Snobbery, the American version - Joseph Epstein
In Humeuren en temperamenten zag ik voor het eerst iemand die badinerend schreef over alledaagse emoties. De teksten van Komrij waren anders dan de informatie van -logen, -gogen en -peuten die ik altijd al las. Ook de Amerikaanse essayist Joseph Epstein bedrijft iets tussen biecht en cultuurgeschiedenis in, maar dan op iets langere afstand. Snobbery is als een mooie waaier: de auteur neemt zijn thema als vertrekpunt voor excursies in alle mogelijke richtingen.
Nogal wat recensenten verwijzen dan ook naar Class van Paul Fussell, dat een beter, systematischer boek schijnt te zijn over hetzelfde onderwerp. Ik zat er eigenlijk niet zo mee. Joseph Epstein schrijft over stukjes Amerikaanse geschiedenis waar ik niets van wist, haalt theorieën weg bij een mooi boeket schrijvers — Thackeray, James, Wharton, Dreiser, Fitzgerald, Powell — en bedient zich ten gepaste tijde van zelfspot.
De man weet, kortom, hoe je een essay schrijft. Hij schuwt ook het scherpe commentaar niet. Zo bevat Snobbery een mooi stuk over snobisme bij slachtoffers — joden, vrouwen, homo’s, gehandicapten die zich vastklampen aan hun slachtofferrol. Er kleeft veel eerbiedwaardigheid aan overgeërfde ellende: "My holocaust is greater than your slavery".
Epstein heeft me ook verrijkt met een bruikbare definitie van snobisme. Het klemwoord is onderscheid. Een snob geilt op onderscheid — hoe subtieler, hoe liever. Hij wil zich laten gelden, zoals zoveel mensen, maar typisch voor de snob is dat hij dat wil doen ten koste van andere mensen. Hij wil niet alleen anders zijn, hij wil vooral meer zijn. Vergelijking, die in zijn voordeel moet uitvallen — daar stuurt hij op aan. De snob schept er behagen in iemand te kunnen afrekenen op diens foute manieren, meningen, opleiding, smaak, of connecties.
Over de herkomst van het woord 'snob' verschillen de meningen, maar de Fransen zijn zonder twijfel het best in het vinden van woordjes voor de randfenomenen: parvenu, arriviste, nouveau riche.A person who is not a snob is content merely to think a wrong opinion mistaken and let it go at that; it surely doesn’t speak to the character or anything else essential about the person who has expressed it. For the snob, a wrong opinion is usually more than stupid; it’s an utter disqualification.
Epstein is intelligent en verfijnd genoeg om een snob te zijn. Vroeg in zijn boek noemt hij zich behept met een pijnlijk gevoel voor sociale klasse, financiële draagkracht, religieze kleur en andere vormen van status. Zijn studententijd ervoer hij dan ook als een weldaad. Aan de University of Chicago werd je eens niet gerangschikt volgens natuurlijke schoonheid, atletische vermogens, rijkdom of connecties. Intelligentie was het enige wat telde — de vaardigheid om op geraffineerde manier te praten over kwesties inzake kunst, wetenschap, politiek en verstandszaken in het algemeen.
Epstein leerde er echter al snel dat geen enkele vorm van vereniging verstoken is van snobisme. Snobisme versterkt nu eenmaal de sociale cohesie. Balzac schreef in Neef Pons dat er niets zo sterk is om een vriendschapband van te smeden als het gezamenlijke gevoel beter te zijn dan de anderen. Ook aan de universiteit bestond er een ongeschreven rangorde:
No one announced what it was, but anyone at all attentive couldn’t fail to note that in this system only four kinds of work in life had any standing. These were: to be an artist; to be a scientist (and not some dopey physician, treating people for flu or urological problems — only a research physician qualified); to be a statesman (of which there were none then extant); or — and here was the loophole — to be a teacher of potential artists, scientists, and statesmen.Aan de orde in dit boek is onder meer de vraag of snobisme deel uitmaakt van de menselijke natuur dan wel of wordt ze veroorzaakt door bepaalde sociale omstandigheden. Vermeldingen van snobs in de wereldliteratuur vóór de achttiende eeuw zijn zo goed als onbestaande, wat Epstein het vermoeden inblaast dat democratie een basisvoorwaarde is voor snobisme. Sociale posities moeten verschuifbaar zijn, ze mogen niet vastliggen. Eens het besef dat iemand het heft in eigen handen kan nemen, komt er ruimte vrij voor jaloezie en naijver.
Interessant is Epsteins simpele gedachte dat je veel over de aard van een samenleving kan leren door te onderzoeken welke beroepen er hoog in achting staan. Hij heeft het dan over het dalende prestige van advocaten, dokters, priesters, uitvinders en ingenieurs in Amerika. Bell, Edison, Ford en Lindbergh waren gevierde helden in hun tijd. Nu wordt iemand als Bill Gates een nerd genoemd.
Epstein stelde (een kleine tien jaar geleden) vast dat vooral makelaars, marketeers, bankiers en ondernemers hogelijk bewonderd werden in de Verenigde Staten. Met andere woorden: tussenpersonen, bemiddelaars en vertolkers. Denk ook aan de filmwereld: niet de scenaristen zijn beroemd, maar de acteurs. Kunstenaars zijn misschien nog de enige mensen die iets maken en erom bewonderd worden.
Less and less in the middle and upper middle classes in America does one encounter anyone who actually makes something; instead most people work at shuffling paper, playing with numbers, making deals, disseminating knowledge, conveying news. People who make things have been given the title “content providers” — helluva phrase, that — but for the most part they are not the powerful players. The action has gone elsewhere, to the purveyors, conveyors, middlemen.Grote delen van Snobbery gaan over de Amerikaanse aristocratie, en wat er nog van over is. De tijd waarin figuren als Rockefeller, Carnegie, Morgan, Frick, Huntington, Stanford en co. voor maecenas speelden (toen donaties nog niet fiscaal aftrekbaar waren), is voorgoed voorbij. 'Class distinctions' bestaan nog steeds, schrijft de auteur, maar de 'class opportunities' zijn fel toegenomen.
Maar hoe kun je je nog laten gelden in een egalitaire maatschappij als de Amerikaanse? Dat is voor de snob een belangrijke vraag, want die kickt zoals gezegd op onderscheid. Vroeger lagen de zaken gemakkelijk: smaak bepaalde de klasse. En die smaak was niet zozeer het produkt van opleiding, als wel van gewoonte. Bij een klasse hóórde nu eenmaal een welbepaald type muziek, huis, kleren, vrijetijdsbezigheden.
Wat is dan die smaak, vraagt Epstein zich af. Heeft ze te maken met temperament, intelligentie, moraliteit? Moeilijke kwestie. De ene denker ziet smaak als het eindproduct van aangeleerde verfijning, anderen ontwaren het juist in het hebben van het juiste instinct. Smaak laat zich niet eindeloos kneden. Volgens Pierre Bourdieu is de betrouwbaarste lakmoesproef voor iemands sociale klasse de muzieksmaak: een arbeider luistert niet naar Bach.
Zeker is wel dat smaak tegenwoordig meer dan ooit bepaald wordt door smaakmakers: reclamemensen, trendsetters, modeontwerpers. Misschien zijn marketeers, die van het onderscheiden van doelgroepen hun werk hebben gemaakt, wel betere sociologen dan de sociologen zelf.
Een egalitaire maatschappij brengt een nieuw soort snob met zich mee: de snob als iemand met een uiterst gevoelige radar voor wat politiek correct en bon ton is. Epstein citeert David Brooks, die in zijn boek Bobos in paradise een nieuwe upper class onderscheidt: eentje die het zich kan veroorloven zich druk te maken om het milieu, een egalitaire maatschappij en een goede gezondheid. De bijbehorende mentaliteit omschrijft hij als een combinatie van middenklasse en bohemiens. Er wordt gefulmineerd tegen overdadige consumptie, tegen luxe. Criminelen, migranten en bejaarden behoorden altijd al tot het morele lompenproletariaat, maar nu zijn daar dus de rokers, druggebruikers, dikkerdjes en ongezonde eters bijgekomen.
For the benefit of the stupid and the common
Epstein onderzoekt natuurlijk hoe men zich kan wapenen tegen snobisme. Niemand is er immers immuun voor. Hoeveel spullen schaffen we aan, hoeveel ideeën omarmen we werkelijk alleen maar omwille van hun intrinsieke kwaliteit? Vrij zijn van snobisme is haast een logische onmogelijkheid: wie zich verheven voelt boven snobs, denkt in wezen zelf snobistisch.
Trouwens, waarom zou een klein beetje snobisme niet mogen? Logeren in een goed hotel kan echt weldadig zijn. Natuurlijk krikt het dragen kleren van mooie kleren het eigen welbevinden op. En die schandalig dure vulpen kan heus sentimentele waarde hebben.
Iemand die er warmpjes inzit, zegt Epstein, of op een andere manier minder afhankelijk is van zijn medemensen, is doorgaans minder vatbaar voor snobisme. Geen ambities hebben, kan ook helpen. Maar allicht is het enige dat echt werkt strikte intellectuele discipline: focussen op de werkelijke waarde van de dingen.
Unless one decides not to care in the least about what passes for the good taste of one’s age, and decides instead that good taste really is good sense, which means that in friendship, it is represented by tact, generosity, elegance, utility, and solidity; in art, by beauty, harmony, and originality; in culture generally, by a discriminating tolerance for tastes at odds with one’s own. This is very different from that taste which is determined by being around people thought tasteful, taking pleasure in cutting oneself away from the mass by the criterion of ostensible good taste, and being supremely confident in judging — and thereby putting down — others by the standard of what one takes to be one’s own exquisite taste. All of which is, of course, the way of the snob.In het boek worden twee maatschappijen genoemd die het dichtst kwamen bij die ideale situatie waarin prestige rechtstreeks gekoppeld was aan werkelijke verdiensten: het Athene van de vijfde eeuw v.C. en het Engeland van de tweede helft van de negentiende eeuw. Epstein waarschuwt er echter voor dat een strikte meritocratie niet wenselijk is. Klasseloze samenlevingen, zoals de Sovjet-Unie, willen weleens uit de hand lopen. En er zijn meer bezwaren.
Perhaps it is best that the distance between prestige and merit never closes completely, that the two never become congruent. If it did, prestige would go only to the brave, the smart, and the beautiful. People who were born ungifted, unbeautiful, unlucky — that, I’m afraid, includes the most of us — would have no opportunity to share in prestige.Daarna verandert Snobbery in een catalogus die bepaalde vormen van snobisme exploreert. Zoals daar zijn: snobisme met betrekking tot iemands opleiding. Dit is de overtuiging dat alleen de juiste scholing kinderen perfect gelukkig en succesvol maken. Hoogopgeleide ouders willen doorgaans dat hun kroost ook gaat studeren. Of denk aan het gefnuikte tennistalent dat zijn dochter van jongsaf op tennisschool doet. Dit soort snobs wil excellereren via zijn kind.
Vroeger, voor de Tweede Wereldoorlog, hadden kinderen van rijkelui van thuis uit al de juiste connecties en toekomstperspectieven, en toch werden ze naar Harvard, Yale of Princeton gestuurd. Na de oorlog werd het inschrijven in een college democratischer (door de Scholastic Aptitude Test) en daarmee een sine qua non voor wie vooruit wou. Toch werd het snobappeal van Amerikaanse topuniversiteiten niet minder groot, meldt Epstein, "hoewel iemand daar makkelijk kan afstuderen zonder ook maar een vreemde taal te hoeven beheersen, of iets te weten van oude geschiedenis of filosofie".
Mode is een paradoxale vorm van snobisme. Mode behelst het onoplosbare dilemma van iemand die zich wil onderscheiden door helemaal in te zijn. Een modetrend gaat vroeg of laat tenonder aan zijn eigen succes, wat de grote William Hazlitt deed besluiten: "Thus fashion lives only in a perpetual round of giddy innovation and restless vanity." Misschien is de uitspraak van Lichtenberg wel toepasselijk op modeontwerpers, waar die zei dat bepaalde mensen geen talent hebben, behalve dan het talent om de geest van de tijd aan te voelen, te weten wat andere mensen aanspreekt.
Volgt: name-dropping. Dit is de handigheid om je eigen superioriteit aan anderen diets te maken door je persoonlijke bekendheid met beroemde namen rond te strooien. Daarbij geldt dat er in elk milieu — sport, showbusiness, kunst, filosofie, het zakenleven — andere namen zijn die het goed doen. Epstein wijdt ook enkele bladzijden aan het fenomeen celebrity, dat door Daniel Boorstin gedefinieerd werd als "a person who is well known for his well-knownness". Niemand zal het ontkennen: anno 2010 zijn het onderhouden van reputaties en het uitbouwen van netwerken nog steeds springlevende kunstvormen. Epstein voorzag in 2003 al de aantrekkingskracht van Facebook:
Certainly it is if I am even roughly correct in the following one-sentence history of social power in the United States: It used to be who you were, then it was what you did, then it was what you had, then it was whom you knew — and now it’s beginning to be how many people know you.

Afbeelding via Flickr onder een Creative Commons licentie
Waarna Epstein nog enkele amusante, maar ook wel vrijblijvende hoofdstukken in petto heeft. Eentje gaat over landensnobisme: anglo-, franco-, germano-, russo- en andere filieën. Voor Amerikanen in de negentiende eeuw was Europa het van het. Negentiende-eeuwse Russen waren dan weer tuk op Frankrijk. De Fransen keken met jaloezie naar Engeland.
Een ander hoofdstuk gaat over culturele snobs. Deze lui vinden het belangrijk de grote schrijvers van het moment te kennen, de juiste kunststroming aan te hangen en vreemdtalige auteursnamen correct uit te spreken. De culturele snob die zweert bij onversneden cultuur is echter steeds meer aangewezen op het verleden, nu ook de beste schrijvers en muzikanten commercie en publiciteit omarmen. De extreme variant van cultureel snobisme heeft V.S. Naipaul allicht het best onder woorden gebracht:
The melancholy thing about the world, is that it is full of stupid and common people, and the world is run for the benefit of the stupid and the common.Een volgend chapiter gaat over wat je culinair snobisme zou kunnen noemen. Dedain van fijnproevers voor junkfood, van vegetariërs voor vleeseters, van wijndrinkers voor drankorgels. Hé, waarom worden spaghetti en macaroni ineens pasta genoemd?
On-the-job training
Eerder in zijn boek had Epstein al uitgewijd over georganiseerd snobisme. Over service clubs (Rotary, Kiwanis, Lions, Elks, Moose) en groeperingen als The Café Society, The Four Hundred, The Smart Set en Wasp. Het verdict: "Clubs are as much about keeping people out as joining them together."
Zelf maakte Epstein kortstondig deel uit van de Tavern Club, om tot de conclusie te komen dat lidmaatschap an sich hem niet interesseert. Epstein is naar eigen zeggen slechts vatbaar voor één soort snobisme: intellectueel snobisme. Zo iemand heeft de neiging rede boven emotie te stellen, idee boven werkelijkheid, esprit boven lichamelijkheid. Intellectueel snobisme verschilt echter van andere varianten in het feit dat ze goeddeels leunt op eigen verdiensten.
In intellectual life, everyone begins as a novice. Some have the slight advantage of being brought up in bookish homes, although in America, for some reason, the most impressive intellectuals seem to have been brought up in homes were culture played almost no part; perhaps it was the absence of culture that increased their hunger for it. But turning oneself into an intellectual is all on-the-job training. From learning correct pronunciation to acquiring cultural literacy to becoming adept at playing with ideas to discovering which ideas, personages, issues are more important than others — for all these things there are no schools, no self-help booklets, only one’s own mental energies, love of the life of the mind, greed for that loose collection of knowledge that comes under the baggy-pants category known as the cultural.En kijk, een passage als deze illustreert mooi wat veel lezers ergert aan Snobbery: Epstein die zijn eigen snobismes erkent, maar even slinks als een Rousseau zijn zonden bekent. Soit. Ik kon het wel hebben, omdat ik denk dat Epstein gewoon eerlijk is.
Zelf nam ik Snobbery te baat om na te denken over de voorkeuren waar ik me misschien iets te graag laat op voorstaan. En ook: waar die vandaan komen. Orwell noemde zichzelf lower-upper-middle class, en allicht gaat zoiets evenzeer op voor mij. Ik kom uit een arbeidersgezin, maar wel eentje dat als een middenklassegezin bovenmatig veel belang hechtte aan goed fatsoen en noeste arbeid. Mijn ouders waren gewone werkmensen, jawel, maar ze hadden de neiging me op een aristocratische manier te bedienen en ze lieten me alle tijd om me intellectueel te ontwikkelen.
Al die tegenstrijdige invloeden hebben me allergisch gemaakt voor milieutjes, groot of klein, waarin de leden elkaar voortdurend bevestigen in hun visies en vooroordelen. Dat is positief. Maar ik heb er ook een onredelijk misprijzen voor het zakenleven aan over gehouden, en ik heb nog steeds de neiging mensen te minachten die geld verdienen met producten waarvan ze goed weten dat ze niet deugen. Vroeger was ik een vreselijk muzieksnob, die het punk-ethos hoog in het vaandel dacht te hebben en neerkeek op filistijnen die het maar vanzelfsprekend vonden de vruchten van het rijke westen te mogen plukken. Ik heb er jaren over gedaan om in te zien dat het bijeengaren van geld en goederen wel degelijk gelukkig maakt.
Volgend jaar veel meer Epstein, die nog enkele boeken heeft gewijd aan grote emoties. Omdat ik ondertussen ook Simon Schama en Peter Conrad heb gelezen, kan ik stilaan een mooi lijstje aanleggen met auteurs die de cultuurgeschiedenis van een idee of sentiment beschreven hebben. Het is een genre dat me steeds meer ligt.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> integrale bibliografie in de commentaren hieronder
> ook op Achille: Snobisme voor beginners - Oscar van den Boogaard
Joseph Epstein, Snobbery, the American version
288 p.
Uitgeverij Mariner Books, 2003
Topics:
De etymologie van het woord snob: 13-
Mencken over democratie en aristocratie in de VS: 32-
High society in de VS: 47-
De invloed van homoseksuele joden als smaakmakers: 162-
Mode en status: 172-
Landensnobisme: 203-
Culinair snobisme: 215-
____

3 reactie(s):
Democracy – Henry Adams
The education of Henry Adams
The end of fashion – Agins
I’ve seen the best of it – Alsop
The biographer’s moustache – Amis
Money – Amis
Experience – Amis
Who killed society? – Amory
Turn of the century – Andersen
The table talk of W.H. Auden
Pride and prejudice – Auden
Sense and sensibility – Auden
Persuasion – Auden
The protestant establishment – Baltzell
Park city – Beattie
Alcibiades – Benson
First childhood – Berners
Distinction – Bourdieu
The frenzy of renown – Braudy
The way of the wasp – Brookhiser
Bobos in paradise – Brooks
The rise and fall of class in Britain – Cannadine
The book of the courtier – Castiglione
The letters of Lord Chesterfield
What price fame? – Cowen
Joe DiMaggio : the hero’s life – Carmer
The secrets of Gotha – Diesbach
Sister Carrie – Dreiser
Jenny Gerhardt – Dreiser
An American tragedy – Dreiser
The way we lived then – Dunne
Tender is the night – Fitzgerald
Luxury fever – Frank
The fashionable mind – Fraser
Scens from the fasionable world – Fraser
Abroad – Fussell
Misia – Gold
The mind-body problem – Goldstein
The art of snobbery – Griffin
Taste and the antique – Haskell
The princess Casamassima – James
The portrait of a lady – James
Hawthorne – James
French lessons – Kaplan
The big test – Lemann
Between meals – Liebling
The life of John O’Hara – MacShane
Fasion – McDowell
Talking proper – Mugglestone
Tradition – Nisbet
Appointment in Samarra – O’Hara
Ten North Frederick – O’Hara
Collected stories – O’Hara
The status seekers – Packard
The evolution of the snob – Perry
Etiquette in society, in business, in politics, and at home – Post
Dance to the music of time – Powell
Rembrance of things past – Proust
The economics of taste – Reitlinger
The sorcerer’s apprentice – Richardson
Susan Sontag : the making of an icon – Rollyson en Paddock
Lies – Rorem
Historical memoirs, 1691-1715 – Saint-Simon
Soliloquies in England – Santayana
Nobrow : the culture of marketing, the marketing of culture – Seabrook
Journal 1935-1944 – Sebastian
Ordinary vices – Shklar
George Santayana : literary philosopher – Singer
The book of snobs – Thackeray
Vanity Fair – Thackeray
Democracy in America – Tocqueville
Domestic manners of the Americans – Trollope
The liberal education of Charles Eliot Norton
Everybody was so young – Vaill
The theory of the leisure class – Veblen
The Andy Warhol diaries – Warhol
A handful of dust – Waugh
The diaries of Evelyn Waugh
The letters of Evelyn Waugh
The saga of society – Wecter
The clustered world – Weiss
A backward glance – Wharton
The house of mirth – Wharton
The age of innocence – Wharton
Diana Cooper – Ziegler
In dat geval kan ik u misschien ook de boeken van William Ian Miller aanraden, bijvoorbeeld The Anatomy of Disgust, of On Humiliation, of The Mystery of Courage, of Faking It, of An Eye for an Eye (over wraak). Miller is wel wat zwaarder op de hand dan Epstein, hij schrijft ook academischer, maar hij is benijdenswaardig erudiet, en heeft lak aan specialisatie. (Hij is hoogleraar recht en specialist van de Ijslandse saga's.)
Een bespreking (uit TLS) van Faking It staat hier:
http://www.powells.com/review/2004_03_14.html
En hier vind je een idee van The Anatomy of Disgust:
http://www.salon.com/feb97/sneaks/sneak970226.html
Dank, veel dank.
Een reactie plaatsen