Ik koop geregeld kunstboeken, maar let daarbij nooit op de teksten — reden waarom ik ze nooit op Achille bespreek. Kunstboeken moeten aan drie simpele criteria voldoen: betaalbaar zijn, een royale greep uit het werk van een kunstenaar presenteren, en dat doen via grote afbeeldingen in kleur. Als ik toch iets wil lezen over kunst, grijp ik naar buitenlanders, dikwijls Nederlanders. Vlaanderen telt weinig mensen die helder en nuchter over beeldende kunst schrijven.
Vooral de tentoonstellingscatalogi hier bevatten nogal eens essays in een hocus pocus-taaltje dat er vooral op berekend is platitudes aan het oog te onttrekken. Over de zin van de kunst, de rol van de kunstenaar, de relatie tussen tussen schijn en werkelijkheid... Gek genoeg gebeurt dat met instemming van de artiesten zelf.
Ook de reeks 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken heeft er een beetje last van. De begeleidende teksten dalen zienderogen in niveau naarmate ze verder afdwalen van het getoonde object. Bij zinnetjes als
Het werk van Richard Venlet houdt het midden tussen architectuur en beeldende kunst. Zijn ingrepen in bestaande ruimtes bezitten een plastische en sculpturale dimensie, die gedefinieerd is vanuit hun omgevende context.
of
Dit sacrale karakter betekent allesbehalve een eufeminiserende verhulling, maar daarentegen een regelrechte confrontatie met de fysieke (on)volmaaktheid.
hoor ik luid de lachband meelopen. Ik snap niet dat mensen in de meerwaarde kunnen geloven van dit soort kromspraak, en ik heb me al dikwijls afgevraagd waar het vandaan komt. Leunen de Vlaamse mores in de kunst aan bij de Franse, of is er meer aan de hand?
Je ziet soortgelijk proza ook optreden bij sommige mensen die schrijven over poëzie. Wat kunst en poëzie gemeen hebben is dat ze vaak af te rekenen krijgen met het gehoon van het grote publiek. Zou dit kille jargon een pantser zijn, dat insiders moet beschermen tegen kritiek van het vulgus, dat die geheimtaal niet verstaat?
De tien delen
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken boren zich vanuit het heden een gat in het verleden, en dat is niet zo slecht bekeken.
Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans wordt zo meteen het vrolijkste deeltje uit de reeks, waarin vele kunstenaars complexloos omspringen met de traditie. Er zit weinig anders op. Baanbrekende artiesten, ook deze van net na de Tweede Wereldoorlog, zijn zelf salonfähig geworden. Ergens in dit boek staat
Double portrait van Philip Huyghe. Daarbij wordt dan aangetekend door
Björn Scherlippens:
Op de foto poseren de moeder van de kunstenaar en de kunstenaar zelf. Plechtig en gedragen, tegen de achtergrond van een rijk 19de-eeuws interieur. Philip Huyghe is personage binnen zijn eigen werk. Net zoals de grote exponenten van de portretschilderkunste (Jan Van Eyck in zjin Arnolfini-portret, Diego Velázquez in Las meniñas) heeft de kunstenaar zichzelf mee weergegeven. Als Philip Huyghe zich niet met deze historische traditie verbindt, is het enkel om ze te persifleren. Double portrait hult zich nadrukkelijk in pathetiek en démodé; uit elk motief, elk detail spreekt kunstmatigheid: de 19de-eeuwse sfeer is beklemmend, de kledij overdreven. Huyghe heeft zelfs een masker en pruik opgezet om in zijn werk de perfecte harmonie tussen personages te creëren. Het is zijn ironische commentaar op de kunstenaar die zijn werk gebruikt om sociaal te promoveren. Philip Huyghe neemt een kritisch standpunt aan tegenover de kunstgeschiedenis. Maar zijn werk is ook sterk persoonlijk gekleurd. Zijn kunst verhaalt fantasieën en ervaringen uit de kindertijd. In Double portrait leeft de kunstenaar de wens uit om volledig op zijn moeder te gelijken. Het levert een tegelijk aantrekkelijk en afstotelijk beeld op. Het werk voert de toeschouwer terug naar een wereld van kinderlijke onschuld, maar laadt ondertussen ook meer confronterende en perverse betekenissen op: travestie en oedipale verlangens. In die ambiguïteit laat het werk van Philip Huyghe de kijker achter.*

foto: Philip Huyghe, Double portrait
Uit de inleiding bij dit boek leer ik dat de boom van musea voor hedendaagse kunst een internationaal fenomeen is dat vooral sinds de jaren 1980 optrad. Al kan je aan de diverse Belgische musea aflezen hoe verschillend zijn het begrip 'actuele kunst' invullen.
Het PMMK verzamelt kunst van de 20ste eeuw. Het SMAK legt zich toe op de kunst van na de Tweede Wereldoorlog. Het Muhka verzamelt kunst van na 1970 en de collectie van het MAC’S distantieert zich zelfs van elke vaste chronologie. Een vaststaand feit is dat de beeldende kunst die wij vandaag ‘hedendaags’ noemen, wortelt in de ontwikkelingen van de late jaren 1960 en de jaren 1970. In die periode worden een aantal artistieke opvattingen radicaal in vraag gesteld. Met name de conceptuele kunst, die vanaf 1969 aan een internationale opmars begint, speelt daarin een cruciale rol. De kritische en ironische attitude van de conceptuele kunstenaars heeft haar stempel gedrukt op de beeldende kunst van de jaren 1970 tot vandaag.*
Overigens zijn die musea zeker niet de enige belangrijke spelers in de kunstwereld. Kunstencentra en beeldende kunstorganisaties winnen aan belang, en sinds de jaren negentig kennen we de opkomst van de gastcurator of autonome tentoonstellingsmaker, die het vooral moet hebben van netwerken.
Toen ik de kunstwerken bekeek, vielen me vooral op hoevaak moderne schilders vertrekken vanuit bestaande foto's, waardoor hun doeken het aanzien krijgen van een superieure Photoshop-behandeling, met de persoonlijkheid van de kunstenaar als krachtige filter.
Hedendaagse kunst blijft een specialisme, zo veel is duidelijk.
Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans maakt melding van een kunstenaar die in een naburig dorp geboren is, maar van wie ik toch nooit eerder hoorde.
*: auteursvermelding volgt nog
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> lijstje met persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder
Diversen, Van Wim Delvoye tot Luc Tuymans : actuele kunst
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 1
De inleiding van Johan Pas in kortschrift:
Klimaat: groeiende West-Europese economieën in de tweede helft van de jaren tachtig. Val Berlijnse Muur. Overwinning van het kapitalistische model. Ideologisch spanning tussen oost en west ebt weg. Sovjet-Unie stuikt ineen. Tegenstelling Midden-Oosten versus Westen. Golfoorlogen. 9/11. Verrechtsing van het politieke discours. Informatiemaatschappij: harde sectoren maken meer plaats voor informatie- en kennistechnologie. Economisch recessie van 1989. Jaren negentig: ideologie van onbeperkte economische groei. Ecologische consequenties zichtbaar.
1989: eerste kunsthistorische terugblik op de conceptuele avant-garde van de jaren 1960 en 1970: L’art conceptuel. Une perspective in Parijs. De pioniers zijn historisch geworden maar inspireren nieuwe generaties. Sinds jaren 1980 internationale boom van musea voor hedendaagse kunst, ook in België. Vanaf de jaren 1990 concurrentie van tijdelijke en nomadische formats: biënnales. Manifesta reageert tegen Documenta. Web art en E-flux. Aandacht voor de kunst via verkoopsuccessen en vedetten: YBA.
Documenta IX geleid door Jan Hoet. Tento L’Art en Flandre et en Wallonie, un point de vue. Tento Belgique, une nouvelle génération. Tento Artisti (della Flandra) in Venetië. Weinig contacten tussen de Waalse en Vlaamse kunstwereld.
Waar Vlaanderen einde jaren 1980 al over drie museum voor hedendaagse kunst beschikt, krijgt Wallonië het zijne pas in 2002, het MAC’s (Musée des Arts Contemporains) in de historische site Le Grand-Hornu. Tento Chambres d’amis. Tento Over the edges. Stads- en wandeltentoonstellingen. Antwerpen Culturele Hoofdstad 1993. Tento Het sublieme gemis. Het NICC behartigt de belangen van de Belgische beeldende kunstenaar. Goed klimaat voor kunsttijdschriften. Academisering en onderzoek in de kunst in het hoger kunstonderwijs. HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten).
Dé internationale trend van de jaren 1990: de installatiekunst. Joëlle Tuerlinckx, Ann Veronica Janssens, Michel François, Wim Delvoye, Hans Op de Beeck, Philip Huyghe, Honoré ð'O, Peter De Cupere, Peter Buggenhout, Gert Verhoeven, Gert Robijns, Els Vanden Meersch, Koenraad Dobbeleer, Angel Vergara, Koen Vanmechelen, Steve Van den Bosch, Virginie Bailly, Koen De Decker, Nick Ervincke en Ronny Heiremans.
Tweede internationaal fenomeen: de doorbraak van de fotografie in de wereld van de beeldende kunst, niet enkel als documentatie van tijdelijke ingrepen en acties. Soms expliciteit refererend aan de schilderkunst. België: Dirk Braeckman, Jan Kempenaers, Anne Daems, Geert Goiris, Charif Benhelima, Aglaia Konrad, Els Opsomer, Maarten Vanden Abeele en Carl De Keyzer. Videokunst: Frank Theys, Koen Theys, David Claerbout, Johan Grimonprez, Sven Augustijnen, Harald Thys, Jos De Gruyter, Ana Torfs, Christine Clinckx, Elke Boon, Cel Crabeels, Manon de Boer, Wim Catrysse en Anouk De Clercq.
Comeback van de conceptualistische, sociologisch georiënteerde kunstpraktijk van de jaren 1970. Nico Dockx, Christoph Fink, Kobe Matthys, Orla Barry, Els Dietvorst, Jozef Legrand, Anne Decock Van Raef, Mo Becha, Dennis Tyfus, Vaast Colson, Ives Maes en Koen Vanmechelen. Koel modernisme: Jan De Cock, Pieter Vermeersch, Boy & Erik Stappaerts, Perry Roberts, Caroline Van Damme, Richard Venlet, Kris Van Dessel, Sergio De Beuckelaer en David Neirings.
Ironische of conceptuele aanwending van het traditionele medium van de schilderkunst: Luc Tuymans, Michael Borremans, Jan Van Imschoot, Patrick Vanden Eynde, Bert De Beul, Gery De Smet, Ronny Delrue, Vincent Geyskens, Koen Van Den Broek, Jörgen Voordeckers, Joris Ghekiere, Robert Devriendt, Tina Gillen, Guy Van Bossche, Mark Vanderleenen, Sam Dillemans, Valérie Mannaerts, Tom Liekens, Ellen De Meuter, Kati Heck, Cindy Wright, Matthieu Ronsse en Thomas Huyghe.
Hernieuwde belangstelling voor figuratie in de sculptuur: Berlinde De Bruyckere, Peter Rogiers, Sven ’t Jolle, Johan Tahon, Goele De Bruyn, Philip Aguirre, Caroline Coolen, Nadia Naveau, Bart Van Dijck, Johan Creten, Anton Cotteleer en Merlin Spie.
____