Het kind in het Westen - Hugh Cunningham
Wie geschiedenisboeken leest, weet: niets is vanzelfsprekend. Eeuwenlang leek de kindertijd nauwelijks op die van tegenwoordig. Ouders hechtten meer belang aan het zieleheil van hun kroost dan aan onderwijs. Kinderarbeid was volstrekt normaal, en zeer belangrijk voor de productie-eenheid die het gezin was. School leek alleen voor welgestelde jongetjes weggelegd. Vondelingen, straatboefjes en wiegedood waren de gewoonste zaak van de wereld.
De meeste ingrediënten die wij als een moderne opvatting over de kindertijd beschouwen (een afhankelijk, goed beschermd kind, afgezonderd van de wereld van de volwassenen), zijn een erfenis van de romantiek. Hervormers uit de achttiende en vroege negentiende eeuw stonden voor het eerst een opvoeding voor die recht deed aan het kind als kind, niet het kind als vrome volwassene in spe, of als potentiële arbeidskracht. Het was ook in diezelfde periode pas, dat regeringen een belangrijke rol kregen in de onderwijsvoorziening, waarvan het initiatief zeer lang bij kerken en later bij leken had gelegen.
Typisch twintigste-eeuws zou alleen het uitstel van de verantwoordelijkheden worden van het kind. Kinderen hoeven niet zo nodig meer iets, en zijn voor de ouders een soort knuffelberen geworden tot ze het huis uitgaan. Ondertussen maken psychologen zich al honderd jaar onmisbaar door van opvoeding een hallucinant-ingewikkelde discipline te maken. Het kind in het Westen stelt onomwonden dat de psychologie aan het begin van de twintigste eeuw als beroep voet aan de grond probeerde te krijgen, en hierbij enorm werd geholpen doordat onderwijsdeskundigen een methode zochten om leerlingen te kunnen beoordelen.
Opmerkelijk, zo leer ik uit de inleiding van dit boek: de geschiedenis van het kind is pas de laatste veertig jaar goed op gang gekomen. Een eerste aanzet werd gegeven door Philippe Ariès, die de boude stelling poneerde dat er in de middeleeuwen niet zoiets bestond als een 'kindertijd'.
Een van zijn inspiratiebronnen was de grote socioloog Norbert Elias, die in zijn hoofdwerk Het civilisatieproces onder meer had geconcludeerd dat de afstand in het gedrag tussen kinderen en volwassen toeneemt naarmate het dat proces voortschrijdt. (Elias noemde civilisatie de mate waarin de instincten werden beheerst, iets wat in de middeleeuwen nog maar nauwelijks op gang gekomen was.) Dit idee werd verder uitgewerkt door Ariès, die een nogal romantisch beeld had van de middeleeuwen en gekant was tegen wat hij als de benauwende aard van het moderne gezinsleven beschouwde.
De Britse historicus Hugh Cunningham somt in zijn monografie de kritische reacties op van de historici die zich na Ariès met hetzelfde thema bezighielden: Lloyd de Mause, Edward Shorter, Lawrence Stone, Michael Anderson, Linda Pollock, Keith Wrightson en Ralph Houlbrooke. Over het algemeen leggen deze historici veel meer de nadruk op continuïteit. De kindertijd heeft altijd al bestaan, punt. En wat meer is: zij situeren de verandering van mentaliteit (naar een meer beschermende opvoeding) later dan de zeventiende en achttiende eeuw — het tijdperk van de moralisten die Ariès zo stoorden. Ze zien de warme moederliefde bij uitstek als een uitvinding van de moderne tijd.
Dat kat en muis-spel van historici maakt Het kind in het westen minder leesbaar dan had gekund. Cunningham brengt ook in de rest van zijn boek soms te weinig verhaal, en te veel literatuurstudie. Hij investeert vaak alinea's lang in een theorie, om dan doodleuk te vertellen dat die achterhaald is. Waar de bezwaren en voorbehouden dan vandaan komen, is niet oninteressant, en zegt veel over de methodologie van geschiedkundigen, jazeker, maar het houdt het lezen zo op bij een onderwerp dat maar matig boeit.
Eigenlijk interessseert de vraag 'Hielden ouders vroeger van hun kinderen?' Cunningham niet zo. Liefde van de ouders voor het kind neemt in de loop der tijd steeds andere, en soms voor ons onherkenbare vormen aan. Slechts één voorbeeld: moderne vrouwen die zich niet lekker voelen omdat hun kind elke morgen de crèche in moet, vinden het vast interessant om te weten dat het in de middeleeuwen heel gewoon was dat moeders hun kind uitbesteedden aan een min.
Cunningham is voorzichtig met gevoelens en sentimenten. Want niets is zo moeilijk als de geschiedenis van de privésfeer. Wat er van het verre verleden overblijft zijn fragmentarische bronnen (dagboeken, autobiografieën, brieven, testamenten) en een paar overblijfselen uit de stoffelijke cultuur van die tijd (grafzerken, speelgoed, schilderijen). En dit geldt dan nog alleen voor geletterde en vermogende mensen. Er bestaan eenvoudig geen bronnen aan de hand waarvan we met enig vertrouwen kunnen schrijven over het gevoelsleven van gezinnen uit de gewone bevolking.
De auteur kiest voor een andere aanpak. Is meer geïnteresseerd in de perceptie van de kindertijd. Die is makkelijker te achterhalen: door contemporaine adviesboeken te lezen, het gedrag van filantropen en bestuurders te ontleden, en te kijken hoe belangrijk de rol van het onderwijs in een bepaalde periode werd geacht. Daarover kan Cunnigham kort zijn: voor de overgrote meerderheid van de bevolking was er nooit enig onderwijs. De relatief korte kindertijd (tot het achtste, tiende, twaalfde levensjaar,naargelang) werd eeuwenlang gezien als een geleidelijke inwijding in de wereld van het volwassen werk.
Cunningham bestudeert daarnaast welke rol de kindertijd in een bepaalde samenleving speelt bij de verklaring van de wereld als geheel. Is de overgang van kind naar volwassenheid er een van primitiviteit naar ontwikkeling? Of een van onschuld naar corruptie?
In tegenstelling tot Ariès' opvatting — wiens De ontdekking van het kind nu wel heel onaantrekkelijk staat te staan op mijn boekenplank — is ook voor Cunningham continuïteit de sleutel tot de middeleeuwen en de zestiende en zeventiende eeuw — toen vooral het christendom zijn stempel drukte en ijverde voor een godsvruchtige opvoeding. Pas met de ontwikkeling van een wereldlijke visie op het kind en de kindertijd in de achttiende eeuw zette een periode van verandering in.
Zo maakte de industriële revolutie en de vaak daaruit voortkomende kinderarbeid (en dus kinderwerkloosheid) de arme kinderen wel heel erg zichtbaar. Hervormers en filantropen lieten zich horen. Ze stonden erop dat het kind weer kind mocht zijn. Langzaam, heel langzaam, wilden de overheden daarin mee. De leerplicht werd zelfs ingevoerd, al had dat in eerste instantie niet zozeer met kinderbescherming van doen, als wel met het groeiend besef van de jonge natiestaten dat goedopgeleide kinderen kostbaar kapitaal waren.
Het mooie van Het kind in het westen is de manier waarop de auteur toont hoe sterk economische verandering de plaats van het kind beïnvloedt in de samenleving. Waarmee dit boek meteen pedagogische salonfilosofie à la Rousseau relativeert. Praktische zaken zijn zo belangrijk. Neem alleen al de verschuiving van het leven op straat naar een leven thuis, door verbeterde woonomstandigheden: dit bracht ouders en kinderen ook figuurlijk dichter bij elkaar en temperde de noodzaak tot autoritair gezag. Ander voorbeeld: toen kinderen hun economische waarde verloren, konden ouders andere redenen verzinnen om hun kroost de appreciëren: als individu an sich.
De belangrijkste alinea van het boek lijkt mij deze te zijn, waarin Cunningham de periode 1500-1900 samenvat:
Aan het begin van deze periode bestond de kindertijd voor de meeste kinderen vanaf ongeveer zeven jaar uit een geleidelijke inwijding in de wereld van het werk der volwassenen. Aan het einde ervan was in bijna elk land voor alle kinderen de leerplicht ingevoerd. Veel geschiedkundigen zien verplicht onderwijs als het eindpunt van een reis, die kinderen en de rest van het gezin van een boereneconomie vaak via een proto-industriële tot een industriële economie had gevoerd. Elk van deze economieën vereiste een andere gezinsstrategie, en dientengevolge een andere rol van kinderen. Het belang van de leerplicht, en van de successieve uitbreiding ervan naar een hogere leeftijd, was dat het moment waarop kinderen een economische aanwinst voor hun familie konden worden, verschoven werd naar de verre toekomst, of voorgoed werd uitgesteld.Nu is kinderarbeid in het westen uiterst zeldzaam geworden. Tegenwoordig is het zo dat economische goederen hier veeleer van de ouders naar de kinderen stromen in plaats van andersom. Al blijft de maatschappij in het algemeen uitstekend verdienen aan kinderen. Vroeger als goedkope werkkracht, heden ten dage als machtige consument. De media en bedrijfswereld weten hoe belangrijk jeugdige doelgroepen zijn, tot grote ergernis van cultuurpessimisten die opperen dat het kind geen kind meer kan zijn. Waarmee de cirkel met de romantische hervormers rond lijkt.
Een van de verbazingwekkende feiten uit het boek blijft de hoge zuigelingensterfte, die tot heel recent aanhield. Pas vanaf de allereerste jaren van de twintigste eeuw daalden de sterftecijfers eindelijk. Voor de helft van de Europese landen ligt het inmiddels onder de 20 op 1000 kinderen. Alleen al door deze daling onderscheidde de twintigste eeuw zich volledig van de rest van de geschiedenis van de mensheid.
Wat ik ook niet wist, is dat de kerk zoveel invloed heeft gehad op het ontstaan van zoiets als het kerngezin (het gezin = ouders+kinderen).
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Hugh Cunningham, Het kind in het Westen : vijf eeuwen geschiedenis
287 p.
Uitgeverij Van Gennep, 1997
Oorspr. Children and childhood in western society since 1500 (1995)
Vertaald door Anja van den Tempel

Afbeelding via Flickr, onder een Creative Commons licentie
Samenvatting, overwegend aan de hand van de kernzinnen van het boek:
Het kind en de kindertijd in het Europa van de oudheid en de middeleeuwen
In de vroeg-moderne en moderne periode vonden opvattingen over de kindertijd en kinderopvoeding voedsel in twee bronnen: de klassieke traditie en het christendom. De praktijk werd beïnvloed door de kinderopvoeding in de middeleeuwen.
De klassieke erfenis
Tijdens de Renaissance ontstond een hernieuwde belangstelling voor de klassieke wereld. Dus is het antwoord belangrijk op de vraag: wat waren de denkwijzen en gebruiken van de Grieken en Romeinen inzake kinderen? Het woord 'baby' bestond immers niet bij de Romeinen, en 'infans' (niet sprekend) en 'puer' (misschien van puri, geen dons op de wangen) sloeg eerder op een toestand dan op een leeftijd.
Kort en goed: de Romeinen benadrukten de voortplanting en de instandhouding van het gezin als doel van het huwelijk en van seksuele betrekkingen. Kinderen moesten in de eerste plaats goede burgers worden. Kinderen speelden, evenals vrouwen en slaven, in de samenleving geen rol van betekenis, deels omdat ze waarschijnlijk zouden overlijden voordat ze volwassen werden. Zij stonden dichter dan volwassenen bij een andere wereld, die van de goden. Voor zover kinderen ter sprake komen in de bronnen, worden zij beschouwd in termen van hun tekortkomingen, de volwassen eigenschappen die hun ontbreken.
De teneur van recent wetenschappelijk onderzoek nuanceert niettemin de grimmigheid van enkele welbekende Romeinse praktijken. Infanticide wordt nu bijvoorbeeld als een marginaal verschijnsel gezien. Het grote aantal vondelingen lijkt ook vreselijker dan het in werkelijkheid was. Zeker, niets in de Romeinse wetgeving verbood het verlaten of verkopen van kinderen. Veel kinderen, waarvan een hoog percentage slaaf was, werden dan ook te vondeling gelegd. Maar echtparen die geen kinderen konden krijgen, waren wellicht blij om zich zo’n vondeling te kunnen toeëigenen.
Een andere erfenis van de Romeinse wetgeving is het principe van patria potestas: de oudste levende man in het gezin had verreikende bevoegdheden over zijn nakomelingen, ongeacht hun leeftijd of verblijfplaats. Maar alleen in uitzonderlijke situaties werd gebruik gemaakt van het recht op leven en dood. Het stond geen warme relatie tussen vader en kind in de weg.
Christendom
Het christelijk geloof dat elk menselijk wezen behoefte heeft aan verlossing, bracht onmiddellijk een hogere status voor jonge kinderen met zich mee. Had God zijn eigen zoon niet geofferd? Kinderen moesten zo snel mogelijk bewust gemaakt worden dat ze een ziel hadden. Volgens de joodse traditie was infanticide voor christenen moord, in tegenstelling tot de Grieken en Romeinen. Te vondeling leggen werd minder hard beoordeeld. Kinderen kregen de opdracht te gehoorzamen, vaders de roede niet te sparen. Spanningen in opvattingen bereikten een kritiek punt in de figuur van Augustinus, die dacht dat mensen met de erfzonde van Adam geboren waren.
De middeleeuwen
Shahar en niet Ariès (die dacht dat tussen kinderen en volwassenen geen echte grenslijn stak) is de gezaghebbende bron over deze periode geworden. Zij schetsts een genuanceerd en zeker niet gevoelloos beeld. Er werd gerouwd om overleden kinderen in de middeleeuwen. En er bestonden een grote hoeveelheid theorieën op het terrein van zwangerschap, bevalling, zuigelingenvoeding, het spenen en de opvoeding. Spel werd gezien als belangrijk voor de juiste groei en ontwikkeling van het kind. Aanzienlijke hoeveelheid medische geschriften over kinderziekten werden ontleend aan klassieke en Arabische bronnen. Vanaf dertiende eeuw predikershandboeken met voorbeeldpreken over de kindertijd, het belang van scholing en gematigd strafbeleid.
Onderverdeling in verschillende stadia. Infantia, de eerste zeven levensjaren. Pueritia, tot twaalf of veertien jaar, waarin vaders voor hun zoons en moeders voor hun dochters verantwoordelijk waren. Voor de overgrote meerderheid van de bevolking was er geen onderwijs, maar werden ze geleidelijk ingewijd in de wereld van het volwassen werk. In middeleeuwse huizen was er sowieso weinig privacy, zodat kinderen op die manier in het gemeenschapsleven en volwassen processen deelden. School was voornamelijk het opleidingsinstituut van de geestelijke stand.
In de middeleeuwen begon het gezin een voor ons herkenbare structuur aan te nemen. In de wereld van de oudheid omvatte een familia slaven en anderen niet-verwanten, in het gareel gehouden door een vader die niet gezien werd als deel van dat geheel. De christelijke eis van exogamie en monogamie en de macht van de kerk op het huwelijk, begonnen er samen met de vereenzelviging van een bepaalde familie met een bepaald stuk land voor te zorgen dat het gezin niet slechts een economische eenheid werd, maar ook een plek voor genegenheid en gevoelens. In de veertiende een vijftiende eeuw begon men, geteisterd door pest en belastingdruk, het gezin te zien als toevluchtsoord tegenover een vijandige buitenwereld. Vanaf de leeftijd van acht tot twaalf waren kinderen vaker onafhankelijk van hun ouders en gingen zij aan het werk.
De ontwikkeling van een burgerlijke ideologie over de kindertijd, 1500-1900
Humanisme
Het gezin weerspiegelde in humanistisch Italië de staat en omgekeerd: het werd bepaald door harmonieuze verhoudingen en door mannen gedomineerd. Breuk met de middeleeuwen: de relatie tussen vader en kind wedijverde met die tussen moeder en kind en werd zelfs de meest intense relatie. Tweede verandering: nadruk op het leren en de vader die daarin de belangrijkste rol speelde.
Erasmus bracht een aantal jaren in Italië door. Schreef Latijnse boeken over opvoeding en onderwijs, gebaseerd op deskundigen uit de oudheid en verweven met eigen inzichten. Nadruk op onderwijs (vooral voor zonen) in vroeg stadium, in plaats van verwennerij. Erasmus vergeleek een kind met een kneedbaar stuk was. Moeder krijgt vooral een verzorgende functie toebedeeld. Onderwijs met aanmoediging en spelelement. Kritiek op de scholen die tot martelkamers waren geworden (lijfstraffen). Let wel: Erasmus was een christelijke humanist; het belangrijkste onderdeel van de vorming was het inplanten van het zaad van de vroomheid in de tere hartjes van kinderen.
Erasmus werd snel vertaald in alle belangrijke Europese talen en oefende veel invloed uit op katholieken én protestanten (die eerder de bijbel als vertrekpunt namen, maar tot gelijklopende conclusies kwamen). Het gezin als microkosmos van kerk en staat. De opvoeders-analogieën in de handboeken gaan niet over spontane groei, maar over hovenierskunst. In protestantse literatuur is de erfzonde veel belangrijker dan bij Erasmus. Gedrukte catechismussen, met een spel van vraag en antwoord. Vader belangrijk bij protestanten (door de afwezigheid van het gezag van de priester als bemiddelaar tussen God en de mens).
Het vrome huishouden was het fundament voor de goede orde in kerk en staat; de school bouwde daarop voort. En hoewel puriteinen het onderwijs slechts waardeerden voorzover dit vroomheid bevorderde, aanvaardde zij zonder al te veel vragen het klassieke onderwijsprogramma van de humanisten. Zij stichtten zelfs nieuwe scholen en kozen zorgvuldig hun schoolmeesters. Toenemend behagen in het hebben van kinderen. Ouders rouwden, ook in tijden van hoge kindersterfte.
Katholicisme
Humanistische invloed nog belangrijker dan bij de protestanten, gezien de oorsprong van het humanisme in het katholieke Italië lag. Katholieken waren minder zelfonderzoekend dan de protestanten; ze lieten hun kinderen dopen en maakten zich niet zo druk over de erfzonde. Katholieke handboeken wijzen op de verantwoordelijkheden van ouders. Tussen de zestiende en achttiende eeuw een verschuiving naar het ideaalbeeld van het gezin als een plaats voor liefhebbende gevoelens.
Binnen het katholicisme werden scholen machtscentra die het gezin vaak in gezag naar de kroon staken en het dreigden te verdringen. De jezuïeten in de late zestiende en zeventiende namen het voortouw met het stichten van kostscholen, waar jongens van gelijke leeftijden een leven van strenge tucht leiden. Port-Royal van Jacqueline Pascal.
De achttiende eeuw
Onmiskenbare tijd van vooruitgang voor het kind. Een gevoeligheid ten aanzien van het kind en de kindertijd. De geschriften van Locke, de romantische dichters, en Rousseau als middelpunt. "Kinderen kunnen samen met slaven en dieren worden aangemerkt als de ontvangers van het sentimentalisme en de filantropie die kenmerkend waren voor de tweede helft van de achttiende eeuw." (In de eerste helft van de negentiende eeuw zou er een periode van teruggang zijn, waarin de ouder-kindrelatie formeler werd, waarna in de tweede helft van de negentiende eeuw de opvatting zegevierde dat de kindertijd niet alleen een afzonderlijke levensfase was, maar ook de beste.)
Verwereldlijking van de houding tegenover het kind. Mensen bleven christenen, maar het christendom werd een minder allesoverheersende verklaring voor natuurlijke verschijnselen en leidraad voor daden. Afname van het geloof in de erfzonde. De mens wordt stilaan gezien als een met rede begiftigd wezen en een vermogen tot ontwikkeling en groei, met als stuwende kracht eerder de natuur dan God. Opvoeden wordt meer een kwestie van luisteren naar de natuur. Toenemende mate van privacy en comfort in het gezinsleven van de burgerklasse en de gegoede burgerij. De gemeenschap en de familie verloren hun functie van scheidsrechter bij morele kwesties.
De geschriften van Locke werkten een erkenning in de hand van de individualiteit van elk kind. Al legde hij wel degelijk nog de nadruk op het algemene doel: een volwassene voort te brengen die zich schikte naar de rol die van iemand in zijn positie verwacht werd. God speelt nauwelijks een rol bij Locke.
Rousseau (Émile, ou De l'éducation) erkende Locke als zijn voorganger, maar vond dat hij altijd de volwassene zocht in het kind, zonder te bedenken wat een mens hij is vóór hij volwassen wordt. Rousseau was vastbesloten een kind radicaal als kind te beschouwen. Borstvoeding, onderricht zoveel mogelijk vermijden, leren uit ervaring. Hij wijst erop dat vele kinderen jong sterven en zich dan hun hele leven voorbereiden op een volwassenheid die ze nooit bereiken. Weemoed naar de kindertijd, de beste tijd van het leven. Let wel: zijn held is een jongen. De man moet actief en sterk zijn, de vrouw passief en zwak.
Velen uitten kritiek op Rousseau, wiens opvoeding vaak ook echt rampzalige gevolgen had. Bedreigingen voor zijn opvattingen: bij de puriteinen nog steeds nadruk op de erfzonde; evangelische herleving aan het eind van de achttiende eeuw; Franse en Engelse moraliserende literatuur voor kinderen; educatief speelgoed.
Hoe dan ook, met de romantiek herkregen moeders het gezag dat zij in de middeleeuwen hadden gehad. Kinderopvoeding werd een gelegenheid voor vrouwen. De kindersterfte daalde onder meer door die verhoogde zorgzaamheid. Opkomst van een speciaal soort literatuur voor kinderen, een wereldlijker alternatief voor de catechismussen. Madame Le Prince de Beaumont. Arnaud Berquin. Kinderen dragen op schilderijen voortaan kinderkleren.
De romantische dichters vervloekten de utilitaire opvoeding en promootten volksboeken over toverij, heldenmoed, slimheid en fantasie. Terwijl voor Rousseau de natuur een leermeester was, is voor Wordsworth de natuur een symbool voor morele rechtschapenheid en schoonheid. Kinderen werd een helderder inzicht in schoonheid en waarheid toegeschreven dan volwassenen. Wordsworths Ode on intimations of immortality from recollections of early childhood werd even invloedrijk als later Freud. Romantische gevoeligheid ten aanzien van de kindertijd tussen 1860 en 1930. Jurken tot op de knie, lange witte broeken en kortgeknipt haar moesten het seksuele onverscheid verhullen. Idealisering van het geslachtsloze kind.
Toch moeten we de beperkingen van de invloed van de romantiek onderkennen. Veel werkte alleen als fantasie bij volwassen mannen uit de burgerklasse, die in de praktijk weinig te maken hadden met de dagelijkse beslommeringen rond de opvoeding van de kinderen. De romantiek gaf wel principes, maar geen concrete handleiding voor moeders — die overigens vooral bezig waren met de vraag hoe hun kinderen in leven konden blijven (hygiëne). De romantiek had vooral invloed op het feit dat de kinderen in contact mochten komen met fantasierijke literatuur en op het feit dat de kindertijd heilig werd verklaard; het kind was niet langer het zondige schepsel van bij de puriteinen.
Gezin, werk en school, 1500-1900
Het boerengezin
In Noord- en Midden-Europa was het uit twee generaties bestaande kerngezin (ouders en kinderen) met een afzonderlijk huishouden de norm. In Zuid- en Oost-Europa kwamen huishoudens met meerdere generaties vaker voor. De opkomst van het kerngezin is goeddeels het gevolg van de macht van de middeleeuwse kerk, die aan het huwelijk regels van monogamie en exogamie verbond.
Grondbezit oefende een enorme invloed uit op de samenstelling van het gezin. Kinderen werden beschouwd als potentiële arbeidskrachten en erfgenamen van het land. Er moest voldoende landarbeid zijn, dus mochten er niet te veel kinderen komen: laat trouwen, en baby’s spenen (anticonceptie). Agrarische economie seizoensgebonden: onderwijs in de wintermaanden. Deelbare vererving: land verdeeld onder de nog levende kinderen. Ondeelbare vererving: land naar oudste zoon.
Proto-industrialisatie
Seizoensgebonden werk verschafte ruimte voor ander werk gedurende de rest van het jaar, vaak door migratie. In de zeventiende en achttiende eeuw kwam het steeds vaker voor dat het huishouden het middelpunt van industriële productie werd. Hierdoor hoefden men het kindertal niet te beperken en namen huwelijken op jonge leeftijd toe, zonder dat veel kapitaal nodig was. Plattelandsindustrieën konden een deel van het overschot aan beschikbare kinderarbeid opnemen.
Industrialisatie
De reacties uit de gegoede burgerij op de proto-industrialisatie waren gunstig. Er werden zelfs werkscholen opgericht, om jong arbeiderskapitaal te sturen. Industrialisatie werd door de arbeidersgezinnen zelf evenwel niet meer als een voordeel gezien, laat staan als een keuzemogelijkheid: lange uren in ongezonde fabrieken uit pure noodzaak. Het kindertal nam toe. Het gezin was de spil, de overlevingseenheid. Industrieel werk bracht een vaste regelmaat met zich mee. De overgang van niet-arbeider naar arbeider verliep niet langer gefaseerd.
Demografie
Eén kind op de vier tot één kind op de vijf overleed voor de eerste verjaardag. Na het eerste jaar nam het sterftecijfer af, maar het kind bleef buitengewoon kwetsbaar. In bepaalde gebieden haalde bijna de helft van alle kinderen de leeftijd van tien jaar niet. Het te vondeling leggen was nauw verbonden met de beschikbaarheid van vondelingenhuizen (vaak afhankelijk van de armste zoogsters) en hun toelatingsbeleid. Het werd gezien als een uitbesteden op kosten van de staat: veel kinderen werden teruggehaald. Ook veel kinderen werden naar het platteland gestuurd om daar gedurende hun eerste levensjaar gezoogd te worden.
Hoewel zij in grote aantallen stierven, vormden kinderen een veel groter deel van de bevolking dan nu. Ergens tussen een derde en de helft van de totale bevolking was vermoedelijk jonger dan vijftien jaar. Dit demografische feit alleen maakte het haast onvermijdelijk dat van kinderen op jonge leeftijd al een bijdrage aan de gezinseconomie verwacht werd. Veel kinderen zagen bovendien één of beide ouders sterven voordat zij zelf volwassen waren. Veel wezen waren er echter niet: de langstlevende hertrouwde bijna altijd. In de twintigste eeuw worden gezinnen niet door de dood maar door echtscheiding uit elkaar gerukt. Broers en zussen verschilden veel meer in leeftijd dan nu het geval is en groeiden vaak niet op temidden van veel broers of zussen.
Voornamelijk tussen het dertiende en zestiende jaar gingen kinderen het huis uit. De meest gebruikelijke manier om de kindertijd te beëindigen was door bediende te worden, met een dienstverband van een jaar en kost en inwoning in het huis van de werkgever. Een andere populaire uitkomst was het leerlingschap. Onder invloed van de industrialisatie waren ouders minder geneigd hun kinderen het huis uit te willen, tenzij door ruimtegebrek.
Gemeenschap
Vermoedelijk was enige vorm van gezamenlijk opvoeden in de steden onvermijdelijk, aangezien de straat aantrekkelijker was dan de overbevolkte woning. Veel kinderbendes verstoorden de rust in de buurt. Er waren meer kinderen dan nu, en ze waren zichtbaar en hoorbaar.
Onderwijs
Enorme verschillen in aanbod. Het meest bevoorrecht waren in het algemeen de steden, protestantse gebieden, landbouwgebieden in het laagland boven die in het hoogland, jongens boven meisjes. In de eerste plaats godsdienstonderwijs. Catechismusles en bij protestanten bijbellezing en catechisatie. Zij leerden lezen, en konden zo de verordeningen van de staat begrijpen en volksboeken en almanakken lezen. School was ook een handige kinderoppas. Onderwijs was betalend en voor de armen, twintig procent van de bevolking, uitgesloten. Tijdelijke tegenspoed of kinderarbeid drukten het schoolbezoek. Ouders betaalden voor bepaalde vaardigheden: meer voor schrijven dan voor lezen. Kinderen gingen met tegenzin naar school.
Belang en gevoel
In deze vier eeuwen vormden huis, werk en school de context waarin kinderen leefden. In de moderne wereld hebben kinderen geen economische waarde en is het eenvoudig om aan te nemen dat alleen dankzij dit feit de liefde tussen ouders en kinderen mogelijk wordt. Twee dingen kunnen met enig vertrouwen worden gezegd: ouders waren niet gevoelloos en kinderen vereenzelvigden zich met de behoeften van het gezin.
Het kind, de filantropie en de staat in Europa, 1500-1860
Cullingham onderscheidt twee tijdsruimten: 1500-1750 en 1750-1860. Kenmerkend voor de tweede periode is de mate van betrokkenheid van centrale overheden. Maar in beide perioden waren er twee onderliggende kwesties die vrijwilligersorganisaties en regeringen ertoe dwongen een beleid ten aanzien van kinderen te formuleren en uit te voerern. De eerste kwestie betrof het feit dat er kinderen geboren werden die de ouders niet wilden of konden opvoeden, en niet alleen onwettige kinderen of wezen. De tweede kwestie betrof het onderwijs en een toenemend besef van de wenselijkheid om de hele bevolking hierin te betrekken.
Het kind en de armoede
Kinderen droegen een groot deel van de levenscyclus bij aan het probleem van de armoede in plaats van het te verlichten. Tussen 1500 en 1750 verschoof het initiatief voor liefdadigheid van de kerk naar de leken (weliswaar in overleg met de kerk). Tegen het eind van de veertiende eeuw hadden veel grote steden gespecialiseerde vondelingenhuizen. De meeste instellingen kunnen gezien worden als gemeentelijke instelilngen, vast geïntegreerd in de politieke, kerkelijke, sociale en economische structuren van elke stad; en gefinancierd uit verschillende bronnen, deels uit liefdadigheid, deels uit belastingen.
Daarnaast namen nationale overheden steeds vaker de leiding bij kwesties inzake de kindertijd, wat duidt op een toenemende morele beoordeling van de armen en een scherp besef van de economische gevolgen van moreel verval. In heel Europa ontstond een nieuwe, strengere houding ten aanzien van kindermoord. De kinderen die profiteerden van de bemoeienissen van de overheid werden regelmatig tijdens openbare gelegenheden voor het voetlicht gebracht, handig om fondsen te verwerven.
Onderwijs
De kerken raakten hun exclusieve taak in het onderwijs kwijt, zonder dat godsdienstonderwijs aan belang inboette. Onderwijs was ook goed voor de socialisatie, orde, discipline en het aanleren van zinvolle vaardigheden. Toch kregen regeringen pas in de achttiende eeuw een belangrijke rol in de onderwijsvoorziening; in de zestiende eeuw lag het initiatief bij leken en bij de kerken.
Zelfs in protestantste landen, door de ervaringen in de Duitse burgeroorlog, raakte men ervan overtuigd dat de nadruk moest verschoven worden van het huishouden naar openbare voorzieningen voor onderwijs. Luther drong in 1530 aan op invoering van de leerplicht door de overheid.
De jezuïeten, wier invloed op het onderwijs in deze periode nauwelijks kan overdreven worden, hielden zich bijna uitsluitend bezig met vervolgonderwijs. Basisonderwijs was in de landstaal; bij vervolgonderwijs lag de nadruk op het leren van het Latijn. Vervolgonderwijs was exclusief voor jongens van welgestelde gezinnen, om hen voor te bereiden op beroepen met aanzien.
1750-1860
Toename van de betrokkenheid van nationale overheden bij programma’s voor kinderen, zeker in landen met een verlicht absolutisme. Essai d’éducation nationale van La Chalotais, met als thema de enorme macht van het onderwijs om het volk te veranderen. Vele landen probeerden in de achttiende of aan het begin van de negentiende eeuw een systeem voor verplicht onderwijs in te voeren, maar in de praktijk was controle nog niet te organiseren. Overal bleven geestelijken de voornaamste leerkrachten, en de staat moest zich wel op hen verlaten.
Deels had de toenemende invloed van de overheid te maken met het falen van liefdadigheidsinstellingen, waarop Verlichtingsdenkers felle kritiek gaven ('wanbeheer'). De hoop dat vondelingen wellicht grootgebracht konden worden om het land te dienen, liep parallel aan een nog wijder verbreide opvatting dat het zowel onmiddellijk als op lange termijn voordeel zou opleveren om arme kinderen tot arbeid op te leiden. Industriëlen rekruteerden vroeger al uit weeshuizen, en men probeerde werkscholen op te richten om armenhuizen te ontlasten. Maar: de hoop op profijt werd nooit geheel vervuld. Er braken schandalen uit over mensonterende werkomstandigheden.
Bescherming van het kind, ca. 1830-1920
Deze periode moet afzonderlijk behandeld worden. Tot de negentiende eeuw was de aanpak tot stand gekomen vanuit zorg om de kinderziel of om de toekomstige behoefte van de staat aan arbeidskracht. Hervormers in deze nieuwe periode voegden daar een bezorgdheid bij: men wilde het kind het plezier van een kindertijd gunnen. In deze vorm van kinderbescherming speelde de filantropie een centrale rol: tehuizen, emigratieprogramma’s, kleuterscholen, maatschappijen ter voorkoming van wreedheid jegens kinderen, armenbezoek… op grotere schaal dan in vroeger eeuwen.
Er was confessionele rivaliteit maar belangrijker was de zendingsdrang om mensen te bereiken, "die in de sloppen van de nieuwe grote steden van een zich ontwikkelende industriële wereld even heidens leken als de ‘wilden’ van Afrika of Polynesië". Filantropen waren geen utopisten of revolutionairen, maar volgden de trend van de economische, sociale en politieke structuur van hun tijd. Vrouwen speelden een belangrijke rol en filantropen kregen een goede pers. De meeste ingrediënten die wij als een moderne opvatting over de kindertijd beschouwen (bescherming, afzondering, afhankelijkheid), waren reeds vóór 1880 aanwezig. Alleen het uitstel van de verantwoordelijkheden van het kind, ontbrak nog.
Kinderarbeid
In Groot-Brittannië was kinderarbeid in de industriële revolutie de eerste aanleiding om de nieuwe ideologie van de kindertijd in de beleidsvoering te betrekken. Er kwamen niet alleen leertijdwetten, maar men formuleerde ook het recht van kinderen om niet te werken — zeker toen de slavernij werd afgeschaft in de Britse koloniën. Dat was best lastig: jongeren waren essentieel voor de winstgevendheid van de industrie. Thuiswerk bleef evenwel moeilijk te controleren.
Straatkinderen
Straatkinderen waren, in tegenstelling tot kindarbeiders, een eeuwenoud probleem, en zeer zichtbaar in de grote steden. De vrijheid van dit leven had in rap tempo alle tekenen van de kindertijd in hen weggevaagd, volgens enkele opiniemakers. Deze ‘criminelen’ moesten weer kind gemaakt worden en geplaatst worden in een gezin.
De methode die sinds de vijftiende eeuw gehanteerd werd om vondelingen of misdadige kinderen aan te pakken, was hen in een inrichting te plaatsen. Vanaf 1830 werden op grotere schaal inrichtingen gebouwd voor allerlei soorten opvang van noodlijdende kinderen. Het was moeilijk om nog verschil te zien met instellingen bestemd voor wetsovertreders. Tucht stond aanvankelijk centraal. Later in de negentiende eeuw werden talloze pogingen gedaan om kinderen in een gesticht een zeker huiselijk leven te bieden. Plattelandskolonies.
Pas in de twintigste eeuw ontstond er afzonderlijk rechtssysteem voor kinderen, want voorheen werden zij pas ná hun veroordeling anders behandeld dan volwassenen. Het initiatief was afkomstig uit de VS. Men wou heropvoeden in plaats van straffen en een preventiebeleid voeren. Organisaties tegen kindermishandeling: Barnardo’s en SPCC’s.
Filantropie, de staat en het kind
Er kwam kritiek op filantropische instellingen omdat eenvoudig niet de gehele bevolking werd bereikt. De gedachte vatte post dat de kindertijd een terrein voor staatsbemoeienis werd en was gelinkt aan het afnemend vertrouwen in het gezin. De zuigelingensterfte, aan het eind van de negentiende eeuw nog even hoog als in het begin, was het eerste probleem. Opkomst van preventieve geneeskunde: artsen maten zich dankbaar een nieuwe rol aan in het uitdragen van de leer der hygiëne: het moederinstinct leerde een vrouw niet alles wat ze moest weten.
In de verspreiding van de leerplicht speelde de staat ontegenzeglijk een opvallender rol. Onderwijswetten dateerden vaak van vóór 1880 maar werden geleidelijk aan effectiever qua infrastructuur, verloning, openingstijden, schoolgeld, inspectie. In de nasleep van de nederlaag tegen Duitsland zag men Franse scholen als een nationale investering in een systeem dat het Frans tot een wereldtaal zou maken. Kinderen veranderden van beroepsbevolking in schoolkinderen. De industrialisatie maakte dat regeringen meer zicht kregen op kinderarbeid en kinderwerkloosheid, en op het feit dat filantropen de toenemende aan verstedelijking gekoppelde problemen niet langer alleen de baas konden.
Staatsbelang en kinderrechten
De leerplicht moet ook gezien worden in een context van rivaliteit tussen staten onderling, en bezorgdheid over de vraag of de socialisering van kinderen doeltreffend verliep met het oog op het voortbestaan van de samenleving. Indien de school en gezin de ijkpunten voor een kind waren, dan moest de staat zorgen dat ze daar ook terechtkwamen. Filantropen begonnen theorieën te ontwikkelen over de rechten van het kind.
De eeuw van het kind
In 1900 publiceerde de Zweedse feministe Ellen Key het boek De eeuw van het kind. Teneur: de toekomst zou worden bepaald door de manier waarop kinderen werden opgevoed (haar ideaal: liefdevol, aanwezige moeder, niet-christelijk). Keys opvattingen waren typisch voor het eugenetische denken in die tijd. Duurzaam in de eerste helft van de twintigste bleek wel haar opvatting dat kinderen het hoogste goed zijn van een staat. In de tweede helft van de eeuw heeft het gevoel dat de kindertijd uitgehold wordt (door de media en de bedrijfswereld die kinderen tot consumenten maken) de discussie bepaald.
De wetenschap, deskundigen en de kindertijd
Bij de overgang van de eeuw dacht men dat wetenschappelijke gegevens de sleutel waren tot een betere kindertijd. Vanaf de allereerste jaren daalde de zuigelingensterfte eindelijk. Véél factoren speelden daarbij een rol. De afname van het sterfgevallen door diarree was bijvoorbeeld meer te danken aan een verbeterde rioolwaterverwerking dan de activiteiten van leraren, artsen en verpleegkundigen.
Voor de helft van de Europese landen ligt het kindersterftecijfer onder de 20 op 1000 kinderen. Alleen al door deze daling onderscheidt de twintigste eeuw zich volledig van de rest van de geschiedenis van de mensheid. Ouders kunnen eindelijk verwachten dat hun kinderen volwassen worden. Dat ging gepaard met een sterke daling in de vruchtbaarheidcijfers. Kinderen hebben nu minder broers en zussen, en het leeftijdsverschil met hen is niet zo groot als vroeger.
Stijgende professionalisering van de geneeskunde. Erkenning van specifieke kinderziektes. Begin negentiende eeuw: eerste kinderziekenhuizen, hoewel aanvankelijk vooral quarantaineziekenhuizen. Daarna behandelingen, nadat in de jaren negentig een serum voor difterie was ontwikkeld.
Zodra het kind de leeftijd had bereikt om naar school te gaan, werd het mogelijk zijn verstandelijke en lichamelijke vermogens in te schatten. In Frankrijk ontwikkelden Simon en Binet de IQ-test. De normen waren die van de gegoede burgerij op het platteland: arbeiderskinderen in de steden vielen door de mand. De psychologie deed aan het begin van de twintigste eeuw pogingen om als beroep voet aan de grond te krijgen, en werd hierbij enorm geholpen doordat onderwijsdeskundigen een methode zochten om leerlingen te kunnen beoordelen.
Ook de instincten van het kind werden onderzocht. Aangeboren slechtheid of kinderlijke onschuld? Freud (die nota bene één kind als patiënt had) rekende af met het begrip kinderlijke onschuld. Door zijn zelfverklaarde vermogen om problemen bij volwassenen te herleiden tot trauma’s in de kindertijd, leek het ouderschap nu een taak vol ernstige moeilijkheden waarbij gezond verstand noch traditie een betrouwbare leidraad was. Ouders hadden advies van deskundigen nodig. Criminaliteit werd ook meer teruggevoerd op psychische factoren, in plaats zoals voorheen op milieu en armoede.
Het kind en maatschappelijk welzijn
Kinderen namen nog steeds een onevenredig belangrijke plaats in de armoedestatistieken in. Omdat zij van de arbeidsmarkt waren verdreven, bleven ze tot op veel hogere leeftijd dan voorheen een bron van onkosten. Politici, bureaucraten en maatschappelijk werkers dachten na: moesten ze kinderen helpen in natura (maaltijden,kleren) of via gezinsdonaties (uitkeringen)?
Het werd het tweede. De bereidheid van regeringen om uitkeringen te betalen kwam minder uit liefdadigheid dan uit de verwachting dat het een manier was om verhoudingen tussen werkgever en arbeider te stabiliseren, om looninflatie tegen te gaan, of om het geboortecijfer omhoog te brengen. Maar kinderen hadden er baat bij. In Groot-Brittannië werd in 1880 de leerplicht ingevoerd.
Ouders en kinderen
Adviesliteratuur! Men wilde het kinderleven tot een technisch beheerste wetenschap maken en dit vond zijn bekroning in pogingen om de verhouding tussen ouder en kind tot wetenschap te verheffen. De belangrijkste invloed van de wetenschap in de jaren twintig was de gedragspsychologie (beloning en bestraffing). In de jaren dertig werd dit de psychoanalyse (nadruk op de wil en de onderdrukking hiervan).
Invloed van deze mentaliteitsverandering? Kinderen speelden geen enkele productieve rol meer binnen de economie (tenzij in de crisisjaren, in de VS bijvoorbeeld) en werden steeds meer als consumenten gezien. Ouders moesten nieuwe manieren vinden om hun kinderen te waarderen dan inkomsten: zij gingen hen waarderen als individu, en om emotionele redenen. Dit is niet noodzakelijk een bevrijding voor het kind: veel bewijzen tonen aan dat kinderen meer zelfrespect kregen vanaf het moment dat zij een bijdrage konden leveren aan de gezinseconomie. Veel kinderen, vroeger nu, gaan gewoon niet graag naar school en zijn maar wat blij dat ze mochten gaan werken.
Andere verandering: verschuiving van een leven op straat naar een leven thuis, door verbeterde woonomstandigheden. Dit ging gepaard met minder afstandelijkheid en autoritair gezag vanwege de ouders.
Het einde van de kindertijd?
Technologisch determinisme à la Neil Postman: hij bespeurde het einde van de kindertijd (kinderen hebben immers geen respect meer voor gezag en geen schaamtegevoel) onder invloed van de beeldcultuur (vroeger ging de schriftcultuur gepaard met uitstel van bevrediging, doorzettingsvermogen en sequentiële aandacht). Maar goed, in het Victoriaanse tijdperk werd het lezen van penny dreadfuls ook schadelijk geacht. Televisie en video zijn echter niet censureerbaar, en reclame kan bepaalde onrealistische waarden overbrengen.
Wat er ook van zij: er is een duidelijke verschuiving in het machtsevenwicht tussen volwassenen en kinderen. Eerst economisch (maar ook de kinderen vóór de Tweede Wereldoorlog vertegenwoordigden een markt met een redelijke koopkracht). Hoewel ouders zich beklagen over de mate waarin kinderen ‘verwend’ worden, leven zij in een cultuur met zoveel rivaliteit en wedijver, dat zij zich schuldig zullen voelen als zij hun kind niet geven wat hun leeftijdsgenoten krijgen. Daarna emotioneel: ouders investeren fors in het adopteren van kinderen. Volwassenen hebben kinderen nodig om in bepaalde eigen behoeften te voldoen. Het VN-verdrag inzake de rechten van het kind (1989) voorziet niettemin in het recht van het kind om zelf bij alle beslissingen rond hem van invloed te zijn.
In de tweede helft van de twintigste eeuw gaan kinderen zich losmaken uit het getto van afhankelijkheid waarin zij, thuis en op school, opgesloten hadden gezeten. Zij hebben emotionele, economische en juridische macht verkregen ten opzichte van hun ouders. Tussen ouders en kind is een onderhandelingscultuur ontstaan. Pogingen om de kindertijd uit te breiden tot de late tienerjaren hebben kinderen niet willen accepteren. In zekere zin betekent dit een terugkeer naar een historische norm volgens welke de kinderleeftijd ophield bij ten hoogste veertien jaar.
____

1 reactie(s):
Approaches to the history of the western family 1500-1914 – Anderson
De ontdekking van het kind – Ariès
The cult of childhood – Boas
Overgeleverd aan vreemden : het verlaten van kinderen in de Oudheid en de Middeleeuwen – Boswell
The Europe of the devout : the catholic reformation and the formation of a new society – Chatellier
Family fortunes : men and women of the English middle class 1780-1850 – Davidoff
Society and culture in early modern France – Davis
The Roman family – Dixon
Fragile lives : violence, power and solidarity in eighteenth-century Paris – Farge
De boom en de vrucht : zwangerschap en bevallign voor de medicalisering – Gélis
Literacy in early modern Europe – Houston
The family in Italy from antiquity to the present – Kertzer
Out of the garden : toys and children’s culture in the age of TV marketing – Koven
Haven in een harteloze wereld – Lasch
The history of childhood – Mause
Schooling in Western Europe – Maynes
Interest and emotion : essays on the study of family and kinship – Medick
The European family : patriarchy to partnership from the Middle Ages to the present – Mitterauer
Het verdwijnende kind – Postman
The family in ancient Rome – Rawson (ed.)
Marriage, divorce and children in ancient Rome – Rawson (ed.)
Childhood in the Middle Ages - Shahar
De wording van het moderne gezin – Shorter
The family, sex and marriage in England 1500-1800 – Stone
English society 1580-1680 – K. Wrightson
The English family 1450-1700 – Houlbrooke
Forgotten children : parent-child relations from 1500 to 1900 – Pollock
The ages of man : medieval interpretations of the life cycle – Sears
The ages of man : a study in medieval writing and thought – Burrow
From childhood to chivalry : the eduction of the English kings and aristocracy 1066-1530 – Orme
Collected works of Erasmus
A history of private life – Revel
Women in English society 1500-1800 – Mendelson
The diary of Ralph Josselin
The library edition of the works of John Ruskin
The origins of English individualism : the family, property and social transition – Macfarlane
Work in towns 850-1850 – Corfield en Keene (ed.)
The Fontana economic history of Europe – Cipolla (ed.)
The Cambridge social history of Britain – Thompson (ed.)
European society 1500-1700 – Kamen
Knowledge and freedom : a study of nineteenth-century working class autobiography – Vincent
Rich and poor in Renaissance Vencie – Pullan
Armoede en kapitalisme in pre-industrieel Europa – Lis en Soly
Pricing the priceless child : the changing of social value of children – Zelizer
European historical statistics 1750-1975 – Mitchell
Dream babies : child care from Locke to Spock – Hardyment
Edwardian childhoods – Thompson
Hooligans or rebels? : an oral history of working-class childhood and youth – Humphries
The common sense book of baby and child care – Spock
Een reactie plaatsen