. Maar de latere werken worden gekenmerkt door een zeker maniërisme en vaak ook door de nadruk op het groteske.

Octave Landuyt, De verzwolgene (1964-1966); foto: KMSKB

Overigens had ik op de keuze van de schilderijen dikwijls wat aan te merken. Floris Jespers en Pol Mara hebben betere doeken geschilderd dan ik hier terugvind. En waar blijft Hugo Claus, als dit boek toch gaat over de Belgische inbreng in Cobra?

Claus heeft geen oorspronkelijke bijdrage geleverd aan de plastische kunsten, dat is waar. Hij deed maar wat, en liefhebberde in alle denkbare stijlen. Ik zie alleen niet in waarom dat een bezwaar zou zijn. Claus heeft enkele prachtige doeken geschilderd en vond dat artiesten die zichzelf voortdurend herhalen meer neigen naar therapie dan naar kunst.

Alleen hebben one trick pony's als Bram Bogart een streepje voor in dit soort overzichten. De kunstenaar als van verre te herkennen merknaam. Elk werk prettig representatief.

Ik keek er trouwens vreemd van op dat juist een eerbiedwaardige instelling als Het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel een ondersteunende rol speelde voor kunstenaars in de jaren 1945-1958. In de jaren vijftig en zestig veranderde situatie weer, en overvleugelden de privécollecties in ons land die van de musea. In Vlaanderen wemelt het van de verzamelaars, schrijft Lars Kwakkenbos in zijn inleiding, maar als ze hun kunst willen tonen, doen ze dat liever in het buitenland.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> mijn persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder
> http://www.art-abstract.com/artikelen/belgischekunst.html

Diversen, Van Pierre Alechinsky tot Roger Raveel
Cobra, abstractie en pop art

118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 3


De inleiding van Lars Kwakkenbos in kortschrift:

In 1939 stichting van La Route Libre door Gaston Bertrand, Anne Bonnet en Louis van Lint, uitgebreid in 1941 onder de naam Apport, de naam van een jaarlijks salon in de galerie Apollo. In 1944 aldaar de tento La Jeune Peinture Belge.

In 1948 oprichting Cobra, een erfgenaam van het vooroorlogse surrealisme. Begrippen als figuratief en abstract niet meer van tel. Na de oorlog echo’s van surrealisme, expressionisme en Cobra in het werk van Octave Landuyt, Roel D’Haese, Reinhoud, José Vermeersch.

Abstractie pas tot bloei in België in de eerste helft van de jaren vijftig: Antoine Mortier, Louis van Lint, Englebert Van Anderlecht, Maurice Wyckaert. Onder vuur tot begin jaren zestig. 1958 sleuteljaar: kennismaking met buitenlandse moderniteit op Wereldtentoonstelling. G58-Hessenhuis: Vic Gentils, Walter Leblanc en Paul Van Hoeydonck willen kunst die de ruimte verkent. In 1954 al spatialisme: Jo Delahaut, Pol Bury, Karel Elno en Jean Séaux. Geometrische abstractie: Amédée Cortier, René Guiette, Dan Van Severen. Monochrome schilderkunst. Het boek Abstracte schilderkunst in Vlaanderen van Michel Seuphor (1963).

Invloed van pop art: Marcel Broodthaers, Roger Raveel. Raveel: het gespleten karakter van het Vlaamse landschap, tussen stad en platteland in. Raoul de Keyser, Etienne Elias. Conceptueel schilderen: Hugo Duchateau, Antoon De Clerck, Marcel Maeyer. Einzelgängers: Bram Bogaert, Fred Bervoets en Pjeroo Roobjee. Kunst in de metro.

____

dinsdag 26 januari 2010

Van Marcel Broodthaers tot Guillaume Bijl - diversen

Ik moet een jaar of acht geweest zijn. Ik keek naar het programma Kunstzaken — in de jaren tachtig werd iedereen ingewijd in de schone kunsten door Regine Clauwaert — en opeens kwam er een exporuimte met een enorme berg eierschalen in beeld. 'Als ik dit ooit mooi vind', riep ik, 'mogen ze mij naar het gekkenhuis voeren'. Een dikke twintig jaar later heeft het mirakel zich voltrokken, en kan ik erg genieten van conceptuele kunst.

Alleen weet ik niet wat er precies gebeurd is. Het gaat ook niet om een plotse bekering, maar om een proces. Ik heb een paar bevlogen leraren esthetica gehad. Door in honderd-en-één kunstboeken te bladeren heb ik mijn smaak verfijnd. En ik weet tegenwoordig dat het scala aan interessante emoties en gedachten veel breder is dan kleinburgerlijke begrippen als 'mooi' en 'lelijk'.

Wat me aanspreekt aan conceptuele kunst is het avontuur. Beeldende kunst kan tegenwoordig alle kanten op. Als ze dat niet wil, hoeft ze zich niet bezig te houden met bustes en portretten, stillevens en landschappen, genrestukken en volksverheffing. Die vrijheid heeft ze nu al honderd jaar lang. Zelfs conceptuele kunst, die ik altijd associeerde met jeugd en vernieuwing, is al een stuk ouder dan ikzelf. Ik schrok van wat Johan Pas in de inleiding van dit boek vertelt: het postmodernisme in de kunst heeft zijn wortels in het conceptualisme van de jaren zeventig.

Daarnaast bevalt me het materiële aspect. Kunstenaars proberen de wereld te duiden, te bekritiseren, op zijn kop te zetten door gebruik te maken van alledaagse voorwerpen — tuinkabouters, een aftandse sofa, een stuk beton, familiekiekjes — en van materialen die geen greintje aristocratie bezitten. Ik heb er geen problemen mee dat kunst daardoor herleid wordt tot vondsten en vondstjes. Integendeel: nu kan de gewone beschouwer zich rechtstreeks meten met de kunstenaar. Een middeleeuws panorama zal ik nooit kunnen schilderen. Zo'n doek heeft alleen daarom al nauwelijks iets met mijn leefwereld te maken. Maar door een goed idee van Jan Van Oost, Denmark of Didier Vermeiren kan ik echt opgewonden raken, en blij, en jaloers. Het gevoel van: hier is de menselijke inventiviteit aan het werk, in onversneden vorm.

Met een goeie tekening heeft moderne kunst gemeen dat less altijd more is. Een goede tekenaar kan de essentie vatten in een paar lijnen. En ook een artiest moet met zo weinig mogelijk middelen grote beroering of ontroering wekken. Althans, bij mij is de mate waarin objecten iets losmaken recht evenredig met hun eenvoud. Wim Delvoye (bezoek zeker zijn website) is er een meester in. Hoe hij kortsluiting weet op te wekken door twee voorwerpen of materialen met elkaar te combineren, vind ik knapper dan wat pakweg Jan Fabre doet, wiens werk toch meer een zoektocht is naar poëtische schoonheid.

Wat me niettemin het meest raakte in dit boek was La Traviata, van de Vlaamse kunstenares Lili Dujourie (Roeselare, 1941). Toch weer een object met gebruiksaanwijzing. Bart Janssen geeft die:

De opera La Traviata van Giuseppe Verdi beleeft zijn première in 1853. Tal van personages en figuren komen op de planken en een tragische liefdeshistorie voltrekt zich in een weelderig decor. Niets daarvan in het werk met dezelfde titel dat Lili Dujourie ongeveer 130 jaar later met gelakt hout en fluweel vervaardigt. Geen personage treedt aan en zelfs geen decorstuk dat naar Verdi's opera verwijst is te zien. Slechts de vorm van een schouwtoneel met doek wordt gesuggereerd. Het gordijn van La Traviata lijkt open te zullen gaan, maar meer dan een leeg vlak wordt niet getoond en zal ook nooit getoond worden. 'Het doek valt' — en dat betekent hier zowel dat het zich sluit als dat het zich opent. Het gordijn speelt de enige rol en is het enige attribuut. 'Het is zowel subject als object.' Het materiaal waarmee het doek is uitgevoerd — luxueus fluweel met rijke, volle kleuren — plaatst het kunstwerk ook in de traditie van de Vlaamse Primitieven en de barokschilderkunst. Zo weet de kusntenares de klassieke schilderkunst in één eenvoudig stoffelijk gebaar op te nemen in een op en top hedendaags kunstwerk. Een beeld vervaadigd met voelbaar en sensueel materiaal, op een concrete wijze vormgegeven, krijgt onstoffelijke en historische dimensies. Tussen het ongrijpbare en het tastbare, het zichtbare en het onzichtbare, het getoonde en het geheime, wat onthuld wordt en wat verborgen blijft, beweegt zich de fluweelsculpltuur en bij uitbreiding het hele beeldende oeuvre van Lili Dujourie.

Lili Dujourie, La Traviata (1984); foto: SMAK

Zo'n voorbeeld laat meteen zien dat conceptuele kunst vooral speelt met het naast elkaar bestaan van afbeelding (de onmiddellijke waarneming van een beeld) en symbool (het beeld plus de associaties die het oproept). Het draait pas in tweede instantie om vakmanschap. Het fijne is dat een kunstenaar hierdoor veel onafhankelijker is geworden, omdat zijn marktwaarde eerder schuilt in zijn ideeën, dan in de uitvoering ervan. Particuliere verzamelaars kopen weliswaar nog steeds kunstwerken op de vrije markt (al verloopt dit proces tegenwoordig via de kunsthandel) maar zij geven de kunstenaar geen opdrachten meer zoals kloosters, gilden, het hof of de kasteelheer dat vroeger deden. Het lastige van die situatie is dat de kunstenaar zelf de smaak en het publiek moet vormen (via de kunstkritiek en de criticus) van wier patronaat hij, zeker in zijn beginjaren, afhankelijk zal zijn. En dat brengt dan weer (vaak schaamteloze) zelfpromotie met zich mee.

Boeiend blijft overigens de satirische kracht van moderne kunst. Zo is in Van Marcel Broodthaers tot Guillaume Bijl terecht Le grand oiseau opgenomen van Thierry De Cordier (ook wel Vogelschrik genoemd). Een werk uit 1989 is dat. We zien een zwarte menselijke gestalte met snavel, een kruising tussen een vogelverschrikker en een christusfiguur. Wat beschouwer Michael Palmer er jammer genoeg niet bij vertelt is dat dit beeld geïnspireerd is op een eerder werk, de Lijdensvanger van Puycelsi (ook wel Painstick of Attrape Souffrance). Dat beeld, bestemd om 'het lijden van de dorpelingen uit het Zuidfranse dorpje Puycelsi te vangen en te laten verdwijnen', werd door de bewoners — met instemming van de gemeenteraad — in de vallei geworpen. Práchtig verhaal, vind ik dat.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijstje met persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder

Diversen, Van Marcel Broodthaers tot Guillaume Bijl
Conceptualisme, neo-expressionisme en postmodernisme
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 2


De inleiding van Johan Pas in kortschrift:

Klimaat eind jaren zestig: versnelling van enkele tendensen. Vietnam tast voorbeeldfunctie van het Amerikaanse model aan. Geloof in de materiële welvaartstaat niet meer zo onbekommerd. Massamedia: maatschappelijk bewustzijn. Provobeweging. Rumoerige happenings. Alternatieve lifestyles: hippiedom, yoga, macrobiotiek. Klassieke rolpatronen in vraag gesteld. Studentenrevoltes met culturele ondertoon. Leuven Vlaams. Sovjetinterventie in Tsjecho-Slovakije. In Nederland en België socialistische bewindvoerders. Ecologisch denken. Rapport van de Club van Rome. Energiecrisis.

In 1968 worden ook in Antwerpen, Gent, Brussel en Luik diverse kunsttempels bezet als symbolen van het conservatieve beleid. Doorbraak van de conceptuele kunst (het idee primeert op de uitvoering) in België, hoewel de term nog te veel een vergaarbak is voor alle niet-sculpturale of niet-schilderkunstige kunst.

In de loop van de jaren zeventig wordt conceptuele kunst modieus. Conceptuele kunst verwant aan Amerikaans-Engelse concept art. Omvat ook arte povera en landart. Sleutelteksten van Sol LeWitt en Joseph Kosuth. Het kunstwerk spreekt over alle voorgaande kunst, kan als puur idee gecommuniceerd worden. Daarom spelen communicatie, informatie en documentatie een cruciale rol in de conceptkunst. Belgische conceptuele kunst minder theoretisch, met flinke dosis ironie en humor. Panamarenko, Luc Deleu, Yves De Smet, Philippe Van Snick, Leo Copers, Daniel Dewaele, Danny Matthys, Filip Francis.

"De jongere kunstenaars ervaren een crisis van het experiment en stellen zich tot doel de kloof tussen leven en kunst te dichten." De kunst bevragen, door vorm, inhoud en presentatie-omstandigheden te bestuderen en te relativeren. Daarbij beschouwen ze het kunstwerk eerder als een spoor van een denkproces dan als een autonoom esthetisch object. Het museale discours vermijden. Jacques Charlier, Marcel Broodthaers, Jef Geys, Luc Deleu, Guy Mees. In de zoektocht naar de ultieme communicatie speelt ook het jonge medium video een belangrijke rol. Lili Dujourie, Hugo Heyrman. Mailart: Johan Van Geluwe.

In vergelijking met Nederland in België in de jaren na WOII weinig museale presentaties van hedendaagse kunst. Het zijn vooral de progressieve galerieën die in België een lans breken voor de nieuwe kunst. Wide White Space Gallery en De Zwarte Panter in Antwerpen, MTL in Brussel, Plus-kern in Gent, Yellow Now in Luik. Kunstenaarscollectieven: Ercola, De Nieuwe Koloristen, Mass Movement en CAP (Jacques Lennep, Pierre Courtois, Jacques Lizène, Jacques-Louis Nyst, Jean-Pierre Ransonnet).

Klimaat eind jaren zeventig: revolutionair elan verdwenen. De tweede olieschok vergroot de uitzichtloosheid. Massale werkloosheid, prijsstijgingen, inflatie, besparingen. Punkrock en new wave. Grootstad, chaos en provocatie in plaats van natuur, vrede en liefde. Uit de VS worden neoliberale ideeën geïmporteerd. De idealen van de vrijemarkteconomie zullen jaren tachtig domineren. Yuppiedom. Postmodernisme.

Het Museum voor Hedendaagse Kunst (later SMAK) in 1975. Tento Chambres d’amis (1986). PMMK in Oostende (1986). Muhka in Antwerpen (1987).

Postconceptuele en postmoderne kunst: Jan Vercruysse, Guillaume Bijl, Guy Rombout, Danny Devos, Jan Fabre, Ria Pacquée, Anne-Mie Van Kerckhoven. Postconceptuele schilders: Mark Luyten, Narcisse Tordoir, Philippe Vandenberg, Paul De Vylder en Walter Swennen. Figuratieve sculptuur en installatiekunst: Wim Delvoye, Patrick Van Caeckenbergh, Jan Fabre, Jan Van Oost, Fred Eerdekens, Ludwig Vandevelde, Didier Vermeiren, Hugo Debaere. Ironisch terugkijken naar de kunstgeschiedenis. Maar omdat dit postmodernisme wortels heeft in het conceptualisme van de jaren zeventig, leidt dit bij de jonge kunstenaars van de jaren negentig tot een herontdekking van de conceptuele kunst. De conceptuele kunst is zelf geschiedenis geworden.

Minimal art uit de jaren 1960 wil kunst in het werk tot een minimum beperken. Materiaal wordt onbewerkt en elementair vorm gegeven. De hand van de kunstenaar dient weggecijferd en referenties moeten worden gebannen.

____

maandag 25 januari 2010

Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans - diversen

Ik koop geregeld kunstboeken, maar let daarbij nooit op de teksten — reden waarom ik ze nooit op Achille bespreek. Kunstboeken moeten aan drie simpele criteria voldoen: betaalbaar zijn, een royale greep uit het werk van een kunstenaar presenteren, en dat doen via grote afbeeldingen in kleur. Als ik toch iets wil lezen over kunst, grijp ik naar buitenlanders, dikwijls Nederlanders. Vlaanderen telt weinig mensen die helder en nuchter over beeldende kunst schrijven.

Vooral de tentoonstellingscatalogi hier bevatten nogal eens essays in een hocus pocus-taaltje dat er vooral op berekend is platitudes aan het oog te onttrekken. Over de zin van de kunst, de rol van de kunstenaar, de relatie tussen tussen schijn en werkelijkheid... Gek genoeg gebeurt dat met instemming van de artiesten zelf.

Ook de reeks 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken heeft er een beetje last van. De begeleidende teksten dalen zienderogen in niveau naarmate ze verder afdwalen van het getoonde object. Bij zinnetjes als

Het werk van Richard Venlet houdt het midden tussen architectuur en beeldende kunst. Zijn ingrepen in bestaande ruimtes bezitten een plastische en sculpturale dimensie, die gedefinieerd is vanuit hun omgevende context.
of
Dit sacrale karakter betekent allesbehalve een eufeminiserende verhulling, maar daarentegen een regelrechte confrontatie met de fysieke (on)volmaaktheid.
hoor ik luid de lachband meelopen. Ik snap niet dat mensen in de meerwaarde kunnen geloven van dit soort kromspraak, en ik heb me al dikwijls afgevraagd waar het vandaan komt. Leunen de Vlaamse mores in de kunst aan bij de Franse, of is er meer aan de hand?

Je ziet soortgelijk proza ook optreden bij sommige mensen die schrijven over poëzie. Wat kunst en poëzie gemeen hebben is dat ze vaak af te rekenen krijgen met het gehoon van het grote publiek. Zou dit kille jargon een pantser zijn, dat insiders moet beschermen tegen kritiek van het vulgus, dat die geheimtaal niet verstaat?

De tien delen 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken boren zich vanuit het heden een gat in het verleden, en dat is niet zo slecht bekeken. Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans wordt zo meteen het vrolijkste deeltje uit de reeks, waarin vele kunstenaars complexloos omspringen met de traditie. Er zit weinig anders op. Baanbrekende artiesten, ook deze van net na de Tweede Wereldoorlog, zijn zelf salonfähig geworden. Ergens in dit boek staat Double portrait van Philip Huyghe. Daarbij wordt dan aangetekend door Björn Scherlippens:
Op de foto poseren de moeder van de kunstenaar en de kunstenaar zelf. Plechtig en gedragen, tegen de achtergrond van een rijk 19de-eeuws interieur. Philip Huyghe is personage binnen zijn eigen werk. Net zoals de grote exponenten van de portretschilderkunste (Jan Van Eyck in zjin Arnolfini-portret, Diego Velázquez in Las meniñas) heeft de kunstenaar zichzelf mee weergegeven. Als Philip Huyghe zich niet met deze historische traditie verbindt, is het enkel om ze te persifleren. Double portrait hult zich nadrukkelijk in pathetiek en démodé; uit elk motief, elk detail spreekt kunstmatigheid: de 19de-eeuwse sfeer is beklemmend, de kledij overdreven. Huyghe heeft zelfs een masker en pruik opgezet om in zijn werk de perfecte harmonie tussen personages te creëren. Het is zijn ironische commentaar op de kunstenaar die zijn werk gebruikt om sociaal te promoveren. Philip Huyghe neemt een kritisch standpunt aan tegenover de kunstgeschiedenis. Maar zijn werk is ook sterk persoonlijk gekleurd. Zijn kunst verhaalt fantasieën en ervaringen uit de kindertijd. In Double portrait leeft de kunstenaar de wens uit om volledig op zijn moeder te gelijken. Het levert een tegelijk aantrekkelijk en afstotelijk beeld op. Het werk voert de toeschouwer terug naar een wereld van kinderlijke onschuld, maar laadt ondertussen ook meer confronterende en perverse betekenissen op: travestie en oedipale verlangens. In die ambiguïteit laat het werk van Philip Huyghe de kijker achter.*

foto: Philip Huyghe, Double portrait

Uit de inleiding bij dit boek leer ik dat de boom van musea voor hedendaagse kunst een internationaal fenomeen is dat vooral sinds de jaren 1980 optrad. Al kan je aan de diverse Belgische musea aflezen hoe verschillend zijn het begrip 'actuele kunst' invullen.
Het PMMK verzamelt kunst van de 20ste eeuw. Het SMAK legt zich toe op de kunst van na de Tweede Wereldoorlog. Het Muhka verzamelt kunst van na 1970 en de collectie van het MAC’S distantieert zich zelfs van elke vaste chronologie. Een vaststaand feit is dat de beeldende kunst die wij vandaag ‘hedendaags’ noemen, wortelt in de ontwikkelingen van de late jaren 1960 en de jaren 1970. In die periode worden een aantal artistieke opvattingen radicaal in vraag gesteld. Met name de conceptuele kunst, die vanaf 1969 aan een internationale opmars begint, speelt daarin een cruciale rol. De kritische en ironische attitude van de conceptuele kunstenaars heeft haar stempel gedrukt op de beeldende kunst van de jaren 1970 tot vandaag.*
Overigens zijn die musea zeker niet de enige belangrijke spelers in de kunstwereld. Kunstencentra en beeldende kunstorganisaties winnen aan belang, en sinds de jaren negentig kennen we de opkomst van de gastcurator of autonome tentoonstellingsmaker, die het vooral moet hebben van netwerken.

Toen ik de kunstwerken bekeek, vielen me vooral op hoevaak moderne schilders vertrekken vanuit bestaande foto's, waardoor hun doeken het aanzien krijgen van een superieure Photoshop-behandeling, met de persoonlijkheid van de kunstenaar als krachtige filter.

Hedendaagse kunst blijft een specialisme, zo veel is duidelijk. Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans maakt melding van een kunstenaar die in een naburig dorp geboren is, maar van wie ik toch nooit eerder hoorde.

*: auteursvermelding volgt nog

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijstje met persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder

Diversen, Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans : actuele kunst
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek

600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 1

De inleiding van Johan Pas in kortschrift:

Klimaat: groeiende West-Europese economieën in de tweede helft van de jaren tachtig. Val Berlijnse Muur. Overwinning van het kapitalistische model. Ideologisch spanning tussen oost en west ebt weg. Sovjet-Unie stuikt ineen. Tegenstelling Midden-Oosten versus Westen. Golfoorlogen. 9/11. Verrechtsing van het politieke discours. Informatiemaatschappij: harde sectoren maken meer plaats voor informatie- en kennistechnologie. Economisch recessie van 1989. Jaren negentig: ideologie van onbeperkte economische groei. Ecologische consequenties zichtbaar.

1989: eerste kunsthistorische terugblik op de conceptuele avant-garde van de jaren 1960 en 1970: L’art conceptuel. Une perspective in Parijs. De pioniers zijn historisch geworden maar inspireren nieuwe generaties. Sinds jaren 1980 internationale boom van musea voor hedendaagse kunst, ook in België. Vanaf de jaren 1990 concurrentie van tijdelijke en nomadische formats: biënnales. Manifesta reageert tegen Documenta. Web art en E-flux. Aandacht voor de kunst via verkoopsuccessen en vedetten: YBA.

Documenta IX geleid door Jan Hoet. Tento L’Art en Flandre et en Wallonie, un point de vue. Tento Belgique, une nouvelle génération. Tento Artisti (della Flandra) in Venetië. Weinig contacten tussen de Waalse en Vlaamse kunstwereld.

Waar Vlaanderen einde jaren 1980 al over drie museum voor hedendaagse kunst beschikt, krijgt Wallonië het zijne pas in 2002, het MAC’s (Musée des Arts Contemporains) in de historische site Le Grand-Hornu. Tento Chambres d’amis. Tento Over the edges. Stads- en wandeltentoonstellingen. Antwerpen Culturele Hoofdstad 1993. Tento Het sublieme gemis. Het NICC behartigt de belangen van de Belgische beeldende kunstenaar. Goed klimaat voor kunsttijdschriften. Academisering en onderzoek in de kunst in het hoger kunstonderwijs. HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten).

Dé internationale trend van de jaren 1990: de installatiekunst. Joëlle Tuerlinckx, Ann Veronica Janssens, Michel François, Wim Delvoye, Hans Op de Beeck, Philip Huyghe, Honoré ð'O, Peter De Cupere, Peter Buggenhout, Gert Verhoeven, Gert Robijns, Els Vanden Meersch, Koenraad Dobbeleer, Angel Vergara, Koen Vanmechelen, Steve Van den Bosch, Virginie Bailly, Koen De Decker, Nick Ervincke en Ronny Heiremans.

Tweede internationaal fenomeen: de doorbraak van de fotografie in de wereld van de beeldende kunst, niet enkel als documentatie van tijdelijke ingrepen en acties. Soms expliciteit refererend aan de schilderkunst. België: Dirk Braeckman, Jan Kempenaers, Anne Daems, Geert Goiris, Charif Benhelima, Aglaia Konrad, Els Opsomer, Maarten Vanden Abeele en Carl De Keyzer. Videokunst: Frank Theys, Koen Theys, David Claerbout, Johan Grimonprez, Sven Augustijnen, Harald Thys, Jos De Gruyter, Ana Torfs, Christine Clinckx, Elke Boon, Cel Crabeels, Manon de Boer, Wim Catrysse en Anouk De Clercq.

Comeback van de conceptualistische, sociologisch georiënteerde kunstpraktijk van de jaren 1970. Nico Dockx, Christoph Fink, Kobe Matthys, Orla Barry, Els Dietvorst, Jozef Legrand, Anne Decock Van Raef, Mo Becha, Dennis Tyfus, Vaast Colson, Ives Maes en Koen Vanmechelen. Koel modernisme: Jan De Cock, Pieter Vermeersch, Boy & Erik Stappaerts, Perry Roberts, Caroline Van Damme, Richard Venlet, Kris Van Dessel, Sergio De Beuckelaer en David Neirings.

Ironische of conceptuele aanwending van het traditionele medium van de schilderkunst: Luc Tuymans, Michael Borremans, Jan Van Imschoot, Patrick Vanden Eynde, Bert De Beul, Gery De Smet, Ronny Delrue, Vincent Geyskens, Koen Van Den Broek, Jörgen Voordeckers, Joris Ghekiere, Robert Devriendt, Tina Gillen, Guy Van Bossche, Mark Vanderleenen, Sam Dillemans, Valérie Mannaerts, Tom Liekens, Ellen De Meuter, Kati Heck, Cindy Wright, Matthieu Ronsse en Thomas Huyghe.

Hernieuwde belangstelling voor figuratie in de sculptuur: Berlinde De Bruyckere, Peter Rogiers, Sven ’t Jolle, Johan Tahon, Goele De Bruyn, Philip Aguirre, Caroline Coolen, Nadia Naveau, Bart Van Dijck, Johan Creten, Anton Cotteleer en Merlin Spie.

____

600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken

Je wordt er voortdurend mee bestookt: boeken die kranten moeten doen verkopen. Je krijgt ze voor een prikje bij de gazet, elk weekend een ander deel. Boeken van liefde en lust. De verboden boeken. Ze zijn enorm populair. Ik zie ze bij mijn vrienden staan. Een plankje Kopstukken filosofie, een plankje Nobelprijswinnaars. Altijd de complete reeks. Netjes in het gelid. Onaangeraakt. Ongelezen.

Soms wordt een bestaande titel in vervolgafleveringen uitgebracht, plus verzamelmap: 100 jaar design van Michael Tambini, De grootste mythen en legenden ontrafeld van Neil Philip, Een wereld van religies van John Bowker, Kunst uit de doeken van Robert Cumming. Dan weer krijgen hele boeken een goedkoper jasje. De Morgen had zijn Spannende boeken en Wereldsteden anders bekeken. De Standaard had Stoute vrouwen. Knack had De grote mysteries van de archeologie.

Ik moet die boeken niet. Omdat ze vaak liefdeloos zijn vormgegeven, op goedkoop papier, met een lelijke belettering (dieptepunt: De mooiste gedichten van...). Omdat de uniformiteit van de reeks bedrieglijk is (de memoires van Benazir Bhutto hebben weinig uitstaans met een biografie van Paul Janssen). Omdat tweedehandsexemplaren op internet nog goedkoper zijn dan die 7 euro.

Maar nog het meest omdat de keuze zo vreselijk mainstream is. Alleen wat zich bewezen heeft, wordt cadeau gedaan. De krant zuigt zich vast aan de canon en wint daarmee zelf aan prestige. In plaats van de kans te benutten onderbelichte talenten aan een groot publiek te presenteren.

Zo'n reeks krantenboeken heeft dus alles met verzamelen te maken en niets met lezen. Ik kan het weten: als kind heb ik jarenlang Artis Historia-boeken verzameld, alle plaatjes eigenhandig ingeplakt, om die dan nooit meer in te kijken.




Maar ik maak graag een uitzondering voor de reeks 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken in De Standaard kunstbibliotheek, in samenwerking met Lannoo (2007). Mooie hardcovertjes in smetteloos wit, op glanspapier, met behoorlijke reproducties. Een kunstgeschiedenis aan de hand van kunstwerken. Rechts het plaatje, links het praatje. Te loven is vooral de brede blik van de samenstellers. Belgische kunst is veel meer dan Rubens, Tuymans en Magritte.

De komende dagen op Achille: korte impressies bij elk deeltje. Notities van een leek. Een gelegenheid om te kijken of ik überhaupt ideeën heb over kunst.

1. Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans : actuele kunst
2. Van Marcel Broodthaers tot Guillaume Bijl : conceptualisme, neo-expressionisme en postmodernisme
3. Van Pierre Alechinsky tot Roger Raveel : Cobra, abstractie en pop art
4. Van Rik Wouters tot René Magritte : fauvisme, expressionisme, abstractie en surrealisme
5. Van Fernand Khnopff tot James Ensor : symbolisme en expressionisme
6. Van Henri de Braekeleer tot Emile Claus : realisme en impressionisme
7. Van Antoine Wiertz tot Henri Leys : neoclassicisme en romantiek
8. Van Pieter Paul Rubens tot David Teniers : barok en rococo
9. Van Barend van Orley tot Pieter Bruegel : renaissance en maniërisme
10. Van Jan van Eyck tot Hans Memling : Vlaamse primitieven

> cumulatieve bibliografie in de commentaren hieronder

____

zondag 24 januari 2010

Mijn afspraak met de geschiedenis

1.
Enkele maanden terug meldde een lezer van Achille van den Branden dat hij nog geen lijn had kunnen ontdekken in mijn lectuurpatroon. "Je leeshonger lijkt alle kanten uit te waaieren." Die bewering is terecht. Want wat voor iemand is dat eigenlijk, die in één week een boek over Frankrijk bespreekt, een Oostenrijkse roman uit het interbellum, een boek over Google en een essaybundel over kunst?

Ik kan daar maar één antwoord op verzinnen: een nieuwsgierig iemand. Ik wil weten wat er in de wereld te koop is, en niet alleen in mijn eigen wereldje. Ik vind het moeilijk om mijn persoonlijkheid te definiëren, maar één karaktertrek is me inmiddels duidelijk: ik heb een natuurlijke aversie voor milieus en milieutjes: gelijkaardige mensen die samentroepen, en in dat samenzijn elkaar vooral bevestigen, waardoor hun vooroordelen en beroepsdeformaties exponentieel toenemen. Ambtenaren, zakenlui, alternatievelingen, literatoren: niemand ontsnapt daaraan.

Daarom ben ik ook afkerig van mensen voor wie lezen een veredelde vorm is van in de spiegel kijken. Dichters die alleen maar poëzie lezen, vrouwen die alleen maar vrouwen lezen, nerds die alleen maar Engelstalige fantasy lezen. Voor mij is lezen niet alleen maar een manier om mij onder gelijkgestemde zielen te begeven, maar evenzeer een manier om aan mijn persoonlijkheid (die me soms de keel uithangt) te ontsnappen. Niet wat herkenbaar is, maar ook wat ánders is, verdient mijn aandacht.

De honger om via boeken te weten hoe de wereld in elkaar zit, kan vanzelfsprekend alleen maar gestild worden door een combinatie van fictie en non-fictie. Non-fictie — wetenschap en geschiedenis — draagt idealiter feiten en verantwoorde vermoedens aan, en de meest plausibele interpretaties van die feiten en vermoedens. Fictie — goeie fictie — is dan weer een manier om met mensen van vlees en bloed in contact te komen. Verhalen zijn nodig om na te voelen hoe individuele mensen de werkelijkheid ervaren, hoe zij hun leven vormgeven. Ook wat mensen denken, voelen en fantaseren behoort immers tot de werkelijkheid, maar is nu eenmaal te soft en te grillig om netjes in de schema's van wetenschappelijke non-fictie te passen. Wetenschap houdt zich bezig met wetmatigheden, fictie houdt zich bezig met de individuele menselijke ervaring.

De voorbije tien jaar heb ik vooral opgehangen aan de literatuur. Maar een jaar of twee geleden kwam ik tot de conclusie dat ik niet wou eindigen als halfzachte homme de lettres. Literatuur bleek haar eigen wetten te hebben, waarmee ik niet altijd akkoord kon gaan. Literatuur bleek vaak erg zelfgenoegzaam. En literatuur bleek vooral te worden beoefend door een bepaald soort mensen, met eigen stokpaardjes en vooroordelen, die vaak niet zo interessant zijn. Ik heb me daarom voorgenomen me de komende tien jaar meer te wijden aan het lezen van ernstige non-fictie om, in de woorden van Boeklog, "te leren wat er te weten is, met als toespitsing de vraag hoe wij dat dan menen te weten."

2.
De komende twaalf maanden wil ik mijn geschiedenis bijspijkeren. Dat voornemen verkondig ik al jaren, voornamelijk opdat de gêne ooit zo groot zou worden dat ze me verplicht mijn plannen ook echt uit te voeren. Dat moment is nu gekomen.

Mijn geschiedenis vertoont de grootst mogelijke gaten. Ik heb enkele goeie leerkrachten gehad in het middelbaar. Voor Latijn, filosofie, aardrijkskunde — maar niet voor geschiedenis. Het waren slappe of chaotische vertellers die geen beeldmateriaal gebruikten en niet wisten in te haken op de leefwereld van jonge mensen wier hormonen alle kanten opspatten. Van zes jaar geschiedenis herinner ik me hier en daar een schema, en vooral halve lessen lang slides afpennen.

Ik herinner me ook grote verwarring. Leerkrachten doen onderling zelden moeite om hun lessen op elkaar af te stemmen. In plaats van telkens vanuit dezelfde kern (en bijbehorende terminologie) te vertrekken — met een basisboek dat dan ook zes jaar meekan zodat alle puzzelstukjes zichtbaar op hun plaats vallen — kwam elke leraar met zijn eigen overzicht. Ik heb de Renaissance misschien wel op acht verschillende manieren horen uitleggen; al die schema's liggen ergens in mijn achterhoofd op elkaar en vormen zo een onleesbare blur.

Ik ontdekte trouwens laat dat wat in de humaniora voor 'geschiedenis' moest doorgaan, beperkt bleef tot één aspect van die geschiedenis: het politiek-staatkundige. Geschiedenis was het verhaal van koningen en keizers, stambomen en dynastieën, oorlogen en staatsgrenzen. Cultuur was er ook, maar voornamelijk hoge cultuur.

Definitief afhaken deed ik in het zesde jaar, toen het tot een felle discussie kwam met mijn leraar. De lessen gingen over mei '68, waar de man nogal hoog over opgaf, terwijl ik dat hele circus probeerde te relativeren. Ik was bijkomende uitleg gaan vragen aan mijn ouders, die in 1968 precies 18 jaar oud waren. Wat bleek? Mijn ouders — eenvoudige arbeidersmensen, zonder dat ik daar romantisch over wil doen — hadden nog nooit gehoord van mei '68. En de leerkracht, die lachte mij uit. Het heeft me gesterkt in het idee dat wat echt belangrijk is in de geschiedenis, vooral de zaken zijn die alle lagen van de bevolking — rijk, arm, hoogopgeleid, laagopgeleid — treffen.

In de literatuur geldt trouwens hetzelfde. Ik houd van intelligente spelletjes op zijn tijd, van writer's writers, en romans met intellectuelen in de hoofdrol. Maar het meest bewonder ik schrijvers die geloofwaardig over 'gewone' mensen kunnen schrijven — mensen die in het echte leven niet de gave van het woord hebben of het verstand om hun eigen problemen te ontleden. Daarom vond ik Hugo Claus ook zo'n ongelooflijke vakman. Nick Hornby verwoordt in The complete polysyllabic spree een gelijkaardige bekommernis:

What I’ve always loved about fiction is its ability to be smart about people who aren’t themselves smart, or at least don’t necessarily have the resources to describe their own emotional states. That was the way Twain was smart, and Dickens; and that is surely one of the reasons why Roddy Doyle is adored by all sorts of people, many of whom are infrequent book-buyers. It seems to me to be a more remarkable gift than the ability to let extremely literate people say extremely literate things.
Dit jaar zal ik zeker een paar boeken lezen over de evenementiële geschiedenis van de twintigste eeuw — de geschiedenis van feiten, veldslagen en wisselende heersers. Die kapstok moet er zijn, ook al omdat ik decennia-oude romans iets beter in hun context wil leren lezen. Maar vooral wil ik gemiddeld elke twee weken een boek lezen dat gaat over de dingen die mij interesseren. De basics, de geschiedenis van alledaagse besognes, die ook deels verklaren waarom u en ik normaal vinden wat wij normaal vinden.

Ik ben niet zo goed thuis in de historische literatuur en moet dus vooral afgaan op titels die tot de verbeelding spreken. Maar dit is mijn lijstje:

Van spierkracht tot warmtedood : een geschiedenis van de energie - M.J. Sparnaay

Honger en overvloed - Montanari Massimo

Woorden : een geïllustreerde geschiedenis van de westerse talen - Victor Stevenson

Een kleine geschiedenis van bijna alles - Bill Bryson

Kunst en illusie : de psychologie van het beeldend weergeven - E.H. Gombrich

Eeuwige schoonheid - E.H. Gombrich

Joodse cultuur : oorsprong en bloei - Geoffrey Wigoder

Het kind in het Westen : vijf eeuwen geschiedenis - Hugh Cunningham

Thuis in Europa : wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800 - Raffaella Sarti

De uitvinding van de moderne mens : collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie - Robert Muchembled

Een geschiedenis van God - Karen Armstrong

Wat is leven ? : een cultuurgeschiedenis van de biologie - H.C.D. De Wit

Nacht en ontij : de geschiedenis van de nacht in de voorindustriële tijd - Roger Ekirch

Van mensen en wereldrijken : de Europese migratie, ontdekkingsreizen en veroveringen van de Griekse Oudheid tot heden - Anthony Pagden

Zwaarden, paarden en ziektekiemen : waarom Europeanen en Aziaten de wereld domineren - Jared Diamond

De ideeën die de wereld veranderden - Felipe Fernández-Armesto

Het succes van geld : een financiële geschiedenis van de wereld - Niall Ferguson

Een intieme geschiedenis van de mensheid - Theodore Zeldin

Landschap en herinnering - Simon Schama

Het civilisatieproces : sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen - Norbert Elias

Hoe de wereld werd ontdekt - Felipe Fernandez-Armesto

De graangodin : het ontstaan van de landbouw - Louis Beyens

Geluk : een geschiedenis - Darrin McMahon

De kus van Lamourette : bespiegelingen over mentaliteitsgeschiedenis - Robert Darnton

Informalisering : manieren en emoties sinds 1890 - Cas Wouters

De bedoeling is om verslag over dat gelees uit te brengen op dit weblog. Ik hoop daar al doende een passende vorm voor te vinden. Binnen twee weken de eerste besprekingen. Intussen volgt op Achille nog een tiendelige reeks over de geschiedenis van de Belgische kunst.

____

vrijdag 22 januari 2010

The arrogance of the French - Richard Z. Chesnoff

Een paar maanden geleden nog zag ik een trosje Amerikaanse vrouwen afgesnauwd worden door een ober in het Quartier latin. Een tafereel dat zo in dit boekje kon. Parijs blijft een populaire reisbestemming voor Amerikanen, maar waarom doen die Fransen altijd zo hautain en vijandig tegen hen? Journalist Richard Z. Chesnoff ging op zoek. “I’ve spent fourteen self-flagellating years living and working in France trying to figure out the answers to all those questions.”

Richard Z. Chesnoff, correspondent voor U.S. News & World Report, New York Daily News en Newsweek, verblijft afwisselend in Amerika en Frankrijk. Met The arrogance of the French schreef hij een venijnig boekje over de Franse mentaliteit, bedoeld voor de Amerikaanse achterban. Althans, zo leek het toen ik het kocht. Maar het is veel meer dan dat. Chesnoff rekende voor eens en voor altijd af met zijn gastland.

Uitgangspunt zijn de gemeenplaatsen die de Fransen koesteren over de Amerikanen — die overigens vergelijkbaar zijn met wat in België ingang vindt. De Verenigde Staten zijn een neo-imperalistisch land zonder geschiedenis, een land van roekeloze cowboys en hebzuchtige oliebaronnen, waar de sociale zekerheid niets voorstelt, genetisch gemanipuleerd graan verbouwd wordt, en milieuvervuiling volkssport nummer één is. Amerika is het land we love to hate, en ondertussen kijken we naar Amerikaanse films, eten we bij McDonald's, en dragen jeans.

Fransen, van hun kant, zijn zo averechts, meneer. Het zit in de kleine dingen. Fransen willen niet dat Californische wijnboeren de naam ‘champagne’ in hun vaandel dragen. Fransen misprijzen het succes van Lance Armstrong. Of actueler: de Franse topbibliotheken zijn niet zo happig om hun boeken door Google te laten digitaliseren. Maar het zit ook in de grote dingen. Frankrijk stond het luidst te protesteren toen de Amerikanen Irak binnenvielen. Iets wat Chesnoff, die er in dit boekje uit 2005 een heel hoofdstuk aan wijdt, moeilijk kan verkroppen. Amerika, dat la douce France van de nazi's bevrijdde, terwijl het zelf heulde met de vijand!

The fact that France was literally saved by the United States — especially in World War II — has also not done very much to put France at ease. While Britain and the other Allied nations could sincerely celebrate the 1945 defeat of the Nazis as a joint victory, the French could not honestly claim that prize. (Besides, for more than a generation, there were many French of varying degrees of leftist persuasion who remained convinced that it was the Soviet Union that actually won the war.)
In the wake of that war, Charles de Gaulle made indefatigable attempts to paint France as a united nation of resistance fighters. But for all his heroic hubris, the fact remains that France had surrendered to the invading Germans with little fight, and that until Allied forces arrived in France, those among the French who actively resisted the Nazi accupation, or even helped resistant fighters, remained a distinct minority.
Hij geeft verschillende oorzaken voor de rivaliteit tussen beide landen, en vooral de toenemende frustratie van Frankrijk daarbij. Het heeft natuurlijk te maken met de wisselende politieke en economische machtsverhoudingen na de Tweede Wereldoorlog, die ook nog eens onderstreept worden door de dominantie van het Engels over het Frans. Ook cultureel is Parijs niet langer toonaangevend. Frankrijk voelt zich langzaam een museum worden, en dat doet pijn voor een natie die zichzelf door de eeuwen heen een voorbeeldfunctie heeft aangemeten. Komen daar ook nog de goede relaties bij tussen de VS en Groot-Brittannië, de erfvijand van Frankrijk.

Met verbijsterende verbetenheid — en zonder humor — gaat Chesnoff dan op zoek naar zaken waarop hij de Fransen terug kan pakken. De roekeloze rijstijl van de Fransen. De overspeligheid van Franse presidenten. De geprikkelde reactie van de plattelandsbevolking op de komst van hij, een Amerikaan die hun vervallen huisjes opknapt. De gebrekkige opvang van immigranten uit de Maghreblanden. De corruptieschandalen. De grote werkloosheid en stakingsbereid in het land — "kijk maar naar dat boekje Bonjour paresse van Corinne Maier"!

Interessant vind ik Chesnoff alleen als hij koekjes van eigen deeg uitdeelt. Frankrijk had kritiek op de aanpak van Bush na orkaan Katrina, terwijl het zelf niet kon voorkomen dat in de zomer van 2003 liefst 15.000 voornamelijk oudere mensen stierven aan de gevolgen van de hittegolf. Frankrijk geeft hoog op over de Kyotonormen, maar telt ondertussen wel het meeste dieselrijders van Europa. De Fransen doen bezorgd over nucleair afval, terwijl het zelf bijna tachtig procent van zijn energie haalt uit kerncentrales. Amerikanen zouden zogezegd te weinig tact aan de dag leggen in hun relaties met Arabische volkeren, maar ook Frankrijk moest hun pieds-noirs met de staart tussen de benen terugtrekken uit Algerije. Frankrijk misprees de Vietnam-saga, maar wat deed de koloniale mogendheid zelf allemaal voor fraais in Noord-Afrika en Zuid-Oost-Azië?

Contacten met foute regimes is een teer punt geworden voor de Amerikaan. En dan gaat het niet alleen over de stalinistische sympathieën van de Franse intelligentsia in de jaren vijftig. Chesnoff geeft tekst en uitleg bij de welwillende banden tussen Frankrijk en dictators uit Zimbabwe (Mugabe), Gabon, Togo, Congo, de Centraal-Afrikaanse Republiek (Bokassa), Egypte (Nasser) en Libië (Kadafi). Hij lijst fijntjes de economische belangen op van Frankrijk in Irak. En hij, een Amerikaanse jood, signaleert verbolgen Frankrijks banden met de PLO.

Het kleinzielige van al het bovenstaande zit niet in de terechte punten van kritiek, het hekelen van hypocrisie — het zit in de totale blindheid voor Amerika's eigen schijnheiligheid in binnen -en buitenlandse aangelegenheden. Chesnoff haalt zijn neus op voor een land met een cultuur — de centralistische regering, de grote linkse vleugel, de sterke vakbonden — die hij niet begrijpt, en een kritische ingesteldheid die hij afdoet als 'misantropisch'.

Het punt is vooral dat ik hem niet op zijn woord geloof. Hij noemt geen bronnen en heeft een heel kwalijke manier van geschiedenis samenvatten. Zo stelt hij het voor alsof de Amerikaanse inbreng op het einde van de Eerste Wereldoorlog (met 116.000 gesneuvelden) de redding betekende voor Frankrijk — "that added just enough weight to tip the final balance in favor of the Allies and save France from defeat" — , daarmee de inspanningen van de Britse, Belgische, Franse, Australische en Canadese troepen negerend. Dus geloof ik ook zijn versie niet van de veranderende verhouding tussen de Verenigde Staten en Frankrijk op het laat-achttiende-eeuws en negentiende-eeuwse Noord-Amerikaanse continent, hoe weinig ik daar ook over weet.

Wat ik desondanks meeneem is de theorette van Chesnoff als zou Descartes de hele Franse denktrant verpest hebben. Niet diens logische helderheid en systematische aanpak, maar diens opvatting dat uit één zuiver rationele premisse alle waarheid kan gevonden worden. Voeg daarbij een schoolcurriculum dat overdadig op taal gericht is en nauwelijks ruimte laat voor discussie en samenwerking (in Frankrijk zou groepswerk niet bestaan), en je creeërt intellectuele monstertjes. Chesnoff citeert een Amerikaanse advocaat te Parijs:
The French believe that for any open issue there is one answer, the right answer. Americans play like football — you move forward, and eventually you get there. The French prefer soccer; getting good position on the field doesn’t matter, it’s marking the point. (…) Generation after generation of French pupils have had their minds ‘formed’ by the cartestian ‘method’, which is a hodgepodge of a priori reasoning, formalism, deduction from unproved premises and verbal symmetry.
The arrogance of the French bevat twee aanhangels: een lijst met sterke uitdrukkingen om Fransen van weerwoord te dienen, en een lijst met Franse producten om te boycotten.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> lees over Frankrijks internationale verhoudingen: Vele ideeën over Frankrijk

Richard Z. Chesnoff, The arrogance of the French
Why they can’t stand us and why the feeling is mutual

187 p.
Uitgeverij Sentinel, 2006
Oorspr. (2005)

____

donderdag 21 januari 2010

The Anarchist Library

"The scope of the Anarchist Library project is enormous. It will be a central website for all anarchist texts. Our collection eventually will consist of every digitally-available anarchist book, essay, story and article. We will be using only Free Software and Open Formats to produce typographically accurate, easy to parse, clean textual treatments of anarchist texts. There are many online archives of anarchist and anarchist-relevant texts, so why one more? Many of the existing anarchist archives are sadly out of date, unattended, and use software and protocols that do not do a good job of presenting text."

> http://theanarchistlibrary.org/texts-sorted-title

____

Lord Likely

"Lord Likely was a renowned member of the English aristocracy in the Victorian era. Tales of his exhilarating, enthralling and highly erotic exploits were legendary, but only now have his own, personal diaries resurfaced (found in a branch of Help the Aged in Swindon), shedding light on the life of this extraordinary eccentric."

> http://www.lordlikely.com/

____

Duyster Online

"Het Studio Brussel programma Duyster bestaat binnenkort 10 jaar. Of zoals het duo Eppo Janssen/Ayco Duyster het zelf mooi verwoordt: '10 jaren vol tomeloze weemoed en oorverdovende zoetheid. Rustig maar ongedurig'."

> http://www.duyster-online.be/nl/playlist.php

____

Charlie Rose

"Acclaimed interviewer and broadcast journalist Charlie Rose engages America's best thinkers, writers, politicians, athletes, entertainers, business leaders, scientists and other newsmakers in one-on-one interviews and roundtable discussions."

> http://www.charlierose.com/

____

Inkmesh

"Inkmesh is an ebook search engine that makes it easier to find free ebooks and compare ebook prices for the Kindle, iPhone, Sony Reader, Nook and more."

> http://inkmesh.com/

____

woensdag 20 januari 2010

Mode in de 20ste eeuw - Leontien van Beurden

De mode-industrie — en de vakjury's van de Project Runways van deze wereld bewijzen dat week na week — is mijn idee van de hel. Een schreeuwlelijk universum vol gebruinde ego's dat goeddeels drijft op imagebuilding en loze praatjes. Modeontwerpers verdienen hun brood met de hardnekkige leugen dat inhoud en omhulsel samenvallen. Een lap stof is nooit zomaar een lap stof.

Die reflexmatige weerzin tegen mode stamt uit het begin van de jaren negentig, toen ik zelf gekleed ging in anonieme houthakkershemden (volgens de mode van die dagen, o ironie). Die hemden pasten goed bij me, een arbeiderszoon, en ik dacht er de aandacht mee af te buigen naar mijn persoonlijkheid, naar de inhoud. Kleren mochten een indicatie geven over wie ze droeg, maar mochten niet imponeren. Dat stond niet sjiek. Dat was niet 'authentiek'.

Ik was jong en onnozel, kortom. Het effect van mijn proletariërsplunje bleef natuurlijk nihil. Alleen inzichtelijk voor de medeparochianen, voor wie de code kon lezen. Een bittere les was dat.

Toen leerde ik mijn vrouw kennen, die me modebewustzijn bijbracht. Of beter gezegd: gevoel voor stijl. Inmiddels weet ik dat géén imago ook een imago is, en dat mooie kleding het leven aangenamer maakt.

Ik neig nu zelfs meer naar de andere kant, en beschouw ijdelheid als een belangrijke deugd. De zin om je goed te kleden is een plezier op zich, en een goedzittend pak het begin van alle zelfrespect. Daarom behoorde What not to wear tot de weinige reality-tv waar ik graag mocht naar kijken. Omdat Trinny en Susannah, naast gelikte multimiljonairs, vrouwen echt vooruit helpen met hun kledingadvies (wat iets anders is dan modeadvies).

Maar de industrie blijft me dus afstoten. Designers die de modekleuren decreteren en honderdduizend dames die zich daar probleemloos naar schikken. Wie richtlijnen uitvaardigt over wat passabel is, voert de druk op mensen op die daar niet willen aan meedoen. Mode als primitief onderscheidingsmechanisme. Jij bent oud en ik ben nieuw.

Bij het zien van een modeshow komen altijd twee vragen in me op. Waarom draagt de ontwerper zelf altijd een simpele jeansbroek en T-shirt? Twee: waarom kijken die modellen altijd zo chagrijnig? Ik begrijp de wetten van het wereldje niet, noch het serieux. In een van zijn columns, uit Never hit a jellyfish with a spade, vat Guy Browning mijn kritiek prima samen.

The last genuinely original fashion idea was in the spring collection of 1974. Nevertheless, colours, lengths, cloths and styles still have to change every season. To make sure everything changes at once in the right direction, all fashion ultimately stems from a small office in the European Commission in Brussels overseen by a hypersensitive bureaucrat.
The models who model fashion don't look like normal people. That's because if you're wearing odd clothes it helps to look slightly odd yourself. Remember, the cooler fashion, the odder the models. Normal people look silly in high fashion in the same way that models look silly in low fashion. On the catwalk, models are trained to walk in a certain way. Were they to walk in a normal manner, people might think they were just nipping out to the loo. Instead, they walk in a way which guarantees people look at them, if only to wonder what's wrong with their walk. No one knows why it's called a catwalk; it just seemed to work better than dogwalk.
In Mode in de 20ste eeuw legt Leontien van Beurden niets van kritische zin aan de dag. Ze noemt de belangrijkste ontwerpers van de vorige eeuw en geeft aan welk kledingstuk wanneer zijn intrede deed. De keuzes die ze maakt, worden niet eens beargumenteerd. Zo is er weinig aandacht voor heren, en helemaal geen voor kinderkleding. Mode blijkt ook een zeer Europese (lees: Parijse) aangelegenheid. Dat zal wel te verantwoorden zijn, en een boek heeft altijd bladzijden te kort, maar het is niet koosjer dat mode stilzwijgend gedefinieerd wordt als de opeenvolgende collecties van een handvol topcouturiers.

Goed, dit boek hielp me mijn smaak benoemen. Onnadrukkelijke elegantie, zeg maar — Chanel boven Gaultier, Armani boven Versace, Van Noten boven Bikkembergs. Daarnaast leerde ik dat professionele ontwerpers een relatief jong fenomeen zijn. Designers gingen de traditionele kleermakers vervangen toen de welvaart van de burgerlijke cultuur tijdens de Belle Époque geld vrijmaakte voor uitgekiende kleding. Vrouwen (althans vrouwen uit de bovenklasse) werden het visitekaartje van de hardwerkende man. Het meeste lof moet waarschijnlijk uitgaan naar Paul Poiret, die de vrouwen van het corset bevrijdde, en Coco Chanel, die hen verloste van lange japonnen en weelderige hoeden.

Maar het boek bracht weinig over de zaken die me interesseren. De kledij van gewone mensen, vooral. Wat droeg men zoal in, pakweg, het vooroorlogse Bulgarije? Maar ook economische vraagstukken, zoals: hoe ontstaan modes? Wie zwaait de plak in de modewereld? Hoe zit een modehuis hiërarchisch in elkaar? Hoe beïnvloeden toeleveranciers de trends? En tenslotte: psychologische mechanismen. Kledij als statusobject. Of de eenvoudige truc van topcouturiers, die hun onbetaalbare creaties aan de straatstenen niet kwijtraken, en hun merknamen plaatsen op aanverwante artikelen. Kunnen juffrouwen zich alsnog een prinsesje voelen, met die dure handtas. Van Beurden zegt daar wel iets over, maar niet genoeg.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://www.fashion-era.com/index.htm

Leontien van Beurden, Mode in de 20ste eeuw
143 p.
Uitgeverij SUN, 1995
Oorspr. (1988)


Coco Chanel in de petite robe noire, ca. 1926. - Via Keurslijf

1900-1914
Vanaf het midden van de negentiende eeuw economisch en politiek realisme. Een nieuwe kaste van vrije ondernemers, bankiers en kooplieden. Rijk geworden bovenlaag, de beau-monde. Parijs centrum van de mode. De luxueuze kleding van de vrouw is het visitekaartje van de hardwerkende man. S-lijn. Jugendstil: kunst en ambacht, voor de happy few. Mantelpakjes voor vrouwen met een beroep. Van 1880 iedereen ondergoed. Peignoir. Reformkleding (prerafaëlitisch). Empirelijn (niet meer zo ingesnoerd). Charles Frederic Worth. Jacques Doucet. Soeurs Callot. Madame Paquin. Paul Poiret (schaft het corset af, eigen Huis met ook parfums, opwaardering mode-illustraties). Sportkleding voor de elite. Edward VII van Engeland rolmodel voor de herenkleding. WOI: modebedrijf valt stil.

1914-1929
Alle deelnemers verarmd uit WOI. Emancipatiegolf bij vrouwen. Jazz Age. Escapistische film. Chaplin. Duitse avant-garde. Eistenstein. Surrealisme, Freud. Bauhaus, maar moet sluiten onder druk van rechts. Art-deco in de toegepaste kunst. Vrouwenkleding als van voor de oorlog. Wijde rokken, oorlogscrinoline. La Garçonne, recht silhouet. Naaimachine, goedkopere confectiekleding. Cocktailjurk. Chanel: aartsvijand van Poiret, jersey, jumper, no5, petite robe noire, imitatiejuwelen. Jeanne Lanvin. Captain Molyneux. Jean Patou: sportieve kleding. Sonia Delaunay: patchwork, primaire kleuren. Madeleine Vionnet. Elsa Schiaparelli. Vrouwelijke sportkleding. Minimum aan ondergoed, functioneel. Benen! Kapsels: de shingle, de bop. Mantel: de wrap-over. Herenmode: plusfour, colbert.

1929-1945
Grotere koopkracht in VS, tot beurskrach. Roosevelt: New Deal. Hitler. Emigratie van kunstenaars. Parijs tot WOII centrum van kunst en cultuur. De grote kunstvernieuwingen hebben aan elan verloren. Vanaf 1928 sprekende film. Gestroomlijnd silhouet. Verbrede schouders. Economische opleving vanaf 1933. Gouden sieraden. Lastex. Invloed van filmsterren op de mode. In Engeland ‘utility clothes’. Elsa Schiaparelli: trompe-l’oeil-jumper, combineren van stoffen, knopen. Madeleine Vionnet: schuin op de draad. Chanel: het Chanel-pakje blijft populair, doet katoen ingang vinden, pantalon voor dames. Main Rousseau Mainbocher: distinctie. Lucien Lelong: prêt-à-porter. Robert Pinguet. Stoffen mantels boven bontmantels. Uitzinnige hoeden. Nieuw: haarnet. Weer lang haar. Zware damesschoenen. Beha weer in de mode. Weinig verandering in de herenkledij.

1945-1960
Wederopbouw. Jaren vijftig om de vooroorlogse omstandigheden te herwinnen. Pop-art en rock ’n roll. Opkomst van de jeugdcultuur. Laatste bloeitijd van de Haute Couture, voor de happy few, zodat veel ontwerpers doen in nevenprodukten (shawls, kousen, parfums). Straatbeeld, filmidolen popzangers inspiratiebronnen. Modezaken en fabrikanten kunnen nu een origineel model als toile of als papieren patroon kopen. Vanaf 1955 opkomst prêt-à-porter. Italië komt opzetten als concurrent voor Parijs: kleur, lef accent op nonchalante chic. Christian Dior: koning van de Haute Couture, New Look (vrouwelijk, retro-romantisch), Ligne Chinoise, Ligne Princesse, Ligne Tulipe, de A-lijn, de Y-lijn. Balenciaga. Yves Saint-Laurent: neemt Dior over, trapezelijn, straatmode. Hubert de Givenchy: exclusieve stoffen. Jacques Fath. Chanel: terug na een stop van 15 jaar. Pierre Balmain. Nina Ricci. Jean Dessès. Madame Grès. In Engeland: Hardy Amies, Norman Hartnell, Digby Morton, Victor Stiebel. Hoeden in plaats van kapsels. Nieuw: nylonkousen. Inburgering van de panty. Teddyboys. Antihelden: Dean, Brando, Presley, Richard Burton. Dames (Bergman, Leigh), sexbommen (Russell, Ekberg), nu ook kind-vrouwtje (Bardot, Monroe).

1960-1975
Swinging Sixties. Jeugd grote consument. Consumptiemaatschappij. Verzorgingsstaat. Bevrijding. Protestacties. Oliecrisis van 1973. Groene levenswijze. Zelfverwerkelijking en persoonlijke groei. Pop-art. Popmuziek. Kritisch theater. Straatmode van Mary Quant. Bonestaak Twiggy. Modebeeld strak van vorm. Kapsels Vidal Sassoon. Vrouwenkledij geïnspireerd op boerendrachten. Laura Ashley. Hippiedracht. Mode onthult steeds meer individuele smaak van de drager. T-shirts en jeans aanvaarde dracht. Unisex. Boutiques met modesnufjes en accessoires: Biba en Bazaar. Mary Quant: simpel, minirok, Total Look. Sally Tuffin. John Bates. Ossie Clark. John Stephen. Pierre Cardin: eerste ontwerper die begint met prêt-à-porter. Yves Saint-Laurent. André Courrèges: Moongirl, introduceert laarzenmode. Emanuel Ungaro. Theatrale make-up. Diëten, sportbeoefening. Nylon blijkt ideaal voor skikleding.

1975-1995
Troost en veiligheid in een burgerlijk cultuurpatroon. Milieuproblematiek. Hongersnoden. Bewapeningswedloop. Val Berlijnse muur. Toenadering Oost en West. Generatie Nix. Pluralisme in de kunst. Postmodernisme. De uien-look. Powerdressing. Punk. Disco. Pantalon voor vrouwen. Tricot. Styling: total look. Armoelook (Rei Kawakubo). Orgie van kleuren, glimstoffen, pailletten. Yuppen. Androgynie. Iedereen wil voor alles een eigen image. Basics met zeer speciale uitstraling: Esprit, Benetton, Mexx, Sissy Boy, Copain Copine, H & M. Designer’s labels. Sportkleding (nylon en vanaf 1958 lycra) dringt door tot de daagse mode. Grove schoenen, Doc Martens. Grunge. Bergaf met de Haute Couture. Laura Ashley: laat-Victoriaans. Zandra Rhodes: conceptual chic. John Galliano: antimode. Rifat Ozbek. Katherine Hamnett: engagement. Vivienne Westwood: punk. Karl Lagerfeld: duivelskunstenaar. Claude Montana. Yves Saint-Laurent: surfend op heersende trends. Jean-Paul Gaultier: humor en glamour. Christian Lacroix: barokke stijl. Gianfranco Ferré: grote vlakken en sterke kleuren. Duitsers: Jill Sander, Helmut Lang, Wolfgang Joop, Uli Schneider, Stephanie Poten. Amerika toonaangevend qua massaconfectie. Amerikaanse ontwerpers: Claire McCardell, Geoffrey Beene, Ralph Lauren, Donna Karan, Calvin Klein. Italianen: Gianni Versace (sexy, controversieel, exclusief), Giorgio Armani (herenkledij als inspiratie voor dameskledij), Domenica Dolce & Stefano Gabanna, Tai Missoni, Valentino Garavani, de zusters Fendi. De Antwerpse zes: Ann Demeulemeester, Walter van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Dirk van Saene, Dries van Noten, Marina Yee. Japanners: Kenzo Takada, Issey Miyake, Rei Kawakubo, Kansai Yamamoto, Yohji Yamamoto, Hanae Mori, Mitsuhiro Matsudo.

____

dinsdag 19 januari 2010

Papierverwerkende industrie - Ger Groot

Ik houd niet van mensen die alleen thrillers kopen, noch van types die hoofdzakelijk de Franse poststructuralisten lezen. De enige lezer die ik vertrouw is de veelzijdige lezer. Neem nu Ger Groot. Hij vertaalde uiteenlopende auteurs als Schama, Duby en Derrida, is kenner van Cioran, Nietzsche en Bataille, maar leest ook Canetti, de Spaanse brieven van Hendrik de Vries, of iets van Arnaldur Indriðason. In de Groene Amsterdammer mocht hij rapporteren over dat grillige leespatroon.

Papierverwerkende industrie brengt een selectie uit de columns die Ger Groot schreef in De Groene Amsterdammer tussen april 2002 en september 2008. Die bijdragen zijn minder hemelbestormend dan de kaft laat vermoeden. Groot is een man van rust, cultuur en beschaving. Een man waarbij de scheidslijn tussen leven en lezen, en tussen lezen en daarover schrijven, nauwelijks nog te trekken valt.

Rond mijn twintigste begon ik boeken te lezen in het bewustzijn dat ik er achteraf iets over schrijven moest. Nog geen tien jaar later las ik alléén nog om er iets over te schrijven — zo niet direct dan toch later, want in de letterenjournalistiek duikt ieder gelezen werk ooit wel weer in het geschrevene op. Zo viel mijn leven gaandeweg steeds meer samen met de tweedeling waarin Sartre zijn autobiografie verdeelde: lire en écrire — zij het dan dat beide elkaar met een lichte faseverschuiving grotendeels overlapten. Het schrijven werd de echo van mijn lezen en mijn boekenkast het stille water waarin ik mij als Narcissus steeds meer weerspiegeld zag. Wie vormde wie? De eerste de laatste denk ik.
Maar ook een veellezer ziet zich geplaatst voor dat formidabele drama dat wat hij (ja, ook hij) in een mensenleven aan papier kan verstouwen, slechts een fractie is van het totale aanbod. Er verschijnen onnoemelijk veel boeken, die ons elke seconde onwetender maken. Er zijn te weinig hulpmiddelen om de boeken te vinden die echt bij je passen, en er is überhaupt te weinig tijd voor de boeken die je wou lezen.
Het toeval heeft grotendeels mijn leeswereld bepaald, en die bepaalde míj weer. Een paar zwaartepunten zijn erin te vinden: romans, mentaliteitsgeschiedenis, en natuurlijk de filosofie. Maar over het algemeen vulden mijn boekenkasten zich zonder enige vertoon van intelligent design en werden ze het bewijs van een literaire vraatzucht die al snel moest ontdekken dat boeken zijn als drakenkoppen. Voor alles wat verslonden werd diende zich het tienvoudige als nieuw weer aan.
Groot slaat in zijn column niet aan het recenseren. Wat hij leest — romans, gedichten, strips, liedjesteksten — is veeleer een inspiratiebron voor een meditatie over de act van het lezen. Papierverwerkende industrie bestaat overwegend uit stapelstukjes, waarin twee, drie, vier boeken met elkaar in verband worden gebracht. Een detail uit een roman kan leiden tot een breedculturele gevolgtrekking, of net andersom.

De papegaai uit 'Un coeur simple' van Flaubert is aanleiding voor een beschouwing over nabootsingskunst, iets over een papegaaiemuseum en natuurlijk over Julian Barnes. Van de madeleine van Proust gaat over Augustinus naar Bergson, en vooral over het raadsel van de tijd. Zafón roept Borges op, Borges Eco. De bruggetjes zijn dus niet altijd even origineel, en vele stukken waren ook gebaat bij een iets fermere stellingname. Groot haalt niet het niveau van Herman Franke in zijn Waarom vrouwen betere lezers zijn. Hoe meer boeken Groot aankaart in een stuk, hoe amusanter, ja, maar hoe minder kennis me daaruit bijbleef.

Het hele boek lijkt me wel een aanrader voor jongvolwassen lezers die op relaxte toon iets willen vernemen over de vraagstukken waar recensenten altijd over blijven zeuren en twisten: de relatie tussen taal en werkelijkheid (een discussie waar ik acute koppijn van krijg), de spanning tussen vorm en inhoud (idem), de tekstgerichte literatuuropvatting versus het belang van auteursintenties (dito).

Het is natuurlijk logisch dat Ger Groot, van huis uit filosoof, die onderwerpen aanpakt. Maar gelukkig zijn de meeste vragen iets concreter. Hoeveel literaire smaak komt er werkelijk aan te pas, wanneer we in de boekhandel onze keuze maken? Wat is het verschil tussen een verhaal en een betoog? Wat gebeurt er als we stilzwijgend lezen? Hoe gekunsteld is een natuurlijk ogende dialoog in een boek? Hoe snobistisch is het om boeken enkel in de oorspronkelijke taal te willen lezen? Wat is er typisch aan een autodidactische lezer? Wat maakt een werk canoniek? Wat is de functie van rijm in een gedicht?
Rijm is niet louter een tweederangs poëtisch element, dat pas vanaf de tweede eeuw na Christus het metrum gezelschap komt houden, om in de middeleeuwen door te breken, in classicisme en vroegromantiek zijn hoogtepunt te bereiken en vanaf Walt Whitman weer langzaam uit de poëzie weg te deemsteren. Het geeft het gedicht op een hoorbare wijze structuur en verleent het daarmee een eens zo grote gestrengheid.
Het best, en dat is een princiepskwestie, vind ik de stukken als ze zo dicht mogelijk bij de boeken blijven. Zo geeft Groot ergens mooi aan wat het verschil is tussen 'de gewone man' in de boeken van Zola en de alledaagsheid in de literatuur die na de Tweede Wereldoorlog ingang begon te vinden. Hoe gemeenschap en individu nog geen tegenpolen waren in de laatmiddeleeuwse, premoderne romans van Sigrid Undset. Waarom vrouwen misschien zo afwezig zijn in de romans van Simenon. Het stukje 'Boekherinnering', over hoe ons geheugen gelezen boeken mismeestert, lijkt overigens voort te borduren op 'Het ongeziene en het ongelezene' van Karel van het Reve.

Een rode draad in Papierverwerkende industrie is het spanningsveld tussen de plezierlezer en de beroepslezer Ger Groot. Van een professionele recensent wordt verwacht dat hij zijn distantie niet kwijtraakt. Hevige stemmingswisselingen tijdens het lezen van een boek zijn "een gevaar voor de beroepseer". Groot komt met een opmerkelijke plaatsbepaling. Hij bekent romans te lezen, niet omwille van het hoe, maar omwille van het wat dat verteld en beschreven wordt. En vloekt daarmee luid in de kerk van de literatuurwetenschap.
Is literatuur er, met andere woorden, alleen voor de gelukkigen, die in hun blijdschap wel tegen een stootje kunnen? Of zijn juist dit de ‘tevredenen of legen’ voor wie de kunst nooit méér is dan een artefact dat de realiteit zelfs niet meer raakt — en daarin nota bene haar hoogste eer bezit?
Groot kan voor de verandering, in de minder dwingende vorm van de column, uiting geven aan die ontroering. Maar dat maakt hem natuurlijk nog geen blinde aanhanger van onschuld en spontaniteit in de literatuur. Een geoefende lezer is lastig te verleiden; een schrijver moet alles uit de kast halen om 'm uit zijn lethargie te halen. Maar de trucjes zijn niet het belangrijkste. Er is evenwicht nodig. Ik denk dat Groot dat bedoelt, wanneer hij ergens in het begin van zijn boek schrijft:
Pas als literatuurlezer ging ik behoren tot het volk van het Woord, dat tussen intrige en formulering geen onderscheid maakt. Het literaire zoekt het nu eenmaal bij het ene juiste en onvervangbare woord, dat vanzelf canoniek wordt.
Die gedachte, dat de definitie van een boekenminnaar is dat deze de "juiste formulering als een intrige op zich beschouwt", wil ik nog lang met me meedragen. Net als het allereerste citaat van deze bespreking, dat me uitnodigt eens op te schrijven hoe de praktijk van het bloggen mijn leesattitude inmiddels heeft beïnvloed.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Ger Groot, Papierverwerkende industrie : lezen als beroep
236 p.
Uitgeverij Ambo, 2009

____

maandag 18 januari 2010

Maximen - François de La Rochefoucauld

Als jonge twintiger was de zeventiende-eeuwse aforist François de La Rochefoucauld een openbaring. Toevallig was hij de eerste die met zijn maximen mijn toen nog katholieke begrippenapparaat op zijn kop zette. Tien jaar later vermaak ik me nog altijd prima met het werk van radicale pessimisten. In mijn boekenkast zet ik La Rochefoucauld niet bij de Franse schrijvers, maar op het plankje humor, met eerbiedwaardige collega's als Schopenhauer, Cioran en Bierce.

De Maximen kregen onlangs een nieuwe vertaling, van Maarten van Buuren, die er ook een heel informatief nawoord aan toevoegde, al is-ie wat karig met biografische informatie. De bitterheid van François de La Rochefoucauld (1613-1680) is voor een groot stuk ingegeven door persoonlijke ervaringen. In de Fronde, legt van Buuren uit, spande hij samen met de vorst van Condé tegen Louis XIV — die de oorlog won en het kasteel van La Rochefoucauld verwoeste. Daarna liet zijn maîtresse hem in de steek.

De rest van zijn leven zou La Rochefoucauld zich toeleggen op het scherpslijpen van zijn somberheid in venijnige oneliners. Hij bezocht de Parijse salon van de jansenistische markiezin van Sablé, waar ook Blaise Pascal regelmatig uithing. Drie leden van de salon, De Sablé zelf, Jacques Esprit en La Rochefoucauld, werkten er aan een bundel 'maximen' — afgeleid van maxima sententia, 'uiterst beknopte spreuken'.

Maximen schrijven was een tijdverdrijf voor enk'le fijne luiden. Even belangrijk als het ventileren van zwarte gal, was het spelelement. Een maxime, schrijft Van Buuren, moest aan drie voorwaarden voldoen: "kernachtig zijn, algemeen menselijke gedragingen betreffen, en een pointe bevatten die hun spelkarakter (en later hun literaire succes) garandeerden".

La Rochefoucauld had een genadeloos mensbeeld. Hij geloofde niet in de christelijke en adellijke deugden van zijn tijd, maar al evenmin in heidense deugden of een stoïcijnse levenshouding (lees maxime 504, over de leugenachtigheid van onze verachting van de dood!). De mens laat zich niet leiden door ethiek, maar door blinde driften: ijdelheid, luiheid, angst, trots, lusteloosheid en eigenliefde.

Elke zogenaamde deugd kan herleid worden tot een van deze ondeugden, en dat is wat La Rochefoucauld hier demonstreert. Liefde voor rechtvaardigheid is vrees om te lijden onder onrechtvaardigheid. Verstand wordt altijd om de tuin geleid door gevoel. Lof is vleierij. Goedheid komt bijna altijd neer op luiheid of lamlendigheid. Vrijgevigheid is ijdelheid. Bescheidenheid wordt opgelegd door de middelmatigen. Goedheid is zwakheid of inschikkelijkheid. Onrecht verwerpen we, niet omdat we er een afkeer van hebben, maar omdat we er schade van ondervinden. En trots bespaart ons de pijn van al deze onvolkomenheden onder ogen te zien.

De reden waarom ik altijd moet lachen met La Rochefoucauld is dat hij mijn ingesleten pessimisme altijd een paar stapjes voor is, en dat is verkwikkend.

145
We mengen onze complimenten vaak met venijn om in degenen die we complimenteren gebreken zichtbaar te maken die we op een andere manier niet durven te onthullen.

178
De reden waarom wij graag nieuwe kennissen maken is niet zozeer dat wij de oude beu zijn, of graag een nieuw gezicht zien, maar eerder dat we ons ergeren onvoldoende te worden bewonderd door degenen die ons te goed kennen, en hopen dat meer te zullen worden door degenen die ons nog niet zo goed kennen.
Eigenliefde, ofte amour-propre, een religieuze term, zou de kern blijven van La Rochefoucaulds mensopvatting, ook toen hij zich meer en meer ontworstelde aan de invloed van het jansenisme en woorden als 'zonde' en 'genade' achterwege liet. Het begrip 'eigenliefde' ("Ze draait met alle winden mee, haar metamorfoses overtreffen die van Ovidius, en haar spitsvondigheid die van de scholastici") zou ook een belangrijke rol spelen in de theorieën van Adam Smith, hoewel het begrip oorspronkelijk gemunt werd door een kerkvader.
‘Eigenliefde’ is afkomstig van Augustinus, die in De civitate dei het onderscheid maakte tussen de liefde van de mens gericht op zichzelf (amor sui), of op God (amor dei). De eigenliefde is een van God afgewende liefde (aversario), die door de mens in een narcistische beweging is teruggeplaatst in zichzelf. De mens tekent daarmee zijn ondergang, want hij sluit zich af voor een goddelijke genade die hem alleen ten deel kan vallen als hij zich bekent tot de amor dei en zijn liefde ‘omkeert’ in de richting van God (conversio — ons woord ‘bekering’, het Franse conversion, heeft hierin zijn oorsprong).
La Rochefoucauld herlezend lette ik ditmaal op het verschil met moderne groten in het genre, zoals Stanisław Jerzy Lec. Waarbij opvalt dat de Fransman een echte boeteprediker is. Hij moraliseert en blijft daarbij dicht bij de kale redenering. Hij gebruikt paradoxen, maar geen beelden. La Rochefoucauld is heel Frans, in de zin dat hij een voorliefde heeft voor absolute waarden, en geen grijstinten kan zien. Van Buuren legt uit waarom de onpersoonlijke formulering van het origineel zo lastig te vertalen is, en wijst op een andere stijlfiguur die bepalend is voor La Rochefoucaulds wereldbeeld.
Hij schrijft zijn Maximen in een periode en een intellectuele omgeving die in het teken stonden van de wiskunde. De invloed van schrijvers/wiskundigen als Descartes, Spinoza en Pascal is goed merkbaar. La Rochefoucauld heeft dan ook de neiging om zijn maximen te construeren als vergelijkingen volgens het grondmodel a:b=c:d. bijvoorbeeld: ‘maximen willen schrijven zonder er aanleg voor te hebben is net zo belachelijk als tulpen willen kweken zonder bollen te hebben geplant’ (Nagelaten maximen). Op deze strakke, bijna mathematische opbouw maakt La Rochefoucauls allerlei inbreuken. Hij laat bijvoorbeeld een lid van de vergelijking weg (a:b=c) en dwingt zo de lezer de ontbrekende schakel in te vullen. Of hij suggereert een symmetrie die niet bestaat of raadselachtig is. De maximen vertonen met andere woorden open plekken. Er wordt van de lezer aanzienlijk inzet vereist om de maximen aan te vullen en op te lossen en juist deze kwaliteit verklaart waarom de maximen hun kracht door de eeuwen heen behouden hebben. ‘Mensen zien nog liever valse verdienste door de vingers dan dat ze werkelijke verdienste veroordelen’ (Maximen 455). In deze maxime is het geijkte grondpatroon a:b=c:d makkelijk te herkennen, maar er klopt iets niet. Volgens dat patroon zou je iets verwachten als: ‘Mensen zien nog liever valse verdienste door de vingers, dan dat ze werkelijke verdienste prijzen’. Ze zien nog liever iets negatiefs (onredelijks) door de vingers dan dat ze iets positiefs (redelijks) doen. De vervanging van dat ze ‘verdiend succes prijzen’ (+) door ‘dat ze werkelijke verdienste veroordelen’ (-) schept een dissymetrie. In deze dissymetrie wordt de plus vervangen door een min, zodat de vergelijking iets absurds krijgt (liever – dan – ), en de zwarte kijk onthult die La Rochefoucauld op mensen had, doordat hij ervan uitgaat dat mensen niet kiezen tussen goede en slechte alternatieven, maar tussen slechte en nog slechtere.
La Rochefoucauld ging tot op het bot en was in geschrifte kennelijk niet geïnteresseerd in de praktische consequenties van zijn ideeën. Wie zijn wereldbeeld tot het uiterste volgt kan immers alleen maar verzanden in immobilisme.

Als dit boekje voor mij daarom één ding bewijst, is het wel dat het katholieke begrippenkader past op de mens als een tang op een varken. Tegenwoordig neig ik meer naar het pragmatisme. Wat baten ons begrippen als 'goed' en 'kwaad' en het vruchteloze zondebesef dat daaraan vast zit? De vraag is: hoe kunnen we zo'n krachtige motor als eigenliefde in concrete situaties inzetten tot het nut van 't algemeen?

Aan de andere kant zou ik dringend meer moeten weten over hoe wetenschappers aankijken tegen ethiek. Wetenschappers à la Frans de Waal. Mijn noties daarvan zijn te algemeen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de Maximes in het Frans
> lees de Maximes in het Engels
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

François de La Rochefoucauld, Maximen
Bespiegelingen over het menselijk gedrag

127 p.
Uitgeverij Historische Uitgeverij, 2008
Oorspr. Maximes et réflexions diverses (1664)
Vertaald door Maarten van Buuren

49
On n'est jamais si heureux ni si malheureux qu'on s'imagine.

64
La vérité ne fait pas tant de bien dans le monde que ses apparences y font de mal.

135
On est quelquefois aussi différent de soi-même que des autres.

154
La fortune nous corrige de plusieurs défauts que la raison ne saurait corriger.

175
La constance en amour est une inconstance perpétuelle, qui fait que notre coeur s'attache successivement à toutes les qualités de la personne que nous aimons, donnant tantôt la préférence à l'une, tantôt à l'autre; de sorte que cette constance n'est qu'une inconstance arrêtée et renfermée dans un même sujet.

213
L'amour de la gloire, la crainte de la honte, le dessein de faire fortune, le désir de rendre notre vie commode et agréable, et l'envie d'abaisser les autres, sont souvent les causes de cette valeur si célèbre parmi les hommes.

218
L'hypocrisie est un hommage que le vice rend à la vertu.

234
C'est plus souvent par orgueil que par défaut de lumières qu'on s'oppose avec tant d'opiniâtreté aux opinions les plus suivies: on trouve les premières places prises dans le bon parti, et on ne veut point des dernières.

280
L'approbation que l'on donne à ceux qui entrent dans le monde vient souvent de l'envie secrète que l'on porte à ceux qui y sont établis.

287
Ce n'est pas tant la fertilité de l'esprit qui nous fait trouver plusieurs expédients sur une même affaire, que c'est le défaut de lumière qui nous fait arrêter à tout ce qui se présente à notre imagination, et qui nous empêche de discerner d'abord ce qui est le meilleur.

340
L'esprit de la plupart des femmes sert plus à fortifier leur folie que leur raison.

343
Pour être un grand homme, il faut savoir profiter de toute sa fortune.

375
Les esprits médiocres condamnent d'ordinaire tout ce qui passe leur portée.

377
Le plus grand défaut de la pénétration n'est pas de n'aller point jusqu'au but, c'est de le passer.

383
L'envie de parler de nous, et de faire voir nos défauts du côté que nous voulons bien les montrer, fait une grande partie de notre sincérité.

386
Il n'y a point de gens qui aient plus souvent tort que ceux qui ne peuvent souffrir d'en avoir.

414
Les fous et les sottes gens ne voient que par leur humeur.

420
Nous croyons souvent avoir de la constance dans les malheurs, lorsque nous n'avons que de l'abattement, et nous les souffrons sans oser les regarder comme les poltrons se laissent tuer de peur de se défendre.

424
Nous nous faisons honneur des défauts opposés à ceux que nous avons: quand nous sommes faibles, nous nous vantons d'être opiniâtres.

446
Ce qui rend les douleurs de la honte et de la jalousie si aiguës, c'est que la vanité ne peut servir à les supporter.

469
On ne souhaite jamais ardemment ce qu'on ne souhaite que par raison.

482
L'esprit s'attache par paresse et par constance à ce qui lui est facile ou agréable; cette habitude met toujours des bornes à nos connaissances, et jamais personne ne s'est donné la peine d'étendre et de conduire son esprit aussi loin qu'il pourrait aller.

496
Les querelles ne dureraient pas longtemps, si le tort n'était que d'un côté.
____

Related Posts with Thumbnails