vrijdag 10 december 2010

The boulevard of broken dreams - Kim Deitch

Kim Deitch is een stuk minder bekend dan Art Spiegelman of Robert Crumb. Kenners die dat betreuren verwijzen allemaal naar The boulevard of broken dreams. Deitch biedt in zijn graphic novel een blik op de kraamkamer (én het sterfbed) van de klassieke animatiefilm. Boulevard is een verhaal van commerciële belangen en onder de zoden getrapte artiesten. Wel een beetje simpel, eigenlijk.

Centraal in het album staan de wankele animatietekenaar Ted Mishkin en zijn voornaamste creatie Waldo, een zwarte kater die op zijn achterste benen loopt en aldoor recalcitrant commentaar geeft. Het lijkt een lief beestje, die Waldo, maar aan de binnenkant huist een pikdonkere natuur.

Aanvankelijk is Waldo alleen een verzinsel van de jonge Ted, een denkbeeldig kameraadje zoals vereenzaamde, introverte kinderen zo vaak hebben. Later, wanneer een volwassen Ted van zijn broer Al een baantje krijgt in de animatiestudio Fountain Fables, wordt Waldo een cartoonfiguur.

Waldo is een succes. Wanneer echter moeilijker tijden aanbreken, wordt ene Jack Shick erbij gehaald, een gladde creative director die de tekenstudio van Fred Fountain concurrentieel moet maken met de boomende Disney-fabriek. We schrijven de late jaren twintig, vroege jaren dertig, moet je rekenen. Dit is het gouden tijdperk van de animatiefilm — denk Mickey Mouse, Donald Duck, Popeye, Betty Boop.

En Disney bekampen betekent: strijden met gelijke wapens. De tekenfiguurtjes krijgen nu een mellow look, de verhaaltjes worden sentimenteel, en voortaan wordt er in kleur gewerkt.

Het wordt ook nooit meer als vroeger. Integendeel. Er duiken dra plannen op voor een themapark rond de cartoonfiguren. Ted wordt geplaagd door zijn persoonlijke kwelgeest Waldo, kan de drank niet de baas en moet — heel jaren vijftig — met electroshocks opgelapt worden. Waldo zelf wordt gedegradeerd tot het tandeloze hulpje van een nieuwe held, een rat met een Superman-cape.

Eindigen doet Boulevard in de vroege jaren negentig, wanneer Waldo-poppetjes worden verkocht in een overbekende speelgoedwinkelketen...


Illustratie Kim Deitch [klik voor groter]

Het afglijden naar vervlakking is zo'n beetje de openliggende zenuw van The boulevard of broken dreams. Al zij daarbij aangetekend dat Walt Disney niet verantwoordelijk was voor de industriële processen die het ambachtelijke tekenwerk zouden wegdrummen. Machinale technieken en taakverdeling in de animatiewereld werden reeds in de jaren tien van de twintigste eeuw ontwikkeld, onder instigatie van John Randolph Bray, ruim voordat Disney op het toneel verscheen.

Maar Disney stroomlijnde het creatieve proces tot in de perfectie, en werkte zó kosten- en tijdsbesparend dat de tekenfilm tot een volwaardig cinematografisch medium kon uitgroeien.

Een andere reden van Disney's succes is dat hij voluit koos voor realistischer (minder gestileerde) figuurtjes. Getekend melodrama verving de bij uitstek grafische humor uit de begindagen van de animatiefilm. Waar de eerste tekenaars nog hun eigen angsten en obsessies konden projecteren op een cartoonfiguurtje, werd elke individuele toets bij Disney stilaan weggewerkt.

Newtoniaans
Kim Deitch
vertelt het verhaal van de neergang en commercialisering van de tekennijverheid niet chronologisch, maar met flashbacks en -forwards. Het dwingt de lezer tot concentratie, en dat is ook wel nodig, want je vergaapt je snel aan het artwork van Deitch; het verhaal zelf is niet zo vreselijk interessant.

Dat komt omdat Deitch met gratuite tegenstellingen werkt. Briljante artiest versus pragmatische zakenman. Visionaire kunstenaar versus anonieme massaproductie. Al heeft ook nog eens het vriendinnetje dat Ted niet kan krijgen. The boulevard of broken dreams, alleen die titel al, is een album voor zeer slechte verstaanders.

Voor diepte zorgen de Droste-effecten en de verhalen-in-het-verhaal waarmee Deitch de vroege geschiedenis van de animatiefilm verbeeldt — met Waldo als vuilbekkend geweten in de marge. Maar alleen wie al iets afweet van die historiek (of zich zoals ik een beetje inleest) kan de vele knipoogjes plaatsen die Deitch zich permitteert.

Eminent is bijvoorbeeld de aanwezigheid van ene Windsor Newton, een miskende en ietwat verlepte vaudeville-artiest. Daarin is nog gemakkelijk Winsor McCay te herkennen: de man die met Gertie the Dinosaur (bij Deitch Milton the Mastodon) de eerste tekenfilmheld de bioscoop inloodste. Voor de animatiefilm een pionier met, welja, newtoniaanse allure.

Ook de antropomorfe kater is een klassieke topos in de animatiefilm. In de jaren twintig dook hij al regelmatig op, met Felix the Cat allicht als bekendste telg. Robert Crumb (Fritz the Cat) zou later de draak steken met al die goedgeluimde beestjes; de vroege animatiefilmpjes zijn altijd een bron geweest voor underground tekenaars in de jaren zestig, toen ook het werk van McCay zich in hernieuwde aandacht mocht verheugen.

Tot daar aan toe. Maar dat de vroege animatiestudio's zo vaak dreven op broers met sterk uiteenlopende talenten — de Fleischers, de Disneys — wist ik bijvoorbeeld niet. De animatieindustrie is dikwijls een familiegebeuren en Boulevard zet dat in de verf. Ingewijden zullen vast echo's herkennen van de relatie tussen Kim Deitch en zijn vader Gene Deitch, hoge ome bij UPA en later Terrytoons en Rembrandt Films.

Kleine Kim hing dikwijls rond in de studio's van zijn pa en mocht graag kletsen met de tekenaars. Pas in de jaren zestig besefte hij welk een kapitaal aan vertelstof hij daarmee had verzameld, toen hij zelf cartoons ging maken.

Het is ook het documentaire karakter dat The boulevard of broken dreams doet uitstijgen boven de gemiddelde graphic novel, een genre dat sinds Will Eisner te vaak gaat over de autobiografische klotejobs, liefdesperikelen en middenklasse-besognes van de tekenaar. In 2005 koos Time dit boek van Deitch zelfs als een van de tien beste Engelse beeldromans ooit.

Maar dat is weer overdreven. Verloedering door industrialisatie en de link tussen creatief genie en krankzinnigheid zijn schaamteloos romantische gemeenplaatsen. De karaktertekening is flets. En hallucinaties zijn een nogal makkelijk alibi voor grafische extravaganza, toch?

De tekenstijl van Deitch, met al dat plompmakende gearceer, deed me ook niet zoveel. De boordevolle plaatjes zijn met groot gemak op het blad gegooid, maar de grapjes gaan bij nader inzien nooit verder dan uitpuilende ogen, uitgestoken tongen en de vollemaansgezichten van Georges Méliès. De psychedelische grafiek, laat die nog in zwart/wit zijn afgedrukt, is me volkomen vreemd. En ik heb een hekel aan overjaarse hippies.

Eigenlijk had ik ook meer willen weten waarover die eerste animatiefilmpjes gingen.

> meer achtergronden in een lang essay van Charles Hatfield

Kim Deitch met Simon Deitch, The boulevard of broken dreams
192 p.
Uitgeverij Pantheon Books, 2002


Illustratie Kim Deitch [klik voor groter]

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails