maandag 20 december 2010

Van God los - Sam Harris

Wat me irriteert aan moderne gelovigen is niet dát ze geloven, maar dat hun geloof volstrekt inhoudsloos is. 'Inhoudsloos' bedoel ik in de neutrale zin van het woord. Vraag een gelovige welke ontdekking, welke gebeurtenis of welk feit hem van zijn geloof zou afbrengen, en hij blijft het antwoord schuldig. Geloof wordt op die manier negatief gedefinieerd: een gas dat zich altijd aanpast aan de hoeveelheid witruimte die onze moderne wetenschappelijke kennis nog openlaat.

De Amerikaanse filosoof en neurowetenschapper-in-spe Sam Harris heeft andere bezwaren tegen religie. Bezwaren waar ik het een en ander heb op aan te merken — niet in het minst op de manier waarop de auteur die bezwaren probeert te onderbouwen. Mijn opmerkingen staan onderaan deze bespreking. Eerst vat ik het boek samen.

Het uitgangspunt van Harris is eenvoudig. Een overtuiging is een hefboom die, als hij wordt bewogen, bijna al het andere in iemands leven doet meebewegen. Een geloofsovertuiging is een extra sterke hefboom. Zeker het beeld dat mensen hebben van wat er gebeurt na de dood — en religies geven daar een pasklaar antwoord op — bepaalt wat ze in het leven doen.

Geloof is dan ook geen privékwestie. Geloof verdeelt de mensheid in medestanders en tegenstanders, en dat dualisme blijft niet beperkt tot iemands individuele mening. Als iemand gelooft — werkelijk gelooft — zegt Harris, dat bepaalde ideeën tot eeuwig geluk leiden, of tot het diametraal tegenovergestelde, dan kan die persoon niet tolereren dat de mensen die hij liefheeft misschien in het verderf worden gestort door de verlokkingen van ongelovigen.

In Van God los wil hij ingaan tegen twee "mythes". Dat er allerlei goeds uit het geloof voortkomt (gemeenschapszin, ethisch gedrag, spirituele ervaringen) wat niet elders te halen is; én dat de verschrikkelijke dingen die worden gedaan in naam van een geloof niet uit dat geloof zelf voortkomen, maar uit lagere emoties zoals hebzucht, haat en angst. Beide beweringen zijn fout, zegt hij. Geloof maakt ons niet tot deugdzamer mensen, en maakt ons zelfs gevaarlijk. Daarom, en omdat het natuurlijk nergens op gestoeld is, verdient geloof eenzelfde gang naar de vergetelheid als afgedankte wereldbeelden als dat van de astrologie of alchemie.

Als alternatief ziet hij een op de rede gebaseerde ethiek en spiritualiteit. Harris is er zeker van dat daar de toekomst ligt van het geestesleven van de mensheid. Spiritualiteit en redelijke ethiek kunnen immers de nationale, religieuze en etnische grenzen overstijgen. Dat die combinatie kan aanslaan, komt omdat er een nauwe band bestaat tussen spiritualiteit, ethiek en positieve emotie; het laatste deel van dit boek wil dat bewijzen.

Harris is een militant atheïst, wat betekent dat hij vindt dat hij gelovigen actief met de tegenstrijdigheden in hun geloof mag en zelfs moet confronteren. Daarin onderscheidt hij zich van intellectuelen als H.G. Wells, Albert Einstein, Carl Jung, Max Planck, Freeman Dyson en Stephen Jay Gould, die vonden dat onze denkbeelden over het universum niet altijd coherent hoeven te zijn. Iemand kan op zondag best naar de kerk gaan, en maandag als wetenschapper terugkeren naar zijn labo. Voor een militant atheïst is echter geen enkele mening heilig — de onaantastbaarheid van leerstellingen is hét kenmerk van geloof — en vereist elke uitspraak dezelfde bewijslast. En, let's face it, veel meer dan een gevoel kan een gelovige niet voorleggen als bewijs voor de persoonlijke relatie die hij met God zou hebben.

Zeg tegen een vroom christen dat zijn vrouw hem bedriegt of dat je onzichtbaar wordt van yoghurtijs, en hij zal net als iedereen anders om bewijzen vragen en zich alleen laten overtuigen als die daadwerkelijk worden geboden. Vertel hem dat het boek op zijn nachtkastje is geschreven door een onzichtbare god die hem eeuwig in de hel laat branden als hij niet alle ongeloofwaardige uitspraken over hemel en aarde gelooft die erin staan, en hij maalt niet om een bewijs.
Het zal niet lang meer duren voordat de wetenschap zich ook uitspreekt over spirituele en ethische kwesties, denkt Harris. Als we de werking van het menselijk brein beter begrepen, zullen we vast verbanden ontdekken tussen onze bewustzijnstoestanden, ons gedrag, geluk, schoonheid, ethiek, die geloof overbodig maken. Maar daarvoor moet wetenschappelijk onderzoek onverminderd kunnen doorgaan. Gelovigen hebben daar alleen geen behoefte aan; die vinden wat filosofie uit de ijzertijd voldoende —"werk van woestijnbewoners die dachten dat de aarde plat was, en die de kruiwagen een adembenemend hoogtepunt van techniek vonden". Ze houden vast aan doctrines, in plaats van steeds meer kennis over de menselijke ervaring te verzamelen.

Dat er zoiets als gematigde gelovigen bestaan, daar is Harris niet van onder de indruk. Hij beschouwt een gematigd gelovige als "een mislukt fundamentalist". De gematigdheid van geloof is immers geen rechtstreeks gevolg van ontwikkelingen binnen het geloof zelf, maar komt voort uit het feit dat zelfs de minst opgeleide persoon tegenwoordig veel meer weet dan iemand van tweeduizend jaar geleden — en veel van die kennis is onverenigbaar met de Bijbel en met het moderne maatschappelijke leven.
Gematigde gelovigen van alle gezindten zijn gedwongen religieuze leerstellingen losjes te interpreteren (of gewoon te negeren) om in de moderne wereld te kunnen leven. Hierbij is ongetwijfeld een duistere economische wet aan het werk: maatschappijen worden minder productief als mensen massaal ophouden prullaria te produceren en hun afnemers en crediteuren wegens ketterij over de kling beginnen te jagen. Gematigde gelovigen werden niet door hun heilige teksten zelf geïnspireerd om niet meer in de letterlijke waarheid ervan te geloven, maar door culturele ontwikkelingen die Gods uitlatingen zoals ze werden opgeschreven steeds minder aanvaardbaar maken.
Historisch gezien heeft geloof zeker bijgedragen aan de vorming van coherente leefgemeenschappen, schrijft Harris, maar nu moet de héle mensheid een gemeenschap vormen — uit economische, politieke, milieutechnische en epidemiologische noodzaak. Terugvallen in een soort clan-mentaliteit is niet aan de orde, en dat is precies wat geloof doet: conflicten tussen gemeenschappen genereren. Harris heeft een lijstje klaar (p. 24) met alle belangrijke religieus geïnspireerde conflicten van onze tijd, van Noord-Ierland tot Sri Lanka.
We zouden deze gebeurtenissen kunnen beschouwen als op hol geslagen psychologische experimenten, want dat zijn het eigenlijk. Als je mensen onderling verschillende, niet met elkaar te rijmen ideeën aan de hand doet over wat er na de dood gebeurt, en hen vervolgens in armoede doet samenleven, dan leidt dit, zoals we kunnen zien, onvermijdelijk tot een cyclus van moordpartijen en tijdelijke wapenstilstanden.
In het hoofdstuk 'De aard van het geloof' polst Harris naar de oorzaken waarom mensen geloven. Hoe komt het überhaupt dat we een uitspraak geloven? Welke neurale gebeurtenissen liggen er aan dit proces ten grondslag? Wat moet een brein doen om te geloven dat een bepaalde stelling waar of niet waar is?

Op dit moment hebben we daar geen idee van. Harris moet volstaan met een paar vuistregels. Alle cognitieve processen van een hogere orde (waarvan geloven een voorbeeld is) zijn in zekere zin een uitvloeisel van ons vermogen om te handelen. Het geloof is buitengewoon nuttig voor de aanpassing. Omdat we bepaalde uitspraken over de wereld geloven, kunnen we gebeurtenissen voorspellen en de waarschijnlijke consequenties van ons handelen voorzien. Wat we geloven, is het beginpunt voor actie. Daarom zijn mensen in wezen behoudensgezind, en vinden ze het moeilijk om van mening te veranderen, zeker als die mening onfalsifieerbaar is. Zelfs de holocaust bracht weinig joden van hun geloof af.

Het feit dat overtuigingen nuttig zijn, betekent immers niet dat die overtuigingen gegrond of logisch consequent moeten zijn. Integendeel, het is mathematisch onmogelijk om die consequentie vol te houden. Om een perfecte samenhang te krijgen, moet elke nieuwe overtuiging worden gecontroleerd op logische tegenstrijdigheden met de andere overtuigingen, en met combinaties daarvan. Hier stuiten we op een rekenkundige moeilijkheid, zegt Harris: het aantal noodzakelijke controles neemt exponentieel toe bij elke nieuwe bewering die aan de lijst wordt toegevoegd.

Toch is niemand helemaal verstoken van rationaliteit. Rationaliteit is een methode om orde te scheppen in de chaotische hoeveel indrukken die we opdoen, waardoor niemand zonder kan. We verwerken die informatie zo systematisch mogelijk, met de wetten der waarschijnlijkheid of logica. Zelfs gelovigen die zich doorgaans niet willen verlagen tot de rede als argument, grijpen mirakels aan als bewijs voor de rechtmatigheid van hun overtuigingen, "als een koel drankje in de woestijn".

De gevaren van geloven
De volgende hoofdstukken wijdt Harris aan de gevaren die religies met zich meebrengen. 'In de schaduw van God' is het zwartboek van het christendom, 'Het probleem met de islam' dat van de islam. De hoofdstukken zijn te kort en geven de indruk haastig te zijn geschreven; de bibliografie laat ook opvallend weinig historische bronnen zien.

Natuurlijk hebben gelovigen doorheen de geschiedenis goede dingen gedaan, zegt Harris. Neem de islam alleen al: islamitische geleerden vonden de algebra uit, vertaalden de geschriften van grote antieke filosofen, en stuwden de wetenschappen vooruit in een tijd dat Europese christenen in totale onwetendheid verkeerden. De verovering van Spanje door de moslims maakte het mogelijk de klassieke Griekse teksten in het Latijn te vertalen, waarmee de kiem voor de Renaissance in West-Europa werd gelegd. Maar, vervolgt Harris, die goede zaken zijn geen rechtstreeks gevolg van religieuze leerstellingen. Ze zijn het logische gevolg van het feit dat iedereen vroeger gelovig was; ook de gangmakers in wetenschap en cultuur.

De lelijke dingen verklaart Harris echter wel degelijk als rechtstreeks voorkomend uit het geloof. Bij het christendom heeft hij het dan over de Inquisitie (p. 79), officieel goedgekeurd in 1215 en pas afgeschaft in 1834. Ook het antisemitisme onder christenen (p. 90-) komt langs, waarvan de joden overigens deels de schuld krijgen vanwege hun superioriteitsgevoel, de weigering te assimileren, en de neiging zichzelf te beschouwen als het uitverkoren volk.

Neemt niet weg dat katholieken de nazi's wel heel weinig in de weg hebben gelegd, in de jaren veertig. De stemmen van de liberale verdraagzaamheid in Duitsland waren vaak even antisemitisch als hun conservatieve opponenten. Katholieken waren vlot bereid om bevolkingsregisters open te stellen voor de nazi’s zodat zij konden nagaan in hoeverre de voorouders van burgers joods waren. Opvallend is ook dat geen enkele Duitser medeplichtig aan genocide werd geëxcommuniceerd na de Tweede Wereldoorlog, in tegenstelling met theologen en onderzoekers die onorthodoxe denkbeelden koesterden. (Aan het eind van de negentiende eeuw probeerde het Vaticaan onorthodoxe conclusies van moderne bijbelcommentatoren te bestrijden met grondig eigen onderzoek. Dit wordt het modernisme genoemd. In 1907 verklaarde paus Pius X het modernisme tot ketterij.)

Het teamwork tussen katholieken en nazi's was zowaar nog actiever na de oorlog. Bepaalde Vaticaanse hoogwaardigheidsbekleders, waarvan bisschop Alois Hudal het beruchtst was, hielpen SS’ers na de oorlog naar Zuid-Amerika en het Midden-Oosten ontsnappen.

De grootste misdaad van de islam, van haar kant, is volgens Harris het feit dat ze de geschiedenis van een beschaving heeft stilgezet ten tijde van de middeleeuwen (maar ondertussen wel de beschikking heeft over eenentwintigste-eeuwse wapens). Die combinatie is gevaarlijk; zeker omdat de jihad volgens de auteur (zich beroepend op Bernard Lewis) geen verdedingsstrategie is, maar een oproep om de wereld te veroveren.

Harris doet er immers alles aan om aan te tonen dat er niet iets als een 'gematigde islam' is. Dit wil zeggen: een strekking die echt kritisch is over het gebrek aan rationaliteit binnen het geloof. We zijn niet in oorlog met een op zich vreedzame godsdienst die is ‘gekaapt’ door extremisten, zegt Harris, maar met de levensvisie die alle moslims door de Koran wordt voorgeschreven. Dialoog met de moslimwereld is daarom geen garantie van wederzijdse tolerantie, juist op grond van de leerstellingen van de islam.

Omdat de westerse liberalen ervan uitgaan dat mensen overal door dezelfde angsten en verlangens worden gemotiveerd, geven ze nu hun eigen overheid de schuld van de excessen van de islamitische terroristen. Maar mensen worden niet overal door dezelfde angsten en verlangens gemotiveerd. Sla de Koran open, zegt Harris op p. 116, en lees met de ogen van een gelovige. (Waarna hij een bladzijdenlange bloemlezing ten beste geeft van aggressie in de Koran.) Groot is de verachting van de joden in de Koran, met name "hun abjecte verlangen om te leven, tegen welke prijs dan ook, ongeacht de kwaliteit, eer en waardigheid". Terwijl, volgens Harris, geen enkele natie in de geschiedenis met zulke problemen geconfronteerd als Israël beter zijn best doet om zich aan de wet te houden, of bereid is meer risico’s te nemen ten behoeve van de vrede.

We mogen tolerantie die te danken is aan politieke, economische en numerieke zwakte niet verwarren met echte tolerantie, waarschuwt Harris. (In het jaar 2002 was het bruto binnenlands product van alle Arabisch elanden samen lager dan dat van Spanje. Nog verontrustender is dat er in Spanje jaarlijks evenveel boeken in het Spaans worden vertaald dan er in de hele Arabische wereld sinds de negende eeuw in het Arabisch zijn vertaald.) Als de islamitische orthodoxie in economisch en technologisch opzicht evenveel kansen bood als het westerse liberalisme, zouden we waarschijnlijk gedoemd zijn tot islamisering van de wereld.

Nu hebben de Amerikanen als reactie op de gevaarlijke, wapenbezittende islam de oorlog verklaard aan het terrorisme, smaalt Harris. Maar dat is "alsof je ‘moord’ de oorlog verklaard". Het is een vergissing die de blik op de echte oorzaak vertroebelt. Het terrorisme is niet de bron van het geweld, maar de uiting ervan.

Harris bestrijdt dus de politiek correcte opinie als zou zelfmoordterrorisme in de hand zou worden gewerkt door socio-economische problemen. Hij is gekant tegen mensen als Baudrillard, die het terrorisme ziet als een noodzakelijke consequentie van de Amerikaanse hegemonie. Moslimterroristen komen zelden uit de rangen van de laagopgeleide armen, werpt Harris tegen. Velen zijn juist afkomstig uit de middenklasse, hebben een opleiding genoten en lijken nauwelijks moeilijkheden te hebben in hun privéleven; zelfmoordterrorisme lijkt voor hen een soort metafysische carrièrekans. Plus: overal ter wereld zijn er arme, laagopgeleide en uitgezogen mensen die géén terroristische misdaden begaan.

Het is tijd dat we toegeven dat niet alle culturen zich in hetzelfde stadium van morele ontwikkeling bevinden, zegt Harris. Hij is het absoluut niet eens met een Noam Chomsky (p. 141-), die in de nasleep van 9/11 er fijntjes aan herinnerde dat de VS zelf een vooraanstaande terroristische staat zijn. Er is een groot verschil in ethiek van een staat die probeert de collateral damage te beperken, vindt Harris, en een organisatie die zoveel mogelijk slachtoffers wil maken. Stel je 'het perfecte wapen' voor, zegt hij, dat altijd precies doel treft en geen onnodige slachtoffers maakt. En stel je voor hoe verschillend een Bush senior dat zou gebruiken, tegenover een Hussein, Bin Laden of Hitler. Voor Harris is collateral damage geen excuus om niet in te grijpen. Pacifisme is immoreel, omdat het neerkomt op het rustig staan toekijken terwijl iemand wordt mishandeld. Ingrijpen is ook: een ethische boodschap overbrengen.

Omdat islamitische landen zo immoreel zijn en gevaarlijk, mogen we hen nooit machtig laten worden, vindt Harris. Daarom moeten we ze goedaardigheid van buitenaf opgeleggen: via economische isolatie, militaire interventie of een combinatie daarvan. We kunnen niet wachten totdat massavernietigingswapens in handen van fanatici terechtkomen. Laten we intussen technologieën voor alternatieve energie ontwikkelen: als olie niets meer waard is, zal het disfunctioneren van de meest prominente islamitische maatschappijen plotseling bijzonder opvallend worden. Het humanitaire argument maakt ons vleugellam. We moeten de despotische regimes als gijzelingscrises zien. Tirannen houden hun bevolking gegijzeld.

De twee volgende hoofdstukken gaan over het verband tussen religie en moraliteit. 'Ten westen van Eden' toont aan dat religieus geïnspireerde denkbeelden vaak alles behalve moreel zijn. 'Een wetenschap van goed en kwaad' wijst erop dat religie geen noodzakelijke voorwaarde is om wel moreel te handelen.
Natuurlijk staan er veel wijze, troostrijke en prachtige dingen in onze heilige boeken. Maar ook de werken van Shakespeare, Vergilius en Homerus staan vol wijze, troostrijke en prachtige passages, en niemand heeft ooit naar aanleiding daarvan mensen met duizenden tegelijk laten vermoorden. Het geloof dat bepaalde boeken zijn geschreven door God (die, om moeilijk te peilen redenen, Shakespeare een veel betere schrijver maakte dan hijzelf), maakt ons machteloos bij de aanpak van de grootste bron van conflicten in heden en verleden.
Harris geeft om te beginnen een hele reeks voorbeelden van vroomheid (p. 156-) om aan te geven dat de scheiding tussen kerk en staat in Amerika niet vanzelfsprekend is. (Men kan er als goddeloze hond niet eens gekozen worden als president.) Dat blijft niet zonder gevolg. Want als God alles ziet en weet, dan is wat mensen in de beslotenheid van hun woning doen een openbare kwestie voor gelovigen. Dus bemoeit de Amerikaanse overheid zich graag met het privéleven van mensen. Denk aan het verbod op orale of anale seks tussen volwassenen in heel wat staten in de VS.

Een ander groot probleem is dat het geloof een wig drijft tussen ethiek en lijden. Denk aan de hypocrisie ten aanzien van drugs, in vergelijking met de regelgeving inzake drank en medicijnen (p. 162-). Denk ook aan de bezwaren tegen stamcelonderzoek, terwijl we in neurologisch opzicht meer kwaad doen door een vlieg dood te slaan dan door een blastocyst om te brengen, laat staan een menselijke zygoot.
Religieuze dogmatisten houden vol dat mensen die handelingen verrichten die op geen enkele wijze lijden veroorzaken (sodomie, homoseksualiteit, het doden van blastocysten, enzovoort) slecht zijn en daarom bestraft moeten worden. Andere handelingen, die tot veel lijden en grote aantallen doden leiden (het stoppen van de financiering van geboorteplanning in de derde wereld, het vervolgen van niet-gewelddadige overtreders van de opiumwet, het tegenhouden van stamcelonderzoek, enzovoort) vinden ze juist goed. Niet alleen worden er schaarse middelen over de balk gegooid en worden onschuldige mensen het slachtoffer van deze omkering van prioriteiten, maar onze ethische principes worden er ook verkeerd door voorgesteld. Het wordt tijd om een redelijker manier te vinden om vragen over goed en fouten te beantwoorden.

Spiegeleipainting 'Golgotha' (2009), Kamagurka; afbeelding via Kamarguka.eu

Rationele moraliteit en spiritualiteit
Sam Harris is erg geporteerd voor een wetenschappelijke, rationele benadering van de moraal, en hij spant zich in om met de gebrekkige kennis van de relatie tussen stof en geest die we tot nu hebben toch tot zo'n rationele moraal te komen. Het verschil tussen goed en kwaad is immers niet zomaar een kwestie van wat een willekeurige groep mensen zegt. Bedenk dat het verbranden van katten een van de grootste bronnen van vermaak was in het Parijs van de zestiende eeuw.

Het probleem is in filosofisch opzicht dat we moeten bepalen welk soort ‘feiten’ door onze morele intuïtie worden opgemerkt — zo ze al iets dergelijks opmerken. Een rationale benadering van de ethiek wordt volgens Harris alleen mogelijk als we beseffen dat vragen over goed en kwaad in feite vragen zijn over het geluk en het lijden van wezens die tot gevoel in staat zijn.
Als we in staat zijn invloed uit te oefenen op het geluk of het lijden van anderen, dan zijn we in ethische zin verantwoordelijk voor hen. En veel van deze verantwoordelijkheid is zo belangrijk dat ze in het burgerlijk recht en in het strafrecht zijn vastgelegd. Als we geluk en lijden als uitgangspunt nemen, zien we dat veel zaken waarover mensen zich zorgen maken onder het mom van moraliteit, niets met dit onderwerp te maken hebben. Het is tijd om in te zien dat misdaden zonder slachtoffers zijn als schulden zonder crediteuren. Ze bestaan eigenlijk niet. Iemand die ’s nachts wakker ligt en zich opwindt over het privéplezier van andere volwassenen, heeft niet alleen te weinig nuttigs te doen. Hij heeft ook een aantal onverdedigbare overtuigingen over de aard van goed en kwaad.
Pijn is dus een belangrijke graadmeter. Toen Descartes zei dat niet-menselijke dieren automaten waren, zette dat de deur open voor pijnlijke proeven op dieren. Maar, zoals Richard Rorty aangaf, kan pijn niet het enige criterium zijn voor ethiek, anders zouden we konijnen beschermen tegen vossen. Dat doen we niet, omdat de meesten van ons het idee hebben dat konijnen niet op menselijke schaal gelukkig kunnen zijn of lijden.

Pijn op menselijke schaal is het criterium. Op die manier is de paradox te begrijpen van de liefhebbende nazi-huisvader die zich tijdens de kantooruren ontpopt tot meedogenloze beul. Hij kon dit doen omdat zijn slachtoffers, de joden, buiten zijn moreel bereik vielen. Voor hem wáren de joden geen mensen. Ze waren zelfs de antithese van de morele mensengemeenschap. Daarom, zegt Harris, is godsdienst ook zo cruciaal, omdat ze iemands morele identiteit kan beperken tot geloofsgenoten, omdat ze tegenstanders kan ontmenselijken. Dat is de "tribaliserende functie van religie".

Nu was diezelfde Richard Rorty de zeer invloedrijke gangmaker van het Amerikaanse neo-pragmatisme. Het uitgangspunt van de pragmatist is dat "de munteenheid van onze ideeën niet gekoppeld kan worden aan de gouden standaard van overeenstemming met de "werkelijkheid". (realisme). Het is enkel het nut in het kader van bepaalde taken die de waarde van ideeën bepaalt. Op die manier kan er geen grond gevonden worden om een universele moraal op te vestigen.

Harris ziet een denkfout in die redenering. De meeste morele relativisten denken dat tolerantie van culturele diversiteit in een belangrijk opzicht beter is dan regelrechte bigotterie. Dat komt neer op een overkoepelende stellingname over hoe alle mensen dienen te leven. Als moreel relativisme wordt gebruikt als reden om diversiteit te tolereren, dan spreekt het zichzelf tegen.

Dezelfde denkfout geldt ook voor Jürgen Habermas. Aangezien de waarheid over overtuigingen of zinnen volgens deze Duitse filosoof alleen kunnen aangetoond worden met behulp van andere overtuigingen of zinnen, kunnen we niet ontsnappen aan de magische cirkel van onze taal. Maar, riposteert Harris, het feit dat de taal het medium is waarmee we onze kennis beschrijven zegt niets over de mogelijkheid van onbemiddelde kennis. Door zich te verzetten tegen het idee dat we de werkelijkheid rechtstreeks kunnen kennen, doet de pragmatist een heimelijke, realistische uitspraak over de beperkingen van de menselijke kennis. Het pragmatisme komt neer op een realistische ontkenning van de mogelijkheid van realisme.

Waarna Harris dus toch op zoek gaat naar een natuurlijke grond voor ons ethisch handelen. Anders gezegd, het antwoord op de vraag: waarom vinden we geluk en lijden van anderen belangrijk? Hij grijpt daarbij terug naar Kant. Wie anderen ethisch behandelt, handelt uit zorg voor hun geluk of lijden. Dit betekent, zoals Kant opmerkte, dat men hen als doelen op zich behandelt, in plaats van als middelen tot een doel. Maar waarom zouden we dat doen?

Een beroep op de genetica en de natuurlijke selectie helpt ons niet verder. Want dat iets natuurlijk is, of een aanpassingsvoordeel oplevert, is niet hetzelfde zeggen dat het goed is, in de vereiste zin van bijdragen aan het menselijk geluk in het heden. Na heel wat omwegen komt Harris tot de conclusie dat er alleen maar sprake kan zijn van een cirkel: we willen gelukkig zijn, het sociale gevoel van liefde is een van de belangrijkste oorzaken van geluk, en de liefde houdt in dat we geïnteresseerd zijn in het geluk van anderen. We ontdekken dat we gezamenlijk egoïstisch kunnen zijn.

Natuurlijk is er geen absolute link tussen moraliteit en geluk. Iedereen kent oplichters die heel goed van het leven lijken te genieten, en iedereen kent lieve mensen die ongelukkig zijn. Maar in het algemeen lijkt het zeker dat liefde en medeleven goed zijn in de zin dat ze ons dieper met anderen verbinden. De neiging zich het geluk van anderen aan te trekken — om ethisch te zijn — lijkt een rationele manier om het eigen geluk te vergroten.

Emoties an sich zijn immers beperkte raadgevers. Ellende ver van ons bed, op grote, anonieme schaal, raakt ons bijvoorbeeld minder dan ellende in onze straat. Dat is niet meer dan logisch, biologisch gesproken. Tijdens de miljoenen jaren op de Afrikaanse vlakten kan er onmogelijk zijn geselecteerd op het vermogen om eenentwintigste-eeuwse gruwelen emotioneel tot ons te laten doordringen.

Niet iedereen is echter even rationeel ontwikkeld. Wat bijvoorbeeld met mannen die zich tegoed doen aan eerwraak? Mag een antropoloog dan zeggen dat de culturele context van belang is, dat dit geen moordenaars zijn in gebruikelijke zin maar mensen die vast aan tribale gewoontes? Neen, zegt Harris. We kunnen andere mensen wel degelijk aanmoedigen om hun enge kring van morele sympathie groter te maken; hen leren om gewoon mensen te zijn, ontdaan van een dwingende nationale, etnische of godsdienstige identiteit. Via de rede. Het ligt in de aard van de rede om het cognitieve en het morele blikveld in elkaar over te laten lopen. "De rede is niets minder dan de wachtpost van de liefde."

Het laatste, wat mij betreft dissonante, hoofdstuk 'Experimenten in bewustwording' lijkt te vloeken met de rationele principes die Harris in de rest van zijn boek heeft gevolgd. Hij heeft het daarin over spiritualiteit. Geslaagde relaties, een goede gezondheid en rijkdom zijn niet alleenzaligmakend willen we echt gelukkig worden, zegt Harris dan. Geluk houdt meer in dan het produceren en consumeren van legale geneugten.
We kunnen niet alleen aan de hand van de rede leven. Daarom kunnen zelfs enorme hoeveelheden rationaliteit, toegepast als ontsmettingsmiddel, niet op tegen de balsem van het geloof wanneer de gruwelen van de wereld eenmaal ons leven binnendringen. Als uw kind net is overleden, uw vrouw een verschrikkelijke ziekte heeft opgelopen die geen arts kan genezen, uw lichaam plotseling met rasse schreden op weg is naar het graf, dan ruikt de rede, hoe breed het bereik ook, duidelijk naar formaldehyde.
Er is dus een spirituele dimensie nodig, en daarvoor gaat Harris te rade bij oosterse meesters als Boeddha, Shankara, Padmasambhava, Nagarjuna en Longchepa. De aanspraken die mystici maken, zijn in neurologisch opzicht behoorlijk slim, klinkt het dan. Ze hebben "empirische redenen" om te geloven wat ze geloven.

Mja. Mystiek tot daaraan toe — Frits Staal heeft mooi geschreven over mystiek als rationele onderneming — maar Harris maakt niet goed duidelijk wat zijn spiritualiteit precies inhoudt. Verder dan een lofprijzing van op fenomenologische leest geschoeide meditatietechnieken komt hij niet.
De meeste oosterse spirituele scholen gaan uit van het fundamentele inzicht dat we het gevoel krijgen dat we ‘ik’ noemen omdat we er niet in slagen om gedachten het ene moment na het andere als gedachten te herkennen. En dat is de draad waaraan ons lijden en ontevredenheid worden geregen.
Bijna ieder probleem dat we hebben, zegt hij, kan worden toegeschreven aan het feit dat mensen worden bedrogen door hun gevoel voor autonomie. Een spiritualiteit die een dergelijk dualisme alleen al door de beschouwing van het bewustzijn zou tegengaan, moet welhaast een verbetering betekenen voor onze situatie. Harris weigert ook te geloven dat het bewustzijn volledig reduceerbaar is tot de werking van het brein.

Opmerkingen
Van God los
kreeg opvallend veel kritiek van atheïsten, en ik schaar me graag bij dat groepje. In de eerste plaats omdat het een zeer reductionistisch boek is. Harris ziet religie als dé bepalende factor voor ernstige conflicten. Haal de angel van de religie weg uit het conflict, en het zal tot rust komen. Harris negeert daarmee de grote rol die economische en nationalistische belangen spelen.

In het boek staat letterlijk dat mensen geneigd zijn facties te vormen op grond van religieuze aanspraken in plaats van op basis van taal, huidskleur, geboorteplaats of welk ander tribale maatstaf dan ook. Maar veel bewijsplaatsen draagt Harris niet aan voor die bewering: Van God los is vergezeld van een indrukwekkende bibliografie, maar wie die nader bestudeert ziet vooral veel boeken over filosofie en cognitieve wetenschappen. Nauwelijks geschiedenis, nauwelijks politieke wetenschap. Als er een bron wordt opgevoerd, zijn dat titels van verkapte ideologen (Kaplan) of boeken die door veel vakgenoten op overtuigende wijze zijn weerlegd (Holdhagen en zijn gewillige beulen, Huntington en zijn botsende beschavingen).

Harris lijkt ook nogal goed te weten wat er omgaat in het hoofd van de modale moslim (als die al bestaat). Waar hij die wijsheid haalt, is niet duidelijk. Sinds ik Het zijn net mensen las, van de Nederlandse journalist Joris Luyendijk, geloof ik ook niet meer dat zo'n statistisch gemiddelde beschikbaar is. Arabische landen zijn dictaturen. Grootschalige onderzoeken bestaan er niet, of worden gemanipuleerd. Journalisten moeten zich behelpen met anekdotisch materiaal. Cijfers om dat kleine verhaal in te kaderen, zijn er niet.

Goed, ik ben het met de auteur eens waar hij lijden als uitgangspunt neemt om ethisch handelen aan af te meten. Maar in zijn passages over collateral damage lijkt hij daar afstand van te nemen door, typisch voor een filosoof, de achterliggende bedoeling van een handeling van het grootste belang te vinden. In tegenstelling tot Chomsky, die hij verwijt "alleen de lijken te tellen". Tja. Alsof het voor een slachtoffer uitmaakt om welke reden hij om het leven komt.

Als het lijden dan toch uitgangspunt wordt voor de menselijke ethiek, is het trouwens een raadsel waarom Harris met zo weinig woorden rept van seculiere tirannen als Stalin en Mao. Hij moffelt het probleem zelfs weg, door het communisme te bestempelen als een "politieke religie". Goed, daar wil ik dan misschien nog wel aan; het probleem wordt dan niet het geloof in een opperwezen, maar dogma's tout court. Maar dat betekent dan wel dat in een boek over moord en geloof álle ideologieën opgenomen moeten zijn. In dat opzicht is Zwarte mis van John Gray op zijn minst een consequenter boek.

En misschien kunnen we de verantwoordelijkheid voor leed uitbreiden naar het hele rijke, liberale westen? Als we dan toch aan het tellen slaan? Wat betekent de Inquisitie bijvoorbeeld, die gespreid over vele eeuwen enkele duizenden slachtoffers maakte, in het licht van de 16.000 kinderen die elke dag, direct of indirect, van de honger sterven, terwijl de welvarende rest van de wereld toekijkt?

Wat ik van dit boek meeneem, is de simpele formulering en ware gedachte dat religie een wig drijft tussen leed en moraal. Voorts voert Harris een aantal interessante, welbespraakte tegenstanders op van het pragmatisme. Bertrand Russell steekt er naar verluidt de draak mee in zijn geschiedenis van de filosofie, Thomas Nagel denkt er het zijne van, en dan is er nog de mij onbekende Donald Davidson (p. 290-) die tegen Rorty ingaat.

Tot slot is het rijkelijk naïef dat de rede het binnen afzienbare tijd zou halen van alle bijgeloof en irrationaliteit. Of dat zoiets überhaupt wenselijk is. Hoe verslavend de rede ook is in mijn leven, in mijn directe omgeving zie ik dat de winst die mensen uit kritisch nadenken halen, gewoon te schraal is.

Zeker, rationaliteit en kennis zijn nuttig cultureel kapitaal, en vast een fijne hobby voor een machoclubje als The four horsemen. Het gebruik van de rede is een noodzakelijk instrument voor hoogopgeleide mensen die zich intellectueel willen verdedigen tegen een manipulatieve wereld. De zoektocht naar kennis verdrijft bovendien de verveling. Maar als ik mijn grootste gelukssensaties voor de geest haal, moet ik toegeven dat het allemaal momenten waren waarop ik de rede juist losliet.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Sam Harris, Van God los
De gevaren van religie en de toekomst van de rede
352 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. The end of faith (2004)
Vertaald door Meile Snijders


Topics:


Over de lastige link tussen causaliteit en vrije wil: 281-

Realisme is een epistemologisch standpunt geen ontologisch standpunt: 287

Rorty versus Davidson: 290-

Spiritualiteit versus New Age: 306-

____

3 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

The archaic revival – McKenna
Food of the Gods : the search for the original tree of knowledge – McKenna
Terror and liberalism – Berman
The conscious universe : the scientific truth of psychic phenomena – Radin
The sense of being stared at : and other aspects of the extended mind – Sheldrake
Connection and symbols – Pinker en Mehler (red.)
An invitation to cognitive science : thinking – Smith and Osherson (red.)
The end of the world : a history – Friedrich
Humanity : a moral history of the twentieth century – Glover
The pleasures of the torture chamber – Swain
Crimes of perception : an encyclopedia of heresies and heretics – George
A world lit only by fire : the medieval mind and the Renaissance – Manchester
Self-contradictions of the bible – Burr
A history of christianity – Johnson
Witches and neighbors : the social and cultural context of European witchcraft – Briggs
The Oxford companion to the body – Blakemore en Jennett
The Oxford companion to the bible – Metzger en Coogan
Jesus through the centuries – Pelikan
Sex, ecology, spirituality – Wilber
Into that darkness : an examination of conscience – Sereny
The crisis of islam : holy war and unholy terror – Lewis
Islamic liberalism : a critique of development ideologies – binder
Islam in the world – Ruthven
Living high & letting die : our illusion of innocence – Unger
Forbidden knowledge : from Prometheus to pornography – Shattuck
Ideas and opinions – Einstein
Europe : a history – Davies
Answer to Job – Jung
Where is science going? – Planck
The illusion of conscious will – Wegner
Free will – Watson (red.)
Mortal questions – Nagel
When elephants weep : the emotional lives of animals – Masson en McCarthy
Hope in a place of knowledge : the pragmatics tradition in philosophy – Rorty
Persons and places – Santayana
On the pragmatics of communication – Habermas
The view from nowhere – Nagel
Descartes’ error : emotion, reason and the human brain – Damasio
The embodied mind : cognitive science and human experience – Varela e.a.
Quantum mechanics and experience – Alber
Evolving brains – Allman
Self-knowledge – Cassam (red.)
Understanding the present : science and the soul of modern man – Appleyard
Zen and the brain : toward an understanding of meditation and consciousness – Austin
Sense and sensibilia – Austin
Wittgenstein – Ayer
The way of a pilgrim – Bacovcin
Moral prejudices – Baier
Saving belief : a critique of physicalism – Baker
The other bible – Barnstone
Philosophy in the 20th century – Barrett en Aiken (red.)
The denial of death – Becker
Timeless healing : the power and biology of belief – Benson en Stark
Time and free will – Bergson
The nature of consciousness – Block
Omens of the millennium : the gnosis of angels, dreams, and resurrection – Bloom
The undivided universe – bohm
Lying : moral choice in public and private life – Bok
Wittgenstein reads Freud : the myth of the unconsciousness – Bouverresse
The science of happiness : unlocking the mysteries of mood – Braun
The next fifty years : science in the first half of the twenty-first century – Brockman
Ecstatic confessions – Buber
I and thou – Buber
Textbook of neuroanatomy – Burt
The hero with a thousand fases – Campbell
The conscious mind – Chalmers
How monkeys see the world – Cheney en Seyfarth
Scientific realism and the plasticity of mind – Churchland
Matter and consciousness – Churchland
The nature of consciousness – Block e.a. (red.)
The psychology of persuasion – Cialdini
Freedom at midnight – collins
A short history of buddhism – Conze
Buddhist tets through the ages – Conze (red.)
A history of philosophy – Copleston

Achille van den Branden zei

Dennett and his critics – Dahlbom
Het gelijk van Spinoza – Damasio
The matter myth – Davies
The ghost in the atom – Davies en Brown (red.)
The mathematical experience – Davis
Two visions of mind – DeCharms
The fabric of reality – Deutsch
Reconstruction in philosophy – Dewey
A universe of consciousness – Edelman
Reincarnation : a critical examination – Edwards
The encylopedia of philosophy – Edwards (red.)
Molecular and cellular physiology of neurons – Fain
Altered egos : how the brain creates the self – Feinberg
Nature’s gambit : child prodigies and the development of human potential – Feldman
Confrontations with the reaper : a philosophical study of the nature and value of death – Feldman
The character of physical law – Feynman
Six easy pieces – Feynman
The meaning of it all : thoughts of a citizen scientist – Feynman
Self-deception – Fingarette
Consciousness reconsidered – Flanaghan
The mind doesn’t work that way – Fodor
Transcendental philosophy and everyday experience – Follesdal
Cortex and mind – Fuster
The new ambidextrous universe – Gardner
The new age – Gardner
Relavity simply explained – Gardner
The new cognitive neurosciences – Gazzaniga (red.)
Cognitive neuroscience : the biology of the mind – Gazzanige e.a. (red.)
How we know what isn’t so – Gilovich
An anatomy of thought : the origin and machinery opf the mind – Glynn
The executive brain : frontal lobes and the cilivized mind – Goldberg
Destructive emotions – Goleman
The end of days : fundamentalism and the struggle for the temple mount – Gorenberg
Philosophical psychopathology – Graham en Stephens (red.)
Gold in the crucible : Teresa of Avila and the western mystical tradition – Green
The Oxford companion to the mind – Gregory
On being mindless : Buddhist meditation and the mind-body problem – Griffiths
A companion to the philosophy of mind – Guttenplan
The philosophical discourse of modernity – Habermas
The past as future – Habermas
The mathematician’s mind – Hadamard
How the world can be the way it is – Hagen
Toward a science of consciousness – Hamerhoff e.a. (red.)
On having no head : Zen and the re-discovery of the obvious – Harding
An invitation to cognitive science – Harman
Wild minds : what animals really think – Hauser
Physics and philosophy : the revolution in modern science – Heisenberg
The chemistry of conscious states – Hobson
The tumult of inner voices or what is the meaning of the word ‘I’? – Hofstadter
The rebellion against science and the end of the twentieth century – Holton
An invitation to cognitive science – Holyoak
The analogical mind – Holyoak
The Oxford companion to philosophy – Honderich
The end of science : facing the limits of knowledge in the twilight of the scientific age – Horgan

Achille van den Branden zei

The undiscovered mind – Horgan
Rational mysticism – Horgan
Deduction – Johnson-Laird
The conscious universe – Kafatos
Hyperspace – Kaku
Principles of neural science – Kandel
Existentialism from Dostoevsky to Sartre – Kaufmann
Critique of religion and philosophy – Kaufmann
Nietzsche : philosophy, psychologist, anti-christ – Kaufmann
Conversations with the sphinx : paradoxes in physics – Klein
The sources of normativity - Korsgaard
Under the banner of heaven : a story of violent faith – Krakauer
The age of spiritual machines – Kurzweil
It ain’t necessarily so : the dream of the human genome and other illusions – Lewontin
Mind, brain & the quantum – Lockwood
The mind of a mnemonist – Luria
Altered fates : gene therapy and the retooling of human life – Lyon
The unconscious : a conceptual analysis – MacIntyre
Reading Rorty – Malachowski
Neuroanatomy : text and atlas – Martin
Star making : realism, anti-realism, and irrealism – McCormick
The mysterious flame : conscious minds in a material world – McGinn
The metaphysical club : the story of ideas in America – Menand
Humiliation and other essays on honor, social discomfort and violence – Miller
Introduction to personality – Mischel
The gospel according to Jesus – Mitchell
Ludwig Wittgenstein – Monk
Bertrand Russell : the spirit of solitude, 1872-1921 – Monk
Pragmatism : from Peirce to Davidson – Murphy
What is life? The next fifty years – Murphy
The central philosophy of buddhism – Murti
A skeptical dialogue on induction – Naess
The view from nowhere – Nagel
What does it all mean – Nagel
Other minds – Nagel
The last word – Nagel
Het bewustzijn als bedreiger – Norretranders
How we die – Nuland
On the eve of millennium : the future of democracy through an age of unreason – O’Brien
Poetry of the universe : a mathematical explanation of the cosmos – Osserman
Martin Heidegger : a political life – Ott
A dialogue on personal identity and immortality – Perry
Knowledge, possibility and consciousness – Perry
Personal identiy – Perry (red.)
The self and its brain – Popper en Eccles
The problematics of moral and legal theory – Posner
Labyrinths of reason : paradox, puzzles, and the frailty of knowledge – Poundstone
The Oxford companion to clinical neurology – Pryse-Phillips
From a logical point of view – Quine
Pursuit of truth – Quine
Explaining Hitler – Rosenbaum
The nature of mind – Rosenthal
Shadows of forgotten ancestors – Sagan
The transcendence of the ego : an existentialist theory of consciousness – Sartre
The philosophy of Bertrand Russell – Schilpp
Reefer madness : sex, drugs, and cheap labor in the American black market – Schlosser
My view of the world – Schrödinger
What is life, mind and matter and autobiographical sketches – Schrödinger
The rediscovery of the mind – Searle
The construction of social reality – Searle
The mystery of consciousness – Searle
Atheism : the case against God – Smith
The significance of philosophical scepticism – Stroud
The existence of God – Swinburne
The passion of the western mind – Tarnas
Dynamics of faith – Tillich
A history of christian thought – Tillich
The problems of consciousness : a representational theory of the phenomenal mind – Tye
The religion of Jesus the Jew – Vermes
Choosing reality : and contemplative view of physics and the mind – Wallace
Madame Blavatsky’s baboon : a history of the mystics, mediums and misfits who brought spiritualism to America – Washington
Free will – Watson
The sociology of religion – Weber
Waiting for God – Weil
Religion in the making – Whitehead
Paul : the mind of the apostle – Wilson
Anti-semitism : the longest hatred – Wistrich
Over zekerheid – Wittgenstein
Demonic males : apes and the origins of human violence – Wrangham
The moral animal : the new science of evolutionary psychology – Wright

Related Posts with Thumbnails