Onze onsterfelijke genen - Richard Dawkins
In 1976 verscheen van Richard Dawkins het kapitale boek The selfish gene, over de biologie van de zelfzucht en het altruïsme. Dat boek was zo invloedrijk dat het concept van 'de zelfzuchtige genen' inmiddels gezonken cultuurgoed is geworden. In zoverre zelfs, dat de Nederlandse uitgeverij die de vertaling van Dawkins River out of Eden op de markt bracht, het boek uit commerciële overwegingen besloot om te dopen tot Onze onsterfelijke genen. Zonde, natuurlijk.
Zonde, omdat het gebruik van krachtige metaforen — en de DNA-rivier is er zo eentje — het smeermiddel is waarmee evolutiebioloog Richard Dawkins zijn moeilijke verhalen ingang probeert te doen vinden bij natuurwetenschappelijke analfabeten zoals ik. Het is zijn visitekaartje.
Onze onsterfelijke genen gaat, als vanouds, over het leven zelf — het ontstaan ervan en de eventuele bedoeling erachter. Dat betekent dat Dawkins zich niet alleen niet moet meten met gelovigen, maar ook met culturele relativisten die in de natuurwetenschappen niet meer zien dan moderne scheppingsmythen.
En inderdaad, de natuurwetenschap behandelt ook de vérgaande vragen over de oorsprong en de aard van het leven en de kosmos. Maar daar houdt de overeenkomst op. Wetenschappelijke overtuigingen worden gestaafd door bewijzen en leiden tot resultaten. Mythen en geloofsovertuigingen doen dat niet. Vliegtuigen werken op wetenschappelijke principes, niet volgens stamprincipes of mythologische aanwijzingen.
Typisch voor de wetenschap is dat ze zoekt naar de meest eenvoudige verklaring die voorspellingen toelaat die naderhand blijken te kloppen. De evolutietheorie, en de allesbepalende rol die DNA daarin speelt, is zo'n verbazingwekkend eenvoudige verklaring.
In Onze onsterfelijke genen worden twee grote problemen op eenvoudige wijze verklaard met behulp van de evolutietheorie. Om te beginnen het probleem van het onnodige lijden; een probleem dat bij theologen al eeuwen voor kopbrekens zorgt. Daarnaast het probleem van de doelloosheid van de schepping; een probleem dat theologen altijd counteren met verkeerde aannames (in 2005 nog bewees Hans Geybels, woordvoerder van voormalig kardinaal Danneels, niet te begrijpen hoe het menselijk oog is kunnen ontstaan zonder vooropgezet plan).
Onze onsterfelijke genen is niet het meest inzichtelijke boek over de evolutieleer voor de leek — dat staat op naam van Bas Haring, die zich nog meer van beelden bedient dat Dawkins — maar wel een mooi opstapje naar Dawkins latere, dikkere boeken.
Waar nodig zet de auteur humor in om bepaalde misverstanden voor te zijn. Net wanneer je denkt dat evolutie toch een bedoeling moet hebben, omdat ze alleen de succesrijkste organismen doet overleven, komt Dawkins met een kleine reminder. Omdat alle organismen al hun genen erven van hun voorouders, en niet van de minder succesvolle tijdgenoten van hun voorouders, hebben álle organismen over het algemeen succesvolle genen.
Daarom kunnen vogels zo goed vliegen, vissen zo goed zwemmen, apen zo goed klimmen en virussen zich zo goed verspreiden. [mijn cursivering]Het zijn harde, illusieloze theorieën die hier overgebriefd worden. Dit boekje deed me dan ook denken over hoe het komt dat bepaalde mensen die theorieën wel willen horen en andere mensen niet. Dawkins is een alfamannetje: razend intelligent, gerespecteerd door zijn confraters, en ook nog eens succesvol bij het grote publiek. Dat maakt het vast makkelijker om niet afhankelijk te hoeven zijn van aangename illusies.
Of zo iemand er dan een levenstaak moet van maken om weekhartiger mensen hun illusies af te nemen, is weer een andere vraag.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder
Richard Dawkins, Onze onsterfelijke genen
Een darwinistische kijk op het leven
140 p.
Uitgeverij Contact 1995
Oorspr. River out of Eden : a darwinian view of life
Vertaald door Vivian Franken
Uit de reeks Science Masters

Afbeelding overgenomen van de rubriek Convert's Corner op de website van de auteur
De digitale rivier
In 'De digitale rivier' ontwikkelt Richard Dawkins zijn centrale metafoor voor Darwins evolutieleer én de aard van het bouwmateriaal van elk levend organisme, het DNA. De ontdekking van het DNA in 1953 was immers een zeer ingrijpende gebeurtenis: het darwinisme wordt tegenwoordig beschouwd als de overleving van de overlevenden op het niveau van deze zuivere, digitale code.
De evolutie moeten we volgens Dawkins voorstellen als een eindeloze ketting van voorouders, waarvan alle levende organismen van tegenwoordig de nakomelingen zijn. Elke nakomeling behoort per definitie tot een 'voortplantingselite'. Immers, nakomelingen hebben voorouders die niet als kind gestorven zijn, zoals gebruikelijk is bij de meeste organismen. En omdat alle organismen al hun genen erven van hun voorouders, en niet van de minder succesvolle tijdgenoten van hun voorouders, hebben alle organismen over het algemeen succesvolle genen. "Daarom kunnen vogels zo goed vliegen, vissen zo goed zwemmen, apen zo goed klimmen en virussen zich zo goed verspreiden."
Daarmee ruimt Dawkins een belangrijk misverstand uit de weg. Genen worden niet steeds beter, neen, alleen de succesvolle genen hebben domweg meer kans om zich voort planten. Succes zorgt niet voor goede genen, maar goede genen zorgen voor succes.
De 'rekeneenheid' van de evolutie is niet het concrete lichaam, maar iets veel kleiners: het DNA. Dawkins rivier van DNA is bijgevolg een rivier van informatie, van abstracte instructies voor het construeren van lichamen, niet een rivier van concrete lichamen. DNA is de genetische code van alle levende wezens. De manieren waarop organismen in hun levensonderhoud voorzien zijn synoniem met manieren om de in het DNA gecodeerde teksten door te geven aan de toekomst. Daarom gebruikt Dawkins het beeld van een rivier, een rivier van DNA die door de geologische tijd stroomt en zich vertakt.
We kunnen de genetische code opvatten als een woordenboek waarin de 64 woorden (de 64 mogelijke combinaties van een vierletterig alfabet) zijn uitgezet op 21 woorden in een andere taal (twintig aminozuren en één leesteken). De kans dat dezelfde kaart van 64:21 bij toeval tweemaal voorkomt is minder dan één op een miljoen maal een miljoen maal een miljoen maal een miljoen maal een miljoen. Toch is de genetische code letterlijk identiek in alle dieren, planten en bacteriën die ooit zijn onderzocht. Alles wat op aarde leeft stamt zonder enige twijfel af van één enkele voorouder.Een nieuwe soort ontstaat wanneer een bestaande soort zich in tweeën deelt, wanneer de rivier van DNA zich vertakt. De details zijn omstreden, maar zo’n splitsing ontstaat voornamelijk door geografische scheiding. De rivier van DNA kent nu ongeveer dertig miljoen zijarmen, want dat is het geschatte aantal soorten op aarde, ongeveer één procent van alle soorten die ooit hebben geleefd.
Ook de zoogdieren, waar de mens toebehoort, is een zijtak. Let wel, de zoogdiertak van de rivier is geen brede, kolkende stroom! Toen de voorouders van alle huidige zoogdieren zich losmaakten van de dieren die geen zoogdier zijn was dat niet opmerkelijker dan een willekeurige andere afsplitsing. Ook de belangrijkste groepen dieren zijn als gevolg van een toevallig geografisch isolement geleidelijk afgedwaald van hun oorspronkelijke populatie.
Sinds Watson en Crick weten we dat de genen lange ketens van zuiver digitale informatie zijn. Om uit te leggen wat in deze context met 'digitaal' bedoeld wordt, maakt Dawkins de vergelijking met analoge en digitale boodschappen die verstuurd worden met hedendaagse communicatiemiddelen.
Zo kunnen opeenvolgende zenuwcellen opgevat worden als de telefoonkabels van het lichaam — een combinatie van analoge kabels (die steeds meer ruis bevatten naarmate de signalen gekopieerd worden) en digitale kabels (waarvan het signaal niet degenereert). De chemische puls is er of hij is er niet (is dus een digitale grootheid, die dan ook probleemloos over de lengte van een arm kan doorgegeven worden), maar de impulsen laten zich niet coderen in afzonderlijke codegetallen. In plaats daarvan wordt de kracht van de boodschap (de geluidssterkte, de helderheid van het licht en misschien zelfs de intensiteit van de emotie) gecodeerd als het tempo van de impulsen (een analoge grootheid).
Genen, van hun kant, zijn zoals gezegd lange ketens van zuiver digitale informatie. Ook de code zelf is dus digitaal, niet in de verzwakte vorm van het zenuwstelsel. De genetische code is dan wel niet de binaire code van een computer, maar een viertallig systeem. Een analoog genetisch systeem is best denkbaar, maar de informatie zou snel degeneren in de opeenvolgende generaties, net zoals de ruis die je overhoudt wanneer je geluidscassettes eindeloos van elkaar kopieert. (Of de verbasterde informatie aan het eind van het spelletje van de doorgefluisterde zin.)
Een van de vele consequenties van deze digitale revolutie in het hart van het leven is dat ze het vitalisme de genadeslag heeft toegebracht. Tot 1953 was het mogelijk te geloven dat levend protoplasma fundamenteel en onveranderlijk mysterieus was.
Evolutie draait dus om de overlevering van DNA, niet om de overleving van levende organismes, van lichamen. Toch zijn lichamen essentiële spelers in het overleveringsproces. Het zijn de oevers waartussen de beekjes van digitale gegevens stromen. Plus: het zijn niet alleen maar passieve vaten. Alle verschillende soorten cellen bevatten de genetische instructies die nodig zijn om willekeurig welke soort cellen te vormen, maar alleen de genen die geschikt zijn voor het weefsel in kwestie zijn geactiveerd. De geactiveerde genen zorgen er tevens voor dat het betreffende weefsel een bepaalde vorm aanneemt.
Voor zover verschillen tussen individuen op rekening komen van genen (en dat kan in grote maar ook in kleine mate het geval zijn), zal de natuurlijke selectie sommige grillen van het embryologische origami of de embryologische chemische structuur begunstigen en andere afwijzen. Voor zover uw werparm wordt beïnvloed door genen kan de natuurlijke selectie dat gegeven bevorderen of afwijzen. Als het vermogen om goed te gooien van invloed is, hoe gering ook, op de kans om lang genoeg in leven te blijven om kinderen voor te brengen, zullen de genen die dat werpvermogen beïnvloeden meer kans hebben om door te dringen tot de volgende generatie. Elk willekeurig individu kan sterven door een oorzaak die niets te maken heeft met zijn werpvermogen. Maar een gen waarvan de aanwezigheid ervoor zorgt dat u beter kunt gooien dan iemand in wie dat gen afwezig is, zal in de loop van de generaties vele lichamen bewonen, zowel goede als slechte. Vanuit het gezichtspunt van het gen zullen de andere doodsoorzaken allemaal min of meer op hetzelfde neerkomen. Vanuit het gezichtspunt van het gen is er alleen het perspectief van de rivier van DNA die door de generaties voortstroomt, tijdelijk ondergebracht in een bepaald lichaam, dat het tijdelijk deelt met mede-genen die al dan niet succesvol zijn.Kinderen van Afrika
De evolutie is zoals gezegd een eindeloze ketting van voorouders, waarvan alle levende organismen van tegenwoordig de nakomelingen zijn. In 'Kinderen van Afrika' speurt Dawkins naar de voorouders van de mens. Hoever moeten we teruggaan om de universele voorouder te vinden van alle mensen die nu leven?
Eerst berekent hij het totaal aantal voorouders van pakweg de laatste tweeduizend jaar. Een eeuw telt vier generaties (we planten ons voort rond ons vijfentwintigste jaar). Tweeduizend jaar levert dan tachtig generaties op. Twee tachtig maal met zichzelf vermenigvuldigd levert een getal op met een één gevolgd door 24 nullen. Hebben we echt zoveel voorouders?
Neen. We mogen niet zomaar het aantal voorouders verdubbelen bij elke nieuwe generatie. Want ga maar een paar generaties terug en elk huwelijk is een huwelijk tussen een (achter)neef en een (achter)nicht. Je moet maar een paar eeuwen teruggaan om tot bij het moment te komen dat alle familielijnen elkaar kruisen. En zeker niet tot in de ‘tijd van de apen’.
Daarna volgt een betrekkelijk technische passage. Om de universele voorouder van alle mensen van nu te dateren en localiseren is het cytochroom c van kapitaal belang. Cytochroom c is een klein eiwit met ongeveer 100 aminozuren. Aangezien cytochroom c in praktisch alle levende wezens voorkomt en het in de primaire structuur tussen op elkaar lijkende soorten maar op enkele aminozuren verschilt, is het een belangrijk middel voor de taxonomische indeling van levende wezens en een indicatie voor de evolutionaire ontwikkeling van de soorten.
De ‘alinea’ in onze genen die het eiwit beschrijft dat cytochroom c wordt genoemd is 339 letters lang. Twaalf veranderingen in de letter onderscheiden het menselijke cytochroom c van dat van het paard, onze verre verwant. Maar één letter van het cytochroom c onderscheidt mensen van apen (onze betrekkelijk nauwe verwanten), één letter onderscheidt paarden van ezels (heel nauwe verwanten), één letter onderscheidt paarden van ezels (heel nauwe verwanten) en drie letters onderscheiden paarden van varkens (iets verdere verwanten). Vijfenveertig veranderingen onderscheiden de mens van gist en hetzelfde aantal onderscheidt varkens van gist. Dat dit aantal gelijk is hoeft ons niet te verbazen, want als we de rivier volgen die naar de mens leidt zien we dat die zich in een veel recentere periode heeft afgesplitst van de rivier die naar varkens leidt dan het punt waarop hun gemeenschappelijke rivier zich afsplitste van de rivier van gist.De weg naar de universele voorouder levert een duizelingwekkend aantal mogelijke stambomen op, maar, zegt Dawkins, grote getallen zijn te temmen door weloverwogen steekproeven te nemen. Hoe dan ook: midden jaren tachtig werd met de naam mitochondrische Eva de vrouw aangeduid waarvan alle nu levende mensen hun DNA zouden hebben 'geërfd'. Men neemt aan dat ze ongeveer 150.000 jaar geleden ergens in Afrika moet hebben geleefd.
Eva is een recente voorouder van alle moderne mensen. Ze behoorde tot de soort Homo sapiens. Fossielen van eerdere hominiden, Homo erectus, zijn zowel in als buiten Afrika gevonden. De fossielen van nog vroegere voorouders dan Homo erectus, bijvoorbeeld Homo habilis en de verschillende soorten Australopithecus zijn alleen in Afrika gevonden. Als we dus de afstammelingen zijn van een Afrikaanse diaspora binnen de afgelopen kwart miljoen jaar, dan is dat de tweede Afrikaanse diaspora. Er was een eerdere exodus, misschien anderhalf miljoen jaar geleden, toen Homo erectus wegtrok uit Afrika om delen van het Midden-Oosten en Azië te koloniseren. De theorie van de Afrikaanse Eva beweert niet dat deze eerdere Aziaten niet hebben bestaan, maar dat ze geen nu levende nakomelingen hebben.Doe uw goede werken tersluiks
Dit opstel rekent af met de belangrijkste tegenwerping die creationisten maken tegen de evolutieleer: het argument dat gecompliceerde en vernuftige mechanismen volmaakt moeten zijn om te kunnen functioneren.
Creationisten raken snel onder de indruk van de schoonheid en complexiteit van de wereld en concluderen dan dat die wel het resultaat moet zijn van een vooropgezet plan. Daarbij ontkennen ze de mogelijkheid van evolutionaire tussenstadia. ‘X moet wel door een Schepper bedacht zijn,’ zeggen ze, ‘want een halve X kan niet functioneren. Alle delen van X moeten tegelijkertijd ontwikkeld zijn samengesteld; ze kunnen zich niet geleidelijk hebben ontwikkeld.’
Neem de voortplantingssstrategie van de orchidee. Die bloem ziet eruit en ruikt als een vrouwelijke wesp. Hoe kan dat nu? Voorbereidende fasen zijn volgens de creationisten immers uitgesloten: als de orchidee er niet uitzag en niet rook zoals een vrouwelijke wesp, en niet een opening had die geschikt was voor copulatie terwijl het stuifmeel zich precies binnen het bereik van het geslachtsorgaan van de mannelijke wesp bevond, zou die strategie een volledige mislukking zijn geweest.
Dawkins weerlegt het argument dat perfectie in het ontwerp noodzakelijk is om tot resultaten te komen. Mannen worden al tot lustgevoelens geprikkeld bij het zien van een afbeelding van een naakte vrouw — een stukje papier! Voeg daarbij het gegeven dat de hersenen van insekten veel kleiner zijn dan die van mensen. Ze kunnen niet zo scherp zien en ze werken ook op een andere manier (zoals Karl von Frisch ontdekte). Ze reageren op iets wat 'flikkering' wordt genoemd en voor een zich snel voortbewegend insekt de plaats lijkt in te nemen van wat wij ‘vorm’ zouden noemen. Daarom zijn ze met een stroboscopische lamp makkelijk voor de gek te houden.
Het is dus fundamenteel verkeerd om biologische verschijnselen te taxeren vanuit menselijke condities (‘Ik kan me niet voorstellen dat…’). Overigens speelt niet alleen het waarnemingsvermogen een rol. De kwaliteit van de ogen en hersenen van de vijand moeten als gradiënten beschouwd worden, maar ook de afstand waarop je iets ziet is een belangrijk gradiënt, net als de hoek waaronder iets wordt gezien.
Perfect efficiënte constructies zijn in het dagelijkse leven trouwens zeldzaam. Dawkins gebruikt het woord ‘broos’ om een constructie te beschrijven die volmaakt moet zijn om überhaupt te kunnen functioneren. Maar een vliegtuig kan vliegen, zelfs als het talloze onderdelen kwijtraakt. En een slechte microscoop werkt weliswaar niet optimaal, maar ziet nog altijd stukken beter dan het menselijke oog. Ook mimicry (dieren of planten lijken meer op andere dieren of planten dan door toeval, levenswijze en gezamenlijke afstamming verwacht kan worden) moet niet volmaakt zijn om te kunnen functioneren.
Daarna haalt Dawkins Nilsson en Pelger aan, die met computermodellen hebben berekend hoeveel tijd een oog nodig heeft om zich vanuit een enkele fotocel te ontwikkelen en scherp te worden. (Het 'wonder van het oog' is immers een klassiek tegenargument van creationisten.)
Wat blijkt? Zelfs volgens conservatieve schattingen kan vlakke huid zich tot visse-oog ontwikkelen in minder dan vierhonderdduizend generaties. Voor dat soort kleine dieren (vissen) mogen we aannemen dat er een nieuwe generatie per jaar is, zodat het waarschijnlijk geen half miljoen jaar zou duren om een goed oog te ontwikkelen. In het licht van die resultaten is het niet verbazend dat ‘het’ oog zich in het dierenrijk minstens veertig keer onafhankelijk heeft ontwikkeld.
De utiliteitsfunctie van God
In dit opstel legt Dawkins uit waarom het klassieke theologische argument van het ontwerp dat Thomas van Aquino, William Paley en de huidige creationisten omarmen — de kennelijke doelgerichtheid van al wat leeft — niet deugt.
Het verlangen alles van een doel te voorzien is heel natuurlijk in een dier dat omringd wordt door machines, kunstwerken, gereedschappen en ander bewust ontworpen voorwerpen. Ook levende lichamen en hun organen zijn voorwerpen die, in tegenstelling tot rotsen, lijken te barsten van doelgerichtheid.
Die illusie brengt zelfs biologen in de war. Toen Karl von Frisch de bewegingen van bijen bestudeerde, leek hun dans zo gecompliceerd, zo overdadig opgebouwd, zo zorgvuldig afgestemd op een doel — de andere bijen te informeren over de afstand en de locatie van het voedsel. Enkele technische bladzijden in Onze onsterfelijke genen leggen uit hoe zo'n ingewikkeld schouwspel toch is kunnen ontstaan, zonder doel.
Want de natuur is niet doelgericht. Ze is alleen gericht op de overlevering van genen. De evolutie heeft geen enkele zin op menselijk of dierlijk niveau. Dat beteken niet dat de natuur bewust wreed is. Neen, de natuur is gewoon meedogenloos onverschillig. Ze heeft domweg geen moraal. Dat is een van de hardste lessen die de mens moet leren. Dawkins haalt Charles Darwin aan, waar die schrijft: "Ik kan mijzelf er niet van overtuigen dat een goedgunstige en almachtige God opzettelijk de Ichneumonidae geschapen zou hebben met de uitdrukkelijke bedoeling dat zij zich zouden voeden met de levende lichamen van rupsen."
De notie dat er geen dieperliggende zin schuilt in de natuur, zal ook voorkomen dat mensen zich laatdunkend uitlaten over de wetenschap. Ook Dawkins krijgt bij lezingen altijd de opmerkingen dat wetenschappers heel goed zijn in het uitleggen hoe iets gebeurt, maar over het waarom iets gebeurt zwijgen in alle talen. Onder die opmerking ligt dan de — onlogische — veronderstelling dat als de fyscia geen antwoord heeft op de vraag ‘Waarom?’, er een andere tak van de wetenschap moet zijn die wél bevoegd is dat antwoord te geven.
Maar er is dus geen 'Waarom?' Om te staven dat aan het leven geen goddelijke plan ten grondslag ligt, introduceert Dawkins het begrip achterwaartse constructie: afgaande op de kenmerken van een voorwerp moeten we kunnen achterhalen waarvoor het voorwerp zou dienen.
De rekenliniaal, tot voor kort talisman van het eerbare beroep van ingenieur, is in deze elektronische tijd even verouderd als een willekeurig voorwerp uit de Bronstijd. Wanneer een toekomstige archeoloog een rekenliniaal vindt en zich afvraagt wat het is, zal hij misschien zien dat het een handig voorwerp is om rechte lijnen te trekken of boter op een boterham te smeren, maar de veronderstelling dat een van deze twee functies het oorspronkelijke doel van het voorwerp was is in strijd met het zuinigheidsprincipe. Een eenvoudige liniaal en een botermesje hebben geen glijder en geen knop in het midden nodig. Wanneer u bovendien de ruimte tussen de lijntjes meet blijken ze een nauwkeurige logaritmische schaal te volgen die te zorgvuldig is uitgewerkt om overtollig te kunnen zijn.Op dezelfde manier zouden we nu het 'nut' van levende wezens moeten kunnen achterhalen. Op het niveau van de aparte lichamen lopen alle speculaties echter vast. Cheetahs lijken geknipt om antilopen te doden. Maar antilopen lijken allerlei kenmerken te hebben om antilopes te doen overleven en dus de hongerdood van de cheetah te bewerkstelligen. Wat voor spelletje speelt God eigenlijk, vraagt Dawkins zich af. "Is Hij een sadist die graag naar bloedige wedstrijden kijkt? Probeert hij de kijkcijfers van de programma’s van David Attenborough te maximaliseren?" Het antwoord ligt natuurlijk eenvoudiger.
Er is maar een werkelijk utiliteitsfunctie, datgene wat in de natuurlijke wereld wordt gemaximaliseerd, de overleving van het DNA. Maar DNA zweeft niet vrij rond, het is opgesloten in levende lichamen en moet de machtsmiddelen waarover het beschikt maximaal benutten. DNA-strengen die zich in cheetah-lichamen bevinden maximaliseren hun overleving door ervoor te zorgen dat die lichamen antilopen doden. De strengen die zich in het lichaam van een antilope bevinden maximaliseren hun overleving door het tegenovergestelde te bevorderen. Maar in beide gevallen is het de overleving van het DNA die wordt gemaximaliseerd. Zolang het DNA wordt doorgegeven, geef het niet wie of wat daaronder lijdt. Het is voor de genen van Darwins Ichneumonidae beter dat de rups leeft en dus vers is wanneer ze wordt opgegeten, ongeacht de hoeveelheid leed dat met zich meebrengt. Genen interesseren zich niet voor lijden — ze interesseren zich voor helemaal niets.Wie in het leven een of andere nobele bedoeling weet te bespeuren, kan dat alleen maar door bepaalde harde waarheden te verdringen. De waarheid over de totale hoeveelheid lijden, bijvoorbeeld. Die gaat immers elke aanvaardbare voorstelling te boven.
Gedurende de minuut die ik nodig heb om deze zin te schrijven worden duizenden dieren levend opgegeten; andere rennen voor hun leven, piepend van angst; weer andere worden langzaam van binnenuit verorberd door een irriterende parasiet; duizenden exemplaren van alle soorten sterven van honger, dorst of aan ziekte. Dat moet zo zijn. Als er ooit een tijd van overvloed is zal het onmiddelijke gevolg daarvan een toename van de populatie zijn, totdat de natuurlijke toestand van honger en ellende hersteld is.De reproduktiebom
De theorie die in 'De reproduktiebom' wordt ontvouwd, was helemaal nieuw voor me. Sterren kunnen zoals bekend oplaaien tot supernova's. Dawkins stelt dat sterren ook een andere soort explosie kunnen doormaken. In plaats van ‘de weg van de supernova’ kunnen ze ‘de weg van de informatie’ inslaan, een informatiebom of reproduktiebom worden.
Met informatiebom bedoelt Dawkins de grote hoeveelheden menselijke informatie die via radiogolven lekt naar de rest van het zonnestelsel en, bij uitbreiding, het heelal. Met reproduktiebom wordt de exponentiële toename "van zichzelf reproducerende maar variabele entiteiten" bedoeld. Het is niet uitgesloten dat reproduktiebommen even vaak voorkomen als supernova’s. Alleen zijn ze niet van op grote afstand waar te nemen. Zo'n explosie komt ook trager op gang dan bij een supernova en heeft, weten we sinds Darwin, oneindig veel meer tijd nodig om zich te ontwikkelen. We weten echter niet hoe een dergelijke explosie afloopt.
Waarschijnlijk wordt ze geleidelijk zwakker, net als een supernova, maar we weten niet hoe ver de aanvankelijke ontwikkeling gaat. Misschien tot het punt van een gewelddadige ramp waarbij de ster zichzelf vernietigt. Misschien tot een mildere, herhaalde uitstoot van objecten, die zich in een baan die eerder geleid dan eenvoudig ballistisch is verwijderen van de ster naar verre delen van de ruimte, waar ze andere sterrenstelsels met dezelfde neiging tot exploderen kunnen beïnvloeden.Beide bommen — informatiebom en reproduktiebom — hebben met elkaar te maken. Voorwaarde voor een informatiebom is immers intelligent leven, dat volgens Darwin enkel de uitkomst kan zijn van een eindeloze keten van toevallig succesvolle mutaties. Pas in de afgelopen miljoen jaar is een zenuwstelsel ontstaan dat in staat was een radiotechnologie uit te vinden. En pas in de afgelopen decennia heeft dat zenuwstelsel de radiotechnologie daadwerkelijk ontwikkeld.
De reden dat we zo weinig weten over reproduktiebommen in het universum is dat we er maar één voorbeeld van kennen, en één voorbeeld van welk verschijnsel dan ook is een onvoldoende basis voor algemene theorieën. Onze ene casus is nog in ontwikkeling. Die ontwikkeling is al drie à vier miljard jaar gaande en de explosie heeft nog maar net het punt bereikt waarop ze zich uit de onmiddellijke nabijheid van de ster gaat verwijderen. De ster in kwestie is een gele dwerg aan de rand van ons melkwegstelsel, in een van de spiraalarmen. We noemen haar de zon.
Voor een reproduktiebom — het fenomeen waarbij levende wezens zich losmaken van hun eigen planeet — moeten er een tiental hindernissen overwonnen worden, die Dawkins 'drempels' noemt.
De allereerste drempel is die van de reproduktie zelf: er moet zo’n zichzelf reproducerend systeem ontstaan — met mogelijkheid tot variatie door kopieerfouten. Hoe op aarde deze drempel overwonnen werd, is nog niet bekend. Hoe vanuit dode materie zichzelf reproducerende entiteiten zijn kunnen ontstaan, begrijpen we niet. Er is geen bewijs voor die beslissende gebeurtenis en erfelijkheid is duidelijk geen natuurlijke eigenschap van moleculen.
We hebben geen bewijs dat, toen de informatie-explosie op gang kwam, de kiemcode geschreven was in DNA-letters. De hele op DNA en eiwitten gebaseerde informatietechnologie is zelfs zo geraffineerd dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat die toevallig is ontstaan, zonder een zichzelf reproducerend systeem dat als voorloper fungeerde. Die voorloper zou het RNA kunnen geweest zijn, of iets in de trant van de zichzelf reproducerende moleculen van Julius Rebek, of nog iets anders.Eens die eerste belangrijke hindernis genomen is, van dode materie naar levend organisme, moeten nog negen drempels overwonnen worden:
2. De drempel van het fenotype: reproducenten overleven niet dankzij hun eigenschappen, maar dankzij hun causale effect op het fenotype (effecten van reproducenten die het succes van de reproducent beïnvloeden maar zelf niet gereproduceerd worden; zie voorbeeld van de slak p. 120). 3. De drempel van het team van reproducenten (geen enkel gen kan geïsoleerd functioneren, het heeft een meer geconcentreerde buidel nodig: de cel). 4. De drempel van de meercelligen: wanneer deze gepasseerd is kunnen fenotypen ontstaan waarvan de vorm en functie alleen waarde hebben op een schaal die veel groter is dan die van de enkele cel. 5. De drempel van de hogesnelheids-informatieverwerking: door zenuwcellen is activiteit mogelijk in een veel hoger tempo dan rechtstreeks bereikt zou kunnen worden op het niveau van de genen met hun chemische hefbomen. 6. De drempel van het bewustzijn: een grote bundeling van dataverwerkende units die in staat zijn complexe patronen te verwerken met behulp van zintuiglijke organen en de uitkomsten daarvan op te slaan in een geheugen. 7. De drempel van de taal: het middel om informatie uit te wisselen die voldoende diepgaand is om de ontwikkeling van coöperatieve technologie mogelijk te maken. 8. De drempel van de coöperatieve technologie: om invloed te kunnen uitoefenen buiten de eigen planeet. 9. De drempel van de radio: radiogolven die weglekken als nevenprodukt van de communicatie op onze thuisplaneet. 10. De drempel van fysieke ruimtereizen: maar tot nu toe hebben we ons nog nauwelijks op de weg naar buiten gewaagd.
Verdere topics:
Onze gemeenschappelijke Afrikaanse-apenrivier: 6
Enzymmoleculen: 17
De bevruchte eicel: 18
Waarom de mitochondrische Eva niet ‘de enige vrouw op aarde’ was: 42
De beschikbare tijd nodig om een oog te ontwikkelen: 61
De geleidelijke evolutie van de bijendans: 66
Gradiënten: 72
Geslachtsratio’s: 84
De zoektocht naar zichzelf reproducerende moleculen: 110
____

1 reactie(s):
The book of man : the human genome project and the quest to discover our genetic heritage – Bodmer en McKie
Life cycles : reflections of an evolutionary biologist – Bonner
Animal species and their evolution – Cain
The redundant male : is sex irrelevant iin the modern world? – Cherfas
Profiles of the future : an inquiry into the limits of the possible – Clarke
Geniaal gekkenwerk : een persoonlijke visie op wetenschappelijke ontdekkingen – Crick
The ant and the peacock : altruism and sexual seduction from Darwin to today – Cronin
The various contrivances by which orchids are fertilised by insects – Darwin
Engines of creation – Drexler
Human origins – Durant
Insekten – Fabre
The genetical theory of natural selection – Fisher
De honingbij : een samenleving van kleine giganten – Frisch
The honey bee – Gould
Wonderlijk leven : over toeval en evolutie – Gould
The monkey puzzle : reshaping the evolutionary tree – Gribbin
Human evolutionary biology – Hippel
Consciousness regained – Humphrey
The Cambridge encyclopaedia of human evolution – Jones, Martin en Pilbeam (ed.)
Self-made man : human evolution from Eden to extinction? – Kingdon
Diergedrag : een inleiding tot de vergelijkende gedragsleer – Manning en Dawkins
Microcosmos : four billion years of microbial evolution – Margulis en Sagan
De voortplanting van bloemen – Meeuse
Chance and necessity : an essay on the natural philosophy of modern biology – Monod
Why we get sick : the new theory of darwinian medicine – Nesse
Camouflage : over kleur- en vormaanpassing – Owen
Evolution – Ridley
The red queen : sex and the evolution of human nature – Ridley
Shadows of forgotten ancestors – Sagan en Druyan
The theory of evolution – Smith
The herrin gull’s world – Tinbergen
In ‘t vrije veld – Tinbergen
Social evolution – Trivers
De dubbele helix : de ontdekking van de structuur van het DNA – Watson
De snavel van de vindk : een verhaal over evolutie – Weiner
Plants and animals – Wickler
Natural selection : domains, levels and challenges – Williams
Het veelvormige leven – Wilson
Het triomferende embryo – Wolpert
Een reactie plaatsen