maandag 15 november 2010

God, een onhoudbare hypothese - Victor J. Stenger

Ik ben een atheïst, maar niet een van het flierefluitende type. Het bestaan van een menslievende en rechtvaardige God had ik niet erg gevonden. Dat het leven eindig is, maakt het voor mij niet zinvol, zoals de meeste atheïsten vinden, maar juist tevergeefs en oppervlakkig. En dat ik geliefde doden nooit meer terug zal zien, daar mag ik al helemaal niet aan denken. Aan de andere kant ben ik niet het type dat harde waarheden wegdrukt, omdat ze me ongelukkig maken.

Het is zelfs omgekeerd. Ik heb de neiging me met, welja, religieuze ijver te storten op anti-religieuze boeken. Bij het lezen van de zogeheten New Atheists strijden dan twee gevoelens om voorrang. Plezier en bewondering om zoveel branie en kritisch vernuft — in tegenstelling tot hun tegenstanders die zich alleen maar kunnen bedienen van bombast, misprijzen en retorische trucs; anderzijds pijn omwille van al die jaren weekmakende want religieus geïnspireerde opvoeding.

Voornoemde New Atheists zijn militante ongelovigen, die niet langer lijdzaam en respectvol toe willen kijken hoe mensen zich vastklampen aan primitieve archaïsche beelden uit de kindertijd van de mensheid. Hun argumentatie is meestal niet zo origineel; nieuw is vooral dat de argumenten weer eens luid worden uitgebazuind, met op provocatie gerichte taal. Christopher Hitchens, die het voorwoord schreef bij God, een onhoudbare hypothese, is daar een kei in.

De uitdaging voor onze tijd is dezelfde als in vroegere tijden. Hoe moeten we goed leven, en hoe weten we wat deugdzaam is? In de voorbije millennia van primitieve domheid puzzelden patroonzoekende primaten een oplossing uit, en schoven alle verantwoordelijkheid af op een Opperste Dictator die tegelijkertijd liefde en vrees eiste. Het verhaal van de menselijke volwassenwording is er een van bevrijding van deze kwaadaardige mythe en van de hebzuchtige en eerzuchtige primaten die de mythe gebruikten en nog steeds gebruiken om hun heerschappij in stand te houden.
In De religies uitgelegd aan mijn dochter wees Roger-Pol Droit er al op dat geen enkele religie zonder het onderscheid tussen heilig en profaan kan. En vooral: dat geen religie kan zonder het respecteren van de grens tussen die twee. Het heilige wordt beschouwd als iets geweldigs, iets subliems, maar tegelijkertijd als iets ontzaglijks, iets verschrikkelijks. Aan het heilige mag niet getornd worden; doet men dat wel, dan zwaait er wat.

New Atheists nu hebben lak aan die ongeschreven wet dat natuurwetenschap en religie twee niet-overlappende magisteria zijn, waarbij de wetenschap zich bemoeit met het begrip van de natuurlijke wereld, en godsdienst met kwesties van moraal. Die magische wand — over geloofszaken twist men niet — willen ze slechten.

Daar is best moed voor nodig. Slechts 7 procent van de Amerikaanse wetenschappers, aldus dit boek, gelooft in een persoonlijke God die in intellectuele en affectieve communicatie staat met de mensheid. Maar om praktische redenen vinden wetenschappers het beter dat de natuurwetenschap zich van godsdienstige zaken afhoudt. Daardoor zou het publiek misschien wel minder met wetenschap op kunnen hebben, om maar te zwijgen van de overheden die subsidie verschaffen. Hitchens legt uit dat het zorgvuldig afwegen van religie tegen wetenschap een betrekkelijk recente reflex is.
Tot 1834 was het Engelse woord ‘scientist’ (natuurwetenschapper) niet algemeen gangbaar. Mensen als Sir Isaac Newton waren ‘natuurfilosofen’, en zo beschouwden zij zichzelf ook. Argumenten over de diepere bedoelingen van de kosmos stonden op gelijke voet met berekeningen en proeven, en specialisatietirannie had ons nog niet in in haar greep. Heel veel wetenschappers hadden trouwens dan ook volslagen 'onwetenschappelijke' opvattingen. Newton was zelf in het geheim een alchemist die meende dat de paus de antichrist was en dat de ware afmetingen van de tempel van Salomo tot belangrijke ontdekkingen zouden kunnen leiden. (...) Pas bij Einstein en Bertrand Russell zien we een synthese tussen de wetenschappelijke methode en een algemener ‘humanisme’: een synthese die op rede berust en die het aandurft om een verband te leggen tussen enerzijds fysiek en natuurlijk bewijsmateriaal en anderzijds de conclusie dat men het best ethisch en rationeel kan leven als men aanneemt dat er geen bovennatuurlijke dimensie is.
Inmiddels wordt steeds duidelijker dat de natuurwetenschappelijke en de bovennatuurlijke verklaringen van allerlei zaken niet zozeer ‘niet-overlappend’ zijn, als wel gedoemd om elkaar te overlappen en elkaar tegen te spreken. Geloof in een persoonlijke God, allemaal goed en wel, maar laat dan de aard van die God en zijn schepping op zijn minst overeenstemmen met wat onze beste natuurwetenschap vertelt over hoe het universum en het leven eruit ziet.

Hitchens geeft een paar voorbeelden. Wat zegt het over onze God als die het Andromedastelsel over vijf miljard jaar laat botsen met onze Melkweg? En wat was God in 's hemelsnaam van plan toen hij het aantal vroege voorouders in Afrika en de populatie van homo sapiens tot goed 2000 exemplaren liet zakken, door de oprukkende ijstijd en de uitbarsting van een supervulkaan in Toba in Sumatra? Hitchens:
Peins eens over deze verbazingwekkende ontdekking. Er zijn echt maar twee manieren waarop je dat kunt analyseren en verwerken. De eerste manier is dat je de overleving en ontsnapping aan uitroeiing en de latere verbreiding van de mensheid opvat als een wonder, een Exodusverhaal dat het helaas nooit heeft gebracht tot kleitabletten of papyrus. De tweede manier is dat je je nog iets anders herinnert dat we ook tot voor kort niet wisten: bijna 99 procent van alle soorten waarvan we weten dat ze op aarde geleefd hebben is uitgestorven.
Victor J. Stenger is ook zo'n New Atheist. Van huis uit deeltjesfysicus woog hij in zijn eerdere boek Has science found God? (2003) al de wetenschappelijke bewijzen voor God en bevond ze te licht. In dit boek beweert hij dat de natuurwetenschap nu voldoende ver gevorderd is om zich uit te spreken tegen een God die de eigenschappen heeft die traditioneel horen bij de joods-christelijk-islamitische (JCI) God — een opperwezen dat materie, ruimte en tijd overstijgt en toch de basis is van alles wat wij zintuiglijk waarnemen aan materie, ruimte en tijd.

De JCI God, benadrukt Stenger, is geen deïstische God, die de wereld geschapen heeft en haar daarna op haar beloop laat, en ook niet de pantheïstische God, die samenvalt met het geheel van al het bestaande. De JCI God "houdt zich elke nanoseconde bezig met alles wat er gebeurt in elke kubieke nanonmeter van het universum".

Stenger bindt dus de strijd aan met een bepaald type God, een God met duidelijk omlijnde eigenschappen. De theoloog kan dan vragen: hoe kunnen wij stervelingen iets weten van de ware aard van een god die onze zintuigen te boven gaat? Het antwoord daarop is dat we die niet hoeven te kennen, net als natuurkundigen de echte werkelijkheid achter de quarks niet hoeven te kennen.
Het precieze verband tussen de elementen van wetenschappelijke modellen en wat voor echte werkelijkheid daarbuiten staat, is niet zo belangrijk. Als wetenschappers een model hebben dat de gegevens beschrijft, dat klopt met andere gevestigde modellen en dat praktisch nut afwerpt, wat hebben ze dan nog meer nodig? Evenzo maakt het van een praktisch standpunt niet uit of de ‘echte’ God lijkt op een van de goden waarvan we de proefondervindelijke gevolgen hebben geanalyseerd.
Niettemin rakelt Stenger een paar bekende filosofische antigodsbewijzen op, voor de volledigheid. Deze bewijzen verdienen op zich veel krediet omdat, naar goede wetenschappelijke gewoonte, ontkrachtingen van modellen belangrijker zijn dan bevestigingen. Het gaat om de volgende paradoxen:

- Een volkomen deugdzaam wezen kan niet bestaan.
- Verering is in strijd met moreel handelen.
- Het bestaan van God is in strijd met het bestaan van het kwaad.
- Een perfecte schepper is onbestaanbaar.
- Een transcedent wezen kan niet alomtegenwoordig zijn.
- Een persoonachtig wezen kan niet onstoffelijk zijn.
- God kan niet almachtig zijn.

Deze logische antigodsbewijzen (zie p. 33-) zijn behoorlijk waterdicht, tenzij je de regels verandert of — de meest gebruikte tactiek — de betekenis van de woorden in de redenering aanpast.

Maar, zoals gezegd, eigenlijk interesseren deze antigodsbewijzen Stenger niet, als wetenschapper. Mensen vereren immers geen abstracties (alwetendheid, algoedheid, almacht). Ze vereren een God waarvan ze de eigenschappen kunnen begrijpen. De eigenschappen van de God die Stenger in zijn boek fileert zijn dan ook helder:

- God is de schepper en bewaarder van het heelal.
- Hij is de architect van de structuur van het heelal, en de maker van de natuurwetten.
- God grijpt in waar hij het nodig acht en kan daarbij zijn eigen natuurwetten schenden.
- God is de schepper en bewaarder van de mensheid en mensen zijn heel speciaal vergeleken met andere levensvormen.
- God heeft alle mensen begiftigd met een onstoffelijke en eeuwige ziel die los van het lichaam staat en die de essentie van het karakter en de identeit bevat.
- God is de bron van moraliteit en andere menselijke waarden zoals vrijheid, rechtvaardigheid en democratie.
- God heeft waarheden onthuld zowel in heilige boeken als door ze in de loop van de geschiedenis direct mee te delen aan uitverkoren individuen.
- God verbergt zich niet opzettelijk voor mensen die openstaan voor het bewijs van Zijn bestaan.

Stenger acht de natuurwetenschap perfect in staat om nuttige uitspraken te doen over de aanwezigheid van een God met deze eigenschappen. Met natuurwetenschap wordt hier bedoeld: "het verrichten van objectieve waarnemingen met de zintuigen en met instrumenten alsmede het construeren van modellen om deze waarnemingen te beschrijven".

Let wel: modellen beschrijven dus, ze verklaren niet. Een model is een reeks veronderstellingen of hypothesen, die getoetst worden aan zorgvuldig opgezette waarnemingen. Stengers analyse gaat ervan uit dat God wetenschappelijk waar te nemen moet zijn, domweg omdat Hij volgens de hypothese zo’n centrale rol speelt in het heelal en in het menselijk leven. Anders gezegd: God is slechts bewijsbaar noodzakelijk, als de wetenschap het even bewijsbaar moet laten afweten bij pogingen om een of ander verschijnsel op een aannemelijke manier natuurlijk te verklaren.

Een buitengewone bewering als "God bestaat" vereist immers buitengewoon bewijs. Stenger neemt als voorbeeld een aspirientje. Zo’n tabletje maakt de kans op hart- en herseninfarcten minder. Dat is een gewone bewering; een aspirientje maakt het bloed wat dunner en dat is een aannemelijk mechanisme. Als iemand echter beweert dat hetzelfde aspirientje aids zou genezen, dan is dat een buitengewone bewering. Daar is geen enkel aannemelijk mechanisme voor, en dus zouden we bij genezing van aids veel meer gegevens nodig hebben voor een bewijs dan voor infarctpreventie.

Zo'n sluitend experiment dat zou wijzen op de aanwezigheid van een joods-christelijke God is makkelijk voorstelbaar: als een reeks zorgvuldig uitgevoerde proeven herhaalbaar statistisch significant en zelfstandig bewijs opleveren dat rooms-katholiek gebed op afstand sommige ziekten geneest, terwijl gebeden van andere religies niks doen. Een aannemelijke natuurlijke verklaring voor deze denkbeeldige uitkomst is immers lastig te verzinnen.

En er zijn nog waarnemingen te verzinnen die ten gunste van de godhypothese zouden werken: mensen met buitengewone geestelijke vermogens, overtuigend bewijs van leven na de dood, de aanwezigheid van een niet-fysisch communicatiekanaal, historisch bewijs voor wonderen uit de Schrift, natuurwetten met een moreel bewustzijn, gelovigen die moreler gedrag vertonen dan ongelovigen, enzovoort.

Natuurlijke verklaringen zijn trouwens behoorlijk betrouwbaar: hoewel de geschiedenis van de wetenschap vaak omschreven wordt als een reeks paradigmaverschuivingen, zijn de basisideeën over materie en stoffelijke processen sinds de tijd van Newton niet meer veranderd, alleen verfraaid. Alles wat aantoonbaar deze verschijnselen schendt, zou wereldschokkend zijn en bij gebrek aan beter bovennatuurlijk genoemd kunnen worden.

Het werkt ook omgekeerd. Stenger wil aantonen dat de godhypothese bepaalde natuurlijke stoffelijke processen tot gevolg heeft. Elk van die processen zou, indien waargenomen, in strijd zijn met elke redelijke, natuurlijke, stoffelijke beschrijving. Daaruit volgt dan weer dat als zekere waarnemingen precies uitkomen zoals voorspeld wanneer die god niet bestaat, dat een extra minpunt is tegen diens bestaan. Omdat God overal is, zouden we hem overal, bij elke proef, moeten aantreffen.

Filosofen stellen graag dat alle waarnemingen theoriegeladen zijn, maar eigenlijk doet dat niet eens ter zake. Wetenschappelijke modellen zijn deugdelijk als ze blijken te werken, als ze toepasbaar zijn, in tegenstelling tot de metafysica, die in kringetjes blijft draaien en verbazend nutteloos is. Hoe de werkelijkheid er 'echt' uitziet, interesseert wetenschappers niet. Als je natuurkundigen hoort praten dan hebben ze het over quarks en dergelijke ongeziene delen van hun modellen alsof het ‘echte’ deeltjes zijn. Maar dit is een metafysische aanname. Ze zouden niet weten hoe die te controleren en dat hoeven en willen ze ook niet. Het enige wat wetenschappers interesseert is de algemene bruikbaarheid van hun modellen. Wie wetenschap beschouwt als een ‘cultureel verhaal’ beseft niet dat ze van andere culturele verhalen verschilt door haar overweldigende universaliteit.

Bij een experiment dat wordt uitgevoerd volgens de regels van de kunst zijn de onderzoekers belast met het opsporen van alle foutenbronnen. De hypothesen moeten worden aangegeven vóór het verzamelen van gegevens begint, niet tijdens of erna ("geen kringen trekken rond een pijl zodat het lijkt alsof hij doel getroffen heeft"). Idealiter mogen noch de onderzoekers, noch de gegevensverzamelaars, noch de rekenaars achteraf weten met welk deel van de gegevens ze aan het werk zijn (bij onderzoek naar de werking van bidden: wie heeft gebeden en wie niet?). Voorts moet de hypothese de mogelijkheid van zijn eigen vernietiging in zich dragen. Tot slot moeten de resultaten herhaald kunnen worden.

Hieronder volgt een samenvatting (doorgaans in de woorden van de auteur) van alle argumenten die Stenger biedt tegen de joods-christelijk-islamitische God, vaak met een verwijzing naar de pagina's waarop het argument wordt uitgewerkt. Ik heb de argumenten zelf onderverdeeld in 10 groepen, die stuk voor stuk een belangrijke religieuze illusie doorprikken.

- De illusie van intelligent ontwerp
- De illusie van een onstoffelijke ziel
- De illusie van een schepper als eerste oorzaak
- De illusie van fijnafstemming
- De illusie van openbaring
- De illusie van moreel hoogstaandere gelovigen
- De illusie van een rechtvaardige God
- De illusie van een zich verbergende God
- De illusie van een weldadige godsdienst
- De illusie dat zin, of een zingever, nodig is

Op de keper beschouwd stond er voor mij weinig nieuws in dit boek. Over het feit dat gelovigen moreel geen hoogstaandere mensen zijn dan ongelovigen, en dat godsdienst allesbehalve weldadig is voor veel mensen, daar hebben Hitchens en Sam Harris attractiever over geschreven. Waarom creationisme onzin is, daar lees je beter Dawkins over.

Het meest fascinerende hoofdstuk van dít boek is zonder twijfel 'Kosmische bewijzen', waarin Stenger uitlegt waarom we geen God nodig hebben als eerste aanstoker van het universum. Dat hoofdstuk is dan weer zo compact en technisch (de plancktijd and all that) dat het de leek onbevredigd achterlaat. Maar goed, dat gevoel ben ik inmiddels gewoon bij dit soort boeken.

De bibliografie is fantastisch.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Victor J. Stenger, God, een onhoudbare hypothese
Hoe de wetenschap bewijst dat God niet bestaat
290 p.
Uitgeverij Veen Magazines, 2008
Oorspr. God; the failed hypothesis : how science shows that God doesn’t exist (2007)
Vertaald door Jan Willem Nienhuys


Carl Miles, God, our father, on the rainbow; afbeelding via Flickr onder een Creative Commons licentie


De illusie van een intelligent ontwerp
Het universum lijkt het produkt van Intelligent Ontwerp: vele biologische systemen zijn veel te ingewikkeld om op een natuurlijke manier ontstaan te zijn. Dit noemt men het argument van Paley’s horloge.

Darwin heeft echter aangetoond dat het heelal niet het resultaat is van ontwerp, maar van evolutie: het is door natuurlijke selectie dat organismen eigenschappen kunnen opbouwen die ze in staat stellen te overleven en nageslacht te hebben dat die eigenschappen handhaaft. De evolutietheorie is wetenschappelijk omdat ze vele voorspellingen doet, zodat meteen vele ontkrachtingen denkbaar zijn: 50

Die voorspellingen zijn uitgekomen: de ontdekking van menselijke voorouders, de talrijke overeenkomsten zowel in lichaamsbouw als in het DNA tussen mensen en andere dieren (en zelfs planten) en de mogelijkheid dat we dieren voor medisch onderzoek kunnen gebruiken zijn even zovele ontkrachtingen voor de hypothese dat God het menselijk leven apart geschapen heeft. Het fossielenarchief, het bestaan van overgangssoorten en de waarneming van evolutie in het lab ontkrachten de hypothese van een God die afzonderlijke ‘oertypes’ op één enkel tijdstip in de geschiedenis schiep, waarna er niets meer veranderde.

Misschien heeft God verkozen om de rijkdom van het leven via de evolutie te scheppen? Neen, want de evolutietheorie houdt in dat de mensheid een toevalsproduct is, en niet de speciale schepping van de traditionele geloofsleer.

Over het creationisme: 52-

Over het bewijs tegen Behe (de afzonderlijke delen kunnen niet geëvolueerd zijn door natuurlijke selectie, want die hebben op zich geen functie waarop selectie kan werken) : 54

Over de evolutie van zoiets ingewikkelds als het menselijk oog: 55

Argumenten tegen Dembski (die stelt dat het wiskundig aantoonbaar is dat er ontwerp in de natuur is): 56

Voorbeelden van hoe domme natuurlijke processen de ingewikkelde wereld om ons heen kunnen voortbrengen: 60- (Philip Ball) en 64- (Edward Fredkin)

Over de rol van zelforganisatie in de evolutie (tegen blinde evolutie, cf. Stuart Kauffmann): 64

We kunnen ook de idee van een ontwerp ontkrachten door in te gaan op de doelmatigheid van zo'n eventueel ontwerp. Over defecten die duidelijk maken dat de mens verre van perfect ontworpen is: 68

Het enorme aantal soorten is het gevolg van de vele doorgaans blindelingse pogingen van de evolutie om het overlevingsprobleem op te lossen. Het grote aantal mislukkingen is te verwachten omdat de meeste van deze oplossingen falen: 69

Ander bewijs voor de afwezigheid van een weldadig ontwerp: het korte beestachtige bestaan van de meeste levensvormen: 70


De illusie van een onstoffelijke ziel
In dit hoofdstuk behandelt Stenger het geloof dat mensen meer zijn dan fysieke lichamen, dat gebeurtenissen handelingen zijn van onzichtbare geesten, dat het hart (en niet de hersenen) het centrum is van ons wezen en verstand, dat de ziel onsterfelijk is, dat lichaam en ziel van elkaar gescheiden zijn, en dat de evolutietheorie alleen betrekking heeft op het lichaam (cf. de paus en de Dalai Lama).

Thomas Hobbes is een van de belangrijke intellectuele voorlopers die het idee van een aparte stoffelijke ziel onzin vond. Thomas Willis (17de eeuw) gaf als eerste de anatomie van de hersenen in detail weer en merkte op dat het hart een pomp was die werkte onder invloed van signalen uit de hersenen.

Tegenwoordig weten we dat psychologische storingen ontstaan in de hersenen, en dat ze vaak met bepaalde chemische stoffen behandeld kunnen worden. We weten allemaal dat bepaalde stoffen geestelijke storingen kunnen veroorzaken of afwijkende bewustzijnstoestanden teweeg kunnen brengen. Zelfs het opwekken van ‘spirituele ervaringen’ behoort tot de mogelijkheden, zoals met LSD. Hersenziekten zoals de ziekte van Alzheimer tasten behalve het geheugen ook het gedrag aan. Dit alles suggereert toch wel sterk dat onze gedachten, herinneringen en subjectieve ervaringen berusten op fysieke processen in de hersenen.

Over beeldvormende technieken m.b.t. de hersenen (MRI, PET, SPECT, EEG): 78

Over manieren om levende hersenen te bestuderen door ze zeer plaatselijk te stimuleren met elektrische of magnetische impulsen: 79

Over de onzin van 'levenskracht', bio-energetische velden of tsji: 80-

Weerlegging van buitenzintuigelijke waarneming (extrasensorische perceptie of ESP): 84

Over ongelukkige statistische uitschieters in (parapsychologische) medische artikelen en lage standaarden: 87

Bidden werkt niet: 88-96

Over onsterfelijkheid, bijna-doodservaringen (BDE’s), mediums, en gebrek aan contact met een hiernamaals: 97

Computersimulaties van complexe systemen hebben een eigenschap ontdekt die theologen iets gegeven hebben dat zij aanzien voor een wetenschappelijk alternatief voor reductief materialisme, en dat theologische gevolgen zou hebben. Bij deze simulaties hebben systemen als geheel onverwachte eigenschappen, die de onderdelen niet hebben. Deze eigenschap heet emergentie en men zegt wel dat emergentie het bewijs is van een nieuwe holistische werkelijkheid waarin het geheel groter is dan de som van de delen. Stenger stelt: als wat tevoorschijn komt de ziel genoemd mag worden, dan is die nog steeds het gevolg van zuiver stoffelijke processen. Er gebeurt niets bovennatuurlijks en God is hier overbodig.


De illusie van een schepper als eerste oorzaak
Het concept 'bovennatuurlijke schepper' betekent praktisch en theoretisch dat het universum om te beginnen een oorsprong had, en dat die oorsprong niet een natuurlijke kan geweest zijn. Een schepper impliceert dus een schending van bekende natuurwetten.

In dat verband is het goed om weten dat, ondanks wetenschappelijke revoluties en paradigmaverschuivingen, de grondwetten van de natuurkunde in wezen dezelfde zijn als ten tijde van Newton. Ze zijn natuurlijk uitgebreid en herzien, maar de grote behoudswetten van energie en impuls zijn niet veranderd. Behoud van energie en andere basiswetten kloppen ook in de verst verwijderde sterrenstelsels en ook in de kosmische microgolfachtergrondstraling. Dat wil zeggen dat die wetten al dertien miljard jaar geldig zijn.

Tot in het begin van de twintigste eeuw waren er sterke aanwijzingen dat er ten minste een wonder nodig was om het heelal te scheppen. Het heelal bevat immers een grote hoeveelheid materie met massa, en voor de twintigste eeuw dacht men dat materie niet geschapen of vernietigd kon worden, alleen maar veranderd van het ene in het andere type. In 1905 publiceerde Einstein echter zijn speciale relativiteitstheorie. Voeg daarbij het gegeven dat de totale energie van het heelal inderdaad nul is, zoals voorspeld door het inflatiemodel van de oerknaltheorie, en je kan samenvattend stellen dat het bestaan van massa en energie in het universum geen schending van de wet van behoud van energie vereist op het veronderstelde tijdstip van de schepping: 105

Een andere voorspelling van de scheppershypothese wordt ook al niet bevestigd door de gegegevens. Als het universum geschapen zou zijn, zou het een zekere mate van orde hebben dat erin was gestopt door de Grote Ontwerper. Deze verwachting wordt uitgedrukt door de Tweede Hoofdwet van de thermodynamica: de totale entropie (wanorde) in een gesloten systeem is constant of moet toenemen met de tijd. Daarom was de ontdekking van Hubble in 1929 dat sterrenstels van ons af bewegen zo belangrijk: een uitdijend universum zou heel goed in totale chaos begonnen kunnen zijn en toch plaatselijke ordening kunnen hebben opgeleverd zonder de Tweede Hoofdwet te schenden: 107-

De kwantummechanica, die nu met hoge nauwkeurigheid is geverifieerd, zegt ons dat de algemene relativiteitstheorie in de huidige formulering niet meer kan kloppen bij tijden die korter zijn dan de plancktijd en lengten korter dan de plancklengte. Daaruit volgt dat de algemene relativiteitstheorie niet gebruikt kan worden om te vertellen dat er een singularieit plaatsvond voor de plancktijd. Daarom geldt het gebruik van William Lane Craig van de singulariteitsstelling niet: 112

Het kalâmargument — alles wat begint te bestaan, heeft een oorzaak; het universum begon te bestaan, dus heeft het een oorzaak — klopt niet. Niet alles heeft een oorzaak. In de natuurkunde van de atomen en kleinere deeltjes doet men waarnemingen van gebeurtenissen zonder oorzaak. Op grond van onze beste wetenschappelijke kennis kunnen we zeggen dat er geen schepper bestaat die kosmologische sporen heeft achtergelaten van een doelgerichte schepping: 113

Er is geen tijdstip, noch een plek aan de hemel waar we niet een gebeurtenis zijn tegengekomen die zich niet ergens op een ander ogenblik herhaalde en die niet met goed bekende natuurwetenschap verklaard kan worden: 117

Er is ook geen schepper nodig die de natuurwetten zelf schiep. Er is immers geen reden waarom de wetten van de natuurkunde niet vanuit het universum zelf kunnen zijn ontstaan. De drie grote behoudswetten maken géén deel uit van welke structuur dan ook. Ze volgens juist uit het totale gebrek aan structuur op het allervroegste ogenblik: 118-

Als de natuurwetten vanzelf ontspruiten aan de lege tijd-ruimte, waar kwam die dan vandaan? Waarom is er iets in plaats van niets? Die vraag komt met verschillende problemen. Hoe definieren we 'niets'? En als het niets eigenschappen heeft, is het dan niet ‘iets’? En waarom is niets een meer natuurlijke toestand dan ‘iets’?

Er bestaat een aannemelijke natuurwetenschapelijke reden om te zeggen dat iets natuurlijker is dan niets. Er is iets in plaats van niets, omdat ‘niets’ onstabiel is. Alleen door voortdurend ingrijpen van een handelend wezen buiten het universum, bijvoorbeeld God, kan de ‘niets’-toestand worden gehandhaaft: 121-


De illusie van fijnafstemming

Leibniz
maakte deze illusie beroemd: we leven in de best mogelijke van alle werelden, zei hij. Maar tegen deze zienswijze is erg veel in te brengen. Het menselijk leven is erg gevoelig voor de fysieke omstandigheden op aarde. Als de atmosfeer geen licht zou doorlaten in het zogeheten zichtbare deel van het electromagnetische spectrum, en als de zon zulk licht niet zou uitstralen, zouden we niets aan onze ogen hebben. Maar wil dat zeggen dat de zon en de aardatmosfeer speciaal werden ontworpen met deze eigenschappen, omdat onze ogen gevoelig zijn voor juist dat deel van het spectrum?

Hoe gewoon is het leven trouwens op aarde? Iedereen is het er over eens dat er op een flinke portie planeten wel eenvoudige levensvormen zullen bestaan. Buiten het zonnestelsel zijn er meer dan honderd planeten ontdekt. Echter, tot dusverre zijn er waarschijnlijk geen bij die geschikt zijn voor ingewikkelde vormen zoals wij die kennen, en zeker niet voor menselijk leven. De galactische ruimte rond de aarde wemelt niet bepaald van leven. Aardachtige planeten en sterren zoals de zon zijn overigens óók zeldzaam. Als er leven is op veel plaatsen in het heelal, dan bestaat het onder een veel groter aantal condities dan op aarde. En hoe waarschijnlijk is dan de mogelijkheid van intelligent leven?

Niettemin maakt iemand een logische fout wanneer hij de waarschijnlijkheid schat dat de ideale combinatie van eigenschappen aanwezig is die een planeet moet hebben om leven mogelijk te maken, zonder daarbij de waarschijnlijkheid van een goddelijke scheping te schatten. In dit onmetelijke universum gebeuren nu eenmaal elke dag uiterst onwaarschijnlijke dingen.

Over de waarschijnlijkheid van en condities voor ingewikkeld multicellulair leven (zeldzameaardepositie): 130

Andere vraag: hoe kan het heelal deze unieke verzameling constanten hebben gekregen die via zo’n delicate fijnafsteming het leven mogelijk maken? Is opzet niet de enige mogelijkheid, en wel de opzet om leven of zelfs de mensheid mogelijk te maken? (Los van de vraag waarom een almachtige god voor zo’n delicate fijnafstemming zou kiezen.)

Antwoord: veel zogenaamde fijnafstemming van constanten in de natuurkunde van kleine dingen bestaat in alleen in theologische fantasieën: 133

Niettemin bestaan er wel degelijk waarden die alleen bij hun huidige toestand het leven mogelijk maken: de elektromagnetische kracht, de energiedichtheid van het vacuüm, de massa van het elektron, de zwaarte van het proton, de aangeslagen toestand van de koolstofkern. Stenger bekijkt deze vijf parameters om te zien hoe belangrijk hun fijnafstemming is: 134-

Het antropische godsbewijs kan ook omgedraaid worden. Dan wordt het een antigodsbewijs. Als God het heelal geschapen zou hebben met als hoofddoel de ontwikkeling van menselijk leven, zou je dan niet denken dat het universum enigszins was afgestemd op dat menselijk leven? Maar als het heelal afgestemd is op menselijk leven, waarom dan al die verspilling van materie (het enorme aantal planeten en sterren, de ontelbare sterrenstelsels), van ruimte (de immense afstanden en leegte in het heelal) en van tijd (ouderdom van het heelal, evolutie)? 143

Over de onmogelijkheid van de mens om het heelal te veroveren (zoals in populaire SF): 145

Over het in de natuurwetten verwerkt levensbeginsel (élan vital) van Paul Davies, Christian de Duve en Stuart Kauffman: 148

Het heelal is niet vreselijk ingewikkeld. De meeste materie en energie vertoont geen enkele structuur en geen enkel teken van ontwerp. Complexiteit zit in een klein hoekje: 149

Als het heelal opvallend geschikt is voor het leven, dan is er een God die de boel aan de gang houdt niet nodig. Als het heelal ongeschikt is, dan moet God voortdurend — en zichtbaar — ingrijpen. Er is nog een derde mogelijkheid die beter past bij de gegevens: wij zijn een product van toevallige omstandigheden: 150


De illusie van openbaring
Als van bijbelse uitspraken over geschiedkundige of natuurwetenschappelijke zaken bewezen kan worden dat ze strijdig zijn met andere opgetekende verslagen, met oude documenten die bij archeologische opgravingen gevonden zijn, of met feiten die de moderne wetenschap heeft vastgesteld, dan is er reden voor ernstige twijfel over de betrouwbaarheid in godsdienstige zaken ('feilbaarheid op feitelijke gebieden').

Stenger bespreekt drie types mislukte openbaringen. Het eerste type is informatie die tijdens een mystieke of godsdienstige ervaring wordt opgedaan en die niet op een natuurlijke manier bekend kon zijn aan de betrokkene. Iemand met een religieuze ervaring moet een of ander nieuw inzicht hebben. Zulke informatie is nimmer bevestigd. Openbaringen blijken meestal aansporingen: ‘wij mensen moeten elkaar liefhebben’.

Het tweede type bestaat uit wetenschappelijke blunders — fouten i.v.m. astronomie (bv. het ontstaan van het heelal), kosmologie en biologie.

Ten derde blijkt geen enkele riskante bijbelse profetie objectief gesproken vervuld; niet van Jezus (160-161), niet van het Oude Testament (164-165).

Daarna wijst Stenger erop dat gebrek aan bewijs afdoende aantoont dat belangrijke bijbelse verhalen zoals de uittocht in Egypte (168-169) en de gebeurtenissen rond de geboorte en dood van Jezus (162-163) niet kunnen hebben plaatsgevonden op de schaal en op de manier die in de Bijbel beschreven is. Er zijn overigens geen fysieke bewijzen voor het bestaan van Jezus (166).

Uit dit alles samen volgt dat de Heilige Schrift en de daarin vermelde godsdienstige ervaringen geen bronnen zijn van geopenbaarde informatie. De hypothese van zowel een God die een kleine woestijnstam uitkoos als zijn uitverkoren volk, als een God die goedgunstig neerzag op een kleine woestijnstam zo tussen 1500 v.C. en 1000 v.C. en die de stam in staat stelde een groot maar kort bestaand rijk op te bouwen, wordt ontkracht door de afwezigheid van het soort bewijs dat er zou moeten zijn als de hypothese klopte.


De illusie van moreel hoogstaandere gelovigen
De godsdiensten van de wereld hebben de rol opgeëeist van scheidsrechter voor menselijk gedrag, en hun leiders zijn gedurig bezig af te geven op het verval van de maatschappij dat zij zeggen te ontwaren. Zelfs niet-godsdienstige, gewone burgerlijke instellingen eerbiedigen dat opgeëiste recht. Atheïsten, vrijdenkers en humanisten worden zelden naar hun opvattingen gevraagd.

Niettemin zijn er geen bewijzen dat ongelovigen naar verhouding meer misdaden of andere antisociale handelingen bedrijven dan gelovigen. Sommige onderzoeken tonen juist het tegenovergestelde aan: 174

Predikers houden ons voor dat universele morele standaarden slechts van één enkele bron kunnen komen, namelijk de God die zij toevallig aanbidden. De gegevens wijzen echter uit dat de meerderheid van alle mensen van alle culturen en godsdiensten het eens zijn over een gemeenschappelijke verzameling morele standaarden. Veel wat we doen of laten, doen of laten we vrijwillig — niet omdat we wetten naleven: 175

Zonder uitzondering zijn de nobele idealen uit de joods-christelijke en de islamitische heilige boeken al in eerdere culturen ontwikkeld, en de geschiedenis leert dat ze aanvaard werden door — niet geleerd van — de godsdienst. Zoals de Gulden Regel, of 'Heb je vijanden lief': 178, 180, 181

Dat de Grondwet van de Verenigde Staten is gegrondvest op christelijke waarden, is een mythe: 179

Alleen enkele van de Tien Geboden staan in wetboeken van moderne staten: 180

Christenen zijn ook niet per se verantwoordelijk voor de afschaffing van de slavernij in de VS: 182

Het Oude Testament zit tjokvol wreedheden die in de naam van God bedreven zijn en de geschiedenis van het christendom is vol van geweld dat door de kerk goedgekeurd werd, en dat dus als goddelijk geïnspireerde goedheid gold: 183-

De Bijbel is helemaal niet duidelijk over wat er wel of niet gedood mag worden. Er is geen uitdrukkelijke goedkeuring of verbod van het doden van een foetus of een stamcel. Wel is zeker dat het doden van vijanden wordt goedgekeurd, meer in het bijzonder degenen die Jahweh niet vereren. Veel theologen laten Jezus zeggen wat ze denken dat hij zou moeten gezegd hebben:187

Over de natuurlijke (biologische, culturele, evolutionaire) oorsprong van moraal en de voordelen van samenwerking en altruïsme: 188

Het feit dat mensen een gemeenschappelijk geweten hebben, kan beschouwd worden als bewijs tegen het bestaan van God (en niet omgekeerd, zoals Thomas van Aquino dacht): 189


De illusie van een rechtvaardige God
"Met of zonder godsdienst kunnen goede mensen zich goed gedragen of slechte mensen slecht; maar om goede mensen slechte dingen te laten doen — daar heb je godsdienst voor nodig." — Steven Weinberg

Theologen hebben geprobeerd het probleem van het kwade op te lossen door erop te wijzen dat pijn noodzakelijk bij het leven hoort. Maar wat met niet-noodzakelijke pijn? Pijn die ons waarschuwt voor onbehandelbare ziekten? Er is ook geen pijn nodig om medelijden op te wekken. En als God ons de vrijheid heeft gegeven om euveldaden te begaan, waarom dan al dat leed van natuurlijke oorsprong (ziekten, natuurrampen)? Het goede kan ook best bestaan zonder het kwade: een race winnen is goed, maar daarom is verliezen nog niet slecht. Meer op 195-

"Waarom zou een volmaakte God een universum scheppen waarin zulke geweldige hoeveelheden leed voorkomen, als zulk leed niets van het goede voortbrengt dat nodig is om het leed te absorberen en in de situatie uiteindelijk het goede het zwaarste laten wegen?" — Nicholas Everitt


De illusie van een zich verbergende God
Het type deïstische god van de Verlichting (of de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring) — hij schiep het heelal en zijn wetten, en bemoeide er zich voor de rest niet mee — is waarschijnlijk uitgesloten volgens onze beste huidige kennis van de kwantummechanica. Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg uit de kwantummechanica betekent dat de natuur niet deterministisch is, en dat de beweging van een deeltje niet met absolute zekerheid kan worden voorspeld. Dat veel van wat er in het heelal gebeurt dus toeval is. Als God er zeker van wil zijn dat Zijn plannen met het universum tot stand komen, zal Hij af en toe moeten ingrijpen om die plannen op koers te houden. En die ingrepen zouden detecteerbaar moeten zijn.

Stenger legt al in zijn voorwoord uit dat er een groot verschil is tussen een deïst en een theïst. Je kunt nog beslissen dat geen van de waarneembare processen in de natuur op gang kwam zonder een Eerste Oorzaak. "Ga je gang maar, als je daar tevreden mee bent. Helaas ligt dan het zware werk als godsdienstige gelovige nog voor je. Want hoe kom je van die eerste oorzaak uit op een godheid die het wat kan schelen met wie je naar bed gaat, wat je eet, op welke dag van de week je een heilige rustdag hebt, en hoe precies je je eigen geslachtsdelen of die van je kinderen moet verminken?"

Over de mogelijkheidsruimte van natuurkundige Howard van Till: 208

Argumenten tegen gelovigen die stellen dat God eenvoudig verkiest zich te verbergen voor de mensheid. 1. Een volmaakt liefhebbende God zou kennis over zijn bestaan niet ontzeggen aan welke mens dan ook die zulke kennis niet opzettelijk afwees. 2. Als God zou bestaan, zou er geen vermijdbaar non-theïsme in de wereld zijn.

Het bestaan van een God die zichzelf verbergt voor iedereen, behalve voor een uitverkoren elite, kan niet geheel worden uitgesloten: 213


De illusie van een weldadige godsdienst
Het is heel gewoon om godsdienst als een noodzakelijk onderdeel van het menselijk leven te vinden. Meestal wordt als reden opgegeven dat zonder godsdienst iedereen immoreel zou zijn, en dat de maatschappij te gronde gericht zou worden door oorlogen en ander ongemak. Maar dat klopt niet.

Over godsdienst als natuurlijk geëvolueerd kenmerk (Paul Bloom, Pascal Boyer, Stewart Guthrie): 216

Ervaringsfeiten bieden geen ondersteuning aan de wijdverbreide opvatting dat godsdienst bijzonder goed is voor de samenleving als geheel: 217

Godsdienst is een prima middel waarmee goed gedrag en gezag kan worden afgedwongen, tot in het Amerikaans Hooggerechtshof toe: 217

Godsdienst is ten minste gedeeltelijk verantwoordelijk voor de grote culturele verschillen en het grote wantrouwen die vrijwel gelijke rassen onderling hebben: 220

Niet elke oorlog in de geschiedenis ging over godsdienst, maar de godsdienst heeft weinig gedaan om de oorzaken en aanleidingen van die oorlogen te beperken: 220

Er bestaat geen bewijs dat de op geloof gebaseerde charitatieve instellingen het beter doen dan niet-godsdienstige. En de bewijzen stapelen zich op dat ze het juist slechter doen: 221


De illusie dat zin, of een zingever, nodig is
Over de vraag: ‘Moet het leven zin hebben?’ haalt Stenger deze anekdote op:
De filosoof Erik Wielenberg vertelt over een gymleraar die bij hoog oplopende ruzies tijdens wedstrijden tot kalmte placht aan te manen met de woorden: ‘Wie kan het over tien jaar nog wat schelen wie er gewonnen heeft?’ Wielenberg zegt dat hij zich herinnert hoe hij dacht het redelijke antwoord op die vraag zou zijn: ‘Maakt het nú dan wat uit of het iemand van ons over tien jaar nog kan schelen?’ Hij haalt de filosoof Thomas Nagel aan die iets dergelijks zei: ‘Het maakt nu niet uit dat over een miljoen jaar niets wat we nu doen er nog toe doet’.
Over de vraag: ‘Waarom moet de zin van het leven van buitenaf komen?’: 223

Een zinvol, objectief doel dat de moeite waard is: ‘doe iets tegen nodeloos lijden’: 223

De filosoof Kai Nielsen heeft opgemerkt: "Een man die zegt 'Als God dood is, doet niets er meer toe', is een verwend kind dat nooit met compassie naar zijn medemensen heeft gekeken."

Geloof in God troost en inspireert misschien. Maar je kan evengoed naar de wetenschappelijke kennis kijken met de instelling: ‘Dit is beter dan we dachten!’: 226

De natuurwetenschap helpt mensen te bevrijden van de noodzaak om al hun tijd te besteden aan gewoon maar in leven blijven. Ze laat mensen toe te genieten van familie, werk, ontspanning, kunst, muziek, literatuur.

____

2 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Introduction to artificial life – Adami
The biology of moral systems – Alexander
The ‘God’ part of the brain – Alper
The truth about the truth – Anderson
Darwinian natural right – Arnhart
Social psychology – Asch
De evolutie van de samenwerking – Axelrod
What philosophers think – Baggini en Stranghorn
The self-made tapestry : pattern formation in nature – Ball
Critical mass : how one thing leads to another – Ball
Why would anyone believe in God? – Barrett
The anthropic cosmological principle – Barrow
Dying to life : near-death experiences – Blackmore
The fundamentals of extremism : the christian Right in America – Blaker
Descarte’s baby : how the science of child development explains what makes us human – Bloom
Godsdienst verklaard – Boyer
The evolution of morality and religion – Broom
Bible prophecy : failure of fulfillment – Callahan
Neurophilosophy : toward a unified science of the mind/brain – Churchland
The engine of reason, the seat of the soul – Churchland
De Goden – Cicero
The impossiblity of God – Martin en Monnier
The Kalâm cosmological argument – Carig
The cosmological argument from Plato to Leibniz – Craig
Reasonable faith – Craig
Theism, atheism and Big Bang cosmology – Craig
The absurdity of life without God – Craig
Life everywhere : the maverick science of astrobiology – Darling
The correspondance of Charles Darwin
Vital dust : life as cosmic imperative – Duve
Nonbelief and evil : two arguments for the nonexistence of God – Drange
The impossiblity of God – Drange
Are souls real? – Elbert
Natural atheism – Eller
Before the beginning – Ellis
The non-existence of God – Everitt
The bible unearthed: archaeology’s new vision of ancient Israel and the origin of sacred texts – Finkelstein en Silberman
Encyclopaedia of bible difficulties – Gleason
Chaos, de derde wetenschappelijke revolutie – Gleick
De duim van de panda : over evolutie & ontwikkeling – Gould
God en Darwin : wetenschap en religie in de volheid van het bestaan – Gould
Rocks of ages - Gould
Deep simplicity : bringing order to chaos and complexity – Gribbin
Het uitdijend heelal – Guth
Faces in the clouds : a new theory of religion – Guthrie
Defending science – within reason – Haack
The God gene – Hamer
Holy horrors : an illustrated history of religious murder and madness – Haught
Gospel fictions – Helms
Jesus in history and myth – Hoffmann
Evolution as dogma : the establishment of naturalism – Johnson

Achille van den Branden zei

Darwin on trial – Johnson
Reason in the balance : the case against naturalism in science – Johnson
Defeating darwinism by opening minds – Johnson
Emerge : the connected life of ants – Johnson
At home in the universe : the search for the laws of self-organization and complexity – Kauffman
The fait of a heretic – Kaufmann
God aganst the gods : the history of the war between monotheism and polytheism – Kirsch
Abusing science : the case against creationism – Kitcher
Quintessence : the mystery of the missing mass in the universe – Krauss
Forbidden fruit : the ethics of humanism – Kurtz
Als ‘t kwaad goede mensen treft – Kushner
Philosphy in the flesh : the embodies mind and its challenge to western thought – Lakoff
The illusion of immortality – Lamont
Modern cosmology and philosphy – Leslie
Eyewitness testimony – Loftus
Confrontation of cosmological theory with astronomical data – Longair
The sources of morality of the gospels – McCabe
Evidence that demands a verdict – McDowell
Finding Darwin’s God – Miller
The republican war on science – Mooney
Credible christianity : the Gospel in contemporary culture – Montefiore
Does God exist? – Moreland
Mortal questions – Nagel
Teaching about evolution and the nature of science – National Academy of Sciences
Is religion killing us? : violence in the bible and quran – Nelson-Pallmeyer
Why God won’t go away – Newberg
Ethics without God – Nielsen
A case against accident and self-organization – Overman
Natural theology - Paley
God and the burden of proof – Parsons
Unintelligent design – Perakh
The atom in the history of human thought – Pullman
The conscious universe : the scientific truth for psychic phenomena – Radin
Why there is something rather nothing – Rundle
But is it science? – Ruse
Pale blue dot – Sagan
Divine hiddenness and human reason – Schellenberg
Genesis and the Big Bang – Schroeder
The science of God – Schroeder
The hidden face of God – Schroeder
The science of good & evil – Shermer
How are we to live? – Singer
The president of good and evil : the ethics of George W. Bush – Singer
Atheism : the case against God – Smith
Has science found God? – Stenger
Physics and psychics – Stenger
Not by design : the origin of the universe – Stenger
The uncoscious quantum : metaphysics in modern physics and cosmology – Stenger
Timeless reality : symmetry, simplicity, and multiple universes – Stenger
The comprehensible cosmos : where do the laws of physics come from? - Stenger
Het bestaan van God – Swinburne
Before Darwin : reconciling God and nature – Thomson
The historical evidence for Jesus – Wells
The Genesis flood : the biblical records and its scientific implications – Whitcomb
Was Einstein right? : putting general relativit to the test – Will
The moral animal : why we are the way we are – Wright

Related Posts with Thumbnails