dinsdag 16 november 2010

De geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië - Samuel Johnson

Ik werd bedorven door mijn ouders, vroeger. Dat maakt het tegenwoordig extra lastig om nog met iets tevreden te zijn. (Er is vast een mooi opstel te schrijven over verwende kinderen die recensent worden.) Vandaar ook misschien mijn extreme weblog, met die zweterige boekbesprekingen: alleen als ik me helemaal uitput, voel ik voldoening. En zo moet iedereen voor zichzelf proberen uit te maken hoe hij of zij gelukkig wordt. Daarom zijn al die zelfhulpboeken lichtjes onnozel.

Geluk lijkt me overigens een nogal overschat begrip. De mens is niet per se gemaakt om gelukkig te zijn. Daarvoor treedt dat vervelende zelfbewustzijn van ons te veel als spelbreker op. Neen, verlangen naar geluk is vooral een motortje dat ons heel listig aan de gang houdt. Ik ben nogal een adept van Schopenhauer op dat gebied: het leven als voortdurende pendelbeweging tussen gemis en verveling.

Daarom vond ik de 'wijsgerige novelle' De geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië zo genietbaar. Door diezelfde nuchtere kijk op het naakte bestaan, in de achttiende eeuw al. Een van de hoofdpersonen maakt terloops een opmerking die letterlijk op Schopenhauer vooruitloopt:

‘De omstandigheden die de hoop vleien en de begeerte opwekken, zijn zodanig samengesteld dat, naarmate wij de ene naderen wij ons van de andere verwijderen. Er zijn goederen die zo met elkaar in tegenspraak zijn dat wij ons niet van beide meester kunnen maken, maar er door al te veel omzichtigheid tussendoor kunnen lopen op te grote afstand om een van beide te bereiken. Dat is dikwijls het lot van een lange overweging; degene die tracht meer te doen dan de mensheid is toegestaan, doet niets. Vlei uzelf niet met de tegenstrijdigheden van het vermaak. Maar uw keuze uit de zegeningen die u zijn voorgezet, en wees tevreden. Geen mens kan de vruchten van de herfst proeven terwijl hij zijn reukvermogen streelt met de bloemen van de lente; geen mens kan tegelijkertijd zijn beker vullen aan de oorsprong en aan de monding van de Nijl.’
Het verhaal van Rasselas start binnen de muren van een afgesloten paleis in een weidse vallei in "Amhara", een koninkrijk dat aan alle zijden omringd wordt door bergen. De enige doorgang is een spelonk die onder een rots doorloopt. De vallei is zeer vruchtbaar en voorziet haar bewoners van alle levensbehoeften. Bij het jaarlijkse bezoek van de koning worden ook nog eens alle verlangens van de bewoners ingewilligd.

Hier wonen de prinsen en prinsessen van Abessinië. De dynastie wordt op gezette tijden door wijzen onderricht in de ellende en tweedracht van het openbare leven aan de andere kant van de bergen, "waar de mens de mens tot prooi is". Het is een drieste methode, maar ze heeft succes: er is bijna geen enkele prins die zich buiten de muren van het paleis waagt want daar dreigt gevaar of arbeid.

Bíjna geen enkele prins, inderdaad, want het bovenstaande is buiten de zesentwintigjarige prins Rasselas gerekend. Er begint iets te knagen bij hem. Hij wil het eeuwige vermaak ontvluchten, omdat het opgehouden heeft hem te vermaken. Hij is verveeld, bedorven, apathisch geworden. De lessen die hij krijgt bevallen hem zolang ze nieuw zijn, en hij slaagt er maar niet in ze te vergeten, zodat ze weer nieuw kunnen worden. De prins kent zijn eigen behoeftes ook niet. Daarom wil hij de noden van de buitenwereld zien, omdat hun aanblik hem noodzakelijk lijkt voor het geluk.
‘Wat,’ sprak hij, ‘maakt het verschil tussen de mens en heel de rest van de dierlijke schepping? Elk beest dat aan mijn zijde ronddwaalt heeft dezelfde lichamelijke behoeften als ikzelf; het heeft honger en graast het gras af, het is dorstig en drinkt van de stroom, zijn dorst en honger zijn bevredigd, het is voldaan en gaat slapen; het staat weer op en heeft honger, het wordt weer gevoed en gaat ter ruste. Ik heb honger en dorst, net als hij, maar als dorst en honger over zijn heb ik geen rust; ik word, net als hij, gepijnigd door behoefte, maar ik ben niet zoals hij tevreden met verzadiging. De tussenliggende uren zijn vervelend en treurig; ik verlang er weer naar hongerig te zijn, zodat ik mijn aandacht weer kan verlevendigen. De vogels pikken de bessen of het graan, en vliegen weg naar het geboomte, waar zij in schijnbaar geluk op de takken zitten, en hun leven verdoen met het aanheffen van één onveranderlijke reeks van tonen. Evenzo kan ik de luitspeler of de zanger roepen, maar de tonen die mij gisteren behaagden, vervelen mij vandaag, en zullen morgen nog vervelender worden. Ik kan in mijzelf geen waarnemingsvermogen ontdekken dat niet is overvoerd met het bijbehorende genot, en toch voel ik mij niet verrukt. De mens heeft stellig een verborgen zintuig waaraan deze plek geen voldoening geeft, ofwel hij heeft zekere verlangens die los van de zintuigen, die bevredigd moeten worden alvorens hij gelukkig kan zijn.’
De prins weet uiteindelijk te ontsnappen uit zijn gouden kooi. Hij is vastbesloten de hele wereld te inspecteren en na het aflopen van alle mogelijkheden een levenskeuze te maken. Hij trekt rond in cognito en krijgt het gezelschap van drie reisgezellen: prinses Nekayah, de vrouwelijke ondergeschikte Pekuah, en de dichter Imlac. Deze Imlac krijgt van Samuel Johnson de rol toebedeeld van de ervaringsdeskundige. Hij heeft de hele wereld al gezien en wil de prins waarschuwen dat het geluk niet op een bepaalde plek te vinden is.
De waarheid, voor zover die nodig is om het leven te ordenen, wordt altijd gevonden waar zij oprecht wordt gezocht. Verandering van plaats is geen natuurlijke oorzaak voor de toename van vroomheid, want zij brengt onvermijdelijk een verstrooiing van de geest teweeg.
Het menselijk leven is volgen Imlac overal een toestand waarin veel moet worden verduurd en weinig kan worden genoten. Zelfs de Europeanen met hun machines en staatkunde en infrastructuur en rechtvaardige arbeidsverdeling zijn niet gelukkig, alleen minder ongelukkig. Denk ook maar niet, dat je door een strikt gebruik van de rede ongeluk kunt ontlopen.
‘De oorzaken van goed en kwaad,’ antwoordde Imlac, ‘zijn zo verscheiden en onzeker, zo dikwijls met elkaar verweven, zozeer geschakeerd door wisselende verhoudingen, en zo onderhevig aan onvoorziene omstandigheden, dat degene die zijn toestand zou willen bepalen op grond van onbetwistbare redenen van voorkeur, zou moeten leven en sterven al navorsend en overwegend.’
Natuurlijk is de prins bij de aanvang van zijn tocht nog niet geneigd te veronderstellen dat geluk zo spaarzaam is verdeeld onder de stervelingen als Imlac wel beweert. Anders had Johnson geen verhaal. Dus gaat de reis toch van start.

Er volgt een calvarietocht langs exemplarische figuren uit alle delen van de samenleving. Er is het prototype van de oude wijze man, die de geestkracht der rede gebruikt, maar ontdekt dat zijn gepolijste volzinnen en gekunstelde kernspreuken ineens niet van tel zijn wanneer zijn lieve dochter sterft (Imlac over filosofen: "Zij spreken als engelen, maar zij leven als mensen"). Er is de kluizenaar, die zich schaamt omdat hij zich heeft onttrokken aan alles, óók aan het oefenen van de deugd. De mensen van hoge stand die het groepje ontmoet, worden gehaat en blijken vatbaar voor paranoïa. Gezinnen met kinderen hebben een lastige taak aan de opvoeding van hun kroost. De haremhouder is enkel in staat tot liefdeloze aandacht voor zijn meisjes. En de kloosterling die moet arbeiden voor zijn levensbehoeften, is weliswaar gebaat bij dat leven van regelmaat en plicht, maar genot schenkt het hem niet.

Een fascinerende figurant is vooral de astronoom die, ondanks al zijn kennis, de natuurkrachten niet kan beteugelen, maar dat van de weeromstuit wel begint te geloven. Hij is het, die mooi aanschouwelijk maakt hoe eenzame overpeinzingen (studie zonder ervaring) tot waanzin en zwaarmoedigheid kunnen leiden.
Ik heb nauwgezet de stand van de aarde en de zon onderzocht, en heb talloze plannen gemaakt om hun posities te veranderen. Nu eens heb ik de aardas verschoven, dan weer de zonnebaan verlegd; maar ik heb gemerkt dat het onmogelijk is om een schikking tot stand te brengen die de wereld ten goede kan komen; wat de ene streek wint, verliest de andere.
Onvervolmaakbaarheid
De geschiedenis van Rasselas
is zoals gezegd een wijsgerige novelle. Het verhaal is verwaarloosbaar, de scènes bestaan uit ontmoetingen en gepraat, en de finale wordt ook nog eens vreselijk afgeraffeld.

Daar gaat het ook allemaal niet om. Johnson heeft de narratieve structuur van de exotische reis enkel nodig om zijn held tot bij verschillende illustratieve personages te laten komen.

De kracht van Rasselas zit vooral in de manier waarop al die zo uiteenlopende ontmoetingen telkens uitmonden in dezelfde wijsheid. Een wijsheid die overigens al verklapt wordt in de openingsalinea: hét geluk bestaat niet; geluk zit 'm alleen in het streven naar het geluk.
Gij die met lichtgelovigheid luistert naar de influisteringen der verbeelding, en met begeerte jaagt op de schimmen der hoop; die verwacht dat de ouderdom de beloften der jeugd zal nakomen, en dat in de gebreken van de dag van heden zal worden voorzien door de dag van morgen: sla acht op de geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië.
Dit koningsblauwe deeltje uit de reeks Prisma Klassiek stond al jaren ongelezen in mijn boekenkast, en dat had nog lang kunnen duren. Ware het niet dat Theodore Dalrymple in Profeten en charlatans een gloedvol essay had gewijd aan Samuel Johnson, en in het bijzonder de novelle Rasselas.

Samuel Johnson — een auteur die intellect, welsprekendheid, morele ernst, praktische levenskennis (en diepe reflectie daarop) combineert — is een absolute held van Dalrymple. Dat maakt de Britse arts mooi duidelijk wanneer hij Rasselas en Candide — twee moraliserende vertellingen uit hetzelfde jaar, 1759 — aan een vergelijkend onderzoek onderwerpt. Rasselas haalt het van het veel bekendere boek van Voltaire, onder meer omdat Candides ongeluk voortkomt uit oorzaken die buiten hemzelf liggen, terwijl Rasselas de existentiële onvrede ervaart die van binnenuit ontstaat.

Candide vond ik al niets toen het in mijn schooltijd op een of andere leeslijst stond, en na het lezen van Rasselas kan ik Dalrymple alleen maar gelijk geven. Johnson schreef Rasselas in de avonduren van één week in 1759, om met de opbrengst de begrafenis van zijn negentigjarige moeder te betalen. Dat hij in zo'n korte tijd een werk van haast Shakespeariaanse citabelheid wist af te leveren, is erg knap.

De taal van het Engelse origineel moet fantastisch zijn: de passend-plechtstatige vertaling van Wim Tigges vond ik al erg te genieten. Natuurlijk zijn de karakters van Rasselas buikspreekpoppen van Johnsons in marmer gehouwen advies, maar als dat advies een prachtige remix betreft van je eigen innigste ideeën, kunnen allegorieën, ondanks mijn weerzin tegenover het genre, toch genietbaar zijn. Ik stel het met verbazing vast.

Eén memorabel voorbeeld van de ongemeen precieze taal van Rasselas, is voor mij de intro van hoofdstuk XXXI, wanneer de reisgenoten de piramiden van Egypte aanschouwen — die naderhand worden weggezet als absurde, doelloze bouwsels, zinnebeelden van de decadentie van absolute heersers.
Toen zij aankwamen bij de grote piramide, verbaasden zij zich over de uitgestrektheid van het grondvlak en de hoogte van de top. Imlac legde hun de beginselen uit op grond waarvan de piramidevorm was gekozen voor een bouwwerk dat was bedoeld om zijn bestaansduur gelijk uit te rekken met die van de wereld: hij toonde aan dat de trapsgewijze afname ervan het een bestendigheid gaf die alle gewone aanslagen der elementen kon verijdelen, en zelfs nauwelijks omver kon worden geworpen door aardbevingen, de minst weerstaanbare gewelddadigheid der natuur. Een schok die de piramide zou verbrijzelen, zou het hele vasteland met ontbinding bedreigen.
In zijn werkelijk uitstekende nawoord gaat Tigges in op de modellen die Johnson gebruikte. Dat hij de vorm van een exotisch reisverhaal koos, hoeft niet te verbazen. De bronnen van de Nijl waren al eeuwenlang voorwerp geweest van legendevorming en mystificatie. De toenemende handel van het Britse rijk met zijn wingewesten wakkerde bovendien de interesse voor verre streken aan. Dat Egypte in Johnsons tijd een provincie was die onder het Turkse rijk ressorteerde, was dan weer mooi meegenomen om een pasja te kunnen opvoeren.

Tigges borstelt een aardig portret van de grote lexicograaf en essayist Samuel 'Dr' Johnson (1709-1784). Johnson leefde in het tijdperk van het classicisme en de Verlichting, maar ook in een zelfvoldane en conservatieve tijd — een periode van relatieve rust de Engelse revoluties en de Amerikaanse en Franse revoluties in. De middenklasse krijgt het beter en heeft meer mogelijkheden om zijn centen te besteden. De eerste romans verschijnen: Defoe, Richardson, Fielding, Goldsmith, Smollett, Sterne. Het genre van het essay floreert in periodieken als The Tatler, The Spectator, The Rambler en The Idler. Het is een harde tijd voor scribenten. De Copyright Act komt in 1709 in voege, en de concurrentie tussen broodschrijvers is hevig door het toenemende alfabetisme.

Ook Johnson was een broodschrijver, én een conservatief. Als Tory moest hij niets hebben van het ongebreidelde vooruitgangsstreven van de liberale Whigs, die het politieke klimaat van de eerste zestig jaar van de achttiende eeuw bepaalden. Het Engeland van die dagen wordt bepaald door een christelijk humanisme, zeg maar een op rede gebaseerde christelijke moraal. Johnsons eigen levenshouding is stoïcijns. De bottomline van Rasselas is duidelijk: de betrokkenen trekken niet snel lering uit hun eigen theorieën, de lering dat het geluk alleen te vinden is in het wensen zelf, in de hoop dat de wensen vervuld zullen worden.

Tien jaar vóór Rasselas had Johnson een gelijkaardige boodschap verkondigd in het lange gedicht 'De ijdelheid van het menselijk verlangen', dat in deze uitgave als appendix is opgenomen. De versificatie is van Pope en Dryden, directe inspiratiebron de Satiren van Juvenalis, de moraal van het verhaal die van het boek Prediker: Alles is ijdelheid. Tigges:
De cruciale ‘boodschap’ is dat het menselijk gemoed zichzelf verraadt en de mens dwingt tegen zijn eigen belangen in te gaan op zoek naar een steeds weer ongrijpbaar of vals blijkend geluk. De enige hoop is dat men door zijn eigen toenemende kennis en ervaring leert, leert zich te bevrijden van blinde en elkaar bestrijdende verlangens. (...) De menselijke verbeelding is in beginsel oneindig in hetgeen hij verlangt, maar toch hecht de mens zich als het ware gehypnotiseerd vast aan een enkel doel of voorwerp. In een poging zijn doen en laten te rechtvaardigen zien we de mens op zoek gaan naar projecties en naar sublimerende activiteiten, zien we hem zijn eigen onbelangrijkheid voor zichzelf verbergen.
De illusieloosheid van Johnson betekent hoegenaamd niet dat hij vindt dat iedereen passief moet staan toekijken. Integendeel. Je moet je verantwoordelijkheid opnemen; het leven in al zijn complexiteit recht in de ogen zien.

Nu ik eraan denk: in een ander essay uit Profeten en charlatans, over de geëmancipeerde maar ook egoïstische en onverantwoordelijke toneelpersonages van Ibsen, legt Dalrymple uit waarom die boodschap zo moeilijk te verkopen is.
Volgens Johnson was het menselijk bestaan onverbrekelijk verbonden met onvrede. Het ligt in de natuur van de mens om ten prooi te vallen aan onverenigbare verlangens — bijvoorbeeld dat naar geborgenheid en dat naar opwinding. Als hij het een heeft, verlangt hij naar het ander, zodat tevredenheid zelden onvermengd is en nooit van blijvende aard.
Maar de meeste mensen vinden het troostrijker om in vervolmaakbaarheid dan om in onvervolmaakbaarheid te geloven — een voorbeeld van wat Dr. Johnson aanduidde als het triomferen van de hoop over de ervaring. Het begrip ‘onvervolmaakbaarheid’ wakkert niet alleen existentiële angsten aan maar stelt bovendien — door simpele oplossingen voor alle menselijke problemen uit te sluiten — veel lastiger intellectuele eisen aan ons dan vormen van utopisme. Niet iedere vraag kan worden beantwoord met de verwijzing naar wat eenvoudige abstracte principes die, als ze maar strikt genoeg worden nageleefd, tot volmaaktheid zouden leiden — daarom is het ook zoveel moeilijker om conservatisme tot slagzinnen te reduceren dan zijn veel abstractere concurrenten.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Samuel Johnson, De geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië
143 p.
Uitgeverij Het Spectrum, 1983
Oorspr. The history of Rasselas, prince of Abissinia (1759)
Aangevuld met De ijdelheid van het menselijk verlangen
Oorspr. The vanity of human wishes (1749)
Vertaald door Wim Tigges

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Samuel Johnson and his world – Lane
The achievement of Samuel Johnson – Jackson Bate
The prose style of Samuel Johnson – Wimsatt
Samuel Johnson : a critical study – Hardy
Selected writings – Samuel Johnson

Related Posts with Thumbnails