dinsdag 14 december 2010

What I believe - Bertrand Russell

De Britse uitgeverij Routledge brengt in de reeks Routledge Classics onder meer het verzameld werk van Bertrand Russell. Stuk voor stuk mooie gekleurde snoepjes, edel getypografeerd bovendien, met de teksten van misschien wel de meest leesbare filosoof van de twintigste eeuw. Ik ben er helemaal verliefd op. Russell was niet alleen logicus, maar schreef ook uitvoerig over het goede leven. Het pamflet What I believe bevat zijn kerngedachten daarover.

Tot 1834 was het Engelse woord ‘scientist’ (natuurwetenschapper) niet algemeen gangbaar. Mensen als Newton waren ‘natuurfilosofen’, en zo beschouwden zij zichzelf ook. Argumenten over de diepere bedoelingen van de kosmos stonden op gelijke voet met berekeningen en proeven, en de zucht naar specialisatie had de wetenschap (en de filosofie) nog niet in zijn greep. Heel veel wetenschappers hadden trouwens volslagen onwetenschappelijke opvattingen. Newton was zelf in het geheim een alchemist die meende dat de paus de antichrist was en dat de ware afmetingen van de tempel van Salomo tot belangrijke ontdekkingen zouden kunnen leiden.

Pas bij Einstein en Bertrand Russell (1872-1970) zien we een synthese tussen de wetenschappelijke methode en een algemener humanisme: een synthese die op rede berust en die het aandurft om een verband te leggen tussen enerzijds fysiek en natuurlijk bewijsmateriaal en anderzijds de conclusie dat men het best ethisch en rationeel kan leven als men aanneemt dat er geen bovennatuurlijke dimensie is.

Russell was een geëngageerd filosoof, die geen onderscheid maakte tussen denken en doen, en bijgevolg veel heeft gepubliceerd over het leven van alledag, praktische moraal en hoe een 'goed leven' te leiden.

Daarmee stond hij in een respectabele traditie. De Britse filosofie zit vol figuren die de praktijk van alledag verkozen boven theoretisering. William Ockham (14de eeuw) stelde dat het zinloos was een ingewikkelde theorie op te stellen waar een eenvoudige volstaat. Francis Bacon (16de eeuw) was de vader van de experimentele filosofie. John Locke (17de eeuw) vond dat mensen hun verstand moesten gebruiken in plaats van uit te gaan van absolute waarheden a priori. David Hume (18de eeuw) waarschuwde om sceptisch te staan tegenover alles wat niet voortkomt uit de eigen zintuiglijke indrukken en haalde verachtte het dogmatisme vanaf Kant uit zijn dogmatische sluier. De Ier Edmund Burke (18de eeuw) verkoos evolutie boven revolutie. Adam Smith (18de eeuw) was de promotor van de vrije markt. Jeremy Bentham (18de eeuw) stelde dat een goede, dus 'nuttige', handeling het genot vergroot terwijl een slechte handeling tot pijn leidt. En Russells eigen leermeester John Stuart Mill stelde de beperkingen in vraag die aan de vrijheid van het individu mogen worden opgelegd.

Toen Bertrand Russell tijdens de Eerste Wereldoorlog pacifistische activiteiten ontplooide — die hem uiteindelijk zijn leerstoel op het Trinity College zouden kosten — kwam zijn talent boven water om voor een publiek van leken te spreken. Ook het pamflet What I believe is prima te volgen zonder filosofische bagage, en toch indrukwekkend in zijn rationaliteit.

Het kleine boekje verscheen in 1925 als hoopvol contragewicht voor Icarus, Russells bijtende schotschrift tegen alle machthebbers die misbruik maken van de destructieve kracht van wetenschappelijke ontdekkingen. Centraal in What I believe staat de vraag hoe we 'het goede leven' kunnen bereiken. Volgens Russell is daar een stevige scheut intelligentie en kritisch denken voor nodig.

Inleider Alan Ryan onderscheidt drie kernideeën. Russell is om te beginnen een empirist, die heeft vastgesteld dat het verlangen ons doet handelen en dat de rede voornamelijk dient om te onderzoeken hoe we het best dat verlangen kunnen vervullen. De rede vertelt ons niet spontaan wát we moeten verlangen. Russell wil zich daar echter niet bij neerleggen. We moeten goed nadenken over wat we willen, vindt hij, gebruikmakend van wat de wetenschap ons heeft geleerd. Russell verdacht de mens van een sterke doodsdrift in Freudiaanse zin, getuige al die oorlogen die overduidelijk tot niets leiden.

Twee impulsen bepalen ons verlangen. De drang om te bezitten, die een ander dat bezit niet gunt en dus tot wedijver aanzet, en de drang om te creëren, die ons naar dingen doet zoeken waar niemand anders schade van ondervindt. Duitse wetenschappers die een nieuwe fysische wet op het spoor zijn, ontnemen de Engelse en Franse wetenschappers niet de mogelijkheid andere wetten te kunnen ontdekken. Bij de drang om te bezitten, bijvoorbeeld oorlog om grondgebied tussen Duitsland, Engeland en Frankrijk, zijn er altijd verliezers. Voor Bertrand Russell zijn vrede en geluk enkel mogelijk als we de creatieve instincten van de mens voldoende aansporen.

Derde uitgangspunt, en frappant voor de sociaal hervormer die Russell ook was: filosofie heeft niets te maken met moraal. Filosofie houdt zich alleen bezig op de terreinen waar de waarheid op het spel staat. Russell was logicus, wiskundige. Hij onderzocht hoe de wereld was, niet hoe hij zou moeten zijn.

Dat gegeven komt duidelijk tot uiting in het feit dat Russell de twee bovenstaande impulsen niet veroordeeld. Het zijn brute facts — gegevenheden. Impulsen zijn alleen maar goed of slecht in zoverre dat ze andere impulsen, van jezelf en van andere mensen, frustreren. Jezelf laveloos drinken frustreert je wens om geen kater te hebben morgenochtend. Maar als je dronken achter het stuur kruipt, frustreert je dronkenschap ook de behoefte van andere mensen om veilig de weg op te kunnen.

Het goede leven kwam er voor Russell op neer dat we de impulsen moeten cultiveren die onze verlangens bevredigen en de negatieve impulsen kwijt moeten zien te raken. Toch was Russell daar niet consequent in; hij was geen hedonist die geluk op eender welke manier najoeg. Hij stond een hoger ideaal voor, en wees op het zoeken van de waarheid als een belangrijk element in het leiden van een goed leven.

Daarom wou Russell niet weten van religie, want dat is het antwoord van de lafbek op de naargeestigheid van het universum. Religie is geobsedeerd door seks, in plaats van zich te richten op het maken van gelukkige, verdraagzame, goedopgeleide mensen. Bovendien laat religie de mensen bij de pakken neerzitten, ze roept op om het lot met waardigheid te dragen.

Een wetenschapper daarentegen respecteert de natuur nooit an sich. Hij probeert uit te vissen hoe ze werkt en haar eigenschappen voor het algemeen welzijn aan te wenden. Rationaliteit is daarbij belangrijk, omdat ze moraal juist in die praktische zin opvat. Religie ontbreekt het aan rationaliteit, omdat zij per definitie een verzameling van onwrikbare geloofspunten is.

Russell is geen verbitterde atheïst, zegt Ryan, die God vervloekt omdat Hij niet bestaat. Hij is een nuchtere atheïst, die verveeld wordt door al die nonsensverhalen die mensen alleen maar van het geluk afhouden.

What I believe bestaat uit vijf essays, die ik hieronder heb samengevat.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Bertrand Russell, What I believe
72 p.
Uitgeverij Routledge, 2004
Oorspr. (1925)
Uit de reeks Routledge Classics


Nature and man
De mens maakt deel uit van de natuur, hij staat er niet los van, of haaks op. Zijn denken is chemisch van oorsprong: "Voer een verstandig man jodium, en hij verandert in een idioot." Aan mentale fenomenen liggen dus materiële zaken ten grondslag. Daarom blijft het geestesleven van iemand niet voortbestaan na zijn dood. “Mind and matter alike are for certain purposes convenient terms, but are not ultimate realities.” Wie nuchter naar dat proces van menselijke conceptie, geboorte, groei en aftakeling kijkt, kan ook niet volhouden dat er iets kan bestaan als een eeuwige, onveranderlijke ziel.

Als we niet zo bang waren voor de dood, zou het hele idee van eeuwig leven waarschijnlijk niet eens bij ons opkomen. Angst bestaat omdat we maar weinig in onze omgeving kunnen manipuleren. Het heelal maakt ons tot onooglijke figuranten, en ook op onze planeet zijn onze krachten beperkt. Religie is geënt op angst, is een manier om die "antithese" te lijf te gaan. We scheppen een almachtige God die ons hele bestaan bestiert en die gemanipuleerd kan worden via gebed. Geloof in God zorgt ervoor dat we de natuur "vermenselijken" — dat de natuurlijke fenomenen onze bondgenoten zijn. Angst, en dus religie, maakt veel kapot. Angst is altijd slecht.

Men moet een onderscheid maken tussen philosophy of nature (natuurwetenschap) en philosophy of value (moraalleer). Beide disciplines hebben niets met elkaar te maken. De ene discipline bestudeert hoe de zaken werkelijk zitten, de andere denkt na over hoe we het eigenlijk zouden willen hebben. De natuurwetenschap beperkt zich niet tot onze eigen planeet die cirkelt rond een kleine ster in de Melkweg, maar verdisconteert gegevens uit het hele heelal. Alle wetenschappelijke kennis van het heelal indachtig, wordt het al snel belachelijk de mens een grote of uitzonderlijke rol toe te schrijven in dat heelal.

The good life
"The good life is one inspired by love and guided by knowledge." Liefde en kennis zijn beide onmisbaar voor een goed leven. De eenzijdige extremen — blinde liefdadigheid en pure contemplatie — leiden echter tot weinig.

Knowledge and love are both indefinitely extensible; therefore, however good a life may be, a better life can be imagined. Neither love without knowledge, nor knowledge without love can produce a good life. In the Middle Ages, when pestilence appeared in a country, holy men advised the population to assemble in churches and pray for deliverance; the result was that the infection spread with extraordinary rapidity among the crowded masses of supplicants. This was an example of love, without knowledge. The late war [de Eerste Wereldoorlog, AvdB] afforded an example of love, without knowledge. In each case, the result was death on a large scale.
Although both love and knowledge are necessary, love is in a sense more fundamental, since it will lead intelligent people to seek knowledge, in order to find out how to benefit those whom they love. But if people are not intelligent, they will be content to believe what they have been told, and may do harm in spite of the most genuine benevolence. Medicine affords, perhaps, the best example of what I mean. An able physician is more useful to a patient than the most devoted friend, and progress in medical knowledge does more for the health of the community than ill-informed philantropy. Nevertheless, an element of benevolence is essential even here if any but the rich are to profit by scientific discoveries.
Met liefde wordt een mix van twee zaken bedoeld: plezier hebben in iemand en het beste met hem voorhebben. "Delight without well-wishing may be cruel; well-wishing without delight easily tends to become cold and a little superior." Met kennis wordt geen morele expertise bedoeld, maar wetenschappelijke kennis, kennis van feiten. Kennis is ook onontbeerlijk om moreel te handelen. We kunnen immers niet moreel handelen als we niet weten waartoe een bepaalde handeling leidt.

Alle morele directieven moeten getest worden of ze wel de doelen realiseren die ons voor ogen staan. Dat lijkt een banale opmerking, maar in het echte leven is dat testen eerder uitzondering dan regel: vele handelingen worden op zich als goed of kwaad bestempeld, onafhankelijk van wat ze aanrichten.

Als we wel de consequenties onderzoeken, en daarna de beste manier van handelen kiezen, is de kans groter dat we onze verlangens kunnen vervullen, en dus het goede leven min of meer bereiken. Een dergelijk rationeel-ethisch handelen heeft dan ook niets te maken met onwetenschappelijke termen als ‘deugdzaam’ of ‘zondig’, enkel met het vervullen van verlangens.

Moral rules
Moraal is nodig telkens wanneer twee menselijke verlangens met elkaar in strijd zijn. Moraal gaat dan over hoe en in wiens voordeel dat conflict beslist moet worden. Morele codes hebben vaak gefaald in menselijk opzicht: de Azteken voelden het bijvoorbeeld als hun plicht om mensenvlees te eten om de zon gunstig te stemmen. Hun kennis schoot tekort.

Ook de huidige moraal bevat nogal wat bijgeloof. Sommige dingen zijn voor gelovigen verboden omdat ze God zouden mishagen. De enige grond voor die redenering is dan de goddelijke openbaring in de Schrift. Voor een wetenschappelijk ingesteld iemand is die zo-is-het-en-niet-anders-attitude onaanvaardbaar.

Geloofsleiders verdienen ons wantrouwen. Enerzijds omdat ze het zelf nadenken ontraden. ("Clergymen, almost necessarliy, fail in two ways as teachers of morals. They condemn acts which do not harm and they condone acts which do great harm.") Anderzijds omdat ze moraal zien in termen van deugd en zonde. Als moordenaars beschouwd worden als zondaars, wordt de belangrijkste eis dat ze gestraft worden. De wetenschappelijke methode roept een heel andere vraag op: hoe kunnen we moord het best voorkomen?

Salvation
Een van de grote gebreken van religie is het inherente individualisme. Religie draait aan het einde van de rit om de persoonlijke relatie tussen de gelovige en God. Dat uitgangspunt kent een lange traditie: tijdens de eerste drie eeuwen christendom waren christenen maatschappelijk en politiek machteloos. Wat hen restte was troost dan men perfect kon zijn in een imperfecte wereld — door individuele deugdzaamheid.

Voor een christen is het goede leven een deugdzaam leven, waarbij de richtlijnen aan elk individu worden doorgeseind via het geweten. Wat een verschil met de filosofie van pakweg Plato! Die zag rechtvaardigheid als een sociaal concept, nauw verwant met burgerzin en politieke verantwoordelijkheid. Ook het goede leven zoals Russell het eerder heeft gedefinieerd, vereist bepaalde sociale omstandigheden: kennis en liefde.

Kennis onstaat alleen waar regeringen of weldoeners kennis verspreiden, door middel van onderwijs. Liefde kan alleen maar in een democratisch staatsbestel ontstaan. Een aristocraat moet immers de slaaf, proletariër of kleurling als minderwaardig wegzetten, om zichzelf ervan te overtuigen dat zijn onderdrukking van deze groepen gelegitimeerd is.

Revoluties zijn soms nodig, maar zijn zelden short cuts naar het goede leven. Er is geen korte route: voor het goede leven zijn intelligentie, zelfbeheersing en invoelend vermogen nodig. Die kwaliteiten moeten geleidelijk aangeleerd worden via oefening, onderwijs, en persoonlijk beleefde successen en mislukkingen.

Science and happiness
Een traditionele moralist wil het gedrag van andere mensen verbeteren. Alleen wil hij hem op de verkeerde manier verbeteren — door middel van straf en beloning — en staan de 'verbeteringen' vooral in het teken van een deugdzaam leven. Een van de primaire bezorgdheden van de wetenschappelijk ingestelde moralist is het bestrijden van angst. Angst waar politici hun voordeel mee kunnen doen. Angst in Engeland voor de bolsjevieken, angst in Frankrijk voor Duitsland, angst in Duitsland voor Frankrijk.

Een moralist dient dan ook moed aan te leren — niet de moed van de soldaat in de strijd, maar de moed om armoede onder ogen te zien, spot en vijandigheid te incasseren en gevaar rationeel te bekijken als het zich aandient.

Angst is niet de enige reden van alle ellende in de wereld. Ook jaloezie en teleurstelling spelen een groot rol. Jaloezie kan alleen gemilderd worden als mensen het beter hebben. Al kan jaloezie natuurlijk niet helemaal uitgebannen worden. Maar creatieve naijver treft bijvoorbeeld alleen de kunstenaar in kwestie, en is voordelig voor anderen: het trakteert het publiek (als het goed is) op betere kunst.

Russell ziet in de wetenschap een prachtig instrumentarium om het goede leven te bereiken. Niet alleen in de natuurwetenschap, maar ook relatief nieuwe [in 1925] takken als fysiologie en psychologie.

Mensen moeten niet bang zijn om in de natuur in te grijpen. Zij die het onnatuurlijke van de wetenschap vrezen, zoals Rousseau of Lao-Tze, hebben ongelijk. Wat dergelijke zedenprekers meestal bekampen is maatschappelijke verandering — verandering ten opzichte van de toestand toen ze geboren werden. Lao-Tze was fel gekant tegen de aanleg van wegen, tegen paard en kar, tegen boten. Toen Rousseau geboren werd, waren al deze zaken al de gewoonste zaak van de wereld. Maar Russell is er zeker van dat hij de spoorwegen had verfoeid, als hij ze had gekend.

Het leven moet tot slot niet overgereguleerd worden. Onze impulsen en het bijbehorende avontuur moeten voldoende kansen krijgen. De menselijke natuur kán je niet straffeloos negeren; het zijn onze impulsen die de eerste aanzet tot geluk geven. Maar blind respect voor ‘de’ natuur is dom. De wetenschap zal in de toekomst steeds meer de condities voor ons geluk kunnen manipuleren, en dat is maar goed ook.

____

5 reactie(s):

Anoniem zei

"David Hume (18de eeuw) waarschuwde om sceptisch te staan tegenover alles wat niet voortkomt uit de eigen zintuiglijke indrukken en verachtte het dogmatisme vanaf Kant."

Volgens mij klopt dit niet echt. Wat is het "dogmatisme vanaf Kant", bijvoorbeeld?
Hume heeft voor zover ik weet niet geschreven over Kant, Kant wel over Hume, in de geschiedenis van de filosofie wordt Hume doorgaans vòòr Kant geplaatst ("Hume deed me ontwaken uit mijn dogmatische slaap", aldus Kant), al overlappen hun levens wel gedeeltelijk in de geschiedenis.

Achille van den Branden zei

Ik ben geen Kant of Hume-specialist. Het citaat van Kant kan ik dan ook niet thuisbrengen. Een omgekeerd citaat kan ik ook niet meteen tevoorschijn toveren. Maar ze waren echt wel tijdgenoten.

Hoe dan ook, het ging me om het algemeen verschil in benadering. Met dogmatisme wordt hier bedoeld: de visie van Kant dat de moraal gebaseerd móet zijn op redelijke (en dus voorafgaandelijke) overwegingen. Hume geloofde daar niet in want meende dat de rede ongemerkt de richting uitgaat die door onderliggende passies wordt gedicteerd.

Dat is ook de link met Russell, denk ik. Die gelooft ook niet in voorafgaandelijk geredeneer, maar vindt dat je de moraal moet enten op de gevolgen van je daden. En om die gevolgen te kennen is, helaas, heel wat expertise nodig. Expertise die je kan opdoen uit eigen ervaring, of door goed om je heen te kijken. Empirisme, quoi.

Zie verder:
http://plato.stanford.edu/entries/kant-hume-morality/

Anoniem zei

Het waren tijdgenoten, maar zoals je op die link kan zien zijn Hume's ethische geschriften gepubliceerd vòòr 1785, het jaar waarop Kant voor het eerst iets van relevante ethische geschriften publiceerde. Het was dus niet zo dat Hume Kant's leer betwiste, het was Kant die op Hume reageerde.
Ik wilde er op wijzen dat de zin dat Hume "het dogmatisme vanaf Kant" verachtte niet klopt, gezien hij de Kant die wij kennen niet zal gekend hebben (diens belangrijke zgn "kritische" geschriften dateren van na Hume's dood). Voorts zag Kant zijn transcendentaal idealisme als een reactie op het dogmatisch idealisme, en volgens hem was er ook geen kennis zonder ervaring. Alléén ervaring (empirisme) levert inhoud zonder vorm, alléén rede vorm zonder inhoud. Ieder voor zich kunnen ze dus geen kennis verschaffen.

Achille van den Branden zei

U hebt helemaal gelijk. Ik heb nog eens het boek erbij genomen waar ik bovenstaand overzichtje uit haalde, het prijzenswaardige Londen denkt van Patrick van IJzendoorn. Daarin staat op pagina 22:

"Er is door de eeuwen een sterke wisselwerking geweest tussen eiland en vasteland, van Hume die Kant uit zijn dogmatische sluier haalde tot Schopenhauer die postuum bij heeft gedragen aan de somberheid van de filosoof John Gray."

Ik weet niet meer waarom en hoe ik dat heb kunnen verbasteren tot "dogmatisme vanaf Kant".

Ik moet u danken voor uw aanmerking. En Kant zelf weer eens gaan lezen.

Anoniem zei

Wel, laat ik dan van de gelegenheid gebruik maken om u op mijn beurt te bedanken voor deze schitterende website.

Related Posts with Thumbnails