Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid - Ronald Giphart
In mijn bespreking van Het innerlijk blauw, het journaal van André Gide, heb ik eens opgelijst wat een mooi dagboek moet brengen, voor mij. Evenwicht tussen daad en overpeinzing. Evenwicht tussen engagement en meditatie. Een dagboek moet introspectie en zelfbevraging bevatten, zintuiglijke observaties, roddel, poëticale overpeinzingen, politieke analyses en, als het even kan, een goeie scheut schrijverstorment. Ronald Giphart brengt haast niets van dit alles.
Ronald Giphart is een commercieel heel geslaagde schrijver, maar dat is voor mij het punt niet. Niets afgezaagder dan de literator die zich een goed schrijver waant omdat hij géén succes heeft. Dat 'schrijverstorment' uit de inleiding slaat op de aanwezigheid van innerlijke demonen, niet op de afwezigheid van goede verkoopcijfers. Neen, mij is zelfs de openheid sympathiek waarmee Giphart van het succes geniet. En noem nog eens een schrijver die toegeeft zijn eigen werk te herlezen?
Vanmorgen lag bij de post de filmeditie van Ik ook van jou (met de lullig-lelijke belettering van de filmposter en een paarsblauwe foto van een boos kijkende Angela Schijf) en de Rainbow-pocket van De voorzitter. Dat laatste boek had ik al een tijdje niet doorgebladerd. Ik begon achteloos in het eerste hoofdstuk te lezen (pot koffie erbij, zachte muziek op en boxershort in de niet-knelstand). Tweeënhalf uur later had ik het boek uit, gelouterd, bevredigd, gepijpt. Erg vreemd, vaak moest ik hardop lachen om grappen die ik me niet meer of vaag kon herinneren. Ook bleek ik woorden te gebruiken waarvan ik niet wist dat ze ooit tot mijn actieve woordenschat behoorden.Het is alleen dat die bloeiende carrière met een groot nadeel komt. Haast alles wat Giphart meemaakt is een afgeleide van zijn schrijverschap. Hij ontmoet collega's, houdt lezingen, werkt samen met televisiemakers. Overal kan hij terecht voor het betere schnabbelwerk. Zelfs Anouk benadert hem om haar biografie te schrijven ("commercieel goed voor jou en voor mij" zegt de zangeres; Giphart doet het niet). Dat gaat vervelen.
Ergens omschrijft Giphart de moderne schrijver als een eenmansfabriek die al zijn werk te gelde moet maken om te kunnen overleven. Als schrijver ken je dus maar beter de wetten van de markt. Giphart kent ze. Ook uit Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid werden delen voorgepubliceerd in tal van Nederlandse bladen; een zeldzaamheid.
Het publiceren van een roman lijkt (tegenwoordig) op het verkopen van kerstbomen. Een schrijver/kerstboomverkoper moet een lange tijd wachten om in een zeer korte periode zijn producenten aan de man te kunnen brengen. Die korte periode staat niet in verhouding tot de tijd die er is besteed aan het vervaardigen van de koopwaar. Romans in Nederland hebben om te beginnen een looptijd van ongeveer twee maanden (kerstbomen drie weken). Slaat in die twee maanden een boek niet aan bij het publiek, dan staan de opvolgers al weer aan te dringen. Heeft een boek wel enig verkoopsucces, dan kan de verkooptijd met nog enkele maanden worden verlengd, maar dan valt meestal genadeloos het doek. Slechts een paar titels per jaar liggen langer dan twaalf maanden op de uitstaltafels van de boekhandel. Verschijnt er een nieuw boek van een schrijver, dan zal hij de maanden daarna moeten meewerken aan de publiciteitsgekte (en zo vervelend is dat helemaal niet), wil hij de overlevingskansen van zijn boek helpen vergroten; natuurlijk zijn er schrijvers die zich afkeren van promotie, waarmee zij hun boek onrecht aandoen, tenzij ze niet willen dat hun boeken worden gelezen (wat me in veel gevallen volkomen terecht lijkt).Giphart is onderlegd in die kant van zijn stiel, de promotie. Alleen in België, waar zijn boeken weinig doen, wil het niet echt vlotten. Dan komt hij al snel terecht in een achterafzaal in Torhout, met hoop en al twintig kijklustigen, en geeft de organisator hem een T-shirt met een tekst van Baldwin: ‘What am I Doing Here?’.
Maar goed. Dit Privé-domein is niet zozeer storend-narcistisch — de reeks stikt van de egotisten — als wel storend-oninteressant. Er staat weinig in Het leukste jaar dat de neutrale lezer (geen fan van Giphart) kan raken. Ook het uitstapje naar Praag voor de KNVB (met een damesvoetbalteam) en een verblijf in Bosnië (met Rosita Steenbeek en Manon Uphoff) leveren geen heugelijke reportages op.
Nu heeft Privé-domein altijd al dagboeken en brieven uitgebracht met louter documentaire waarde — ook van de Hele Groten. Dat Privé-domein plots gedevalueerd zou zijn door de millennium-deeltjes die De Arbeiderspers bestelde bij haar fondsauteurs (Wieg, 't Hart, Büch), is onzin. Alleen heeft het succes van Giphart een lome, weke, op zichzelf terugplooiende huisvader gemaakt.
Dat komt pijnlijk tot uiting als hij zich toch even moet verhouden met de calamiteiten van 2001: Twin Towers, Afghanistan, de opmars van Pim Fortuyn. Daar helpt ineens geen studentikoze kijk meer tegen, zoals je met een speelgoedhamer ook geen echte spijkers in hout kunt drijven. Begrijp me niet verkeerd: ik wil geen treurnis of politieke correctheid. Ik wil precisie, verrassing, synthese, analyse. Van Giphart krijg ik: Anne Geddes.
Broos vertelde gisteravond aan Mascha bij het slapengaan dat in ‘Amelika glote bland’ was. Hij legde uit: ‘Twee vliegtuigen vlogen zo in een huis,’ waarna hij imiteerde: ‘Boem! Boem!’ Daarna vroeg hij: ‘Wat is oollog?’Twee aspecten redden Het leukste jaar nog enigszins als boek (niet als Privé-domein): de herinneringen aan Gipharts gelukkige jeugd, in een nieuwbouwwijk van een middelgrote stad in Zuid-Holland, met linkse ouders, jaren zeventig ("de slechtste start denkbaar voor een schrijver"); én het contrast tussen oude schrijversambities en de behaaglijke positie nu.
In de auto terug naar Utrecht denk ik aan de puberjaren dat ik mezelf tot schrijver programmeerde en dacht dat mijn leven er als volgt uit zou gaan zien: mijn dagen zou ik slijten ergens in een boerengat in de provincie in een lege witte kamer en gezeten aan een leeg wit bureau met slechts één typemachine en een stapel wit papier zou ik louter schrijven, lezen, schrijven, lezen, schrijven. Ik zou sporadisch briefcontact hebben met mijn uitgever en enkele schrijvende vrienden, maar verder zou ik me alleen in die kamer ophouden. Eén keer per week zou ik bij een supermarkt al mijn pindakaas halen en één keer per maand zou ik de lokale boekhandel afstropen. Ik verlangde naar een fundamentalistisch schrijverschap.Giphart werd alles behalve een fundamentalistische schrijver. Hij is daar eerlijk over.
Een hypotheek, twee kinderen, twee auto’s, een set anti-aanbakpannen, een pensioenregeling, een combimagnetron en een wasdroger die ook kan schaken: ik kan niet zeggen dat ik dit allemaal voor me zag toen ik nog vreselijk jong was en mijmerde over mijn toekomstige fascinerende leven. Ik wist zeker dat ik nooit ouder zou worden dan dertig. Voorbij die grens kukelde je in een diep zwart gat genaamd: de burgerlijke dood. Inmiddels is er al weer vijf jaar verstreken van de tijd die ik mezelf niet gaf. Ik mag alle angstvisioenen uit bovenstaande opsomming de mijne noemen — en het allerergste is dat ik er geen seconde mee zit.(Gebaseerd op notities van 27 augustus 2004.)
Eén item ontbreekt er nog in de opsomming: een tweede huisje, een pied-à-terre in een lommerrijk landschap. Ons peperdure Madurodammer huisje nabij het centrum van Utrecht heeft een tuintje ter grootte van een postzegel. Mascha en ik vinden het altijd een erg zielig gezicht als Broos met zijn emmertje en schepje monter roept dat hij ‘in de tuin’ gaat spelen. Een van de zes tegels van het beschutte plaatsje hebben we eruit gelicht, en Broos noemt dat optimistisch ‘de zandbak’. Overwegingen die ik niet had kunen voorspellen: dat we ons zorgen maken of ons zoontje wel genoeg en natuur ziet.
Ronald Giphart, Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid
Persoonlijke kroniek 2001
328 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002
Privé-domein nr. 247
Nog wat losse citaten:
Zoals schrijvers een writer’s block hebben, kunnen echtparen kampen met een lover’s block.
[...]
Vraag: Ik las een interview met u in De Gelderlander. U sprak van uw interesse in biologie. Biologische verklaringen van menselijk gedrag spelen feitelijk in al uw boeken een rol. U bent de enige schrijver trouwens niet. Harry Mulisch lonkt al sinds jaar en dag naar de natuurwetenschappen. Marcel Möring noemde in een interview van twee jaar geleden critici hopeloze alfa’s. Hoe verklaart u die opvallende behoefte van schrijvers aan ‘echte’ wetenschap?
Antwoord: De ‘echte’ wetenschap behandelt het ‘echte’ scheppingsverhaal. Wetenschap houdt zich bezig met de vraag hoe en waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Het is des schrijvers om zelf scheppingsverhalen te bedenken. Ik denk dat hun behoefte aan ‘harde feiten’ voortkomt uit de behoefte aan ijkpunten voor hun ‘zachte feiten’.
[...]
In een interview heb ik eens de grap gemaakt dat ik al van een kittelaar wist nog voor ik van een rammelaar had gehoord, maar het was inderdaad zo dat mijn moeder mij inhamerde: zorg ervoor dat de vrouw klaarkomt, zorg ervoor dat de vrouw klaarkomt.
[...]
De menselijke hersens zijn geprogrammeerd om altijd in vaste patronen te denken. Dat is onze overlevingsstrategie. Zouden we niet op een voorgeprogrammeerde manier reageren, dan waren we allang door de leeuwen verslonden. Als we op een snelweg rijden of ons in een sociale context bevinden, moeten de dingen precies gaan zoals ons dat vooraf is ingeprent. Zijn er veranderingen in het wegdek of gedraagt een verdacht iemand zich atypisch, dan schieten onze hersens in de alert-stand: er gebeurt iets vreemds, misschien moet ik vechten, remmen of vluchten! Door jezelf schrap te zetten maken je hersens in extreem korte tijd allerlei handige hulpstukken aan: een pijnstiller om een mogelijke klap op te vangen, een pepmiddel om harder en sneller te kunnen handelen en een weerstandsverhoger om geconcentreerder te kunnen opereren. Wanneer vervolgens blijkt dat het afwijkende verdwijnt (bijvoorbeeld als het hert op de A12 zich uit de voeten maakt, of als een gek gewoon een Brabantse cabaretier blijkt te zijn) en we dus niet hoeven te vluchten of vechten, dan blijven alleen die nasuizende lekkere hulpmiddelen over. En dat is wat er in kunst, cabaret of literatuur gebeurt: door een onschadelijke ongerijmdheid of een breuk met een voorgeprogrammeerde situatie worden we tijdelijk een klein beetje high. Literatuur is een leverancier van gratis drugs.
[...]
De mens is — volgens W.F. Hermans — niets anders dan een dier dat op een bepaald ogenblik een communicatiesysteem heeft uitgevonden en er heel gauw toe is overgegaan die taal te gebruiken voor dingen die helemaal niets betekenen: een beetje overbodig rijmelijmelen, verhaaltjes beuzelen of dagboeken, al dan niet in clubverband (even terzijde: alleen al in Drenthe zijn er drieduizend literaire verenigingen).
[...]
Is er dan helemaal niets wat me vrolijk maakt, deze Pasen? Jawel, in VN stond vorige week een hele mooie onthulling over de Canadese filosoof Charles Fitzpatrick. Toen het weekblad De Groene ruim een maand geleden een grote reportage ging wijden aan een zestal jonge schrijvers, vroegen ze twee van hen (Rob van Erkelens en mij) een stuk te schrijven over een ‘groot voorbeeld voor jonge schrijvers van nu’. Omdat wij de bui al zagen hangen dat De Groene ons tot Nieuwe Literaire Stroming ging bombarderen (wat inderdaad geschiedde: men doopte ons tegen onze wil Generatie Nix), besloten Van Erkelens en ik pesterig een fantasieschrijver als ‘groot voorbeeld’ te presenteren. Compleet met foto, titel en verwijzingen naar zijn werk verzonnen we een stuk over de Canadese rauwdauwer Fitzpatrick. Veel mensen trapten erin. Uitgevers toonden hun belangstelling, boekhandelaren belden op en er waren zelfs mensen die zeiden Fitzpatrick te kennen. De schrijver en Canada-deskundige Graa Boomsma onthulde bijvoorbeeld aan VN dat hij allang over Fitzpatrick had geschreven en dat hij het dus maar een beetje flauw vond dat Van Erkelens en Giphart deden alsof zij hem hadden ontdekt. Kijk, dáár kikker ik dan toch weer een beetje van op.

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen