dinsdag 28 december 2010

Gefascineerd door het ergste - Florian Zeller

Dogma's in de literatuur zijn absolute kul; dat spreekt vanzelf. Elke schrijver moet doen wat hij doen moet, en dient zijn eigen particuliere talent uit te venten. Dat neemt niet weg dat ik van mijn kant, als lezer, wel zo mijn wensen heb bij de romans die ik probeer. Ik vind bijvoorbeeld dat een romancier mij iets moet brengen wat een journalist of een essayist niet kan. En dan kom ik snel uit op het scheppen van personages die, hoewel verzonnen, toch bestaansrecht afdwingen.

Personages dwingen voor mij bestaansrecht af door interessant te zijn (levensechtheid helpt daar meestal bij) of op zijn minst vermakelijk (karikaturaliteit helpt daar dan weer bij).

Als de meest lezenswaardige delen van een roman dus de essayistische terzijdes blijken te zijn, dan klopt er voor mij iets niet. En dat is het geval in Gefascineerd door het ergste.

De jonge Franse auteur Florian Zeller werd na het verschijnen van deze korte roman op het schild gehesen door de critici van zijn thuisland. La fascination du pire werd genomineerd voor de Prix Goncourt en bekroond met de Prix Interallié. Nu, alleen een bleu die zich daardoor in de luren laat leggen. Ik las vooral een hapklaar boekje waarin een schrijver zich vrolijk bedient van brandende thema's om daar vervolgens weinig of niets aan toe te voegen. Zijn helden komen niet uit de verf. Het verhaal is flets. De schriftuur mul, mak, middlebrow.

In Gefascineerd door het ergste vliegen twee schrijvers naar Caïro voor een literair congres. De meest intrigerende van het duo is zonder twijfel Martin Millet, "een vrij beroemde Zwitserse auteur" van wie de naamloze verteller, de andere schrijver, een jaar eerder een boek heeft gelezen: "Ik herinnerde me vaag een reeks heftige, soms monsterlijke dagdromen, die tot doel had de seksuele armoe in een markteconomie, en in één moeite door die van hem, denk ik, te beschrijven."

Rode draad in het werk van Martin Millet is de ruilwaarde van seks in het westerse handelssysteem, een thema dat hij behandelt in romans die bewust verstoken zijn van een literair glazuurlaagje, omdat achter dergelijke stilistische verfijning de werkelijkheid onvermijdelijk verloren gaat. Seks is in zijn ogen de motor van de maatschappij, en dwingt mannen en vrouwen tot een concurrentieslag waarin fysieke criteria sterk het erotische lot van een individu bepalen.

Ook in het echte leven voelt Millet — een verlegen, hypochondrische man — zich aangetrokken tot prostitutie, omdat het voor hem de enige ruimte is die gevrijwaard blijft van getouwtrek bij het bemachtigen van een bedpartner. Voor de rest is hij gedoemd om vooral het vertoon van andermans plezier bij te wonen. Martin Millet lijkt, kortom, als twee druppels water op Michel Houellebecq.

Millet is vast van plan om tijdens de trip naar Egypte seks te scoren. Niet toevallig heeft hij de Correspondance van Flaubert op zak, waarin deze onder meer bericht over zijn reis door Egypte met Maxime du Camp, in 1849-1850. Terwijl hij aan zijn moeder uitsluitend schrijft wat ze horen wil, schept Flaubert tegen zijn vrienden op over hoe hij de bordelen afloopt.

Wat de twee schrijvers van Zeller echter aantreffen, is een puriteins land, dat in niets meer lijkt op het seksparadijs van Flaubert. Millet banjert als een neokoloniaal met een broek vol goesting door de Egyptische hoofdstad, maar moet in zijn contacten met inheemse schonen de ene afwijzing na de andere incasseren. Korte, dikke meiden die zich rond palen slingeren in verlopen cafés: beter is er niet te krijgen. De smetteloze, afstandelijke verteller, in wie we gerust Zeller mogen veronderstellen, ziet het allemaal gebeuren, en probeert intussen zelf stand te houden temidden van de bobo's en paranimfen van de Franse ambassade.

Want ook literair gesproken stelt de reis weinig voor. De literatuur blijkt in Egypte gereserveerd voor een kleine elite die zich voor poëzie interesseert. Romankunst van enig niveau wordt er niet bedreven. De islam betoont zich onverenigbaar met echte literatuur. Een boek als Madame Bovary kan in Egypte niet door de beugel, zoals het in 1856 niet door de beugel kon in Frankrijk wegens schending van de openbare en religieuze eerbaarheid.

Beide vaststellingen zijn voor de twee schrijvers aanleiding om te discussiëren over de impact van religie op het maatschappelijk bestel. Een kolfje naar de hand van de islamofobe Millet, die de seksuele woestenij ziet als een teken van de geslaagde poging van de islam om het sociale leven volledig te reguleren. Buiten het huwelijk is er in de schaduw van de piramiden geen sprake van seks, en dat doet hem denken aan de vijandige relatie die christenen eeuwenlang onderhielden met hun lichaam.

Katholieken riepen vroeger op om niet te genieten, islamieten roepen nu op om later te genieten, in een hiernamaals. De mohammedaanse wellust uit Duizend-en-één-nacht zou — volgens de toogtheorieën van Millet — als prikkel hebben gediend voor de kruistochten; nu zint het Oosten op zijn beurt op wraak nu het Westen in één groot huis van ontucht is veranderd.


Caïro in 1856, zoals Flaubert het moet hebben gezien; afbeelding via Wikipedia

Met een beetje goeie wil kan Gefascineerd door het ergste gelezen worden als het produkt van een monkellachende schrijver die het negatief van de oriëntalistische traditie uit de negentiende eeuw heeft willen nemen. Honderdvijftig jaar geleden was het immers bon ton onder artiesten om vrouwen uit het Nabije Oosten af te beelden als seksslavinnen. De Oriënt stond tijdens de Romantiek symbool voor exotische en erotische avonturen, Turkse baden hadden steevast een seksuele connotatie, en de odalisken op de doeken van Delacroix, Gérôme en Ingres logen er niet om. Deze opvatting van de Oriënt beperkte zich niet tot de schilderkunst. Flaubert zelf, met zijn topzware roman Salammbô, deed het Noord-Afrikaanse Carthago af als zinnebeeld van een door eroticisme gecorrumpeerde cultuur.

Het was onder meer deze trend waar Edward Said zo tegen uitvloog in zijn hoofdwerk Oriëntalisme. Hij beschouwde dit valse beeld als een politiek manoeuvre, een stukje retoriek waarmee het Westen de Oriënt wilde degraderen. Het Westen kon haar positieve zelfbeeld aan het Nabije Oosten ontlenen door zich uitdrukkelijk te zien als de antipode van de verdorven, achterlijke cultuur die daar heerste.

Niet dat het oriëntalisme een negentiende-eeuwse uitvinding was, trouwens. De Vlaamse Primitieven beeldden de Romeinen en Joden al in exotischer gewaden af dan gerechtvaardigd was, en bepaalde schilders van het Renaissancistische Venetië, Bellini en Carpaccio, waren tuk op Ottomaanse motieven.

Nu is Zellers roman ook weer geen zwart/wit-verhaal. De auteur brengt genoeg nuances aan. Zeker, Egypte is een dictatuur — een man die de schrijvers moet interviewen werkt niet toevallig ook voor de politie. Maar Egypte leeft ook van het toerisme, zodat de echte extremisten, die het onveiligheidsgevoel kunnen aanwakkeren, met harde hand worden neergedrukt.

Aan de andere kant wordt de westerse democratie in zijn zinledigheid geïllustreerd door de figuur van Martin Millet. Hij is de exponent van een maatschappij die zich van religieuze moraal en preutsheid heeft bevrijd, en toch serieus op de dool is. Millet ondervindt aan den lijve hoe de laatkapitalistische samenleving, in zijn ogen, "de laatste barricades die het individu tegen de markt beschermen" uit de weg heeft geruimd. Te weten: het echtpaar en het gezin. Millet, net zoals de personages in zijn boeken, slaagt er niet in de frustratie achter zich te laten, maar wordt daarentegen geconfronteerd met de aanblik van zijn eigen onvermogen om een antwoord te vinden op de toename van de begeerten.

Interessanter vond ik Zellers bespiegelingen over de romankunst. Bespiegelingen die echter, heel frappant, letterlijk zijn overgenomen van Milan Kundera en — om terug te komen op de kritiek waarmee ik dit stukje begon — nogal lomp in het verhaal zijn geplempt. Het boek is in de ogen van Zeller/Kundera het hoogtepunt van de intellectuele vrijheid, en daarom komt het genre in de islamitische wereld niet van de grond.

In Kundera’s ogen is de roman in essentie het werk van Europa. Nogmaals, wanneer hij ‘Europese roman’ zegt, heeft hij het niet over wat er door Europeanen in Europa is gecreëerd, maar over wat literair gesproken deel uitmaakt van een geschiedenis die met het ochtendgloren van de Nieuwe Tijd in Europa is begonnen. Nu wil het geval dat deze Europese kunst per definitie onverenigbaar is met ieder religieus beginsel, want ze is in essentie profanatie. De roman is dat wat alles wat hij aanraakt ongrijpbaar maakt en zo verwijst naar de morele ambibuïteit van de mens en de fundamentele betrekkelijkheid van de dingen. Degenen die de waarheid in pacht denken te hebben en geen tegenspraak dulden, worden dus rechtstreeks door de romankunst bedreigd.
De ironie wil dat in Gefascineerd door het ergste niet zoveel van die nobele romankunst terecht komt. Scènes, dialogen, plot — niks is memorabel. De stijl van Zeller doet een beetje denken aan het nondescripte slijmspoor dat Christian Kracht achterlaat in zijn boeken. Al zal dat voor bepaalde critici vast mooi accorderen met de ielheid van het o zo materiële Westen.
Martin was de piramiden gaan bezichtigen. Ik was blij om alleen te zijn. Ik was vaag van plan om door islamitisch Caïro te gaan wandelen, een paar moskeeën te bezoeken, in de stad rond te dwalen en mezelf een beetje te vergeten. Toen ik uit bad was gestapt belde ik Jeanne even. Ik voelde de behoefte om haar te vertellen dat ik van haar hield. Ik kreeg haar antwoordapparaat aan de lijn. Ik heb een boodschap voor haar ingesproken. Je hoort geregeld dat je dat soort dingen niet moet zeggen en dat gevoelens, wanneer ze op een simpele onomwonden manier worden uitgedrukt, altijd een soort lachwekkende, smakeloze zwaarwichtigheid en zelfs een onvergeeflijke en al met al contraproductieve vulgariteit krijgen. En dat voorschrift zou niet uitsluitend en alleen voor gevoelens van liefde gelden, maar voor iedere vorm van genegenheid voor een ander. Uiteindelijk zou je alleen maar iets kunnen uitdrukken door tegelijkertijd de oprechtheid van het gezegde opzettelijk in twijfel te trekken. Ik had bijvoorbeeld opgemerkt dat het vrij zelden voorkwam dat de mensen die zogenaamd onverschillige, ironische houding, die hen zo goed tegen de buitenwereld beschermt, laten varen. Alles wat tegenwoordig uitgedrukt wordt, kan alleen tot uitdrukking worden gebracht door het vervormende filter van een zekere afstandelijkheid en humor — geen echte humor, maar een grap, spot, de voorraad zielloze steken onder water. Alles is een voorwendsel geworden om te lachen, maar lachen op een domme, vette manier. De een ver van de ander, dat wil zeggen, uiteindelijk de een ten koste van de ander. Een denkend wezen met een eigen gevoelsleven zal nooit aan de vreugdeloze euforie van de wereld kunnen deelnemen. Die betekent het einde van het gesprek tussen de mensen en dus, op een bepaalde manier, de heerschappij van de eenzaamheid.
De couleur locale vond ik aardig. De sprekende details af en toe — Zeller is duidelijk al in Caïro geweest. Het instortende gebouw op de achtergrond heeft hij echter gejat van Albert Cossery.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Religion_in_Egypt
> http://en.wikipedia.org/wiki/Islam_in_Egypt

Florian Zeller, Gefascineerd door het ergste
175 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. La fascination du pire (2004)
Vertaald door Edu Borger
____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails