God is niet groot - Christopher Hitchens
Er zijn twee manieren om af te rekenen met religie. Je kan wijzen op de logische inconsistentie van de geloofsleer, of je kan alle ellende in kaart brengen die ontstaat zodra die geloofsleer in de praktijk wordt gebracht. De eerste benadering is me het liefst, omdat ze fundamentele denkfouten aan het licht brengt. De andere aanpak is lastiger, omdat mijns inziens slechts een deel van de ellende rechtstreeks verband houdt met een bepaalde geloofsinhoud.
Meestal beginnen de problemen pas wanneer religie zich gaat organiseren. Wanneer ze zich dus kan vermengen met algemeen-menselijke mechanismen als machtsmisbruik en gedachteloze navolging.
Christopher Hitchens kiest voor een gemengde aanpak. Zijn God is niet groot is evenzeer een catalogus van religieus geïnspireerde misère als een handleiding om rationeel te denken.
Op beide fronten is het boek wel een stuk rommeliger dan had gemogen. Alsof de auteur voor de gelegenheid zijn documentatiemappen heeft leeggeschud.
Gelukkig zijn daar bij tijd en wijle de sardonische humor ("een ambitieuze Albanese non, die bekend is geworden onder de nom de guerre Moeder Theresa") en Hitchens' nietsontziende charges die het boek goed verteerbaar maken.
Monotheïstische religies zijn het plagiaat van een plagiaat van een gerucht van een gerucht van een illusie van een illusie die tot in de lengte der dagen teruggaat om een paar non-gebeurtenissen te verzinnen.Hitchens is goedgeplaatst om over religie te schrijven. Als journalist reisde hij de hele wereld rond, om vaak met eigen ogen te aanschouwen wat religie kan aanrichten. Hij kent het geloof ook van binnenuit. Hitchens is geboren als anglicaan, kreeg les op een methodistische school, bekeerde zich uit hoofde van zijn eerste huwelijk tot de Grieks orthodoxe kerk, werd, zo grapt hij zelf, door volgelingen van Sai Baba als zijn reïncarnatie herkend, en is hertrouwd met een rabbijn. Daarnaast is hij een intellectueel die zijn eigen (seculiere, trotskistische) geloof is afgevallen, zodat hij weet met welke pijn en moeite mensen ingehaald kunnen worden door de realiteit.
En toch moeten we met zijn allen door die zure appel bijten, vindt Hitchens. Religie is immers cruciaal. De discussie over het geloof is de basis en de oorsprong van iedere discussie, omdat zij het begin — maar niet het eind — van alle discussies over filosofie, wetenschap, geschiedenis en de menselijke aard is.
Het geval wil nu dat er voor de auteur vier onoverkomelijke bezwaren aan het religieuze geloof kleven.
Religie geeft om te beginnen een totaal verkeerd beeld van de oorsprong van de mens en de kosmos. Geloof komt "uit de huiligere, angstige kleutertijd van onze soort en is een kinderlijke poging de hardnekkige behoefte aan kennis (en troost, geruststelling, et cetera) te bevredigen." Vroeger namen vele verstandige mensen — de Verlichtingsfilosofen, de Founding Fathers — een deïstisch standpunt in. Dit compromis was voor die tijd logisch en rationeel. Maar nu weet elke westerse scholier al veel meer over de natuur dan welke aartsvader van welke religie ook ooit geweten heeft.
En wat blijkt? Elke grote wetenschappelijke ontdekking staat haaks op wat religieuze openbaringen ons vertellen, of het nu de Darwinistische evolutieleer is, wat Einstein te berde bracht over het begin over onze kosmos, of de inventarisatie van het menselijke genoom. Geloof staat bovendien vijandig tegenover zulk vrij wetenschappelijk onderzoek.
Ten tweede slaagt religie erin door die initiële fout — de gelovige is de maat van alle dingen — "een maximum aan slaafsheid te combineren met een maximum aan solipsisme". Wie atheïst is, bakkeleit niet om heilige plekken, heeft geen zelfbekrachtigende ceremonies nodig, brengt geen zinloze offers, en heeft niet de zelfingenomenheid om zich het middelpunt van een goddelijk plan te wanen. Omdat de ongelovige beseft de absolute waarheid niet in pacht te hebben, kan dát alvast geen reden zijn voor racistische oprispingen of gewelddadige onverdraagzaamheid.
De drie grote monotheïsmen leren mensen verachtelijk over zichzelf te denken, als miserabele, schuldige zondaren die zich ter aarde moeten werpen voor een boze, jaloerse god die hen, volgens uiteenlopende berichten, uit stof en klei of uit een klont bloed gemaakt zou hebben. De houding waarin gebeden moet worden, wedijvert met de houding van de smekende slaaf voor zijn humeurige heerser. De boodschap is er een van voortdurende onderwerping, dankbaarheid en angst. Het leven zelf is armzalig: het is niet meer dan een interval waarin je je moet voorbereiden op het hiernamaals of de komst of wederkomst van de Messias.Ten derde vertoont religie heel wat morele gebreken. Vele geloofsleren minachten vrouwen, frustreren kinderen, en neigen tot seksuele onderdrukking. Religie heeft bovendien een overspannen beeld van 'het Kwaad', dat onvermijdelijk leidt tot onrealistische geboden en verboden. Terwijl antisociaal gedrag eenvoudig kan uitgelegd worden als het resultaat van de evolutie. Hitchens: "Onze voorhoofdshersenen zijn te klein en onze adrenalineklieren te groot, en het ontwerp van onze voortplantingsorganen houdt ook niet over; ingrediënten die, alleen of gecombineerd, wel enige ongelukkigheid en ontregeling tot gevolg móeten hebben."
Aan de andere kant leert religie mensen, schijnbaar ter compensatie, extreem egocentrisch en hoogmoedig te zijn. Gelovigen krijgen de verzekering dat god zich over ieder afzonderlijk individu ontfermt en claimen dat de kosmos speciaal voor de mensen is gecreëeerd. Dat verklaart de hautaine uitdrukking op het gezicht van de mensen die het geloof opzichtig in de praktijk brengen: excuseer mijn bescheidenheid en nederigheid, maar ik ben toevallig wel druk met een boodschap voor god.
Tot slot vertrekt religie vanuit een wensgedachte. Religie belooft een paradijselijk hiernamaals, zodat de bekommernis om onrecht en onderdrukking in het hier en nu te snel naar het achterplan verdwijnt. Geen citaat, zegt de auteur, dat zo vaak misbruikt wordt als de onsterfelijke quote van Marx: "Religie is het opium van het volk." Opium is hier niet bedoeld als roesmiddel, maar als pijnstiller. Marx zag religie als het gejammer van de verdrukten. Wie dit denkbeeldige geluk van het volk wil afschaffen, eist daarmee de mogelijkheid tot hun werkelijke geluk op.
Aan deze vier hoofdredenen, zegt Hitchens, kan je natuurlijk het voor de hand liggende feit toevoegen dat religie misbruikt wordt door wereldlijke machthebbers om gezag naar zich toe te trekken. Om van religieuze machthebbers nog maar te zwijgen.
Nu benaderen veel religies ons met een beminnelijke, zelfgenoegzame glimlach en gespreide armen, als huichelachtige verkopers op een bazaar. Ze bieden troost, solidariteit en bemoedigende woorden, en beconcurreren elkaar als marktlui. Maar we hebben het recht ons te herinneren hoe barbaars ze zich gedroegen toen ze macht hebben en ze iets aanboden wat niet geweigerd kon worden. En als we dreigen te vergeten hoe dat geweest moet zijn, hoeven we alleen maar even naar die landen en maatschappijen te kijken waar geestelijken nog wel de macht hebben hun eigen voorwaarden te stellen. De deerniswekkende overblijfselen hiervan zijn ook in moderne samenlevingen nog altijd zichtbaar: in pogingen die het geloof doet om zijn greep op het onderwijs te behouden, om zich vrij te stellen van het betalen van belastingen, of om wetten te laten aannemen die het mensen verbiedt haar almachtige en alwetende god en zelfs diens profeten te beledigen.Hitchens, die 'God' pesterig zonder kapitaal blijft spellen, benadrukt zijn hele boek door dat de fouten en misdaden van religie in deze beginselen moeten gezocht worden. Het (soms voorbeeldige) gedrag van gelovigen doet weinig ter zake. Bij het goed gedrag van een gelovige moet je je immers de vraag stellen of dat per se door zijn geloof geïnspireerd is. Vaak zie je dat goede daden worden gepleegd door priesters, bisschoppen, rabbijnen en imams die het mens-zijn juist boven hun sekte of geloofsovertuiging hebben gesteld. Aldus is Hitchens er als die kippen bij om die weldaden als een compliment te zien aan het humanisme, niet aan het geloof.
De gevaren van religie
Na een algemene expositie gaat Hitchens zijn bezwaren verder uitsplitsen, en toelichten in thematische hoofdstukken. Daarbij herhaalt hij zich weleens, en wordt de lezer dikwijls geplaagd door argumenten die de auteur ineens te binnen lijken te schieten ("Trouwens,…", "Tussen haakjes:…").
Als naslagwerk schiet God is niet groot ook jammerlijk te kort. Veel religieuze wanpraktijken worden in één, twee, drie alinea’s afgedaan, en de auteur is zéér spaarzaam met voetnoten. Hitchens heeft ook de neiging om alles op een hoop te gooien. Voor zover ik weet is de vrouwenbesnijdenis in sommige islamitische landen geen religieuze kwestie, maar een plaatselijke culturele erfenis.
Voor de concrete dossiers verwijs ik naar de lijst met 'topics' onderaan de bespreking. De algemene argumentatie kan in de volgende blokken verdeeld worden:
* Religie is dodelijk. Religieuze leiders kunnen dan wel reppen van de geneugten na de dood, ze willen opvallend veel macht in dít leven. Daar bij kunnen ze moeilijk andere overtuigingen respecteren. Ofwel wordt er pro-actief onderdrukt — denk aan de gediscrimineerde katholieken in Ierland, de Bosnische moslims die dreigden te worden uitgeroeid op de christelijke Balkan, en de sjiietische Afghanen en Irakezen. Ofwel is er duidelijk onwil van klerikale autoriteiten om een ondubbelzinnige veroordeling uit te spreken over misdadige praktijken — zie het Vaticaan in de zaak-Rushdie.
Hitchens kreeg ooit de vraag toegeworpen of hij zich 's nachts op straat niet veiliger voelt in het besef dat het groepje mensen dat hij kruist gelovigen zijn. Waarop Hitchens kon antwoorden zo'n situaties inderdaad te hebben meegemaakt, in Belfast, Beiroet, Bombay, Belgrado, Bethlehem en Bagdad, en neen, hij voelde zich niet veiliger met gelovigen in de buurt.
* Religie schaadt de gezondheid. Niet-westerse religies koesteren vaak achterdocht tegen de westerse geneeskunde. Men vindt het hoogmoedig om in te grijpen in het goddelijke plan, en ziet medisch onheil als een straf van de goden voor promiscuïteit en homoseksueel gedrag. Of men acht de geloofsleer op zich voldoende tegen kwalen. Dit is de aloude religieuze combinatie van onderdrukking en ontkenning: men verklaart een plaag als aids taboe, omdat de lessen van de Koran volstaan om iemand van geslachtsgemeenschap voor het huwelijk, drugsgebruik, overspel en prostitutie te weerhouden.
* Religie ontkent de evolutieleer. Gelovigen, niet gehinderd door enige biologische kennis, zien overal een goddelijk plan in. Maar, zegt Hitchens, "vissen hebben geen vinnen omdat ze die in het water nodig hebben, net zomin als vogels vleugels hebben om te voldoen aan de omschrijving die het woordenboek van ‘ornithologisch’ geeft. (Afgezien daarvan zijn er bovendien veel te veel loopvogels.) Het is precies andersom: het is een proces van aanpassen en selecteren." De extreme variant van dit goddelijke plan-denken is het creationisme, dat "de evolutie vergelijkt met een wervelwind die over een schroothoop waait en er een jumbojet van in elkaar tovert".
* Religie huldigt een kinderlijk antropocentrisch wereldbeeld. Immers, niet-creationisten — zij die, niet zonder strijd, zijn bezweken voor het overweldigende bewijs van de evolutie — proberen zichzelf voor hun acceptatie of nederlaag te belonen. De grootsheid en variëteit van het proces, zeggen ze nu, wijst op een sturende, scheppende geest. Maar ook dat klopt niet. De evolutie is gevoelloos, wreed en grillig. Het universum is niet geschikt voor de mens en ongeveer achtennegentig procent van de soorten die de aarde heeft gekend, is uitgestorven. Hitchens vertelt een mooi verhaal over de oortjes van zijn dochters. Die zijn schattig, vanzelfsprekend, maar hij kan er nooit naar kijken zonder te bedenken
a) dat ze nodig moesten worden schoongemaakt, b) dat ze er, zelfs in vergelijking tot de inferieure oren van de dochtertjes van andere mensen, uitzien alsof ze massaal zijn geproduceerd, c) dat ze, naarmate mensen ouder worden, er vanachter steeds absurder uit beginnen te zien en d) dat veel lagere diersoorten, zoals katten en vleermuizen, veel fascinerendere, mooiere en betere oren hebben.* Religie is geënt op openbaringen. In een aantal zeer bijzondere gevallen, zo heet het, is de goddelijke wil kenbaar gemaakt door middel van een direct contact met een willekeurig geselecteerd iemand, soms door middel van verschijningen. Dat die iemand altijd een doorsnee persoon is, die dus geen materiële sporen achterlaat in de geschiedenis, maakt zo'n openbaring onmogelijk na te gaan voor historici.
Maar goed, neem nu die openbaring van de profeet Mohammed, zegt Hitchens. En stel dat God inderdaad een Arabier is of was. Hoe haalde hij het dan in zich hoofd om zich te ‘openbaren’ via een ongeletterd persoon, en hoe kon die op zijn beurt denken dat hij de woorden onveranderd (laat staan onveranderbaar) moest gaan verspreiden?
* Religie legt twijfelachtige geboden op. Hitchens analyseert onder andere de Tien Geboden. "Er is om te beginnen monarchistisch gebrom over respect en angst, vergezeld van een referentie aan almacht en onbeperkte wraakzucht. Daarop volgt het bevel hard te werken en alleen te ontspannen als het van de absolutist mag." Volgen nog een paar evidente verboden: moord, overspel, diefstal en woordbreuk. "Geen van deze provincialen of hun godheid lijkt zich iets te kunnen voorstellen bij een wereld buiten de woestijn, buiten het vee en de kudden, buiten een nomadenbestaan." Ondertussen is de bodem doorheen de hele bijbel doordrenkt van bloed.
* Religie imponeert met wonderen die er geen zijn. Want de geloofsleer is niet genoeg, er moeten wonderen bij om de laatste twijfelaars over de streep te trekken. Het menselijk verlangen om goede dingen aan een wonder toe te schrijven en slechte dingen aan iets anders te wijten, is daarbij prettig universeel.
Bij mijn eerste bezoek aan de Sacré Coeur in Montmartre, een kerk die werd gebouwd om te vieren dat Parijs was bevrijd van de Pruisen en de Commune van 1870-1871, zag ik een bronzen paneel met daarop nauwkeurig weergegeven hoe een geallieerd bommentapijt de kerk in 1944 had gemist — en in de aangrenzende woonwijk was ingeslagen…Ook de rampen die door een toornige God zouden zijn veroorzaakt, zijn geen schendingen van de natuurwetten, maar maken er juist deel van uit.
Toen alle gruis- en stofwolken van Ground Zero waren neergedaald, bleken er twee verwrongen steunbalken in de vorm van een kruis uit het puin te steken, wat tot wonderbaarlijke reacties leidde. Aangezien er in de achitectuur altijd en overal kruisbalken zijn gebruikt, zou het alleen verbazing hebben mogen wekken als er níet zo’n vorm was verschenen. Ik geef toe dat ik onder de indruk was geweest als de puinhoop de vorm van een davidsster of een ster en een halve maan had aangenomen (…).* Religie maakt mensen niet per se deugdzamer. Maar zelfs als dat zo was, zou het deugdzame gedrag van een gelovige niets zeggen over de inhoud van zijn geloof — het is daar dus ook geen argument voor. "Het zou kunnen dat als ik geloofde dat Boeddha uit een snee in zijn moeders zij is geboren, ik me menselievender zou gedragen. Maar zou mijn menslievende gedrag daardoor niet afhankelijk zijn van iets nogal onbeduidends?"
* Religie veracht het intellect. Daarom zijn ook de vreedzame religies uit het Oosten minder onschuldig dan ze lijken. Passiviteit is een illusie: iets nalaten te doen kan ernstige gevolgen hebben. Wanneer het intellect niet ingrijpt, kunnen er twee dingen gebeuren. De onschuldige goedgelovige wordt een eenvoudige prooi van mensen die minder onschuldig zijn en proberen hem te ‘leiden’ en te ‘inspireren’, of de goedgelovigheid leidt tot stagnatie in een samenleving, waarna de oplossing niet wordt gezocht in oprecht zelfonderzoek, maar in het anderen de schuld geven voor de achtergesteldheid. In de meest geheiligde ‘spirituele’ samenleving gebeurde het allebei.
Hoewel veel boeddhisten die deplorabele poging de superioriteit van het boeddhisme te bewijzen inmiddels betreuren, is geen enkele boeddhist in staat geweest aan te tonen dat het boeddhisme vanwege zijn eigen leer fout was. Een geloof dat de geest en het vrije individu veracht, dat onderwerping en berusting predikt en het leven schamel en vergankelijk vindt, is slecht uitgerust om zichzelf tegen het licht te houden. Mensen die genoeg hebben van de conventionele ‘bijbelgeloven’, en naar ‘verlichting’ zoeken door hun eigen kritische vermogens op te heffen en in een of andere vorm van het nirvana te treden, zijn gewaarschuwd. Ze denken misschien het rijk van het verachte materialisme te verlaten, maar ze dienen eerst hun rede in slaap te sussen en hun verstand, samen met hun sandalen, bij de ingang achter te laten.* Religie zadelt mensen op met een onrechtvaardig schuldgevoel. Door mensen op straffe van dood en marteling op te dragen bovenmenselijk te zijn — 'je mag niet aan begerenswaardige zaken denken', 'bemin je naaste als jezelf' — draag je ze op zichzelf vreselijk te vernederen. Ze zullen immers onvermijdelijk blijven falen de regels na te leven. Bovendien is het collectiveren van schuld — de erfzonde — immoreel. Religieuzen verliezen ten slotte uit het oog dat begerigheid en hebzucht wel mooi de motor zijn tot onze economie, welvaart, uitvindingen.
* Religie misbruikt kinderen. Om te beginnen heeft het geloof altijd gehoopt de ongevormde, onbeschermde zielen van jongeren aan zich te verplichten: jongeren behoren tot een geloof zonder dat ze daar inspraak in hebben. Maar het kan nog driester: geestelijke leiders gaan tekeer tegen abortus, maar eisen wel seksuele mutilatie van meisjes en jongens. Vroeger gingen velen gebukt onder het taboe op masturbatie.
Totalitaire systemen
De achillespees van God is niet groot is mijn inziens hoofdstuk 17, waar Hitchens repliceert op het tegenargument dat ongelovigen het vaakst te horen krijgen: zijn de misdaden en bloedbaden van de seculiere en atheïstische regimes niet veel erger? Die van communisme, om maar iets te noemen? Hitchens maakt dan drie uitwijkmanoeuvres.
Eerst kaatst hij de bal terug en maakt duidelijk dat religie sowieso óók een totalitair systeem is. Religie kent het hele gamma aan totalitaire praktijken: de drang boeken te verbieden en te censureren, dissidenten het zwijgen op te leggen, niet-leden te veroordelen, de privé-sfeer binnen te dringen én een exclusieve redding af te smeken. Zelfs de meest bescheiden vorm van religie moet bekennen dat het een ‘totaaloplossing’ biedt, dat het geloof daarin tot op zekere hoogte blind moet zijn en dat zowel het persoonlijke als het publieke leven onderworpen moeten worden aan een permanente hogere leiding.
Het woord “totalitair” werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door de dissidente marxist Victor Serge, die met ontzetting kennis nam van wat het stalinisme in de Sovjet-Unie opleverde. De term werd vervolgens populair gemaakt door de seculiere joodse intellectueel Hannah Arendt, die de hel van het Derde Rijk was ontvlucht en Totalitarisme schreef. Het is een nuttige term, omdat het ‘gewone’ vormen van despotisme — waarin alleen gehoorzaamheid van de onderdaden wordt geëeist — scheidt van absolutistische systemen, die eisen dat de burgers zich totaal aan de staat onderwerpen en hun privé-leven en persoonlijkheid volledig in handen van de staat of de ultieme leider leggen.Vervolgens wijst hij diegenen die seculiere tirannieën als een contrast met religie willen opvoeren, op twee dingen die ze uit het oog verlizen: de band tussen de katholieke Kerk en het fascisme, en de capitulatie van de katholieke en de protestantste Kerk voor het nationaal-socialisme.
Als we die laatste definitie accepteren, is het eerste punt al snel gemaakt. Het concept van een totalitaire of absolutistische staat heeft het grootste deel van de geschiedenis van de mens in nauw verband met religie gestaan. Een baron of ridder kon je verplichten belasting te betalen of in zijn leger te dienen, en hij regelde wel dat priesters zijn onderdanen eraan herinnerden dat dat hun plicht was, maar de echt angstaanjagende vormen van despotisme wilden ook de inhoud van je hart en hoofd.
Tot slot weerlegt Hitchens de idee als zou atheïsme leiden tot totalitaire regimes. Integendeel: veel kwalijke aspecten van totalitaire regimes zijn net religieus van karakter: de cultus van de persoonlijke leider, de onbuigzame verheerlijking van het collectief boven het individu, het geloof in een absolute waarheid en, hiermee verbonden, het gebruik van censuur en repressieve methoden om dissidenten en mensen met een andere mening te liquideren.
Toch raakt dit alles niet de kern van de zaak, lijkt me. Te weten: God en de geloofsleer. Wie religie aanklaagt om zijn onderdrukkende, wereldvreemde en levensgevaarlijke aspecten, kan niet om het feit heen dat in de twintigste eeuw de grootste gruweldaden niet geïnspireerd waren door God of heilige boeken.
Het probleem is dus niet zozeer religie. Het probleem is elke absolutist die onbeperkte macht uitoefent over zijn onderdanen, hen een simplistische heilsleer door de maag splitst, zijn vijanden ontmenselijkt en geen graten ziet in gewelddadige onderdrukking. God is niet groot draagt als ondertitel 'Hoe religie alles vergiftigt'. Dat had moeten zijn: 'Hoe macht alles vergiftigt'.
Hitchens richt zich ook te veel op georganiseerd geloof. Wie inzoemt op de individuele levens van gelovigen, zelfs in direct contact met geloofsconcurrenten, ziet toch vooral veel praktisch verstand en verdraagzaamheid. De meeste gelovigen beleven hun geloof minder expliciet dan Hitchens doet uitschijnen. Het is mijn stellige overtuiging dat gelovige gezinnen overal ter wereld op heel andere dingen focussen: werk, een veilige woonomgeving, en een toekomst voor hun kinderen.
Ook het rationalisme dat Hitchens in de plaats wil zien, lijkt me uiteindelijk naast de kwestie. Hij citeert Gotthold Lessing waar die zegt dat de werkelijke waarde van een mens niet wordt bepaald "door wat hij, al dan niet terecht, denkt dat hij van de Waarheid weet, maar door de oprechte inspanningen die hij zich getroost om tot die Waarheid te komen." Niet mee eens. Ik denk niet dat humaniteit zit in waarheidszucht, maar in het moreel handelen.
Maar goed, dan levert Christopher Hitchens wel goede redenen waarom die o zo vriendelijke Dalai Lama juist op dat punt te wantrouwen is. Bijvoorbeeld.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> http://blog.newhumanist.org.uk/
Christopher Hitchens, God is niet groot : hoe religie alles vergiftigt
317 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2008
Oorspr. God is not great : how religion poisons everything (2007)
Vertaald door Paul Witte

Foto door 'Capt. Joe Kickass' op Flickr, onder een Creative Commons licentie
Topics:
Het Libanese falangisme: 26
De hindoeïstische nationalistische beweging Shiv Sena: 27
De anti-islamitische kruistocht van Milošević: 28
Hamas: 31
De jihad van Saddam Hoessein: 33
Het geval Rushdie en de vergoelijking door religieuze leiders: 36
Het Taliban-regime: 39
Tariq Aziz in het Vaticaan: 42
Predikanten Charles Stanley en Tim LaHaye: 43
Islamitisch verbod op Animal farm: 45
Het varkensverbod als hygiënische onzin: 47
Moslimprotest tegen inenting tegen pokken: 52
Het poliovaccin als een samenzwering van de VS (Nigeria): 53
Kardinaal Lopez de Trujillo en co over condooms: 53
Ultrakorte huwelijk (prostitutie): 54
Timothy Dwight tegen het pokkenvaccin: 56
Besnijdenis en infibulatie: 59
Kindhuwelijken: 59
Verband tussen geloof en geestelijke gestoordheid: het Jeruzalem-syndroom: 61
De Thora en het Oude Testament over vrouwen: 63
Hopen dat het einde der tijden echt aanbreekt: 65
Pervez Hoodbhoy over de Pakistaanse en Indische mentaliteit inzake de atoombom: 67
George Miller: 69
Hal Lindsey: 70
Keizer Justinus die de filosofiescholen sloot: 76
Ockham: 'Alles wat God door middel van een secundaire oorzaak teweegbrengt, kan hij ook rechtstreeks veroorzaken.': 77-79
Joseph Conrad: 'De wereld van de levenden bevat al genoeg wonderen': 81
Michael Shermer over het oog: 90
De christelijke veroveraars: 98
Ziektekiemen en bacteriën in Genesis?: 99
De Burgess Shale; Gould en het begrip 'vooruitgang', onze existentie als historische toevalligheid: 100
Openbaring: typisch mensenwerk: 109
Geen Exodus: 112
Generaal Gordon, William Albright, Roland de Vaux: 114
De evangelisten spreken elkaar tegen: 120
De gnostieken van Nag Hammadi: 121
Maagdelijke geboorte?: 123
Jezus = God (C.S. Lewis): 128
De bezwaren van Bart Ehrman: 130
Bijbel in de volkstaal, Latijnse rituelen: 135
Mohammed is historisch: 137
De Koran als tweedehands openbaring; islam als plagiaat: 139
Mohammed als gerucht: 140
Taalkundige problemen bij het interpreteren van de Koran en de hadiths: 142
De hadiths als plagiaat: 143
De duivelsverzen: 145
Waar islamitische sekten het over eens zijn: 147
Christoph Luxenberg: 147
Herrijzenissen in de bijbel: 152
Onbetrouwbare verslaggevers: 154
Malcolm Muggeridge, Moeder Theresa en de cameraman: 155
De genezing van Monica Besra: 157
Rampen als zonden: 159
Hitchens’ trotskistische verleden, óók een geloof: 162
Cargo-cult: 168
Marjoe Gortner: 169
Het ontstaan van de mormonen; het verhaal van Joseph Smith: 171
Sabbatai Sevi: 180
De bevrijdingsanalogie van Martin Luther King versus de christelijke goedkeuring van slavernij: 185-
Abolitionisme: 189
Slavernij gerechtvaardigd door de Koran: 193
Gandhi: geen seculaire, nationalistische leider maar een fakir en een goeroe: 195
Evelyn Waugh, nare katholiek: 198
De slagers van Darfur zijn Arabische moslims: 202
Hutu Power: 203
De Bhagwan: 208
Sri Lanka: Tamils vs. boeddhisten: 211
De eenmansheerschappij van de Dalai Lama: 212
Het Japans boeddhisme als verdediger van imperialisme en massamoord: 213
Het bloedoffer: 218
Bloedblad om de bron van Hebron: 219
Baruch Goldstein: 220
Koehandel bij Blaise Pacal, bij de Talmoed, bij de Dalai Lama, bij de sjiieten: 224
Medische consequenties van besnijdenis: 237
De totalitaire socialistische staat van jezuïtische missionarissen in Paraguay: 243
Sympathie van de kerk voor het fascisme: 248, 249
De capitulatie van de Kerk voor het Duitse nationaal-socialisme: 250
Geen enkele katholieke SS'er werd geëxcommuniceerd voor oorlogsmisdaden: 252
De rattenlijn naar Zuid-Amerika: 253
Hirohito, de god-koning, 254
De Russisch-orthodoxe kerk als steunpilaar van de tsaristische autocratie: 256
Noord-Korea, 'mausolocratie': 261
Anti-semitisme in christendom en islam: 264
Religie, racisme en totalitarisme: 264
Lucretius, bijna verloren gegaan: 273
Verzet tegen Spinoza: 275
Zelfcensuur van Darwin: 284
De tragische, gemiste link met de Griekse filosofie — Chanoeka: 288
De remmende werking van religie op een beschaving: 294
____

1 reactie(s):
Moral minority : our skeptical founding fathers – Madison
Breaking the spell : religion as a natural phenomenon – Dennett
Why Darwin matters : the case against Intelligent Design – Shermer
Treatise on the Gods – Mencken
Misquoting Jesus : the story behind who changed the bible and why – Ehrman
Freethinkers : a history of American secularism – Jacoby
Hitler’s pope – Cornwell
Doubt : a history – Hecht
The philosophy of Spinoza : selections from his works – Ratner
Atheism from the Reformation to the Enlightenment – Hunter en Wootton (ed.)
Albert Einstein, the human side : new glimpses from his archives – Dukas en Hoffman
Een reactie plaatsen