woensdag 8 december 2010

Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd - Hans Christian Andersen

Op de voorplaat ziet hij er zelf uit als een sprookjesfiguur. Een afzichtelijke man met, zoals sprookjes het willen, een hart van goud: Hans Christian Andersen. Zijn brieven en dagboeken laten echter geen kindervriend zien, maar een onmogelijke vent. "Ik ben als een meertje, alles brengt me in beroering, alles wordt in mij weerspiegeld, dat zal mijn schrijversaard wel zijn en het brengt mij natuurlijk vaak vreugde en zegeningen, maar vaak is het ook een kwelling."

Er bestaan sprookjes en cultuursprookjes, weet ik nog van mijn middelbare schooltijd. De gebroeders Grimm tekenden verhalen op die al eeuwen door de volksmond werden overgeleverd: sprookjes. Maar zo'n Hans Christian Andersen verzon ze helemaal zelf, wat dan cultuursprookjes wordt genoemd, omdat de auteur bekend is.

Als kind had ik natuurlijk geen benul van dat onderscheid. Het is pas veel later dat ik ontdekte dat mijn lievelingsverhalen op de weekmakende cassettes van Lekturama Luister Sprookjes en Vertellingen door Oscar Wilde geschreven waren — 'De boze reus werd een lieve reus', 'De gelukkige prins' — óf door Andersen — 'De rode schoentjes', 'De nieuwe kleren van de keizer', 'De tondeldoos' en 'De prinses op de erwt'. Reden genoeg om de dagboeken en brieven van de Deen erbij te nemen.

Hans Christian Andersen (1805-1875) — in eigen land vooral bekend als H.C., uitgesproken als Hocee — wordt in een arm gezin in Odense geboren als zoon van een schoenmaker en een werkster. Die eenvoudige komaf zal Andersen nooit meer vergeten. Ook niet toen hij welvarend werd (hij stierf vermoedelijk als miljonair). Zijn evergreen 'Het lelijke jonge eendje' weerspiegelt dat trauma.

Op zijn veertiende trekt Andersen naar Kopenhagen om zijn geluk te beproeven als schrijver. Hij wil het toneel in en heeft ook een pak gedichten klaar. Hij heeft geluk. Een schouwburgdirecteur bekostigt zijn studies en diens zoon zal voortaan zijn zakelijke belangen behartigen. Later krijgt Andersen een koninklijke toelage voor zijn romanoeuvre. Daarnaast ontvangt hij reisbeurzen, die hij dankbaar aangrijpt om het knellende Deense cultuurleven, dat hem naar zijn smaak nooit echt op waarde weet te schatten, te ontvluchten. Andersen bleef zijn hele leven nooit lang thuis.

De dagtekening en plaatsbepaling van de dagboeken en brieven leggen getuigenis af van die rusteloosheid. Andersen bereist het hele Europese continent: Duitsland (1831), Italië (1834), België en Frankrijk (1843), opnieuw Duitsland en Italië, Zwitserland en Oostenrijk (1844), Denemarken (1850), Praag, Wenen en Venetië (1854), weer Zwitserland en Italië (1861), Zweden (1865), Noorwegen (1871) en nog eens een paar maanden Duitsland en Zwitserland (1873). Als hij toch in Denemarken verblijft, is op de achtergrond vaak het gerommel van de twee Duits-Deense Oorlogen (1848-1851 en 1864) te horen.

Het is alsof Denemarkens laatste uur heeft geslagen, ik kan alleen maar denken aan oorlog en opstand, ik ben moedeloos ; overal lege politieke gesprekken. Ik voorzie dat het beetje geld dat ik gespaard heb in rook zal opgaan, ik zie mezelf op mijn oude dag nog eindigen als een bedelaar. […] Het is afgelopen met Denemarken en met mijn geluk. — Nu komt de nacht van de dood. — Ik zak weg in grote ontreddering. Nu zit ik suf thuis.
Andersen leefde uit zijn koffers, en in die bagage, zo wil een beroemd verhaal, stak steevast een lang, dik touw dat de hypochonder moest dienen om bij brand uit het raam van zijn hotelkamer te kunnen ontsnappen. Het touw valt nog in een of ander Deens museum te bezichtigen.

Nu, wat hij op die tochten aantekende, stelt niet zoveel voor. Het meest memorabel voor mij is zijn passage door de Sixtijnse kapel; Andersen gaat op de vloer liggen om de plafondschilderingen goed te kunnen bekijken.

Wel is goed te zien wat voor een beroemdheid Andersen bij leven al was, ondanks het voortdurende gejammer over het tegendeel. Hij ontmoet Liszt in Hamburg, Mendelssohn en Schumann in Leipzig, Balzac, Dumas, Heine en Hugo in Parijs. Charles Dickens komt zelfs twee keer naar Londen voor Andersen. De laatste keer krijgt hij zijn verzameld werk, twaalf banden, alle prachtig ingebonden met in ieder exemplaar de vermelding ‘Hans Christian Andersen, from his friend and admirer Charles Dickens’. In Nederland maakt de sprookjesauteur kennis met Van Lennep, Kneppelhout, Hasebroek, Potgieter, J. P. Heije en het echtpaar Bosboom-Toussaint.

Ook politieke hoogwaardigheidsbekleders (en de bijpassende diners) ontbreken niet in het dagboek. Het maakt melding van Andersens ontmoetingen met de prins van Pruisen, koning Maximiliaan II van Beieren en Willem II van Nederland (1846). Daarbij schuwt Andersen de kritiek niet. Van een of andere prinses (ik ben vergeten wie) schrijft hij dat ze "het dikst is in de benen, naar boven toe steeds smaller wordt en zoals bij veel andere dames merk je uiteindelijk helemaal niet dat ze nog een hoofd heeft."

Alle succes in den vreemde kunnen echter de officiële kritiek in eigen land niet doen vergeten. In een Berlijns schoolboek stelt Andersen tevreden vast dat aan hem de voorkeur wordt gegeven boven Grimm. Maar even later klinkt alweer geklaag. 'Das Leben is das schönste Märchen' noteert hij ergens in het boek van een jonge bewonderaar, maar de intiemste dagboekbladen laten een andere Andersen zien. De schrijver voelt zich mislukt en nooddruftig — een imago dat een groep Amerikaanse kinderen tot een gênante inzamelingsactie voor Andersen aanzette.
Nu ben ik echt helemaal alleen — niemand is door de natuur verplicht van mij te houden. [Na de dood van zijn moeder in 1833]

[...]

Alles wordt door God bestierd, er bestaat een noodlot, de mens is vrij als een paard op een rotseiland: hij kan vrij ronddartelen op het eiland, maar binnen zekere grenzen, verder kan hij niet!

[...]

O lieve, lieve Jette, bidt ook u voor een broeder, die innig van u houdt, wiens streven het was een groot kunstenaar te worden, maar die tijdens het grote gietproces van het leven is mislukt.

[...]

Ik kan me het huiselijk geluk goed voorstellen, gelijk Mozes sta ik op de berg en kijk uit over het beloofde land, waar ik zelf nooit zal komen. God heeft me veel gegeven in dit aardse bestaan, maar misschien mis ik het beste en het meest zaligmakende.
Dat laatste, "het meest zaligmakende", slaat op Andersens verlangen naar een trouwe, liefhebbende vrouw. Dat geluk heeft hij nooit mogen smaken. Andersen liep tegen vier onbeantwoorde verliefdheden aan: Riborg Voigt, Sophie Ørsted, Louise Collin en de Zweedse zangeres Jenny Lind.

Het is niet altijd even duidelijk waar het mis liep. Andersen was beslist een lange, lelijke, magere man, maar sommige commentaren vermoeden dat ook zijn overgevoeligheid en seksuele smetvrees vrouwen afstootten. Het woord 'homoseksueel' valt dikwijls.


Hans Christian Andersen in 1860; foto van Franz Hanfstaengl, via Wikimedia Commons

De meest ontluisterende passages van Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd geven inzicht in Andersens seksleven. Of liever, het gebrek daaraan. De beroemde auteur blijkt dan niet vies van Parijs bordeelbezoek, ook niet op hoge leeftijd, al blijft het, althans volgens dit dagboek, bij kijken. Wat Andersen wel veelvuldig bedrijft, is de eigenhandige liefde. Hij turft zijn masturbatiesessies in het dagboek, eerst met de Griekse letter psi, later met een kruisje.

Het wordt dan even lastig om in deze figuur nog de man te herkennen die 156 sprookjes en verhalen heeft geschreven, waarvan er vele onsterfelijk zijn geworden. Maar: het is 'm wel degelijk. Een paar keer doet het dagboek kond van de sprookjes. Andersen deed die er aanvankelijk bij, naast het grote werk, en zonder veel overtuiging.
Dinsdag 18 november 1845 [Gråsten]
Gewandeld ; het verhaal over het meisje met de zwavelstokjes geschreven.

Vrijdag 27 maart 1846 [Van Ancona naar Rome, Monze]
Dacht na over een sprookje over het voorjaar dat door het land reist — over een ooievaar die met zijn familie een reis naar Egypte maakt.

Zaterdag 28 maart 1846 [Spoleto]
Idee voor een sprookje over vrijheid en constitutie in een kippenhok.

Zondag 24 september 1871 [Kopenhagen, Petershoi]
Zonnig weer. Einar bezocht en wat met hem gekletst. Het sprookje 'De grote zeeslang geschreven'; het begin had ik nog liggen van Nice, ‘de kleine zeevis,’ nu heeft het pas gestalte gekregen.

Vrijdag 5 juli 1872 [Kopenhagen, Rolighed]
Erg warm, vandaag voor het eerst de hele dag een dunne pantalon gedragen. Heb van ‘s avonds vroeg tot ‘s avonds laat aan 'Tante Kiespijn' geschreven, het lukte maar ik voel me moe.

Maandag 31 december 1860 [Basnaes]
Vandaag heb ik het sprookje 'De sneeuwman' geschreven.
Een sprookje wordt traditioneel in één dag geschreven. De dag erna wordt het door Andersen herwerkt en bijgepunt. Als hij een idee voor een verhaal krijgt, rept de schrijver zich vlug naar huis, ook als hij toevallig een voorstelling van de Zauberflöte bijwoont. Soms komt de inspiratie zelfs van zijn fans.
Vandaag kwam er op straat een jong meisje op me af dat vroeg : ‘Bent u de schrijver Andersen, wilt u een verhaal voor me schrijven over het paard van de tram? Het is een oud wit paard, u kunt hem zien staan op Vesterbro, hij kan de tram niet meer trekken en toch heft hij zijn hoofd en loopt hij mee.
Dit allemaal gezegd zijnde, valt er literair zo goed als niets te beleven aan deze dagboeken en brieven. Het terugbrengen van de tien delen dagboek (5000 pagina's) tot nog geen drie procent uit dat aanbod moet een honds karwei zijn geweest, als zulks nog zo'n droog Privé-domein oplevert — een van de saaiste uit de reeks. Zelf trok ik me tijdens het lezen vooral op aan de (sporadische) beschrijvingen van een beroemde plek of persoon. Of aan zo'n korte notitie als op 16 juni 1860, ontroerend in zijn eenvoud, omdat ze iets zegt over Andersens tijd:
Vandaag heb ik voor het eerst aardbeien gegeten.
Uit deze uitgave (en de commentaren van de samenstelster) zal me vermoedelijk alleen bijblijven dat Andersen zoveel meer heeft geschreven dan sprookjes. Hij dichtte, publiceerde reisverslagen en schreef een negental romans. Heden is alleen De improvisator in een recente vertaling beschikbaar, maar ook in het toenmalige Denemarken werd hij al beschouwd als een romancier van het tweede plan.

Wat hem echter zeer negentiende-eeuws maakt, zijn de meer dan dertig toneelstukken die hij ook pleegde en die nu allemaal — en weer terecht — vergeten zijn. Dat toneel zo lang zo'n belangrijk volksvermaak was, is iets wat ik makkelijk vergeet.

Voor de rest deed de 'stem' van Andersen me onvermijdelijk denken aan andere getormenteerde Scandinaven. Strindberg natuurlijk, die eveneens door de liefde werd gekweld, en vooral Andersens land- en tijdgenoot Kierkegaard, die zich ook eeuwig miskend voelde.

Rondneuzend op het net ontdekte ik dat de eerste boekpublicatie van de vijfentwintigjarige Kierkegaard uitgerekend een bijtend essay was over een autobiografische roman van Andersen.

(Gebaseerd op notities van 14 oktober 2001.)

Hans Christian Andersen, Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd
Een keuze uit zijn dagboeken en brieven

273 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1998
Vertaald door Edith Koenders
Privé-domein nr. 255

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails