maandag 18 oktober 2010

West-Vlaams - Magda Devos en Reinhild Vandekerckhove

Voor iemand die zoveel Nederlands leest, is het heel gek dat hij die taal haast nooit spreekt. Mijn ouders hebben mij opgevoed in het dialect, ik spreek het thuis met mijn geliefde (een West-Vlaamse), en ook in mijn beroep hoef ik alleen maar met streekgenoten om te gaan — dus is de voertaal opnieuw West-Vlaams. Tweede vaststelling: voor iemand die zoveel West-Vlaams spreekt, is het heel gek dat hij zo weinig van die taal weet. Daarom las ik dit boekje.

West-Vlaams
is een van de zevenentwintig deeltjes uit de serie Taal in stad en land. Deze reeks wil de huidige situatie van de dialecten beschrijven. De auteurs zijn steevast taalkundigen — rare mensen die opgewonden raken van medeklinkerclusters, klankverschuivingen en Auslautverhärtungen.

Ik miste bijgevolg een uitgebreide geschiedenis van mijn geliefde West-Vlaams in het boek. Maar ik genoot met volle teugen van de vaktaal waarmee hele kleine linguïstische verschillen worden aangeduid. Taalkunde is iets waar ik me sinds mijn tweede middelbaar niet meer heb hoeven in te verdiepen.

Taalactivisme is me al helemaal vreemd. Ik stoor me zoals alle West-Vlamingen aan de dominantie van het Antwerps op televisie en de vanzelfsprekendheid waarmee Antwerpenaren hun klinkerarsenaal weigeren te fatsoeneren. Voorts erger ik me aan de desinteresse van Nederlanders om iets van het Vlaamse taaleigen te willen begrijpen. Maar de onverdraagzaamheid waarmee over taal wordt gediscussieerd op fora als deze, begrijp ik niet. Als de geschiedenis zich een kwartslag had gedraaid, had ik nu Frans gesproken. Et alors?

Dialecten
Zeker de laatste decennia neemt het dialectverlies exponentieel toe in het hele Nederlandse taalgebied, staat er in dit boekje. Met dialectverlies worden dan twee dingen bedoeld: enerzijds dat steeds minder mensen dialect spreken in steeds minder omstandigheden, en anderzijds dat bij het spreken van dialect de typische kenmerken verwateren. Dialect neemt in belang af als taal van de opvoeding, van het gezin en van de familie — de belangrijkste souteneurs van streektaal. Waar het spreken van dialect vroeger nauwelijks werd bepaald door iemands sociale afkomst verwordt het dialect tegenwoordig steeds meer tot taal van het arbeidersmilieu.

De auteurs signaleren in West-Vlaams de oorzaken van dit verschijnsel. Het dialect is om te beginnen zijn ideale biotoop kwijt geraakt: de oude besloten gemeenschappen van vroeger. De mensen werden mobieler halfweg de negentiende eeuw en in sterkere mate nog in de twintigste eeuw. In de twintigste eeuw kwam een hogere opleiding ook voor het eerst binnen het bereik van brede lagen van de bevolking. Met de verhoging van de levensstandaard en de toegenomen scholing ontstond in de samenleving een grotere sociale verscheidenheid.

Vlaanderen evolueerde van een agrarische maatschappij naar een moderne industriële en sterk verstedelijkte samenleving. De eenvoudige sociale structuur van de agrarische gemeenschappen maakte plaats voor een veel complexere sociale gelaagdheid, waarin tussen boeren, arbeiders en ambachtslui enerzijds en de notabelen anderzijds een brede waaier aan beroepen van bedienden en zelfstandigen ontstond. Door verhoogde sociale mobiliteit en de grotere sociale stratificatie verhoogde ook de behoefte om zich door een ‘beschaafder’ taalgebruik een hoger status aan te meten.
Het contact met de Nederlandse standaardtaal werd bovendien steeds intenser, niet alleen door het onderwijs, maar ook door allerlei media. Vooral radio en televisie hebben ervoor gezorgd dat de Vlaming dagelijks in contact komt met de standaardtaal. Vrouwen zouden naar verluidt het dialect het eerst laten vallen. Hun opvoedingstaak noopt hen daar natuurlijk toe, maar vrouwen gebruiken keurig Nederlands ook om zich een status aan te meten, iets wat mannen gemakkelijker kunnen doen door hun positie in het beroeps- en gemeenschapsleven.

In Vlaanderen blijft de aandacht voor dialecten meestal in de heemkundige sfeer steken. Politieke steun voor streektalen is hier een stuk minder groot dan in Nederland (denk aan het Fries). Als Vlaamse taalkundigen al ergens tegen ageren, is het tegen de tussentalen, die steeds meer Vlamingen gaan beschouwen als synoniem met Standaardnederlands. Mensen die het dialect laten vallen spreken meestal zo'n tussentaal — geen VRT-Nederlands. Alleen hoogopgeleiden die een goede reden hebben om keurig Nederlands te spreken, doen een extra moeite.
De recente doorbraak van de tussentalen is te wijten aan een aantal factoren: in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw hebben ouders er massaal voor gekozen om hun kinderen niet meer in dialect op te voeden, omdat het traditionele dialect geen geschikt communicatiemiddel was in de postindustriële samenleving met haar enorme mobiliteit en het grote aantal contacten op middellange en lange afstand. Omdat de stap van dialect naar Standaardnederlands voor Vlamingen die zelf in het dialect of hooguit in een regiolect zijn grootgebracht, te groot was, gingen zij zich massaal bedienen van tussentalen. De sterke positie van Vlaanderen in economisch en politiek opzicht en het groeiende Vlaamse zelfbewustzijn zorgen bovendien voor een grotere waardering voor de eigen moedertaal tegenover het Frans, en leiden tevens tot de overtuiging dat de norm uit Nederland niet langer alleenzaligmakend is, maar dat er ruimte moet zijn voor typisch Belgische taalkenmerken. De populariteit van tussentalen is af te lezen aan het veelvuldige gebruik hiervan bij de commerciële omroep, VTM, die in 1989 werd opgericht; bij de BRT (later VRT) daarentegen hield een speciale medewerker toezicht op het taalgebruik.
Tussentaal is een soort afgeborsteld dialect, dat veel gallicismen (kader voor lijst), purismen (stortbak voor douche) en archaïsmen (vermits) herbergt. Vele literatoren en opiniemakers vinden het bastaardtaaltje aartslelijk. Taalkundigen maken zich dan weer zorgen over de onbegrijpelijkheid van tussentaal voor Nederlanders. Daarmee zou de taaleenheid die er tussen Vlaanderen en Nederland bestaat, afkalven. Tussen het officiële Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands bestaat immers slechts een gering aantal grammaticale verschillen, en de verschillen in de woordenschat bedragen naar schatting slechts enkele procenten. Alleen in de uitspraak nemen de verschillen toe in plaats van af (Poldernederlandse klinkers, s en f in plaats van z en v, en de Gooise r).

Tussentaal houdt dus het midden tussen Standaardnederlands en dialect. Maar zelfs tussen die twee uiterwaarden bestaan er geen fundamentele verschillen. Dat zit in wat de auteurs "buitentalige zaken" noemen: in het feit dat spelling, grammatica en woordkeus van het Standaardnederlands zijn geüniformiseerd, vastgelegd en op school worden onderwezen, en dat het Standaardnederlands tot staatstaal is verheven in België (naast het Frans en Duits) en in Nederland. Het Standaardnederlands of Algemeen Nederlands ontstond overigens pas in de Renaissance.
De taal die in de Middeleeuwen in de Lage Landen werd gesproken, verschilde per regio, stad en zelfs dorp. Er bestonden dus alleen streektalen.
Tijdens de Renaissance werd naast de geleerdentaal Latijn steeds vaker de volkstaal, dus het Nederlands, gebruikt, zowel in literaire en wetenschappelijke werken als in bijbelvertalingen. Door de opkomst van de drukpers vonden de teksten bovendien een ruimere verspreiding dan voorheen. Omdat daarbij de taalverschillen tussen de verschillende regio’s hinderlijk voor de communicatie bleken, schiep men een overkoepelende standaardtaal, waarin althans in de geschreven taal de regionale verschillen beperkt werden. Vanaf die tijd bestond er een verschil tussen enerzijds de dialecten, die in een bepaalde streek gesproken werden, en anderzijds de gestandaardiseerde schrijftaal, die in het hele Nederlandstalige gebied min of meer uniform was.
Helemaal nieuw voor me in de zeven 'Vlaamse' deeltjes van de reeks Taal in stad en land was het gegeven dat het Antwerps door dialectologen niet wordt aanzien voor een aparte dialectgroep. Men houdt het bij Frans-Vlaams, West-Vlaams, Zeeuws-Vlaams, Oost-Vlaams, Brabants (waar dus ook het Antwerps wordt onder gerekend) en Limburgs. Brabant is het taalcentrum van België: Brabantse uitspraakvarianten en woorden (beenhouwer in plaats van slager) worden door Nederlandse dialecten in België en door tussentalen overgenomen.

Alle dialectverlies in Vlaanderen in acht genomen is West-Vlaanderen is al bij al een dialectvast gebied. Anno 2005 waren de meeste twintigers en dertigers in het dialect opgevoed, lees ik, en liefst driekwart van de Kortrijkse universiteitsstudenten sprak dialect met de ouders. Dat komt omdat West-Vlaanderen een uithoek is van het Nederlandse taalgebied en grotendeels gevrijwaard bleef van het centrale Brabants en het politiek-economische centrum waar de standaardtaal sneller ingang vond. Daardoor wijkt het West-Vlaams in zijn woordenschat sterker af van de standaardtaal dan veel andere dialecten, waaronder het Oost-Vlaams. Het West-Vlaams is trouwens zeer homogeen voor een dialect: de uithoeken van de provincie verstaan elkaar zonder veel problemen.

Een tweede verklaring voor die dialectvastheid is de geringe verstedelijking. Na de opkomst en de groei van de steden in de volle en late Middeleeuwen is de verstedelijking van West-Vlaanderen gestopt tot na de Tweede Wereldoorlog. West-Vlaanderen is daardoor heel lang agrarisch gebleven, wat een grote honkvastheid van de bevolking tot gevolg heeft gehad. Door zijn agrarische karakter was het geen aantrekkingspool voor werkzoekenden, waardoor West-Vlaanderen door de eeuwen heen weinig inwijking gekend. (Op het einde van de negentiende eeuw bracht die eenzijdige gerichtheid op landbouw zelfs de eigen bevolking in de problemen: de druk op de beschikbare gronden werd zo groot dat vele landbouwers uitweken naar Wallonië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Canada.)


Traditionele West-Vlaamse vlindernamen (ill. uit het boek)

Het West-Vlaams
Het gebied van het West-Vlaams valt niet samen met de grenzen van de provincie, net zo min als het overgangsgebied met het Oost-Vlaams (zie p. 21 en 22). Een poging om het West-Vlaams van het Oost-Vlaams af te grenzen enkel op grond van woordenschat, is van tevoren tot mislukken gedoemd. Elke woord kent zijn eigen verspreiding. In de Middeleeuwen, en ook nog een hele tijd daarna, was er sowieso maar één Vlaams. Het was de volkstaal van de Dietssprekende gewesten van het Graafschap Vlaanderen, die vandaag grosso modo samenvallen met de Belgische provincies West- en Oost-Vlaanderen, en de ‘buitenlandse’ regio’s Zeeuws-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.
Dat middeleeuwse Vlaams zou ons vandaag als West-Vlaams in de oren klinken. De klankstructuur is in grote mate dezelfde als het Middelnederlands. Wellicht in de zestiende eeuw gaat er zich op taalgebied een breuk aftekenen tussen het westelijk en oostelijke deel van het Graafschap, vooral onder dynamiek van de oostelijke dialecten die in toenemende mate onder Brabantse taalinvloed kwamen (bv. de diftongering), en de stad Gent, die een aantal vernieuwingen uitvaardigde (o.a. korte tweeklanken uit i en u, wiët i.p.v. wit), die niet doordrongen tot in het behoudsgezinde West-Vlaanderen.
Het waren de taalparticularisten binnen de Vlaamse Beweging, aangevoerd door conservatieve katholieke priesters, die zich in de negentiende eeuw kantten tegen de introductie van de Noord-Nederlandse standaardtaal in Vlaanderen, die in hun ogen een taal was van protestantse ketters, geheel vreemd aan de ‘Vlaamse volksaard’. Ze spanden zich in om zoveel mogelijk Vlaams taalgoed te laten opnemen in het Woordenboek der Nederlandse Taal, waarbij hun aandacht, geheel in de sfeer van de Romantiek, uitging naar de taal die het dichtst aansloot bij het werk van Jacob van Maerlant, Van den Vos Reynaerde en Karel ende Elegast. Onder invloed van progressievere en realistischer Vlaamsgezinden koos de Vlaamse Beweging tenslotte het Nederlands van het Noorden als richtsnoer, om de francofonen in België ervan te overtuigen dat het Nederlands net zo geschikt was als standaardtaal als het Frans.

Het luik geschiedenis in dit boekje valt naar mijn smaak zoals gezegd wat summier uit, al ligt dat in het verlengde van het opzet. Er wordt volstaan met de notie dat de taal van Noord-West-Vlaanderen en van de Westhoek (Veurne-Ambacht en de streek van Ieper-Poperinge, zie p. 34 e.v.) kan gekarakteriseerd worden als Kustwestvlaams,
omdat daar heel wat taalkenmerken zijn bewaard uit het dialect van de Kustwestgermaanse volksstam — de Saksen — die tijdens de Germaanse volksverhuizingen in de vierde en de vijfde eeuw van onze jaartelling, of misschien al vroeger, Vlaanderen koloniseerde. Vandaar ook dat het Kustwestvlaams heel wat overeenkomsten vertoont met het Engels, dat immers eveneens Kustwestgermaanse, waaronder Saksische, roots heeft.
Daartegenover staat het continentale West-Vlaams van het zuidoosten, dat minder van die Saksische eigenaardigheden bewaard heeft, en in een aantal opzichten meedoet met het Oost-Vlaams. Niet alle woorden die het West-Vlaams met het Engels gemeen heeft, klimmen trouwens op tot de gezamenlijke taallaag van de Saksische kolonisatoren aan beide kanten van het Kanaal. Er zitten ook echte leenwoorden tussen, die West-Vlaanderen dankt aan zijn eeuwenlange betrekkingen met Engeland op het gebied van handel en visserij. Tijdens de Middeleeuwen speelde de haven Brugge een belangrijke rol in die contacten.

Dat Magda Devos en Reinhild Vandekerckhove voor het hoofdstukje West-Vlaamse literatuur meteen moeten teruggrijpen naar tijdschriften uit de tweede helft van de negentiende eeuw als Rond den Heerd en — opgericht door Guido GezelleLoquela en Biekorf, zegt genoeg over de onbestaandheid van het geschreven West-Vlaams.
In Rond den Heerd, ondergetiteld ‘een leer- en leesblad voor alle lieden’, onderhield Gezelle de lezer met een kerkelijke dagwijzer, verhalen over fauna en flora, reisverhalen, legenden, poëzie, allerhande vertellingen, liedjes, raadsels… En dat alles in Gezelles zo karakteristieke taalgebruik: Gezelle hield vele pleidooien voor een verheffing van de volkstaal tot schrijftaal en wou daarin graag het voorbeeld stellen. (…) Gezelle stileerde zijn taal en deed dat vanuit een duidelijke ideologie: hij wou de oude Vlaamse taal, die in zijn ogen een eenheidstaal was, ooit gesproken in alle delen van het Nederlandse taalgebied (dus ook in noorden, zo was zijn overtuiging), reconstrueren en activeren. Het resultaat is een ‘gekuist’ West-Vlaams, dat vele archaïsmen bevat, dat zich plooit naar de schrijftalige tradities van zijn tijd én die van de voorafgaande eeuwen en bovendien door Gezelles obsessie met betrekking tot bastaardwoorden steeds puristischer van inslag wordt.
Het hedendaagse West-Vlaams is een fenomeen dat als cultuurtaal de eigen dorpsgrenzen nauwelijks overschrijdt. Hoogstens schrijven liefhebbers teksten voor lokale tijdschriften of toneelstukken die ter plaatse worden opgevoerd.

Als vehikel voor liedjesteksten is het West-Vlaams wél aanwezig. De traditie van kleinkunstenaar Willem Vermandere wordt tegenwoordig voortgezet door Filip Kowlier, Gesman en Wannes Cappelle. Mijn persoonlijke favoriet is wijlen 't Hof van Commerce — de hiphopgroep van Kowlier. In zijn virtuose, vuilbekkende teksten toont hij in zijn eentje aan dat het West-Vlaams een geknipte taal is voor gangstarap. Dan is er ook nog iemand als Freddy de Vadder, die zijn stand-up routines helemaal in het West-Vlaams doet, en daar ver voorbij de provinciegrenzen succes mee boekt.

Eigenlijk had er een cd'tje bij dit boekje horen te zitten. Omdat te ondervangen heb ik hieronder zelf wat videootjes bij elkaar gezocht die het muziekje van het West-Vlaams laten horen.

Daar weer onder staat een korte samenvatting van de linguïstische eigenaardigheden van het West-Vlaams, zoals die door Magda Devos en Reinhild Vandekerckhove worden opgetekend.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> basiswoordenlijst West-Vlaams in de commentaren hieronder

> http://vls.wikipedia.org/wiki/Main_Page [West-Vlaamse Wikipedia]
> http://www.hoehel.be/ [parodie op Google]
> http://www.mijnwoordenboek.nl/regio/westvlaams
> http://nl.wikipedia.org/wiki/West-Vlaams

Magda Devos en Reinhild Vandekerckhove, West-Vlaams
170 p.
Uitgeverij Lannoo, 2005
Reeks Taal in stad en land - deel 7


Vier instructieve video's voor Hollandse lezers:



'Gerrit Callewaert': de archetypische West-Vlaming met 'n taalkundig minderwaardigheidscomplex; sketch uit In de gloria, acteur: Wim Opbrouck (2000)



Piet Huysentruyt: West-Vlaamse tv-kok die AN wil praten en daar jammerlijk in faalt; fragment uit S.O.S. Piet (2009)



Computerles in het West-Vlaams; sketch uit Alles kan beter (1997)



't Hof van Commerce, Jaloes (2005)


De West-Vlaamse klanken

Conservatisme
- Voor de studie van de Nederlandse klankontwikkeling vormt West-Vlaanderen, tezamen met het nog conservatievere Frans-Vlaanderen, een ware archeologische site. Je treft er klanken aan die opklimmen tot de taal van de Saksische kolonisatoren in de vroege Middeleeuwen, en andere, die nooit het grootste deel van het latere Nederlandse taalgebied bestreken, maar die elders, met name in het Oost-Vlaams en het Brabants, verdwenen zijn door jongere ontwikkelingen.

Oude Kustwestgermaamse kenmerken
- Ontronding van korte u tot i zoals in stik ‘stuk’. Dat ontronde vormen ooit verder oostwaarts voorkwamen dan vandaag, blijkt uit de klankvorm van eigennamen (Pittem).

- Spontane palatisatie (articulatie meer naar voren in de mondholte, van het zachte gehemelte of ‘velum’ naar het harde gehemelte of ‘palatum’) van o tot u en van oo tot eu zoals in bus ‘bos’ en veugel ‘vogel’)

- Wegval van h (en het West-Vlaamse g/h-probleem. Het niet aanblazen van de h is allerminst exclusief West-Vlaams. Wel typisch is dat die h-wegval gepaard gaat met de zogenaamde laryngalisering van de g, wat wil zeggen dat de g dieper in de keelholte is weggezakt en daardoor als een h wordt uitgesproken: hét sjibbolet voor de West-Vlaming.

- Open (met geringe tongwelving) uitspraak van korte e, i en u.

- Wegval van doffe e uit de verbinding –en. Vraagn, blauwn, komm.

- Verdonkering van a tot o voor bepaalde medeklinkers, namelijk de fricatieven of wrijfmedeklinkers (f, vs, s, z, g, ch). Zochte ‘zacht’.

- Representant ie in plaats van uu van de Westgermaanse tweeklank iu. Diere ‘duur’, vier ‘vuur’, kieken ‘kuiken’.

Behoud van Middelnederlandse klanken
- Veel uitspraakkenmerken die ooit algemeen of toch heel ruim verspreid waren in het Middelnederlands (ca. 1200-1500), werden in andere dialecten van het taalgebied verdrongen door vernieuwingen vanuit het Brabants-Hollandse centrum, maar bleven in het West-Vlaams bewaard.

- Behoud van oude ie en uu in plaats van ij en ui. Grieze muuse ‘grijze muis’.

- Ronding van ie tot u vóór lipmedeklinkers. Wuuf ‘wijf’.

- Behoud van het oorspronkelijke onderscheid tussen scherp – en zachtlange ee en oo. In de standaardtaal is er geen verschil te horen tussen de oo van open en die van groot. Wel in het West-Vlaams.

- Behoud van oude tweeklanken ieë en oeë. Ziëk ‘ziek’, voeët ‘voet’.

- Behoud van de eind-e aan zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. Deure ‘deur’, lampe ‘lamp’.

Eigen West-Vlaamse ontwikkelingen
- Ontwikkeling van oe in plaats van ou uit old/olt. Oud, koud en zout in het Nederlands. Old, cold salt in het Engels. Alt, kalt en Salz in het Duits. Oed, koed en zoet in het West-Vlaams.

- Ontwikkeling van uu tot eu vóór r. Gebeur ‘buur’, meur ‘muur’, zeur ‘zuur’.

- Klinkerverkorting. Brommes ‘broodmes’, klitje ‘kleedje’, grodder ‘groter’, gemakt ‘gemaakt’, hij wit ‘hij weet’.

- Sluiting van korte i tot korte ie in sommige posities. Diek ‘dijk’, kiend ‘kind’, ziengen ‘zingen’.

Klankverschillen binnen het West-Vlaams
- ‘Luiden’ wordt luuden (west), luuwen (noord), luujen (zuidoost). ‘Duwen’ wordt duuwn (west en noord) of duujn (zuidoost).

- De realisatie van de Nederlandse sch (‘schoen’) kent in het West-Vlaams minstens vier verschillende realisaties: sk (Kortrijk), s’ (Tielt, Brugge), sjch (Veurne, Diksmuide, Torhout, Roeselare, Ieper, Poperinge) en sch.

- Behoud van representanten van de oud sk in andere posities. Franske mode ‘Franse mode’.

- Representanten van zachtlange ee vóór r. Pèèrd ‘paard’.

- Verdonkering van korte a en korte e vóór l. Kolf ‘kalf’.

- -ie in plaats van -en in de zuidoostelijke overgangsdialecten. Blommekies ‘bloemetjes’.

- De w valt soms weg vóór de achterklinkers oe en oo. Oensdag ‘woensdag’.

- De overgang van de medeklinkerverbinding -nd tot ng tussen twee klinkers. Strange ‘strand’.

- Typisch Kortrijks is de wegval van de klank t aan het woordeinde na een medeklinker. Ven ‘vent’, broo ‘brood’.

- Plofklank in plaats van de k. Ba’en ‘bakken’, di’e ‘dikke.


Woorddelen en woordvorming

In het boek worden deze kenmerken eindeloos opgesplitst in subhoofdstukjes naar verbuiging, vervoeging, woordsoort enzovoort. Hier staan ze allemaal onder elkaar.

- De bezitsgenitief. Vanackers kamion ‘de bestelwagen van Vanacker’. ’t Is Kamiels ‘van Kamiel’. Mijn nichtens baas 'de baas van mijn nicht'. Al ondervindt dit gebruik steeds meer concurrentie van een constructie als Jan ze land 'Het grondgebied van Jan', Martha heur dochter 'de dochter van Martha'.

- Oude datiefuitgangen. ‘k Kom zondage.

- Gesubstantiveerde vormen van bezittelijke voornaamwoorden in uitdrukkingen met een plaatsaanduidend voorzetsel. Niet verre van ’t onzent.

- Vorming van verkleinwoorden. Boekske, wegelke, huizeke. Boomtje, boeksje, huizegie. Variatie: -etje, -eje, -eke (kaart p. 64).

- S-meervouden getuigen van een Kustwestgermaanse tendens, die in het Engels nog veel sterker heeft gewerkt. Dweils, zwijns. Wel voeten, boeken, straten enz.

- Het onbepaald lidwoord 'een' en een aantal andere woordsoorten die op de plaats van het lidwoord staan in de zin, namelijk het ontkennende 'geen', het aanwijzend voornaamwoord 'die' en de bezittelijke voornaamwoorden, hebben in het continentale West-Vlaams verschillende vormen naargelang van het genus of grammaticaal geslacht van het erop volgende zelfstandige naamwoord. Ne vent, gene vent, diene vent, mijne vent, maar een vrouwe, geen vrouwe, die vrouwe en mijn vrouwe en een kind, geen kind, mijn kind.

- De West-Vlaamse vervoegingsuitgangen zijn dezelfde als in het Algemeen Nederlands, behalve in de eerste persoon enkelvoud, waarvoor het Kustwestvlaams de meervoudsuitgang gebruikt. Soms nog het archaïsche achtervoegsel -ege(n) in de onvoltooid verleden tijd. Hij werktege, wij speeldegen.

- Vrouwelijke persoonsnamen die eindigen op -ege of -inge. Naaiege ‘naaister’, achterwaarigge ‘vroedvrouw’, kuischinge ‘schoonmaakster’, sukkelende ‘beklagenswaardige vrouw’. Het oude achtervoegsel is het resistentst in denigrerende benamingen.

- Achtervoegsel ter vorming van bijvoeglijke naamwoorden: -te, -de, -achtig, -elijk. Wormsteekte ‘wormstekig’, soepachtig ‘graag soep etend’, geefachtig ‘vrijgevig’, ploegelijk ‘nog makkelijk te bewerken’, drinkelijk ‘drinkbaar’, vermakelijk ‘herstelbaar’.

- De West-Vlaamse vormen voor het persoonlijk voornaamwoord wijken in tal van opzichten af van die in de standaardtaal. Bovendien vertonen ze ook binnen het West-Vlaams nogal wat variatie, waarbij de belangrijkste tegenstelling zich weer voordoet tussen Kust- en continentaal West-Vlaams. Zoals in het AN kent het voornaamwoord verschillende vormen voor de onderwerps- en de voorwerpsfunctie, en bestaan er voor elk van die functies volle, beklemtoonbare vormen en zwakke, onbeklemtoonbare vormen.

Ikke of ‘k ‘ik’, gie of je of ge of dje ‘jij’, ie of je of è of ie of ej of tn of tie of tje ‘hij’, zie of ze ‘zij’, wieder of miender of wulder of wudder of me ‘wij’, julder of gieder of giender of gulder of gunder of gudder of je of ge of je of dje ‘jullie’, ziender of zieder of zulder of zunder of zudder of ze ‘zij’.

- Vragende voornaamwoorden. Wiene of wat of wadde of wuk ‘wat?’. Wie of wien ‘wie?’.

- Onbepaalde voornaamwoorden. Etwie of entwien ‘iemand’, etwa of entwadde ‘iets’, enthoeveel ‘een zeker aantal’, enthoelang ‘een zekere tijd’, entwaars of entwaarsen ‘ergens’, entwanneer ‘op zeker ogenblik’.

- Betrekkelijke voornaamwoorden. Net zoals het AN beschikt het West-Vlaams over de betrekkelijke voornaamwoorden 'die' en 'dat', maar de keuze tussen die twee wordt in het West-Vlaams niet zoals in het AN bepaald door het grammaticale geslacht van het woord waarnaar ze verwijzen, maar zoals in het Frans door de grammaticale functie van het voornaamwoord in de bijzin: voor het onderwerp gebruikt men die, voor het voorwerp dat. Het huis die verkocht is, de man dat we gezien hebben.

- Het wederkerend voornaamwoord 'zich' is in het West-Vlaams onbekend. Het wordt vertegenwoordigd door het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon. Hij stuipt hem ‘hij bukt zich’. Beklemd wordt er -zelf aan toegevoegd. ‘k Verschoot van mezelven ‘Ik schrok van mezelf’.

- Een klein aantal voorzetsels die in de standaardtaal niet (meer) bestaan. Bachten ‘achter’, neffest ‘naast’, binst of beist ‘tijdens’, al ‘langs’ (al de kant van de weg lopen).

- achter wordt gebruikt in de betekenis ‘om’ (achter vis gaan) en bij tijdsaanduidingen voorbij het uur (tiene achter de zessen).

- Infinitiefzinnen van doel en bestemming worden steeds vaker ingeleid door het voorzetsel voor. Wil je iets voor te drinken?

- binnen wordt gebruikt in de vooruitkijkende tijdsbepalende betekenis zoals ‘over’: binnen drie weken is ’t Sinksen ‘Over drie weken is het Pinksteren’.

- over wordt gebruikt in de retrospectieve tijdsbepalende betekenis zoals ‘binnen’: over twee jaar hebben ze dat bos gekapt.

- Voor het oorzakelijke verband gebruikt het West-Vlaams naast door ook vaak met. De feeste is moeten verzet zijn met de helft van de familie niet te kunnen komen.

- Het handelend voorwerp in passiefzinnen wordt ingeleid door het voorzetsel van. Ze is gebeten van een hond.

- van in plaats van het nevenschikkende voegwoord ‘want’. Doe rap de vensters toe, van ’t begint te regenen.

- De vergelijkende voegwoorden ‘als’ en ‘dan’ worden of. Ik ben zo slim of gij. Hij doet niet anders of liegen.


Verschijnselen op zinsniveau

- Het gewone hulpwerkwoord voor de toekomende tijd, de tegenhanger van AN 'zullen', is het in het West-Vlaams gaan. ’t Gaat morgen regenen, het land gaat dan al geploegd zijn. In sommige regio’s gebruikt men ook zullen, maar dan speelt er een subjectieve kleuring mee. Je zult ’t zien!, we zullen een keer gaan kijken, je zult gaan werken en als je niet wilt leren! Gaan als enige hulpwerkwoord kan niet in het West-Vlaams. We gaan gaan vissen ‘we gaan vissen’.

- Als passief hulpwerkwoord komt in het West-Vlaams naast of in plaats van 'worden' ook vaak zijn voor, zoals in het Frans of in het Engels. Mijn kleren moeten gewassen zijn.

- Een oude Kustwestvlaamse efenis is het West-Vlaamse koppelwerkwoord komen als tegenhanger van het standaardtalige 'worden' (vgl. het Engelse become). Ziek komen ‘ziek worden’, vort komen ‘rot worden’.

- Ook analoog met het Engels is het gebruik van doen als vervangend hulpwerkwoord in korte replieken waarin men iemands bewering tegenspreekt of er zijn verwondering over uitdrukt. A: Je hebt die deur gesloten! B: ‘k en doe! ‘Nee, toch niet.’ A: Frieda komt niet vandaag. B: Ja ze doet! ‘Toch wel.’

- Aansporende teure. Teure ne keer naar de bakker achter brood. ‘Ga eens naar de bakker om brood.’

- Subjectsverdubbeling bij voornaamwoorden. Ge hebt gij daar geen verstand van, ziet ze zij dat niet?

- Vastgroeiiing van zwakke voornaamwoorden aan ja en nee. Jaak, jaaj, jaas, jaat, jaam, jaaj, jaas. Nink, neech, neenn, nins, nint, neew, neech, nins.

- Ontkenningswoorden. Het woordje 'niet' is dikwijls vergezeld van het oude ontkenningspartikel en. Ik en weet daar niets van, ze zeggen dat ’t niet waar een is. Het partikel 'niet' staat soms ook verder naar achteren. Je moet daarvoor naar Brussel niet gaan! Jan is vandaag achter de gazet niet geweest.

- Het woordje 'geen' kan in het West-Vlaams als zinsontkenner gebruikt worden. Je moet dat met geen mes doen, maar met een schaar. Voor mij liefst op geen zondag.

- Opeenstapeling van ontkennende woorden zoals niemand, niet, nooit, nievers, nowers, nommers en geen. Er heeft daar nooit niemand niet van gezeid. Hij heeft nooit vanzeleven geen bier gedronken.

- Het West-Vlaamse onderschikkende voegwoord als leidt zoals zijn AN-tegenhanger 'zowel' voorwaardelijke als temporele bijzinnen in. 'Toen' bestaat evenwel niet als voegwoord in het West-Vlaams. In de meeste West-Vlaamse dialecten is 'als' fonetisch gereduceerd tot een woordvorm die alleen uit de klinker o bestaat. O ’t morgen regent, blijven we binnen. O den oorlog uitbrek, sloegen de mensen op de vlucht. O ‘k hem tegenkwam, zie hij altijd vriendelijk goeiedag.

- Het West-Vlaamse onderschikkende voegwoord dat verschijnt ook na bindwoorden. Weet je wie dat er hier is geweest? Waar dat de gieter staat? Dat is een menage (‘huishouden’) waar dat de jongens baas zijn. Zwijgt binst (‘terwijl’) dat de grote mensen klappen (‘praten’).

- Zowel dat en o krijgen een soort vervoegingsuitgang. Da’k, da’j, datn, dasse, damme, daj, danze.

- West-Vlaamse signaalwoorden. Gauw of allé ‘kom!’, zietse ‘zie je wel!’, ‘hier, pak maar aan’, ‘misschien’ zoals in Moej vandaag niet werken, dè?, wi ‘hoor’ zoals in We zin weg, wè!, eilaba ‘Hola!’, ouw ‘opgepast!’, oo ‘Wauw!’

____

5 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Het Westvlaamsch van de oudste tijden tot heden – Jacobs
Het West-Vlaams – Pee
Het West-Vlaamsch van Guido Gezelle – Sint-Jan
Het verhaal van het Vlaams – Willemyns
Het Kortrijkse dialect : een verzameling radiolezingen van wijlen dr. Jan Soete – Debrabandere
1001 maal Izegems – Balcaen e.a.
Ool koet’n en ool doen : het dialect van Midden-West-Vlaanderen – Clinckemaillie
Westvlaams idioticon – Bo
Kortrijks woordenboek – Debrabandere
West-Vlaams etymologisch woordenboek – Debrabandere
Zwevegemse woordenschat – Deloof
Woordenlijst van het Meens dialect – Detaevernier
Woordenboek van het Deizels – Vanden Bulcke

Achille van den Branden zei

Lijst van West-Vlaamse woorden:

aantijdens – op tijd

aardig – 1. raar, zonderling; 2. misselijk, onpasselijk

affeseern – voortmaken

alsan – altijd

altemets – soms

andjoen – ui

baai – trui

battaklang – geheel van personen of zaken die je last bezorgen, santekraam

bazatse – zachtwandige reistas

bendig – spaarzaam

beslag – druktemakerij

boffen – snoeven, opscheppen

bollekette – grote knikker

brielen – alles op zijn kop zetten, in wanorde brengen

brokkeleire – sukkel

bucht – rommel, waardeloze spullen

contrarie – in tegendeel.

(niet) contrarie zijn – (niet) gemakkelijk zijn in de omgang

droef – (van kinderen) stout

doeninge – huis, residentie

dul – kwaad, boos

effen klappen – bemiddelen, door praten oplossen of rechttrekken

fijnessig – secuur werk leverend

flutse – fiasco

fraai – 1. (als bijvoeglijk naamwoord) braaf; 2. (als versterkend bijwoord) zeer, in hoge mate

gerten – opzij gaan, baan ruimen

geneeren (hem) – zich amuseren

het anterten – vertrekken (in onmin)

hankeren – hevig naar iets verlangen

horten – luisteren

inkorten – naar huis gaan

in kweiste zin – ruzie hebben met iemand

jattetoet – toch wel

jeunen (hem) – zich amuseren

jeunen (een twiene iets) – iemand iets gunnen

jongens – kinderen

kammelot – rotzooi

keun – konijn

kiezig – vies, smerig

klutteren – door elkaar schudden

kot – 1. ruim verspreid en algemeen gangbaar woord voor allerlei bouwsels,
gaande van stallen en bedrijfsgebouwen tot schuurtjes, bergruimten en
aanbouwsels; 2. lawaai (kot oedn: lawaai maken); 3. gemoedelijk voor ‘huis’ (‘k ga naar mijn kot)

kortewoagen – kruiwagen

laaien – 1. hoog opflakkeren; 2. snoeven

lattestoors – rolluiken

lettre – weinig

lijk – tussengevoegd woordje om wat je zegt voorzichter te laten klinken, en om je te verzekeren met de instemming van je medespreker (‘k weet het lijk niet goed)

lutte – minachtende benaming voor een karakterloze, dwaze en onsociale vrouw

marbel – knikker

messink – mesthoop

mullepaté – slaag (zoals in slaag krijgen)

nes – vochtig (vooral gezegd van spijzen die een zekere vochtigheidsgraad
behoeven om smakelijk te zijn)

opgepoeft – overladen van eten, met een zware maag

overander – om de andere, om de twee (de melkboer komt overander dag)

(over)schrikkelen – overslaan

pallulle – pannekoek

pekker – nachtraaf

pile – batterij

pimpampoentje – lieveheersbeestje

rottekotten – lawaai maken, onstuimig stoeien

sarze – deken

sjette – wollen breigaren (uitdrukking: sjette geven, ‘van katoen geven)

scherreldewiet – schrijlings

schoeperen – verschroeien, zwart blakeren

schruwelen – luid schreeuwen

schuitig – slordig, onverzorgd

skufln – fluiten

smeieren – pletten, verpletteren

smoren – 1. mistig zijn; 2 roken van sigaren, pijpen en sigaretten

sneukelen – snoepen

stakestijf – stram, stijf, onbeweeglijk

stijf – versterkend bijwoord, tegenhanger van AN heel, zeer, erg

stik – akker

stoffoasje – materiaal

swanselen – morsen van vloeistof

tefeite – zo meteen

tjolen – 1. ellendig ronddolen; 2. hard labeur verrichten

tsjoolder – man op de dool

trunte – minachtende benaming voor een vreesachtig, besluiteloos, kleinzerig en huilerig persoon

trutselen – erg treuzelen of talmen

twefelen – door vleiende woorden, beloften iemand zachtjes ergens naartoe proberen te krijgen

van tweersen – dwars, haaks op

verlezen – selecteren, sorteren, wat slecht of onbruikbaar is weghalen

vogel – spottende aanspreking bij een vermaning

vrommins – vrouw

wak – hinderlijk vochtig (zoals bij muren die door vocht geteisterd worden)

zeuren – valsspelen

zjallezie – hor

Anoniem zei

contrarie = tegendraads
niet contrarie = meegaand, actief
mvg

tom zei

Zo heb ik het ook geleerd indertijd, onder meer van die rare Magda. Mooi is het beeld van het West-Vlaams als archeologische site van het Nederlands, en zeker relevant is de tweedeling tussen het meer zangerige Kust-West-Vlaams van de kust en de Westhoek en het wat hardere, in het Oost-Vlaams overlopende West-Vlaams van wat we maar het binnenland zullen noemen (de oosterhelft van de provincie waar de sk’s en dergelijke welig tieren). Het dialect van het Heuvelland heeft bijvoorbeeld meer gelijkenissen met dat van Koksijde of Brugge aan de andere kant van de provincie dan met het veel dichter gelegen Kortrijk. En i.v.m. die Engelse meervouden: in Poperinge heeft men het zelfs over ‘kats’ en ‘rats’! Tegenover niet-West-Vlamingen zeg ik graag dat hét West-Vlaams niet bestaat. Woordenlijsten zijn leuk maar iedere spreker vindt er dingen in die hij niet kent of in een andere context gebruikt. Er komen trouwens geen Kust-West-Vlamingen in je filmpjes aan het woord (voornamelijk kut-West-Vlamingen; Geert Hoste ontbreekt nog!). Nee, heb zelf even gezocht op YouTube en gemerkt dat het aanbod bijzonder schraal is. Preuteleute vind je wellicht minder geschikt voor deze site. Voor een authentiek West-Vlaams taalbad kan ik trouwens een voorstelling van het Frans-Vlaams volkstoneel van Flor Barbry aanbevelen (ook daarvan niks op YouTube helaas, er bestaat wel een cd van), al ben ik er behalve die ene keer als snotaap nog nooit zelf naartoe geweest. Typisch. Dit is trouwens een niet onaardig filmpje van enkele Frans-Vlaamse bolders in actie: http://www.youtube.com/watch?v=6HseX0cWf40

Achille van den Branden zei

Ik ben dan ook geen Kust-West-Vlaming. De woordenlijst in het boek is nogal wat uitgebreider. Ik heb er alleen de woorden uitgelicht die ik zelf gebruik. Chauvinisme, ja. Ik pleit schuldig. Bedankt voor bijdrage en filmpje.

Related Posts with Thumbnails