De voltooiing van Amerika - Richard Rorty
Pragmatisten zien vooruitgang niet als het dichter komen bij een of ander universeel doel, maar als het oplossen van steeds meer deelproblemen. In dit pamflet geeft Rorty zijn verklaring waarom die filosofische traditie tegenwoordig in het slop zit. Dat bleek dezelfde reden waarom de meeste linkse literaire tijdschriften zo wereldvreemd, hooghartig en dom zijn. Zeker in Vlaanderen, waar men niets anders lijkt te kennen dan wat in de VS en Frankrijk voor Theory wordt versleten.
Het is Richard Rorty er in eerste instantie om te doen de Amerikaanse nationale trots weer aan te zwengelen. "Nationale trots," zegt hij in het eerste essay van drie, getiteld 'Whitman, Dewey en Amerika', "is voor een volk wat zelfrespect is voor een individu: een noodzakelijke voorwaarde voor zelfverbetering." Sterker nog: het is een voorwaarde voor een zinvol politiek debat.
Nationale trots ziet Rorty zeker niet als het bevredigen van chauvinistische impulsen, als eindpunt dus, maar als motor om een Amerikaans burgersschap op gang te trekken. Een burgerschap dat verder reikt dan de opluchting beter gevoed te zijn en veiliger te wonen dan burgers uit minder gegoede landen.
Kunstenaars en intellectuelen zijn dan ook belangrijk voor het aanzwengelen van die nationale trots, want op hun verbeelding van het nationale verleden leunt een natie voor een stuk. En daar knelt 'm nu het schoentje. Amerikaanse intellectuelen ter linkerzijde — want daarover gaat dit boek, de ondertitel Leftist thought in twentieth-century America werd in de Nederlandse vertaling weggemoffeld — huldigen meestal een erg negatieve opvatting over hun land.
Amerikaans links laakt de harteloosheid van de Amerikaanse middenklasse jegens de armen, en verwijt de regering dat ze een schijnvertoning is — een hoop politici die zich te koop aanbieden aan de grote bedrijven. Ze onderstreept niet de vrijheden van het Amerikaanse volk, maar de wreedheden uit de nationale geschiedenis: de import van Afrikaanse slaven, de slachting onder de oorspronkelijke bewoners van Amerika, de vernietiging van de oerbossen, en de Vietnam-oorlog. Om nog maar te zwijgen over de cultuurpessimisten die in het voetspoor van Heidegger Amerika’s geslaagde poging om de wereld van moderne technologie te voorzien, beschouwen als "de ontstaansgeschiedenis van een woestenij".
Die houding is er niet altijd geweest bij links. Volgens Rorty is ze pas een halve eeuw oud. Neem alleen al de grote Amerikaanse romans uit de eerste helft van de twintigste eeuw: The jungle, An American tragedy, The grapes of wrath. Dat waren geen fatalistische dystopieën, maar socialistische strijdschriften in romanvorm. Rorty haalt voorts de Progressive Movement en de New Deal aan. Quasi-communautaire retoriek vormde mede het hart van deze bewegingen, en zette in de eerste zestig jaar van de twintigste eeuw de toon voor links Amerika.
Het verschil tussen die linkse intellectuelen uit het begin van de twintigste eeuw en de meerderheid van hun contemporaine tegenhangers is het verschil tussen mensen die handelen en mensen die toekijken, en dat zint de pragmatist Rorty niet. "Ofschoon objectiviteit een zinvol doel is als je de kosten-batenanalyse van een bepaalde onderneming maakt, heb je er weinig aan als je probeert te bepalen wat voor persoon of natie je wilt zijn." Onlustgevoelens zouden in de eerste helft van de twintigste eeuw aanleiding zijn geweest voor politiek initiatief. Nu zijn ze aanleiding voor theoretische preoccupaties binnen de veilige muren van academische instellingen.
Die afstandelijke houding is per definitie niet links. Links, zegt Rorty, is de partij van de hoop. Het houdt vol dat een land onaf blijft. Zo gauw een links persoon een beschouwelijke en retrospectieve houding aanneemt, houdt hij op links te zijn.
Toen in de loop van de jaren zestig het oude verbond tussen intellectuelen en de vakbonden werd verbroken, toén begon Amerikaans links volgens Rorty weg te zinken. Hij komt daar uitgebreid op terug in de volgende twee essays in dit boekje.
In het eerste essay lijkt hij vooral te willen aantonen op welke manier de filosofische richting van het pragmatisme een goede uitvalsbasis kan zijn voor hernieuwd engagement.
Hij doet dat middels twee seculiere profeten van het geloof in burgerschap, dichter Walt Whitman en sociaal hervormer John Dewey. Beiden waren gretige lezers van Hegel. Wat hen trof was de hegeliaanse idee van ‘progressieve evolutie’, dé grote negentiende-eeuwse bijdrage aan het politieke en sociale denken. God en de Goddelijke Voorzienigheid betekenden niets voor Hegel, maar hij was er wel van overtuigd dat de geschiedenis niet zomaar een richting uitging.
Hegel was de eerste filosoof die tijd en eindigheid even serieus nam als een hobbesiaanse materialist, terwijl hij de religieuze impuls tegelijkertijd even serieus name als een Hebreeuwse profeet of een christelijke heilige. Spinoza had een dergelijke poging tot symbiose gedaan door God en de Natuur te vereenzelvigen, maar Spinoza bleef denken dat het wenselijk was om dingen vanuit het oogpunt van de eeuwigheid te beschouwen. Hegel antwoordde dat elke visie van de geschiedenis van dat gezichtspunt te zwak en te abstract was om van enig religieus nut te zijn.Helaas werd Marx de invloedrijkste van de linkse hegelianen. Marx dacht dat Hegels dialectiek gebruikt kon worden voor zowel voorspelling als inspiratie. Daardoor hebben marxisten een vorm van historicisme voortgebracht die Karl Popper terecht als verarmd bestempelde.
Whitman en Dewey keerden weer een stap terug, naar Hegel, en zagen in hem een inspiratiebron voor een progressieve beweging die niet-religieus was (christendom) en niet-historistisch (marxisme). Ze wilden dat Amerikanen zichzelf bleven zien als exceptioneel, maar ze wilden ook allebei af van de verwijzing naar goddelijke gunst of toorn. Ze geloofden dat de Amerikanen de energie, die samenlevingen vroeger staken in het achterhalen van Gods wensen, zouden gebruiken om elkaars wensen te ontdekken.
Beide mannen hoopten dat Amerika de plek zou zijn waar een angstreligie eindelijk vervangen zou worden door een liefdesreligie. Zij droomden dat de Amerikanen het traditionele verband tussen de religieuze impuls — de impuls om ontzag te hebben voor iets wat groter is dan zijzelf — en de infantiele behoefte aan veiligheid, de kinderlijke hoop op ontsnapping aan tijd en verandering, zouden doorbreken.Amerika was het geknipte land voor zo'n progressief experiment, omdat het door de geschiedenis toevallig het enige land was dat zichzelf zowat from scratch kon scheppen. Het probleem met Europa was zijn oude intellectuele erfenis. Het deed te hard zijn best deed om kennis te vergaren: het wilde een antwoord krijgen op de vraag hoe menselijke wezens dienden te denken en zich dienden te gedragen. Whitman in zijn betogen over de liefde, en Dewey in zijn betogen over burgerschap, bereidden echter de leer van het pragmatisme voor: de weigering te geloven in het bestaan van Waarheid als iets wat niet door mensenhanden gemaakt is, als iets wat gezag uitoefent over de mens.
Dewey verwierp uitdrukkelijk de correspondentietheorie van de waarheid. Hij deed afstand van het idee dat men kan zeggen hoe de dingen werkelijk zijn, in tegenstelling tot hoe ze het beste beschreven kunnen worden om aan een of andere menselijke behoefte te voldoen. Hij stond bijvoorbeeld een kastenloze en klasseloze maatschappij voor, niet omdat dit natuurlijker of rationelere was dan de feodale maatschappijen, maar omdat dit minder onnodig lijden met zich meebracht.
Wat Dewey uiteindelijk met zijn filosofie wist te bereiken, was dat evaluatieve termen als ‘waar’ en ‘juist’ niet verwezen naar een relatie tot een of ander eerder bestaand ding — zoals Gods wil, de morele wet, of de intrinsieke natuur van de objectieve werkelijkheid — , maar naar een tevredenheid over het oplossen van een probleem. (…) Of zoals Thomas Kuhn opperde: vooruitgang wordt gemeten door de mate waarin wij onszelf hebben verbeterd ten opzichte van het verleden, in plaats van door ons nader komen tot een doel.De rectificatie van namen
In het tweede essay 'De teloorgang van reformistisch links' schetst Richard Rorty in kort bestek de geschiedenis van Amerikaans links in de twintigste eeuw. Hij hanteert daarbij een veel ruimere definitie van links dan marxisten doen. De marxistische insinuatie dat het etiket ‘socialist’ alleen is weggelegd voor degenen die het kapitalisme uit alle macht willen verdrijven en dat alle anderen bourgeois reformisten zijn, moeten we achter ons laten, vindt Rorty. Hij gebruikt de term 'reformistisch links' "voor alle Amerikanen die zich, in het kader van de constitutionele democratie, tussen 1900 en 1964 hebben ingezet voor de bescherming van de zwakken tegen de sterken". Niet alleen communisten en socialisten dus, maar ook zij die zich nooit zo zouden noemen.
Dat tweede essay staat bol van de namen en allerlei vage -ismes. En niet te vergeten: schisma's; de Koude Oorlog werkte immers als een splinterbom voor de linkse krachten in Amerika. Belangrijk voor de leek is vooral Rorty's conclusie dat het Amerikaanse reformistische links in de eerste zeventig jaar van de twintigste eeuw veel heeft bereikt. Het waren echter vooral blanke mannen die direct van de linkse initiatieven profiteerden. 'Minderheden' als vrouwen, homoseksuelen en Afro-Amerikanen werden tot in de vroege jaren zestig links gelaten.
Vóór 1960 veronderstelde links immers dat de vooroordelen geleidelijk zouden verdwijnen zodra de economische ongelijkheid en onzekerheid minder werd. Daarna bleek dit economische determinsme te eenvoudig. Nieuw links (New Left) schoot uit de startblokken: het links van de jaren zestig en zeventig. Vernedering en uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen werd eindelijk herkend als een genot an sich: Freud verving Marx als bron van sociale theorie. Het industriële kapitalisme, waar oud links nooit zoveel graten had in gezien, werd nu de gedoodverfde vijand.
Waarna Rorty zijn derde, en wat mij betreft leukste, essay aansnijdt: 'Een cultureel links'. Daarin heeft hij het over de erfgenamen van dit nieuwe links van de jaren zestig. Deze hebben binnen de muren van de universiteit een cultureel links gecreërd. Veel leden van deze linkse beweging leggen zich toe op wat zij de ‘politiek van het verschil’ of ‘politiek van de identiteit’ of ‘politiek van de erkenning’ noemen. Dit culturele links denkt meer aan stigma dan aan geld, meer aan diepe en verborgen psychoseksuele drijfveren dan aan oppervlakkige en evidente hebzucht.
Zijn grootste vijand is niet zozeer een serie economische maatregelen als wel een denkwijze — een manier van denken die naar alle waarschijnlijkheid de bron is van zowel zelfzuchtigheid als sadisme. Deze denkwijze wordt soms ‘Koude-Oorlogsideologie’ genoemd, soms ‘technocratische rationaliteit’, en soms ‘fallogocentrisme’ (cultureel links verzint ieder jaar een nieuwe term).De linkse agitatie verschoof stilaan van de sociaal-wetenschappelijke faculteiten naar de letterkundige. De studie filosofie — voornamelijk de apocalyptische Franse en Duitse filosofie — verving de studie politieke economie als essentiële voorbereiding op deelname aan linkse activiteiten. Tegelijkertijd met deze verschuiving verloren intellectuelen hun belangstelling voor de praxis, de actie, de vakbonden.
Academisch, cultureel links stemt in — op tamelijk afstandelijke en laatdunkende wijze — met de activiteiten van de resterende hervormers. Maar er wordt vastgehouden aan een overtuiging die in de late jaren zestig een vaste vorm kreeg: niet alleen de wetten, maar het hele systeem moet veranderen. Het reformisme schiet te kort. Omdat het vocabulaire van linkse politici besmet is geraakt met dubieuze vooronderstellingen die blootgelegd moeten worden, moet links zich eerst richten op, in de woorden van Confucius: de rectificatie van namen. De hervorming van de wetgeving moet plaats maken voor hetgeen ze in de jaren zestig ‘het benoemen van het syteem’ noemden.Studenten moeten nu de verschillen in opvattingen leren zien, de toevalligheid van opvattingen, en vooral: de niet-vanzelfsprekendheid van de laat-kapitalistische opvattingen van blanke mannen uit de middenklasse. Daarom worden ze ondergedompeld in culturele studies (door Stefan Collini slachtofferstudies genoemd) met aandacht voor het Andere: andere ideologieën, klassen, belevingen van seksualiteit, etnieën en geslachten.
‘Het systeem’ wordt soms geïdentificeerd als ‘laat-kapitalisme’, maar cultureel links denkt eigenlijk nauwelijks na over mogelijke alternatieven voor een markteconomie, of over manieren waarop we politieke vrijheid kunnen combineren met een gecentraliseerde economische besluitvorming.
Net zoals linguïsten voor de grap kunnen zeggen dat een taal een dialect met een landmacht en een marine is, kunnen wij voor de grap zeggen dat een identiteitsgroep een belangengroep is die kan bogen op een academisch programma.Twee stokpaardjes worden daarbij tot afmattens toe bereden: enerzijds de mantra dat het wezenlijke uiteindelijk onzegbaar blijft, anderzijds de alomtegenwoordigheid van de term ‘macht’ (Foucault).
Die laatste term, macht, doet Rorty denken "aan de alomtegenwoordigheid van de duivel, en dus aan de alomtegenwoordigheid van de oerzonde". Rorty ziet dit wantrouwen in het humanisme en deze vlucht van praktijk naar gestrenge theorie als een gebrek aan lef. Het is een gebrek aan lef dat mensen ertoe brengt secularisme in te ruilen voor zondebesef en geloof in "een vaste standaard waarmee afwijking van de waarheid kan worden gemeten en afgekeurd". Academisch purisme maakt elke communicatie (en dus oproep tot actie) onmogelijk.
De hedendaagse linkse academici denken aldus: hoe hoger het abstractieniveau, des te meer de gevestigde orde ondermijnd kan worden. Hoe doortastender en nieuwer je conceptuele instrument, des te radicaler je kritiek. Wanneer een linkse academicus tegenwoordig zegt dat een onderwerp ‘onvoldoende is getheoreticeerd,’ kun je er vrij zeker van zijn dat hij of zij de filosofie of taalwetenschap erbij zal halen, of de lacaniaanse psychoanalyse, of een neomarxistische versie van het economisch determinisme. Als zij politieke instituten veranderen in de werking van differentiële subjectiviteit, of politieke initiatieven in de jacht op het onbereikbare object van begeerte van Lacan, zo denken linkse theoretici, wordt de ondermijning van de gevestigde orde bevorderd. Volgens hen wordt deze ondermijning bewerkstelligd door het ‘problematiseren van vertrouwde concepten’.De schrijvers van deze zogenaamd ‘subversieve’ boeken geloven echt dat ze de menselijke vrijheid een dienst bewijzen, schrijft Rorty. Maar het is vrijwel ondoenlijk om vanuit hun boeken af te dalen naar het abstractieniveau waarop we de waarde van een bepaalde wetgeving, een verdrag, een kandidaat of een politieke strategie kunnen bespreken.
Nu ziet Rorty de leerplannen van de Amerikaanse hogescholen en universiteiten nu ook weer niet helemaal als een maat voor niets. De overgevoeligheid voor onderdrukte groepen hebben zijns inziens het sociaal geaccepteerde sadisme wel degelijk verminderd, en de conservatieve critici "zouden zich moeten schamen" als ze neerbuigend doen over dat resultaat.
Alleen: de economische ongelijkheid en onzekerheid zijn wel mooi blijven toenemen. De wereldeconomie zal volgens Rorty spoedig in het bezit zijn van een kosmopolitische elite die even weinig banden heeft met de wereldarbeiders als de grote Amerikaanse kapitalisten van rond de eeuwwisseling (begin twintigste eeuw) die hadden met immigrantenarbeiders in hun fabrieken.
En de intellectuelen doen ondertussen niets. Ergens in de jaren zeventig werd het idealisme van de Amerikaanse middenklasse geblokkeerd. Links zou daarom de theorie moeten verbieden, besluit Rorty. Het moet een einde moeten maken aan zijn gewoonte om altijd filosofisch te denken en de Amerikaanse nationale trots (lees: burgerschap gedrenkt in gemeenschapszin) in ere te herstellen.
Persoonlijke appreciatie
Dit boekje hielp me de intellectuele humus te begrijpen waaruit het Amerikaanse getheoretiseer over literatuur is kunnen groeien. Het maakte ook de uitzonderlijke filosofische positie van Rorty duidelijk. Hij omarmt de grote criticasters van het verlichtingsrationalisme (Nietzsche, Heidegger, Foucault en Derrida), maar hij is er wel van overtuigd dat hun gedachten verenigbaar zijn met het traditionele liberalisme en humanisme, en zelfs met particulier geloof. Dat is op zijn minst een verfrissend geluid in het koor van volgzame sekteleden die zich doorgaans in de schaduw van deze meesters ophouden.
Voor de rest is De voltooiing van Amerika een vaag-filosofisch pamflet. Over hoe de praxis van het engagement er zou kunnen uitzien, daarover heeft Rorty hoop en al één alinea met voorbeelden paraat.
Linkse initiatieven ‘van boven’ komen van mensen die zelf voldoende zekerheid, geld en macht hebben, maar zich niettemin het lot van de minder goed bedeelden aantrekken. Een voorbeeld van zulke initiatieven zijn de geruchtmakende onthullingen van journalisten, romanciers en geleerden — Ida Tarbell over Standard Oil, Upton Sinclair over immigrantenarbeiders in de slachthuizen van Chicago, Noam Chomsky over de leugens van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten en de omissies van de New York Times, om er een paar te noemen. Andere voorbeelden zijn de Wagner Act en de Norris-Laguardia Act, sociale protestromans als People of the abyss en Studs Lonigan, de sluiting van de universiteitscampussen na de Amerikaanse invasie van Cambodja en de beslissing van het Hooggerechtshof in de zaken ‘Brown versus Board of Education’ en ‘Romer versus Evans’.Rorty geeft overigens ook voorbeelden van linkse initiatieven die ‘van onder’ komen; van mensen met weinig zekerheid, geld of macht, die zich verzetten tegen de oneerlijke wijze waarop zij, of anderen zoals zij, worden behandeld.
Voorbeelden zijn de Pullman-staking, de zwarte nationalistische beweging van Marcus Garvey, de sitdownstaking bij General Motors in 1936, de busboycot in Montgomery, de oprichting van de Mississippi Freedom Democratic Party, de oprichting van de United Farm Workers van Cesar Chavez en de Stonewall-rellen (het begin van de strijd voor de rechten van homoseksuelen).> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> eerder in dezelfde reeks: Over televisie - Pierre Bourdieu
Richard Rorty, De voltooiing van Amerika
127 p.
Uitgeverij Boom, 1998
Oorspr. Achieving our country
Leftist thought in twentieth-century America (1998)
Vertaald door Henk Moerdijk en Kitty Jonk
____

1 reactie(s):
Snowcrash - Neal Stephenson
Almanac of the dead - Leslie Marmon Silko
Three days of the condor - Richard Congdon
Winterkills - Richard Congdon
Vineland - Thomas Pynchon
Harlot's ghost - Norman Mailer
The promise of American life - Herbert Croly
The agony of the American Left - Christopher Lasch
The Cambridge companion to William James - R.-A. Putnam (ed.)
Pragmatism as romantic polytheism - M. Dickstein
John Dewey : religious faith and democratic humanism - S. Rockefeller
Notebeooks and unpublished prose manuscripts - Walt Whitman
German prose writers - Frederic Hedge
A tale of two utopias : the poltical journey of the generation of 1968 - P. Berman
The lost promise of progressivism - Eldon Eisenach
The sixties : years of hope, days of rage - Tod Gitlin
Nightmare on main street : angels, sadomasochism, and the culture of the gothic - Mark Edmundson
The university in ruins - Bill Reading
Allegories of America - Fred M. Dolan
Growing up absurd - Paul Goodman
Towards the understanding of Karl Marx - Sidney Hook
The hero in history - Sidney Hook
Revolution, reform and social justice - Sidney Hook
Politics and the novel - Irving Howe
A world more attractive : a view of modern literature and politics - Irving Howe
The culture of narcissim - Christopher Lasch
American Renaissance - F.O. Matthiessen
White collar - C. Wright Mills
The power elite - C. Wright Mills
Philosophy of logic - Hilary Putnam
Language, mind and reality - Hilary Putnam
A thousand days - Arthur M. Schlesinger
The age of Jackson - Arthur M. Schlesinger
On tyranny - Leo Strauss
Natural right and history - Leo Strauss
What is political philosophy? - Leo Strauss
The history of the Standard Oil Company - Ida Tarbell
The liberal imagination - Lionel Trilling
Sincerity and authenticity - Lionel Trilling
The American evasion of philosophy : a genealogy of pragmatism - Cornel West
Race matter - Cornel West
The future of the race - Cornel West
Een reactie plaatsen