woensdag 24 november 2010

Het beslissende boek - Margot Dijkgraaf en Martin Meijer

Geheugenonderzoekers worstelen al jaren met het reminiscentie-effect: wanneer oude mensen terugblikken op hun leven dienen zich juist de vroege herinneringen aan. Niemand weet waarom, maar kennelijk maakt wat rond het twintigste levensjaar speelt een onuitwisbare indruk — de muziek van je jeugd, de politieke situatie... Maar ook de literatuur. Toen hij Het beslissende boek las, merkte Douwe Draaisma op dat boeken vooral jongvolwassenen van de sokken blazen.

Reden om mijn oude notities nog eens boven te halen. Het beslissende boek (2002) is een bundeling van interviews met een vijftigtal bekende Nederlandstalige schrijvers, die eerder in het NRC/Handelsblad verschenen. Margot Dijkgraaf en Martin Meijer lieten elke auteur vier bladzijden lang praten over het boek 'dat zijn of haar leven had veranderd'.

Schrijversinterviews zijn er niet voor de eeuwigheid. Ze zijn in de eerste plaats makkelijke kopij voor de literatuurbijlage. Kraan open en lullen maar. Ook deze gesprekken vallen te licht uit om een bundeling te rechtvaardigen.

Dat hier schrijvers aan het woord zijn, is een extra nadeel. Want op welke manier kan een boek het leven van een schrijver veranderen? Juist, door hem de impuls te geven om zelf te gaan schrijven, of om op een bepaalde manier te gaan schrijven. 'Het leven veranderen' staat in deze dus niet voor grootse en meeslepende ervaringen die boeken mijns inziens toch ook wel kunnen triggeren. Veel getuigenissen gaan niet over ideeën — inhoud — maar over techniek, verhaalvorm, vertelgeluid.

Daarbij is het idee van 'één' beslissend boek wel heel romantisch, wat een paar schrijvers ook toegeven.

Het hoeft niet te verbazen dat literatoren collega's uit de primera division kiezen als rolmodel. Ik zag veel vooraanstaande modernisten langskomen, en opvallend weinig klassieke vertellers. Non-fictie komt er helemaal bekaaid vanaf. Er valt geen genrefictie te bespeuren — waar alle gelees toch mee begint — en er zijn nauwelijks kinderboeken.

Het beslissende boek biedt eigenlijk weinig titels waar ik van opkeek, maar was destijds wel een aansporing om een lijstje te maken met mijn eigen bepalende boeken. Misschien moet ik daar morgen maar eens een stukje van maken, op dit weblog.

* Wat Jessica Durlacher aansprak in Terug tot Ina Damman, was "die prachtige verdrietige tevredenheid met iets wat een droombeeld zal blijven."

* Als Renate Dorrestein vastzit met haar eigen werk, dan loopt naar de v van Vonnegut in de boekenkast omdat hij haar "dat gevoel van vrijheid geeft, haar laat zien dat alles is toegestaan, als het maar werkt".

* Abdelkader Benali verkiest Rushdie boven de deprimerende Naipaul omdat bij Rushdie de wereld zo wordt opengegooid "dat je dan weer ja zegt tegen het leven".

* Martin Bril vond De Harm en Miepje Kurk story van Remco Campert een openbaring. Het gaf 'm mee de moed te schrijven vol observaties, columns waarin uitzonderlijk weinig gebeurt. "Net als in het leven zelf, daar gebeurt ook minder dan je denkt." Bril is een van de weinigen in deze bundel die niet zoveel ophebben met Literatuur met de grote K. Er staat te veel in, vindt hij, er is te weinig geschrapt. "Er is veel vlak proza, maar het echte proza, het flonkerende, precieze, trefzekere, minimale proza, dat is er maar weinig." Bril zoekt in zijn eigen boeken de bekruisbestuiving tussen journalistieke interesse en de goed lopende zin.

De verhalen over Evelien krijgen een meerwaarde omdat ze tussen andere, meer journalistieke columns verschijnen. Als je binnen dat stramien dan fictie gaat bedrijven en je pompt die fictie vol met verifieerbare details, dan ontstaat wat ik noem komisch realisme. Het snijvlak tussen journalistiek en literatuur is wat mij het meest interesseert. Ik heb aan de ene kant niet veel verbeelding, en aan de andere kant een ontzettende hang naar de mooi geschreven zin, het echte goeie schrijven. Bij gebrek aan verbeelding komt je al snel in de betere journalistiek terecht, zal ik maar zeggen, en die wordt in Nederland nauwelijks meer bedreven. Uiteindelijk heeft me dat in de richting van The New Yorker gedreven en het werk van mensen als E.B. White en Joseph Mitchell.
* Pieter Steinz was ooit verknocht aan Siddharta, Hesse's verhaal over een jongen die in zijn puberteit zijn vader verlaat, omdat hij de dingen zelf wil leren. "Het boek was heel bevestigend voor mij. Ik las het precies op het juiste moment, nu had ik het niet meer nodig gehad."

* Vrolijk uit de band springt Maarten ’t Hart, die koos voor De Geschichte der Leben-Jesu-Forschung van Albert Schweitzer: een omvangrijke studie over het onderzoek naar de historische Jezus, dat vooral in de negentiende eeuw plaatsvond. "Je kent alleen die ene visie op Jezus, en dan krijg je opeens van Schweitzer tweehonderd andere visies voorgeschoteld."

* In de winter van 1958-1959 las August Willemsen de roman De binnenlanden van de Braziliaan Euclides da Cunha, een boek dat hem ertoe aanzette Portugees te gaan studeren.

* Stefan Hertmans herkende in De aantekeningen van Malte Laurids Brigge de hoop dat je in het kunstwerk ook de ervaring van een ander leven ziet. Veel schrijvers, zoals Rilke, komen uit de kleine middenklasse voort en missen een vast sociaal frame. "In de arbeidersklasse zijn de mensen heel erg gedefinieerd, evenals in de hogere klasse. In de schemerzone daartussen zoeken sommigen naar een beter leven van de ervaringen, een cultuurleven."

* Voor Rutger Kopland was Gerrit Achterberg belangrijk. In zijn calvinistische jeugd weerspiegelde het Woord een voor eeuwig vastgelegde, dogmatische waarheid. Achterberg toonde hem "het levende, zoekende woord, waar we zelf, vrijelijk, iets mee kunnen doen."

* Joke van Leeuwen ontdekte in Het leven en de opvattingen van de Heer Tristram Shandy van Laurence Sterne hoe je alle regels van de literatuur aan je laars lapt — "geen begin, geen eind, geen intrige, maar daarentegen veel visuele en grafische bijzonderheden."

* Nelleke Noordervliet constateerde rond haar zeventiende een sombere grondhouding bij haarzelf, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Camus gaf haar de instrumenten — "niet alleen van het klinische, analytische denken, maar ook van die van de emotionele intelligentie" — om daar iets van te maken.
Na die heel lange, bittere zoektocht naar de wortels van de opstandige mens maakt hij een zwaai, dan komt er een soort loflied op de scheppende levenskracht en op de liefde. Het is alsof hij aan het eind van die tocht vastloopt op die paradox, alsof de enige manier om daaraan te ontkomen gelegen is in de Lebensjahrung (levensaanvaarding, optimisme — m.d.), die daar heel irrationeel tegenover staat. De levensvreugde die je zelf hebt, simpelweg door te leven, die je aan anderen geeft en die anderen jou kunnen geven — dat is als het ware de troost voor de blik in die diepe afgrond.
* Anil Ramdas trof in Naipauls Een huis voor meneer Biswas, een ironische beschrijving van een hindoestaanse gemeenschap, wat hij in de westerse literatuur miste: "Die altijd gaat over mensen die op zoek zijn naar zichzelf, naar zelfbevestiging — nooit over het collectief."

* Helga Ruebsamen leerde van Kafka hoe het komt dat mensen slachtoffers of daders worden, een vraag die haar van jongsaf obsedeerde.

* Willem Otterspeer was dol op de paradoxen in het werk van Menno ter Braak. "Alles werd door Ter Braak omgekeerd, om beweging te krijgen. Dat is natuurlijk waar het hem in de kunst om te doen was: het eeuwige doorbreken van bestaande, verzilte, versteende dingen. Die wilde hij kapot maken, in plaats daarvan ruimte scheppen."

* De meeste indruk op striptekenaar Peter Pontiac maakte Binky Brown meets the Holy Virgin Mary van de relatief onbekend gebleven Justin Green, door zijn Amerikaanse collega’s beschouwd als de peetvader van de autobiografische strip. In deze underground comic uit 1972 vertelt Green openhartig en humoristisch over zijn worsteling als tiener met een enorm schuldcomplex, ontstaan door een zwaar katholieke opvoeding.

* Pauline Slot signaleert nog een andere troef van literatuur. Zij kreeg in de dagboeken van Virginia Woolf "toegang tot het denken van iemand die dood is en die in tijd, in ruimte en in sociale omstandigheden totaal van je verwijderd is."

* Leon de Winter vond de sentimentele, soms zelfs melodramatische Malamud van De levens van Dubin beter te pruimen dan de intellectuelere Bellow en de zwaarmoedige Roth.

(Gebaseerd op notities van 24 februari 2004.)

Margot Dijkgraaf en Martin Meijer, Het beslissende boek
Nederlandse en Vlaamse schrijvers over het boek dat hun leven veranderde
226 p.
Uitgeverij Prometheus, 2002


De interviews die ik in zijn geheel heb aangestipt zijn:

Frank Martinus Arion over Graham Greene
Willem Brakman over Thomas Mann
H.M. van den Brink
over Peter Handke
Jeroen Brouwers
over Louis Paul Boon
Gerrit Komrij
over encyclopedieën
Rudy Kousbroek over Junichiro Tanizaki
Geerten Meijsing
over Gérard de Nerval
Margriet de Moor
over Robert Musil
Marcel Möring
over James Joyce
Cees Nooteboom
over Marcel Proust
Hans van Pinxteren
over Tsjwang-tse


Nog wat losse quotes:

We zijn opgebouwd uit onbegrijpelijkheden, alleen statistisch lijken we begrijpelijk.
Leo Vroman

Als schrijver heb je binnen je verhalen de macht die je in de echte wereld niet hebt. Je kunt in je werk wraak nemen op de werkelijkheid, dat speelt bij mij vaak. Je moet in je leven glimlachen, je aanpassen, toegeven, zodat de mensen zich een beetje aardig tegenover jou opstellen — dat is wederzijds. Maar in je werk kun je mensen helemaal uitkleden — figuurlijk dan.
Kristien Hemmerechts

Iemand zei een keer tegen mij: "Ik ben een middelmatige dichter, weet je waarom ik dat weet? Ik heb alles bewaard." Als je niet veel hebt, ga je hechten aan wat je hebt. Als je veel schrijft, als je went aan volume, dan heb je die oude probeersels niet nodig. Integendeel, daar wil je niet op lijken. Hoe meer je schrijft, hoe sneller je verandert.
Gerrit Krol

Wat je wilt zeggen, kun je alleen laten zien in een boek, dichterbij kom je niet. Literatuur is eerst en vooral de kunst van het dingen niet bij de naam noemen, de kunst van het mystificeren. Camus heeft zelf eens in een interview gezegd dat Meursault een man is die zonder heldhaftigheid aanvaardt voor de waarheid te sterven. Dat is wel mooi gezegd, maar het is mij veel te cerebraal. Dan ontneem je het boek zijn raadselachtigheid, wordt het toch een beetje “Doctor Freud analyseert” en dat is niet mijn Meursault.
Kees van Beijnum

Toen Nabokov Ada schreef was hij al een oude man. Ik zie Ada als een hommage aan zijn hersenen. Je bouwt je hele leven aan woorden, herinneringen, mensen, situaties, die op een heel specifieke manier met elkaar zijn verbonden. Dat hebben we allemaal op onze eigen wijze in ons hoofd en je weet, als je sterft, is dat weg. Je hersencellen gaan dood en daarmee al die associaties, die verbindingen. Ik heb het idee dat Nabokov in dit boek geprobeerd heeft om verantwoording af te leggen voor zijn eigen associatiepatronen, dat het daarom zo wijdlopig is.
Anna Enquist

____

1 opmerking:

Frank Hellemans zei

Interessante posting.
Ik was als tiener zwaar onder de indruk van 'Der Zauberberg' van Thomas Mann: dat waren nog eens discussies op het scherp van de snee!
Benieuwd naar jouw voorkeur.

Related Posts with Thumbnails