dinsdag 23 november 2010

De heimweefabriek - Douwe Draaisma

Dit boekje verrijkt het lezen van literatuur zoals geen recensent dat ooit kan. De heimweefabriek behandelt het reminiscentie-effect: wanneer mensen terugblikken op hun leven dienen zich juist de vroege herinneringen aan. Dat lijkt in strijd met — dixit Draaisma — "de Eerste Hoofdwet van het Vergeten": hoe langer geleden, hoe kleiner de kans dat we het ons herinneren. Ook literatoren voelen het effect, wat deels de onevenredige focus op de jeugdjaren in memoires verklaart.

In De heimweefabriek, een bundel losjes aan elkaar gelinkte artikelen over het geheugen, buigt Douwe Draaisma zich onder meer over de vraag waar dat reminiscentie-effect vandaan komt. Wat is het nut ervan? Waarom duiken herinneringen op uit onze jaren als vroege twintiger als het geheugen werkelijk op leeftijd raakt? Een moeilijke kwestie, waar experten vooralsnog weinig over kunnen zeggen. Draaisma, hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie, neemt sowieso eerst een lange aanloop.

In het opstel 'De langste etappe' worden om te beginnen wat historische mythes over ouderdom doorprikt. Ouderdom is een taboe. Over verval, achteruitgang en verlies van vitaliteit wordt niet graag gepraat. In reclame voor producten om ouderdomskwaaltjes te verhelpen, figuren meestal acteurs die tien jaar te jong zijn voor die ongemakken. Maar dat oude mensen vroeger met méér respect werden behandeld, en dat ouderdom toen wél als een waardige levensfase werd beschouwd, is dus een fabeltje.

Bejaarde mensen waren ook zeker geen zeldzaamheid, zoals je weleens hoort; de lage gemiddelde levensverwachting werd vooral omlaag getrokken door de hoge kindersterfte. Het is al evenmin waar dat ouderen vroeger liefdevol in het gezin van hun kinderen werden opgenomen: ze stierven voortijdig, of ze overleefden juist hun al te kwetsbare kinderen. Gezinnen met drie generaties onder één dak waren zeldzaam.

De ironie wil nu dat ouderdom 'de langste etappe' is in het leven, zonder gek veel mogelijkheid tot onderverdeling — wat het beeld van een statische levensfase nog versterkt. Baby, peuter, kleuter, kind, puber en adolescent ben je maar kort; oud zijn we vaak een kwarteeuw of langer, en ouderen zijn nog nooit zo gezond geweest als nu. We werken minder lang en hebben het bij dat werk minder zwaar. Oud staat ook niet meer gelijk met arm, zoals vroeger, toen het ophouden met werken verlies van inkomen en afhankelijkheid betekende.

Vroeger, vervolgt Draaisma in het essay 'Vergeetachtig', werd de levensloop afgebeeld als een ‘trap des levens’. Men ging er vanuit dat vaardigheden vanaf het midden van iemands leven in hetzelfde tempo achteruit gingen als ze zich ontwikkeld hadden. Dat idee is achterhaald; de meeste cognitieve vermogens blijven een leven lang op peil. De curve van ontwikkeling en verval is nog het best te vergelijken met een transatlantische vlucht.

Natuurlijk komen er op den duur klachten. Het concentratievermogen neemt af, net zoals de capaciteit van het werkgeheugen en de snelheid van verwerken van nieuwe informatie. Het geheugen voor plannen, het zogeheten ‘prospectief geheugen’, wordt ook merkbaar wat sleetser bij het ouder worden. Plannen voor handelingen zijn immers lastig op te slaan, want verstoken van elke associatie. Bij dit soort geheugenverlies vergeet je niet alleen wat je wou onthouden, maar ook de remedie waarmee je het vergeten wou tegengaan.

Andere typische oudersdomsklachten zijn het niet op woorden kunnen komen, het niet op namen kunnen komen, en het niet meer kunnen plaatsen van herinneringen in de tijd: was dat etentje drie of zes weken geleden? Jongeren hebben de neiging dingen te dichtbij in de tijd te situeren, ouderen te ver in te tijd. Dat heet voorwaartse en achterwaartse ‘telescopie’.

Bovenstaande klachten zijn allemaal vormen van gewone oudersdomsvergeetachtigheid. Dementie daarentegen, is een echte ziekte. De kans op dementie neemt toe met de leeftijd, maar komt voor mensen boven de 65 jaar toch niet boven de 5 procent uit. Toch stijgt in Amerika de groep van de zogenaamde worried well: mensen die hun ouders hebben zien aftakelen en veel te vroegtijdig bang zijn dat het hen ook overkomt.

Opvallend, zegt Draaisma, is dat de rapportage van normale geheugenklachten geen verband houdt met de objectieve conditie van iemands geheugen. Depressieve, gestresseerde mensen met faalangst signaleren vaker geheugenklachten. Therapie bestaat dan vooral uit het kweken van vertrouwen in het eigen geheugen, want faalangst kan een selffulfilling prophecy zijn.

Het geheugen wordt gedragen door hersenweefsel, dat onderhevig is aan verval, waardoor ook herinneringen vervagen. Dát je vergeet, schrijft Draaisma, merk je vooral bij toeval. Associaties, die herinneringen triggeren, zijn nu eenmaal verbonden met wat er nog wel is. Ze voeren je nooit langs lege plekken, want lege plekken houden op een associatie te zijn. Het beeld van het geheugen als gatenkaas is dus het beeld van een buitenstaander. Voor de innerlijke blik is het geheugen altijd vol:

Het geheugen, ook als het niet ten prooi valt aan dementie, heeft veel weg van het gezichtsveld. Als je gezichtsveld, door wat voor oorzaak dan ook, begint te krimpen zie je dat zelf niet. Je kunt de gevolgen opmerken, doordat je tegen dingen begint aan te botsen die je tevoren zou hebben gezien, maar de versmalling van je gezichtsveld kun je niet zien, het heeft geen randen. Op dezelfde wijze zie je in je geheugen geen leegte. Soms merk je de gevolgen, realiseer je je opeens dat je iets niet meer weet dat je tevoren nog wel wist, maar wat verdwenen is heeft geen open plek achtergelaten.
Geheugenverlies is niet aangenaam en dus een gat in de markt. In 'De markt van het grote vergeten' zegt Draaisma het zijne over de beschikbare zelfhulpboeken en mnemotechnische middeltjes. Want er kan iets aan vergeten gedaan worden, doen geheugenguru's met luide keel uitschijnen.

Vooral de mantra use it or lose — je moet je geheugen onderhouden — noopt tot het opnemen van de eigen verantwoordelijkheid. Maar die slogan is alleen waar in de negatieve zin, stelt Draaisma: wie zijn geheugen niet gebruikt, krijgt het inderdaad moeilijker met onthouden. Dat je je geheugen kan oefenen door het veel te gebruiken, is echter niet waar. Exit Kawashima’s Brain Training, dus. Geheugenatleten trainen niet het onthouden op zich, maar het handig worden in het gebruiken van patronen (kapstokken om iets aan op te hangen) en het ontwikkelen van steeds dichter wordende associatienetwerken.

Ook de wijsheid ‘hoe rijker de omgeving, hoe beter het brein’ is alleen waar in negatieve zin: zonder veel prikkels kan het geheugen zich niet optimaal ontwikkelen. Eveneens een mythe: het feit dat we maar 10 procent van onze hersenen gebruiken. Dat is een kwakkel die door allerlei zelfhulpboeken van elkaar is overgeschreven. Er is geen enkel onderzoek die zulks aantoont.

Typerend is dat de meeste geheugentechnieken nauwelijks aansluiten bij het soort vergeetachtigheid — namen, woorden, plannen — dat in geheugenenquêtes opduikt. Trouwens, de enige adviezen die in de praktijk werken volgens Draaisma, worden ingegeven door het gezond verstand: dingen opschrijven, kalender bijhouden, vaste plaatsen voor dezelfde spullen.


Denis Collette, The memory of the trees; foto via Flickr, onder een Creative Commons licentie

Komen we toch bij het hoofdstuk 'Reminiscenties', waarin Draaisma collega's aanhaalt die hebben onderzocht wat mensen op hoge leeftijd hebben onthouden van hun bestaan. Pas sinds een jaar of twintig erkennen psychologen dat betrouwbaarheid misschien niet het belangrijkste is van herinnering. Wel dat in de ouderdom herinneringen überhaupt blijven terugkomen.

De test is betrekkelijk eenvoudig. Proefpersonen krijgen een woord voorgelegd — pakweg 'circus' — en moeten een herinnering vertellen die dat woord oproept. Naderhand wordt de herinnering gedateerd. Het grafiekje dat daarna wordt uitgezet, laat een vreemde curve zien: het reminiscentie-effect.
Bij de meeste mensen dateren de eerste herinneringen van na hun derde of vierde. Daarna loopt de curve steil op, bereikt een top rond het twintigste levensjaar, zakt vervolgens terug, vlakt af en vertoont helemaal aan het eind nog een zwiepje omhoog. Dat laatste is een recentheidseffect: als iemand pas nog met zijn kleinkinderen naar het circus is geweest is de kans groot dat hij herinneringen daaraan vertelt. Maar als proefpersonen het verzoek krijgen vier uitgesproken levendige herinneringen te vertellen, herinneringen die ze zeker zouden opnemen in hun autobiografie als ze die ooit zouden schrijven, verdwijnt ook dat zwiepje omhoog, ten gunste van een nog hogere piek rond hun twintigste. De 'reminiscentiehobbel' in die curve intrigeert geheugenpsychologen nu al zo'n twintig jaar.
Onderzoek naar het reminiscentie-effect buiten een experimentele setting is schaars, geeft de auteur toe, maar de opbouw vele autobiografieën en memoires, met onevenredig veel aandacht voor de jeugdjaren, lijken verder bewijs voor het fenomeen. Maar waar komt het vandaan?

Er zijn biologisch georiënteerde verklaringen. In de jeugd en vroege volwassenheid bereiken de cognitieve vermogens, zoals geheugen en concentratievermogenn een optimum. De rijping van de hersens is dus afgesteld op de periode dat de soort zich reproduceert. Klaar. Maar dat klopt dus niet. Want zoals Draaisma al eerder aangaf: de meeste geheugenfuncties blijven lang op peil.

In de evolutionair georiënteerde psychologie denkt men aan de adaptieve waarde van vroege herinneringen, aangezien ouderen de taak hebben de jongere groepsleden in te wijden in de sociale conventies: ouderen halen herinneringen op aan die gebeurtenissen die direct aansluiten bij de ervaringen van hun veel jongere gehoor. Ook die verklaring lijkt niet aannemelijk. Er zijn nog niet lang genoeg gezinnen van drie generaties om er een evolutionaire functie aan te koppelen.

Misschien heeft het te maken met memorabele gebeurtenissen? Gebeurtenissen die door iemand als cruciaal worden gezien voor de latere loop van zijn leven — of het nu krenkende ervaringen zijn, ‘eerste keren’, levenslessen of andere keerpunten — worden meestal rond dezelfde levensfase gesitueerd, zo rond iemands twintigste. Een bizar Deens onderzoek met mensen die veertig waren toen hun in de Tweede Wereldoorlog door Duitsers bezet werden, situeerden zelfs hun belangrijkste gebeurtenissen vóór de oorlog, rond 1920, toen ze twintig waren. Precies in de reminiscentiehobbel!

De heimweefabriek maakt melding van nog meer onderzoek. Beslissende boeken lijken gelezen te worden rond je twintigste. Wat mensen beschouwen als de muziek van ‘hun generatie’ begint rond veertien, vijftien jaar en eindigt achter in de twintig; de appreciatie van die muziek blijft daarna zo goed als constant. De politieke gebeurtenissen die mensen het best onthouden blijken zich vaak halverwege hun twintigste levensjaar te hebben voorgedaan. Films die iemand typisch acht ‘voor zijn tijd’, draaien meestal in de cinemazalen toen de respondent begin de twintig was.

Het reminiscentie-effect heeft positieve kanten. Zo is daar de plotse, blijmoedige komst van 'nieuwe' herinneringen op hoge leeftijd. In zoverre zelfs dat ze een impuls kunnen geven het eigen levensverhaal werkelijk te schrijven: nogal wat autobiografieën zijn geschreven door auteurs die tien jaar eerder nog zeker wisten dat ze nooit aan memoires zouden beginnen. Het effect heeft echter ook een keerzijde: het feit dat mensen zoveel uit het middendeel van hun leven vergeten. Ongelooflijk soms, hoe vele decennia worden afgedaan met een paar zinnetjes, of een paar bladzijden in een autobiografie.

In de geriatrische psychiatrie in de jaren zestig werd reminiscentie bij oude mensen en life review ontmoedigd, omdat men het te deprimerend vond. Dat tij is gekeerd in de jaren tachtig en negentig: nu worden ouderen aangemoedigd herinneringen op te halen. Soms is dat nog de enige manier om bepaalde mensen te bereiken. Oude foto’s triggeren het geheugen van licht dementerende bejaarden als geen ander en zijn een dankbaar therapeutisch middel. In het gesprek over de foto’s valt kennelijk hun afhankelijkheid weg: zij zijn eindelijk nog eens de deskundige.

Nu, wie zich op latere leeftijd dingen herinnert, ontmoet een fenomeen waar jonge mensen minder mee te maken krijgen. Je betrapt er jezelf op dat eenzelfde herinnering is veranderd, waardoor je de neiging hebt het geheugen als onbetrouwbaar te bestempelen. Herinneringen gaan over het verleden en dat verleden verandert toch niet? En toch klopt de conclusie niet, zegt Draaisma in 'Wijsheid achteraf':
Elke herinnering sluit een contact tussen twee polen in de tijd. Wat je je herinnert kan gisteren of een halve eeuw geleden zijn gebeurd, dat je je die gebeurtenis herinnert speelt zich af in het heden. Je iets herinneren doe je nu. In de herinnering verschijnt daardoor niet alleen iets van je vroegere zelf in het heden, maar komt omgekeerd ook iets van je gevoelens en gedachten van dit moment in de herinnering terecht. Herinneringen zijn geen dossiers die na inzage weer terug het geheugen in gaan zoals ze er zijn uitgekomen. Ze veranderen in gebruik. En de herinnering aan een en dezelfde gebeurtenis kan afhankelijk van je stemming van het moment verschillend aanvoelen.
De meeste geheugenpsychologen menen dat je door iets te herinneren een nieuw neuronaal spoor aanlegt en dat je de volgende keer dat je je ogenschijnlijk hetzelfde herinnert in feite het meest recente spoor geactiveerd wordt. We herinneren ons het verleden niet, we herinneren ons de laatste herinnering aan dat verleden. Het zijn, in de woorden van Draaisma, herinneringen aan herinneringen. Ze zijn selectief, onvolledig en gekleurd. De oorspronkelijk herinnering is onbereikbaar omdat het perspectief niet meer te herstellen valt. Herinneringen zijn geladen met kennis van nu, zijn belicht door wat er op volgde en dat heeft er andere herinneringen van gemaakt. Ze zijn van betekenis veranderd. Zelfs het beeld dat we van ons vroegere zelf hadden, zo wijst onderzoek uit, is notoir onbetrouwbaar.

Een paar keer in dit boekje haalt Draaisma literaire fictie aan om zijn ideeën over het geheugen te adstrueren. Zo is daar Oliver Sacks die in zijn autobiografie Oom Wolfraam inderdaad besefte dat veel herinneringen na een halve eeuw niet meer in ongerepte vorm terugkeren in het bewustzijn. Herinneren koest ook moeite; Sacks verzamelde jeugdvrienden rond zich om in team zijn herinneringen te reconstrueren. Günter Grass werd in De rokken van de ui zo geplaagd door leemtes en hiaten in zijn geheugen, dat hij in dat autobiografische relaas naar de derde persoon overschakelde.

Ik werd door Draaisma ook met plezier herinnerd aan het ook door mij bewonderde boekje Vereniging Vrijwillige Dood. Daarin laat Max Frisch een zestiger beseffen dat eigenschappen die hij aan iemands karakter toeschreef, eigenlijk op het conto staan van iemands leeftijd. Wat Aristoteles in zijn Retorica dus ook al beweerde: iemand is niet goedgelovig of gierig van aard maar van leeftijd.

Dit boekje geeft me op een prettige manier een alibi voor allerhande gewoontes die vaak door mijn directe omgeving worden bespot. Het bijhouden van lijstjes met gelezen boeken, het maniakaal overpennen van wat me raakt, het digitaal fotograferen van weg te gooien persoonlijke spulletjes, het downloaden van YouTube-filmpjes, het aanleggen van reisdagboeken... Draaisma is formeel: dit deel van mijn leven is het moeilijkst vast te houden.

De heimweefabriek is daarnaast een aansporing om in mijn boekbesprekingen naast samenvatting en oordeel ook altijd iets persoonlijks te blijven zeggen. En dan vooral de vermelding van gedachten of beweegredenen — alles waar binnenkort geen materiële restanten meer van over zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Douwe Draaisma, De heimweefabriek : geheugen, tijd & ouderdom
142 p.
Uitgeverij Historische Uitgeverij, 2008

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Eeuwelingen : levensverhalen van honderjarigen in Nederland – Oord
Het wrede paradijs : het levensverhaal van de emigrant – Speerstra
The long history of old age – Thane (ed.)
Prospective memory – McDaniel en Einstein
Forgetfulness and cognitive aging – Ponds
The foundations of remembering : essays in honor of Henry L. Roediger – Nairne (ed.)
Geheugensteun – Ponds en Verhey
Mind myths : exploring popular assumptions about the mind and brain – Beyerstein
Het schot van de jager – Chirbes
Het belissende boek : Nederlandse en Vlaamse schrijvers over het boek dat hun leven veranderde – Dijkgraaf en Meijer
Empirical approaches to literature and aesthetics – Kreuz en MacNealy
Collective memories of political events – Pennebaker, Paez en Rime (ed.)
Geheugen in beeld : in gesprek met historische foto’s binnen de reminiscentiemethodiek – Loning
Gesloten huis – Matsier
The psychological world of the teenager – Offer
From teenage to youn manhood : a psychological study – Offer
Heimwee : een pathologisch onderzoek – Lindner
Yesterday’s self : nostalgia and the immigrant identity – Ritivoi
Heimwee : een anatomie van het verlangen naar elders – Baudet en Steenbergen (red.)
When it hurts to leave home : meaning, manifestations, and management of homesickness – Tilburg

Related Posts with Thumbnails