De toekomst van de religie - Richard Rorty en Gianni Vattimo
Postmoderne filosofen als Richard Rorty en Gianni Vattimo zoeken niet naar waarheid. Zij zoeken naar 'solidariteit, naastenliefde en ironie'. Daarom zien ze ook een mooie toekomst voor de religie weggelegd. Of liever: religiositeit. Religiositeit beschouwen ze als een te prijzen anti-autoritaire houding tegen de absolute aanspraken die de kerk, politiek en de wetenschap maken. Eén probleem: eerst moeten ze religie van elke geloofsinhoud ontdoen. En dat is valsspelen.
Richard Rorty was de belangrijkste roerganger van het Amerikaanse neo-pragmatisme: de eigen moraliteit van de gemeenschap kan volgens Rorty alleen worden afgemeten aan een praktische vergelijking tussen de eigen praktijken en die van andere gemeenschappen, niet aan de standaarden van een moraal die voor alle gemeenschappen geldt. Gianni Vattimo is een Italiaanse filosoof, en goed thuis in de hermeneutische traditie.
Beiden vertegenwoordigen ze het zogenaamde 'zwakke' denken, het filosofische denken dat niet meer gelooft in absolute waarheden. In dit boekje mediteren ze over De toekomst van de religie in het nieuwe postmoderne klimaat. Het boekje bestaat uit een inleidende beschouwing van 'filosofisch onderzoeker' Santiago Zabala, een essay van Rorty en een van Vattimo, en een gesprekje tussen beide heren met Zabala als moderator.
Rorty en Vattimo beschouwen om te beginnen de metafysische Logos (de rede, het logisch denken zeg maar) op geheel postmoderne wijze als een vorm van machtsstreven. Het deconstrueren van de aanspraken van die Logos betekent bijgevolg het afzien van macht, en zich in plaats daarvan tevreden te stellen met begrip, tolerantie, naastenliefde.
De twintigste eeuw was voor beide heren de eeuw van anti-essentialistische denkers als Derrida, Heidegger, Wittgenstein — die dan ook met instemming worden aangehaald. Zij waren het die ons aanspoorden ons te bevrijden van het oude Griekse onderscheid tussen schijn en werkelijkheid, tussen noodzakelijkheid en contingentie. Zabala:
In tegenstelling tot het polytheïsme van de Oudheid, toen de goden zich altijd via middelaars manifesteerden, heeft de christelijke God zijn woord direct aan de gemeenschap der gelovigen geschonken, waardoor niet alleen het ‘tijdperk van de wereldbeelden’ werd ingeluid, maar ook dat van de ‘twee culturen’, de twist tussen wetenschap en godsdienst die de westerse cultuur in twee tegengestelde kampen verdeelde: de natuur- en de menswetenschappen, atheïsme en theïsme, analytische en continentale filosofie. Vandaag staan wij aan het einde van dit tijdperk en beleven wij het uiteenvallen van filosofische theorieën als het positivistisch sciëntisme en het marxisme, die meenden dat zij de religie definitief hadden geëlimineerd.Er bestaan geen waarheden, alleen waarheden (overeenkomsten) binnen eenzelfde taalspel, aldus de anti-essentialistische filosofie. De hermeneutiek, van haar kant, maakte daarnaast de historiciteit van de spelregels van Wittgensteins taalspelen duidelijk. Taalspelen verschuiven mee met de tijd. Welnu, naastenliefde moet dan volgens Vattimo en Rorty gezien worden als het aanvaarden van de taalspelen van anderen.
Verschillende historische gebeurtenissen hebben vooruitgelopen en bijgedragen aan wat Zabala noemt "de deconstructie van de metafysica". De Franse Revolutie introduceerde het begrip solidariteit, de Romantiek het begrip ironie, het christendom het begrip naastenliefde. Deze drie begrippen drukken elk de idee uit dat intermenselijke verstandhouding belangrijker is dan de speurtocht naar iets niet- of boven-menselijks, waarnaar menselijke wezens moeten trachten te streven — een gedachte die vandaag haar meest plausibele vorm vindt in de sciëntistische opvatting van de cultuur.
Rorty's grote helden James en Dewey verenigden zich met Nietzsche en Heidegger om er op aan te dringen deze traditie en cultuur los te laten. Zelfs al zijn het cartesiaanse en het hegeliaanse denken over hun hoogtepunt heen, zegt Rorty, en ook al heeft de linguïstische wending in de filosofie ons afgebracht van de epistemologie en de metafysica, dan nog lijkt het voor ons onmogelijk om ons geheel los te maken van de metafysische Logos.
En dat is het moment dat het moderne pragmatisme en de hermeneutiek op het toneel springen. Beoefenaars van deze disciplines voelen de morele behoefte om in het Westen het gesprek voort te zetten en te bevorderen, eerder dan zich metafysische vragen te stellen over wat ‘werkelijk’ is en wat niet (het platoonse programma, quoi).
Overal waar een gezag bestaat dat, in de vorm van een wetenschappelijke of kerkelijke gemeenschap, iets als objectieve waarheid oplegt, heeft de filosofie volgens Rorty en Vattimo de plicht om de tegenovergestelde richting in te slaan en te laten zien dat waarheid nooit objectiviteit is. Het uiteindelijke doel van het filosofisch onderzoek wordt dan Bildung, de nooit ophoudende vorming van onszelf. Filosofie streeft naar morele verbetering in plaats van het ontwikkelen van kennis.
Het hoeft niet te verbazen dat de hermeneutiek de vriendelijkste filosofie jegens de godsdienst geweest. Gewoon, wegens haar kritiek op het idee van de waarheid als de overeenstemming tussen uitspraken en objecten. Kennis is altijd interpretatie en interpretatie context-gerelateerd, zeggen de hermeneuten. De dingen verschijnen aan ons in de wereld alleen omdat wij ons temidden ervan bevinden, en steeds gericht zijn op het zoeken naar enige specifieke betekenis — dat wil zeggen dat wij er een voorbegrip van hebben dat ons tot belanghebbende subjecten maakt, geen neutrale schermen met een objectief panoramisch overzicht. Een hermeneut als Vattimo maakt dan ook geen onderscheid meer tussen Natur- en Geisteswissenschaft, omdat ook de zogenaamde ‘harde’ wetenschappen hun uitspraken alleen verifiëren of falsificeren binnen paradigma’s of vooronderstellingen.
Wel, precies dezelfde opvatting zie je ook bij theologen, die smalend doen over de opvatting van de natuurwetenschapper dat het goddelijke een empirische hypothese is, en dat de moderne wetenschap betere verklaringen heeft gegeven van de verschijnselen die vroeger door God werden verklaard. Zij komen dan af met argumenten die door Hume en Kant werden gebruikt tegen de natuurlijke theologie van de achttiende eeuw, namelijk dat een empirische constatering niets zegt over het bestaan van een wezen dat buiten tijd en ruimte staat.
Vattimo gaat nog een stap verder. Hij is het eens met Dilthey waar die beweerde dat het christendom het beginsel van de innerlijkheid in de wereld gebracht, op basis waarvan de ‘objectieve’ werkelijkheid geleidelijk haar overwicht verloor.
Rorty zit op dezelfde golflengte. Hij beschouwt de westerse rationaliteit als een geseculariseerde versie van de westerse monotheïstische traditie. Debatten over de bewijzen voor het bestaan van God en van wonderen berustten steeds op het idee dat de waarheid die ons vrij zal maken de objectieve waarheid is. Maar Nietzsche, Heidegger, James en Dewey gingen in tegen de geringschattende manier waarop wetenschap iemands verkeerde denkbeelden veroordeelde door te zeggen dat ze louter ingegeven waren door een privébehoefte. Het geringschattende van de wetenschap zat voor Nietzsche en co in het woordje 'louter'. Alsof privébehoeftes niet belangrijk zouden zijn! Rorty haalt Thomas Jefferson aan, die religie weliswaar beschouwde als een privé-zaak, irrelevant voor de maatschappelijke orde, maar wel relevant en mogelijk essentieel voor individuele vervolmaking.
Vattimo ziet de postreligieuze samenleving dan ook met tevredenheid aan. Zeker, ooit beweerde ook religie dat ze de objectieve waarheid in pacht had, namelijk deze van de bijbelse openbaring, met God als bestraffende instantie. Tegenwoordig gaan de meeste gelovigen echter op een ondogmatische manier met hun geloof om. De relatie tussen God en de gelovige wordt niet gezien als een machtsverhouding, maar als "een tedere relatie waarin God al zijn macht aan de mens afstaat". Vattimo plaatst vervolgens de evangelische boodschap van naastenliefde centraal, die hij ziet als een aansporing om elke aanspraak op het eigen grote gelijk te doen wegsmelten.
Kritiek
Tja. Wat ik daar allemaal van denk? Rorty en Vattimo ontdoen religie nogal laf van elke concrete, historische inhoud, om haar te kunnen recupereren voor hun wijsgerig project. En dat is valsspelen, natuurlijk. Gelovigen vereren immers geen abstracties, zoals Victor Stenger elders aangeeft. Ze vereren een God waarvan ze de eigenschappen kunnen begrijpen, en die eigenschappen hebben vaak zeer nare consequenties voor niet-gelovigen.
Iedere keer dat een katholiek de bijbelse voorschriften vrij interpreteert, of de hem onwelgevallige weglaat, gaat hij in tegen de geloofsleer. Dat maakt dat zijn verdraagzame gedrag niet het produkt is van zijn geloof, maar juist van zijn persoonlijke geweten dat het nodig vindt er om redenen van wellevendheid een mouw aan te passen. Zoals Christopher Hitchens schrijft: het gedrag van gelovigen kan nooit een criterium zijn om de waarde van geloof aan af te meten, enkel de leer zelf. Dat geloofsleiders minder autoritair werden, was zéker niet eigener beweging, maar kan voor een groot deel op het conto geschreven worden van, jawel, de natuurwetenschap, die ons wereldbeeld alsmaar verder onttoverde en knabbelde aan de autoriteit van andere waarheidsclaimers.
Geef mij toch maar de ratio. Die is voor mij een goede basis om morele principes op te enten, om realistische verwachtingen te blijven koesteren, om machtsmisbruik te leren ontdekken... Allemaal dingen die religie niet doet.
En, zucht, in dit boekje wordt weer eens duchtig gezwaaid met Thomas Kuhn. Dat is bij uitstek een denker van wie de conclusies door postmodernen én natuurwetenschappers worden omarmd, maar altijd in zeer algemene termen. Is hij echt zo vaag, of leest een van de partijen hem selectief? Allicht moet ik 'm zelf eens doornemen, voor een antwoord. Nu blijft zijn werk ongrijpbaar, als een gerucht.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder
Richard Rorty en Gianni Vattimo, De toekomst van de religie
92 p.
Uitgeverij Klement en uitgeverij Pelckmans, 2006
Onder redactie van Santiago Zabala
Oorspr. Il futuro della religione / The future of religion (2004)
Vertaald door J.M.M. de Valk
____

1 reactie(s):
A common faith - John Dewey
What I believe - John Dewey
Philosophy and the mirror of nature - Richard Rorty
Beyond interpretation : the meaning of hermeneutics for philosophy - G. Vattimo
Truth and progress - Richard Rorty
Ik geloof dat ik geloof - G. Vattimo
Essays on Heidegger and others - Richard Rorty
Nihilism and emancipation : ethics, politics, and law - G. Vattimo
Contigency, irony, and solidarity - Richard Rorty
Objectivism, relativism, and truth - Richard Rorty
Het woord is geest geworden - G. Vattimo
Christ : a crisis in the life of God - Jack Miles
The shaky game : Einstein, realism, and the quantum theory - Arthur Fine
Making it explicit : reasoning, representing, and discursive commitment - Robert Brandom
The empirical stance - Bas van Fraassen
La rivoluzione cristiana - Carmelo Dotolo
Religie na de religie – Ferry en Gauchet
Alleen nog een God kan ons redden – Heidegger en Der Spiegel
Filosofie in een tijd van terreur – Habermas en Derrida
U heeft nooit een woord van mij begrepen – Nietzsche en Meysenbug
Wat blijft is de hoop – Sartre en Lévy
De politiek van het genot – Zizek en Daly
Philosophy and social hope - Richard Rorty
Against bosses, against oligarchies : a conversation with Richard Rorty - Rorty, Nystrom en Puckett
Reconstruction in philosophy - John Dewey
Marges de la philosophie - Jacques Derrida
The revival of pragmatism - Morris Dickstein (ed.)
Late works of John Dewey
God en de godsdienst - Derrida, Vattimo en Gadamer
Radical interpretation in religion - Nancy Frankenberry (ed.)
Einleitung in die Geisteswissenschaften - Wilhelm Dilthey
Een reactie plaatsen