Het humanisme - J.P. Guépin
Humanisme in algemene zin is de levensbeschouwing waarin de mens en zijn mogelijkheden een centrale positie innemen. Het humanisme in enge zin is een filologische beweging die ontstond in het veertiende-eeuwse Italië en zich van daaruit over heel West-Europa verspreidde. Van uw middelbare schooltijd weet u misschien nog dat het deze humanisten waren die het pejoratieve begrip 'Middeleeuwen' hebben gemunt. Weet u ook nog waarom ze zo neerbuigend deden?
Het antwoord staat in dit kleine, heerlijk oneigentijdse boekje. Het humanisme is misschien geen deur, maar dan toch een kattenluik naar een andere wereld. De Nederlandse classicus en comparatist Jan Pieter Guépin (1929-2006) belijdt er zijn liefde in voor het filologische en literaire project van de hooggeleerde Italianen tussen pakweg 1350 en 1550 — een project dat, zo luidt de stelling van Guépin, tot halverwege de negentiende eeuw werd voortgezet door Hollandse humanisten.
Maar goed. Veel meer dan die hypothese interesseerde me de korte introductie tot het humanisme die Guépin gelukkig ook offreert. Hij doet dat in drieëntwintig hoofdstukjes van vier, zes, acht bladzijden, waarin de lezer telkens opnieuw moet uitvissen of het gaat om een nieuwe uitwijding of de voortzetting van het algemene betoog. Het humanisme is geen makkelijk boek. De taal is weerbarstig, de tekst erudiet, en de auteur doet geen moeite om zijn lezers te waarschuwen voor het opstapje.
Maar zijn persoonlijke inzet is groot. Het humanisme is de intellectuele biotoop van Guépin en dat zullen we geweten hebben. Het heeft te maken met de juiste, nuttige, menselijke maat: Guépin verkiest "oppervlakkige lieden als Erasmus en Voltaire boven de radicale Luther, de emotionele Rousseau of de diepzinnige Augustinus".
De humanisten die ik bedoel hebben een afkeer van dogmatiek, metafysica en scholastieke logica gemeen, en worden voor mij speciaal interessant — de aartshumanist Valla is mijn paradepaardje — wanneer ze de eeuwige waarheden van de filosofie willen reduceren tot de op een bepaald publiek gerichte waarheden van de retorica en wanneer ze de dwingende bewijzen van de scholastieke logici minder overtuigend achten dan de uitvoerige betogen waarmee redenaars hun publiek van hun gelijk overtuigen en dankzij hun kunst tot emotionele instemming overreden, op grond van gedeelde waarden.Guépin begint zijn verhaal met het einde van de humanistische traditie, dat hij rond 1850 situeert. De nieuwe ontwikkelingen in de filosofie vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw knoopten immers weer aan bij de middeleeuwse scholastiek. Guépin ziet gelijkenissen tussen de uit Frege, Russell en Wittgenstein voortgekomen analytische filosofie en de middeleeuwse filosofie van pakweg Abélard. Filosofie is bij de analytici een universitair vak, afgeschermd voor lekenbeoefenaars en zit vol technische terminologie, in tegenstelling tot de niet-universitaire filosofen als Hume, Schopenhauer, Nietzsche, die opvallen door een aangename stijl, die ze gemeen hebben met de humanisten Valla, Erasmus en Montaigne.
Dat formele had zijn belang. Analytische filosofen wilden niet onderdoen voor de beoefenaren van de exacte wetenschappen en probeerden de taal van de filosofie in strenge logische regels te vatten. Ze beschouwden taal als een autonome wereld die niet zomaar verbonden kon worden met de buitenwereld waar wij allen in geloven. Gretig grepen de analytici de dubbelzinnigheden van de taal aan om verdere onderscheidingen aan te brengen in hun theorie (denk aan de systematiek van Searle) op een manier die doet denken aan de middeleeuwse scholastiek. Ze wilden vóór alles een scherpe onderscheiding maken tussen harde feiten en emotionele waarden.
De humanisten daarentegen vonden dat grammatica de kunst was van het correcte taalgebruik, die in dienst stond van de welsprekendheid. Denkfouten waren taalfouten. In het dagelijks taalgebruik, of in de rijke teksten van dichters, redenaars en historici, doen we niet zo moeilijk over vaagheid en dubbelzinnigheid. De betekenis blijkt wel uit het gebruik en de samenhang van de tekst. Een tekst wordt ook verduidelijkt als we hem in zijn historische context plaatsen.
Guépin signaleert met onverscholen blijdschap wat hij noemt "het bankroet van de harde analytische lijn". Hij ziet dat het logisch positivisme langs twee kanten wordt aangevallen: door Richard Rorty met zijn pragmatische filosofie, en door het duo Perelman-Olbrechts, dat de retorische traditie in ere wilden herstellen. Beide stromingen nemen het niet dat men meteen spreekt van irrationaliteit wanneer mensen zich niet door louter wetenschappelijke of logische bewijzen laten overtuigen.
Maar laten we terugkeren naar de oorspronkelijke humanisten, in het veertiende-eeuwse Italië. Waarom waren die zo gekant tegen de scholastiek? Welnu, scholastieke filosofie betekent filosofie zoals ze aan middeleeuwse scholen en universiteiten beoefend werd. De theologen hadden eerst met behulp van de logica de geloofsartikelen gesystematiseerd door ze zo te definiëren dat ze maximale samenhang vertoonden. De filosofen deden hetzelfde op hun terrein, maar louter op grond van de redelijkheid, niet met een beroep op openbaring. Toen kwam Thomas van Aquino, die beide systemen in een allesomvattend systeem harmonieerde. Uit pure noodzaak, trouwens: Aristoteles, die de eeuwigheid van de wereld bewees en de sterfelijkheid van de ziel, werd in vertaling beschikbaar via Avicenna en Averroës, zodat zijn ketterse denkbeelden bestreden moesten worden.
Humanisten waren mensen die stilaan een hekel kregen aan slechtgeschreven filosofie zoals het Organon van Aristoteles, waarvan de filosofische terminologie op onderscheidingen berust die in het dagelijks taalgebruik niet voorkomen. Vele daarvan zijn simpelweg te abstract. Wat moet een mens met begrippen als ‘het zijn’, ‘het ene’, ‘het ware’, ‘het goede’? Hemel en aarde rusten onveranderlijk op hun vaste wetten en hebben onze zorg niet nodig, vonden ze.
Simpele regels kunnen het gedrag van individuen sowieso niet verklaren, leert de geschiedenis. Er is ook zoiets als de luimen van het lot. Nuttiger daarom is om via literaire voorbeelden te laten zien wat goede en slechte handelingen zijn en op die manier de lezer een spiegel voor te houden. Die literaire voorbeelden vonden de humanisten in de teksten van Latijnse auteurs: antieke geschiedschrijving, redevoeringen én poëzie. Ook poëzie kan immers exemplarisch zijn. Het genre stelt iets door zijn stilering nog levendiger voor ogen en brengt emoties beter over dan de geschiedenis.
Klassiek wil voor een humanist zeggen: naar de vorm voorbeeldig. Erudiet is men als men de welbespraakte klassieke schrijvers grondig heeft bestudeerd. Let wel: het gaat hier om de originele Latijnse teksten, niet het ratjetoe dat door scholastici werd gebruikt en verbasterd. De verbeten zoektocht en verificatie van orginelen — roerend is het verhaal van Boccaccio die op de winderige zolder van het oeroude benedictijner klooster van Monte Cassino een onbekend manuscript van Tacitus ontdekt — deden de discipline van de tekstkritiek herleven.
Uit het enthousiasme voor de klassieke tekst ontspringt de kenmerkende leus: ‘naar de bronnen’, weg met de samenvattingen, overzichten, uittreksels waar de middeleeuwse student het mee moest doen. De humanist wil de antieke tekst ook bevrijden van de verbasteringen die er door het veelvuldig overschrijven in zijn ontstaan. De leus hield in dat de bronnen van recht en godsdienst ontdaan moesten worden van aanslibsels in de vorm van foute vertalingen en commentaren. Het jargon van de theologen, filosofen, juristen vindt de humanist verachtelijk, barbaars. Met de beoogde zuivering werd, omdat men onderscheid had leren maken tussen wat echt Latijn is en wat barbaars of vulgair, de filologie herboren als een zelfstandige wetenschap; het woord grammaticus kreeg nieuwe luister.De humanisten, schrijft Guépin, hadden natuurlijk meteen bezwaar tegen het vulgaire Latijn van de Vulgaat, de oude, traditionele vertaling in het Latijn uit de vierde eeuw die aan de heilige Hiëronymus te danken is. Maar om dat Latijn te verbeteren moet je goed Hebreeuws kennen voor het Oude en goed Grieks voor het Nieuwe Testament. Vandaar dat in de vroege zestiende eeuw in Leuven, Parijs, in Alcalà in Spanje, in Oxford en Londen, moderne humanistische colleges werden gesticht met het doel de drie gewijde talen, Hebreeuws, Grieks en Latijn, modern te onderwijzen.
Maar vergis u niet. Het ging figuren als Valla en Erasmus in eerste instantie om slecht vertaald Latijn of om interpolaties [eigengereid commentaar dat door andere mensen dan de auteur werd toegevoegd]. Het ging hen niet om inhoudelijke exegese — die kritiek ontstond pas goed en wel in de negentiende eeuw en zorgde toen voor een geloofscrisis. Het Concilie van Trente verklaarde in 1546 trouwens het probleem van de authenticiteit van tekst en overlevering al snel voor nonexistent.
Guépin geeft mooi aan waarom de humanist in tegenstelling tot de filosoof of scholasticus van weleer geen geestelijke is die zijn leven in contemplatie doorbrengt. Omdat de filoloog het Latijn zo goed beheerst is hij een graag geziene figuur in de profane wereld. De centralistische politiek van Karel V zorgde ervoor dat humanisten goed van pas kwamen als secretaris van vorsten, prelaten of stedelijke overheden, als rechter, of als leraar die de burgerlijke elite wijsheid en sociale vaardigheden moest bijbrengen. Humanisten waren van burgerlijke komaf en hadden dus geen achterban die de macht van de vorst kon bedreigen.

Lorenzo Valla, de held van Guépin; afbeelding via Wikipedia
Gemeenplaatsen
Humanisten werkten zoals gezegd vaak als leerkrachten voor het stadspatriciaat. Het humanisme wordt op die manier ook een boek over hoe het onderwijs er uitzag voor de bemiddelde elite. En het moet gezegd, een renaissancistische opleiding verschilde nogal van de oude, scholastieke variant.
De moeilijkste hoofdstukjes van Het humanisme zijn deze waarin Guépin probeert uit te leggen waarin het verschil steekt tussen de humanistische logica (dialectiek) van de retoricus en de middeleeuwse logica (scholastiek) van de filosoof. Essentieel voor een goed begrip is de tegenstelling tussen de begrippen iudicium, ‘oordeel’, en inventio, ‘vinding’ — een onderscheid dat helder wordt beschreven in de Topica van Cicero.
Een humanist bestudeert antieke schrijvers vanwege de goede raad die uit hun werken te halen valt, waarvan de moraal ingebed is in een rijkdom aan historische details. Zijn eruditie is gebaseerd op kennis van bronnen die hij, notitieschrift in de aanslag, heeft afgegraasd op goede argumenten en klassieke voorbeelden. Zo'n vindplaats wordt een topos of locus genoemd.
Een filosoof, van zijn kant, houdt van contextvrije, universele waarheden. Hij houdt zich niet bezig met de vindplaatsen van argumenten maar met het toetsen van de geldigheid van die argumenten aan de hand van de logica. Een filosoof houdt zich bezig met principes; een orator (pleiter) met een concrete zaak. Dit onderscheid komt ook een beetje terug bij het onderscheid tussen zuivere en toegepaste wetenschap.
Wanneer humanisten lesgaven, doceerden ze van het trivium (grammatica, retorica, dialectica) vooral de eerste twee vakken. Ze herstelden de oude functie van de dialectica (zeg maar logica) als kunst van het redekavelen naar aanleiding van een onopgelost probleem, een quaestio, waarbij de inventio, de kunst van het vinden van argumenten, uiteraard belangrijker werd dan het iudicium, het met behulp van syllogismen logisch toetsen achteraf van de al gevonden argumenten. Deze dialectica werd nu een onderdeel van de retorica, en stond niet meer in dienst van de systematische theologie, de fysica of de filosofie.
Het aardige van De inventione dialectica van Rudolf Agricola, een sleutelboek van de humanistische dialectiek waar schoolboeken vaak op geënt waren, is dat het ze alletwee geeft: een systematische ordening, waarin Agricola de Topica’s van Cicero en Boëthius volgt, én veel inhoudelijke voorbeelden, vaak aan dichters ontleend, waarmee hij die ordening als goed leraar uitlegt.
Naarmate je meer argumenten hebt gevonden, zal je snel belang stellen in een formele ordening van die argumenten. Op die manier worden de memorabele uitspraken die je in je notitieboek hebt opgeschreven immers beter toegankelijk. Hoe meer je de argumenten gaat ordenen, hoe meer je notitiebloc een commonplace book wordt. Edoch, waar de rubrieken formeel zijn, verschuift de aandacht toch al snel naar de inhoudelijke voorbeelden, die in de rubrieken zijn opgeslagen. De plaatsen worden dan gevuld met gemeenplaatsen in moderne zin.
Een volgende, vanzelfsprekende evolutie is dan dat grote humanisten kant en klare commonplace books gaan publiceren. De laatste stap is dan dat die systematisch geordende lijsten stilaan onhoudbaar worden, wegens te veelomvattend. Waarna opnieuw de logica zijn intrede doet (Ramus), de methode van Descartes en traditionele katholieke logicaboekjes, al dan niet ciceroniaans gekleurd.
Je kunt ook denken: laat ik de leerling die moeite besparen van het zelf aanleggen van zo’n notitieboek en een verzameling spreekwoorden, Adagia, en een grote voorraad stilistische wendingen en interessante gegevens voor ze maken, een Copia rerum et verborum. Dat deed Erasmus. En Montaigne ontwierp tenslotte een zelfportret op grond van een zodanig naar onderwerp geordende belezenheid. Wat is het ‘ik’? Zijn verzameling van gemeenplaatsen.Guépin legt ook nog uit dat wanneer de 'topische' methode ontbreekt, het vinden van de middenterm in syllogismen, het vinden van overeenkomsten tussen twee op het eerste gezicht ver verwijderde onderwerpen, ideeën, dingen of woorden, een kwestie van ingenium wordt, van genialiteit. Je moet je verbeelding gebruiken. En in dat geval staat de dichter model. Zo’n verbinding kan immers ook afgekort worden tot een metafoor.
Eruditie, de grote, encyclopedische feitenkennis van de ‘polyhistor’, is een belangrijk humanistisch ideaal. De geleerde humanist moet alle antieke teksten en bijbelteksten gelezen hebben en een heleboel ervan uit zijn hoofd kennen. Dan kan hij zich als een vis in het water op zijn gebied bewegen, hij voelt ‘intuïtief’ aan of een lezing juist is of niet. Die intuïtie is natuurlijk niet aangeboren, maar vanzelf ontstaan dankzij veelzijdige kennis. Eruditie is onontbeerlijk voor iedereen die zich met ontwikkelingen in cultuur of van mentaliteit bezighoudt. Wanneer trad iets voor het eerst op? Het perspectief, in de renaissance? Nee, in Athene in de tweede helft van de vijfde eeuw; nee, er is een kleine groep zwartfigurige vazen uit een eeuw daarvoor maar dat perspectief zette niet door.
De ‘polymathie’ van de ‘polyhistor’ liep uit op een Universalis rerum historia, het boek waar alles in staat. De cartesianen vonden zo’n omvattende kennis overbodig voor hun subjectieve meditatie. Ze lachten zo’n geleerde uit, hij was een ‘philister’. Zo’n kennis wordt tegenwoordig opgeslagen in een alfabetisch geordende encyclopedie.
Persoonlijke appreciatie
De vileine kritiek van de humanisten op de middeleeuwse scholastiek was het aspect van dit boekje waar ik het meest aan had. Dat filosofen slecht schrijven en een eigen terminologie brouwen die berust op onderscheidingen die in het dagelijks taalgebruik niet voorkomen, is een kritiek die nog steeds opgaat voor grote delen van de hedendaagse wijsbegeerte, met name de continentale.
De humanisten vonden dat een denker zijn zaak in gewoon taalgebruik, dus uitvoerig, moest verdedigen. Hij moest vele en gevarieerde argumenten ontwikkelen, duidelijke voorbeelden zoeken en de waarheid dwingen zich te onthullen, ook als die zich verborg.
Het grote bezwaar tegen de logica is het gegoochel met termen, contextvrij van situatie. Theologische disputen over de Drieëenheid maken duidelijk dat de woorden essentie, natuur, substantie, subsistentie elkaar gaan overlappen, want ze hebben geen referentie, ze slaan niet op iets dat je kunt aanwijzen. Het wordt een naar zichzelf verwijzend systeem. Dat wordt duidelijk als je een scholastiek lexicon raadpleegt, het is een mallemolen.Een nuttig verschil dat Guépin verder maakt, is dat tussen de filosoof en de filoloog. Een filosofische discussie is een discussie ad hominem, maar dan in de oorspronkelijke betekenis van de uitdrukking: je hebt je tegenstander weerlegd als je diens argumentatie hebt weerlegd. De filosoof weet het dus beter dan zijn voorgangers. De filoloog daarentegen wil niet verder gaan dan het begrijpen van de schrijver. Hij is als lezer bereid om uit te vinden wat de schrijver bedoeld heeft, door de talige en literaire ervaring mee te laten spelen die hij met de schrijver deelt.
Zo'n onderscheidt formuleert voor mij heel mooi wat zo idioot is aan de hedendaagse poststructuralistische school: het is gewoon dom iemand te willen pakken op de tekortkomingen die inherent zijn aan de taal; zelfs de simpelste tekst onbegrijpelijk en dubbelzinnig vinden, kan nooit meer dan een pose zijn. Ik weet niet of iemand eerder de parallel zag tussen de haarkloverijen van de deconstructie en die van de scholastiek, maar je kunt er niet naast kijken. Waarbij de huidige École normale supérieure zowat de plaats inneemt van de middeleeuwse Sorbonne.
Een openbaring, iets waar ik me nooit eerder van bewust was vóór dit boek, is de manier waarop humanisten hun boekenkennis rangschikten in plaatsen en gemeenplaatsen. Met die methode voel ik me immers sterk verwant. Niet in de laatste plaats met de manier waarop Montaigne dat aanpakt. Wie goed kijkt, ziet dat de besprekingen op Achille geen echte besprekingen zijn, maar een alibi om citaten en uittreksels van gelezen boeken aan elkaar te rijgen.
Toch ben ik het niet eens met de manier waarop humanisten alle vormen van formelere logica ter zijde schoven. Kennis van de logica en de wetenschappelijke methode maakt veel boekenkennis overbodig — kennis van boeken die niet deugen. Die eliminatie is hard nodig in tijden waarin niemand nog de productie van alle belangrijke boeken kan overzien. Bestaan er in Vlaanderen eigenlijk nog mensen met een massieve kennis van alle grote literatoren? Buiten Paul Claes kan ik niet meteen iemand verzinnen.
Tot slot zij gezegd dat de Italiaanse humanisten opereerden lang voordat de exacte wetenschapen goed begonnen te boomen. Ik lees bij Guépin weinig over wiskunde, astronomie, biologie, noem maar op. Voor mij horen die vakken absoluut in het pakket van de weldenkende mens. Daarom voel ik me ook sterk aangetrokken door de zogenaamde New Humanists die de brug proberen te slaan tussen de two cultures van C.P. Snow, de alfa's en de beta's.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer over de retorische traditie in Stukwerk van Geerten Meijsing
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
J.P. Guépin, Het humanisme : 1350-1850
161 p.
Uitgeverij Ambo, 1993
Topics:
Hollandse humanistische filosofie; Nederland was tot 1750 het intellectuele centrum van de protestantse wereld voor de humanisten; Philip Willem van Heusde en Rudolf Agricola; de stelling van Guépin: in de stedelijke en vooral de academisch gevormde burgerij werd in Nederland de Italiaanse renaissance van 1350 voortgezet tot 1850: 15-
De connectie Aristoteles - Cicero - Petrarca en de factor taal: 23-
Stephen Toulmin wil de renaissance-filosofie ook in ere herstellen; de periode van 1620 tot 1960 wordt gekenmerkt door een schraal rationalisme; 'verstand en gevoel kwamen eindelijk samen in het marxisme': 29-
Zestiende-eeuws Parijs; Vives: 36-
Corpus Iuris Civilis (Romeins recht) en Corpus Iuris Canonici (kerkelijk recht): 42-
Een anachronisme: het Florentijnse neo-platonisme: 44-
Poliziano en Pontano: 49
Het einde van de tekstwetenschap na Trente: 54
Lorenzo Valla; zijn liefde voor Quintilianus; zijn bezwaren tegen het Latijn van de middeleeuwse juristen en van de Vulgaat; tegen Thomas: 59-
Kritiek van Guépin op de bezwaren van de humanisten tegen de scholastieke terminologie (Valla tegen Boëthius); de beperkingen van Carnap en co; de retorica heeft misschien nog meer technisch vocabulaire (loci, stijlfiguren, tropen...) dan de filosofie: 62-
Mario Nizolio's uitbreiding van de categorieën van Valla: 70-
Hoe de neoplatonisten van Plato (ten onrechte?) een filosoof hebben gemaakt met een coherent systeem: 73
Waarom was het Hollandse patriciaat zo gesteld op het humanisme?; de centralistische politiek van Karel V; humanisten kwamen van pas als bureaucraten en rechters; ze waren van burgerlijke komaf en hadden dus geen achterban: 93-
De teloorgang van het belang dat wordt gehecht aan de intrinsieke (niet de vormende) waarde van onderwijs in het Latijn vanaf 1850; daarvoor waren fysica, ethica, arithmetica, astronomie, geschiedenis en wiskunde eigenlijk hulpvakken bij de lectuur van de klassieke schrijvers; de kunde van het Latijn bij studenten; de rol van het Latijn in het katholieke (jezuïeten) en de calvinistische onderwijs : 98-
De reactie van de Nederlandse classici uit de tweede helft van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw (Van Hemert, Ruhnken, Wyttenbach, Hemsterhuis) op de moderne filosofie van Kant: 105-
De valstrikken, hiaten en te hoge abstractiegraad van Kants Gouden Regel: 113-
Zedeloosheid en obsceniteit bij de humanisten; neo-Latijnse poëzie raakt uit de gratie omdat poëzie uit het persoonlijke gemoed moet komen; verzet tegen de nutteloosheid van het aanleren van een dode taal; de Tachtigers vinden dat kunst ten doel heeft de lezer in een bepaalde stemming te brengen; het Grieks krijgt meer aanzien dan het Latijn: 118-
De filosofische basis van de tolerantie van C.P. Hooft: 125-
____

2 reactie(s):
After virtue – Alasdair MacIntyre
La nouvelle rhétorique : traité de l’argumentation – Perelman en Olbrechts-Tyteca
Les fleurs de Tarbes ou la terreur dans les lettres – Jean Paulhan
The crisis of the early Renaissance – Baron
Rhetoric and philosophy in Renaissance humanism – Seigel
The Cambridge history of Renaissance philosophy – Schmitt e.a. (red.)
Studies in medievel philosophy, science and logic – Moody
Fallacies – Hamblin
The cornucopian text : problems of writing in the French Renaissance – Cave
The sovereignity of good – Iris Murdoch
The new rhetoric of the humanities – Perelman
The scope of Renaissance humanism – Trinkaus
Italian humanism, philosophy and civic life in the Renaissance – Garin
Culture and censorship in late Renaissance Italy and France – Grendler
Renaissance philosophy – Kennedy
Over dialecta en humanisme – Agricola
Philip Willem van Heusde : wijsbegeerte van het gezond verstand – Valk
Schooling in Renaissance Italy – Grendler
Convention 1500-1750 – Manley
De school van Polybius, of Geschiedkunde voor de negentiende eeuw – Heusde
A history of literary criticism in the Italian Renaissance – Weinberg
Zeittafel zur Papiergeschichte – Weiss
The classical heritage and its beneficiaries – Bolgar
The poet as philosopher : Petrarch and the formation of Renaissance consciousness – Trinkaus
Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland – Sassen
Kosmopolis : verborgen agenda van de moderne tijd – Toulmin
Poésie neo-latine – Oberlé
Humanism and scholasticism in late medieval Germany – Overfield
Juan Luis Vives against the pseudodialecticians – Guerlac
Foundations of modern historical scholarship, language, law, and history in the French Renaissance – Kelley
The ancient theology – Walker
The Renaissance philosophy of man – Cassirer e.a.
The classical tradition – Highet
The classical heritage – Bogar
History of classical scholarship – Pfeiffer
Enzyklopädie und Methodenlehre der philologischen Wissenschaften – Boekch
Doing things with texts : essays in criticism and critical theory – Abrams
Consequences of pragmatism : essays 1972-1980 – Rorty
Philologische Methode und humanistische Existenz – Krautter
Met kracht van overtuiging : retorica in de Renaisance – Scholz en Gelderblom
Humanists and holy writ : New Testament scholarship in the Renaissance – Bentley
Der Index der verbotenen Bücher – Reusch
Rhetorik als philosophie : Lorenzo Valla – Barbara Gerl
Opera omnia – Valla
Origin and orginality in Renaissance literature – Quint
A history of Grek philosophy – Guthrie
The decline and fall of the neoplatonic interpretation of Palto – Tigerstedt
A companion to Wittgensteins Tractatus – Black
Rhetoric, prudence and skepticism in the Renaissance – Kahn
A defense of life : Lorenzo Valla’s theory of pleasure – Panizza
Denkformen – Leisegang
The tradition of the topics in the middle ages – Green-Pederson
Greek foundations of traditional logic – Kapp
Die Logik der Neuzeit – Risse
Logic and rhetoric in England 1500-1700 – Howell
Historisches Wörterbuch der Philosophie – Ritter (red.)
Romantische Aesthetik – Mainusch
Homer’s original genius – Simonsuuri
Luthers house of learning : indoctrination of the young in the German reformation – Strauss
Tim’s herinneringen – Timmerman
Illiberal education – d’Souza
Namenindex van humanisten, filologen, docenten etc. (ruime selectie):
Rudolf Agricola, Andrea Alciato, Alfons de Grootmoedige van Aragon, Aristarchus, Antonio Beccadelli, Pietro Bembo, Filippo Beroaldo sr., Jeronimo de Bosch, Poggio Bracciolini, Geeraert Brandt, Jan ten Brink, Leonardo Bruni, Guillaume Budé, Pieter Buurman jr., J.P. van Cappelle, Sebastianus Castellio, Conrad Celtis, Manuel Chrysoloras, Vittoria Colonna, Drik Volckertszoon Coornhert, Hendrik Constantijn Cras, Wilhelm Dilthey, Janus Dousa, Marsilio Ficino, Francesco Filelfo, Marcantonio Flaminio, Petrus Francius, Wessel Gansfort, H.A. Enno van Gelder, Hugo de Groot, Guarino uit Verona, Daniël Heinsius, Frans Hemsterhuis, Tiberius Hemsterhuis, Philip Willem van Heusde, Ulrich von Hutten, Brunetto Latini, John Major, Pacifico Massimi, Samuel Adrianus Naber, Rik van Ommeren, Chaim Perelman, Hispanus Petrus, Lombardus Petrus, Allard Pierson, Gemistus Plethon, Angelo Poliziano, Giovanni Pontano, Petrus Ramus, Johann Reuchlin, David Ruhnken, Salmasius, Laurens van Santen, Christopher Saxe, Josephus Justus Scaliger, Johannes Schrader, Janus Secundus, Michel Servet, Sextus Empiricus, Mathijs Siegenbeek, Jan Standonck, Jean Henri van Swinden, Alfonso de Valdès, Lorenzo Valla, Marcus Hieronymus Vida, Juan Luis Vives, Gerardus Vossius, Christian Wolff, Daniel Wyttenbach
Een reactie plaatsen