vrijdag 15 oktober 2010

Het circus van Max Beckmann en andere essays - Ian Buruma

Begin deze week had ik een aardige discussie met een mevrouw die romans prikkelender en inspirerender vond dan welke wetenschap dan ook. De wetenschap was maar een "schaamlapje" dat ons de illusie van kennis geeft in deze toch wel zeer mysterieuze wereld. Laten we ieder zijn waarheid laten, en elke persoonlijke verhouding tot dat mysterie respecteren. Zoiets. Het is iets wat je vaak hoort: de wetenschap verliest de menselijke maat uit het oog.

Dat klopt natuurlijk. Het zou zelfs een definitie van wetenschap kunnen zijn: de zoektocht naar kennis die geldt voor iedereen — wie, waar of wanneer dan ook. Maar dat wetenschap niet zou inspireren, begrijp ik niet zo goed.

Ik gebruik het voorbeeld van ons zonnestelsel. Lang voordat we ruimtereizen konden maken, wisten astronomen al hoe dat zonnestelsel er zo'n beetje uitzag, en bij uitbreiding de rest van de melkweg. De aarde was een klein bolletje dat in een ijskoud en onherbergzaam heelal rond de zon draaide (één van de ontelbare sterren) en niet andersom. Dat is droge kennis, ja. Maar ze inspireert. Ze inspireert tot bescheidenheid. Ze onderdrukt bijvoorbeeld de gedachte dat de mens, hoe bijzonder ook, de kroon zou zijn op een of andere goddelijke schepping.

Maar ik begrijp dat iemand niet houdt van de koelheid van wetenschappelijke kennis. Geen mens voedt zich met feiten alleen. We hebben kunst nodig, muziek, literatuur, die de menselijke ervaring — te zacht, vloeibaar en grillig om in feiten vast te leggen — uitdrukt. We hebben bovendien gezond verstand nodig, om iets nuttigs en moois met alle feitelijke kennis te doen.

Misschien biedt het essay soelaas. Het essay is een mooie (en zeer ongewaardeerde) stapsteen tussen non-fictie en puur literaire belijdenis. Elk goed essay is een plaatsbepaling van een individu tegenover de wereld: iemand probeert in alle bescheidenheid een persoonlijke orde aan te brengen in de wereld die hij waarneemt.

In Sterf oude wereld ruimt de Nederlandse chemicus en filosoof André Klukhuhn een mooi hoofdstuk in over het genre. Sterf oude wereld is een dikke cultuurgeschiedenis, met focus op kunst en wetenschap als twee complementaire manieren om de wereld te leren kennen. Om het onderscheid te maken tussen wat hij noemt de literair-essayistische traditie en de rationeel-wetenschappelijk, beroept Klukhuhn zich op Montaigne en een van diens helden Socrates. Socrates was volgens Montaigne zowat de eerste die "de wijsheid, de geest of de ziel uit de hemel heeft teruggehaald naar de aarde, alwaar haar zwaarste en nuttigste taak ligt". De menselijke maat, quoi.

Daaruit volgt het verschil tussen de invalshoek van de wetenschapper en die van de essayist: in de rationeel-wetenschappelijke stroming is men de ziel langzaam gaan beschouwen als een afstandelijk denkmachine. De literair-essayistische traditie daarentegen heeft de ziel omgevormd tot hart, tot betrokkenheid, tot tweede kenbron naast het hoofd. Klukhuhn:

Ziel als hart dus, in de betekenis van met hart en ziel, of het hart verliezen aan als synoniem voor zielsveel houden van. In tegenstelling tot een wetenschappelijke verhandeling hinkt een essay niet op één gedachte, maar heeft twee benen om op te staan: hoofd en hart. Een essay probeert niet uitsluitend rationeel te overtuigen van de enige waarheid, maar te verleiden tot één van de andere mogelijke standpunten. Een essay moet argumentatief goed opgebouwd zijn, maar de motivatie om die argumenten te verzamelen en te structureren komt voor uit gemoedstoestanden als verontwaardiging, verbazing, nieuwsgierigheid, ontroering, vrolijkheid en bezorgdheid. In een essay wordt daarom naast logica ook retoriek bedreven. Een essay heeft naast een rationele ook een morele dimensie, welke laatste in de ontwikkeling van de eenbenige rationaliteit willens en wetens buiten beschouwing werd gelaten. In een essay komen wetenschap en moraal bij elkaar.
Ik lees veel essays tegenwoordig. Meer dan romans. En niet zomaar: ik houd er een bestandje op na waarin ik alle gelezen essays oplijst met, naar ik vermoed, een langere houdbaarheidsdatum. Titel links, aangekaarte onderwerpen rechts. Bepaalde thema's komen immers een heel leven terug — de Palestijnse kwestie, om er een te noemen — en dan is een essay een tekst op handzamer formaat om snel je gedachten op te laden dan een non-fictieboek. Juist vanwege die menselijke maat. Een essayist is vaak zeer aanwezig en onderhoudt zich met jou op voet van gelijkheid — qua toon toch.

Deze essaybundel van de Brits-Nederlandse schrijver Ian Buruma is toevallig niet zo'n goed voorbeeld. De autobiografische insteek is miniem. Het persoonlijke zit 'm in de mêlée van onderwerpen: de bundel verscheen ter gelegenheid van de Erasmusprijs 2008 die de Stichting Praemium Erasmianum toekende aan Buruma, en directeur Max Sparreboom prijst in zijn inleiding terecht het kosmopolitisme van de schrijver, die in China, Japan, Europa en Amerika heeft gewoond en gewerkt.

Die titel, Het circus van Max Beckmann, verwijst ook niet naar een vrolijk circus, type Cirque du Soleil, maar naar dat van de expressionistische schilder Max Beckmann, die in zijn doeken het leven vaak uitbeeldde als een gruwelijk cabaret, "met beulen als circusdirecteur, en moordenaars als clown". Veel essays gaan over bloederige politieke conflicten: hoe we met ze omgaan, en hoe ze ons verdere denken bepalen.

In 'De morele knuppel hanteren' zoekt Buruma naar de wortels van het hedendaagse anti-amerikanisme, de instinctieve afkeer voor alles wat uit Amerika komt. Het valt Buruma op dat liberale commentatoren (Tariq Ali, Pinter, Vidal, Chomsky) er meer op gebrand zijn om de VS aan te klagen dan manieren te bedenken om de Irakezen en anderen te bevrijden van hun tirannie. "Wanneer Indiërs moslims vermoorden of Afrikanen Afrikanen of Arabieren Arabieren doen westerse deskundigen of ze niets merken, vinden ze historische verklaringen of wijten ze het aan de littekens van het kolonialisme." De afkeer die links koestert van het Angelsaksische kapitalisme gaat zeker terug tot Karl Marx, stelt Buruma.
Voor politiek conservatieven, vooral die van het meer radicaal rechtse stempel, was de combinatie van kapitalisme, democratie en een gebrek aan etnische homogeniteit strijdig met alles waarvoor zij stonden: raszuiverheid, militaire discipline en gezagsgetrouwheid. Soms wordt in Groot-Brittannië vergeten hoe sterk het anti-amerikanisme lijkt op de ouderwetse Europese angst voor Engeland. Het moderne kapitalisme was tenslotte een Britse uitvinding. (…) Het Britse imperialisme [in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw] werd, in tegenstelling tot de Franse mission civilisatrice of de Duitse verspreiding van Kultur, beschouwd als een commerciële onderneming die uitsluitend ten doel had Engelands commerciële en financiële macht te vergroten.
Maar de sprong van de rechtse anglofobie en het rechtse anti-amerikanisme naar de linkse variant kwam eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog, vervolgt Buruma. De Sovjetpropaganda heeft daar zeker mee te maken: links zijn betekende heel lang het steunen van bevrijdingsbewegingen in de derde wereld. Na 1989 verdween het communisme, en bleef het anti-amerikanisme domweg bestaan. Het socialistische debacle droeg zelfs bij aan het ressentiment over de Amerikaanse triomfen.

Een ander fenomeen uit diezelfde tijd is de stoelendans van links en rechts op bepaalde punten. Toen het marxisme nog een krachtige ideologie was, probeerde links universele oplossingen te vinden voor alle kwaad in de wereld. Nu staat globalisering zo ongeveer gelijk met amerikanisme, met Amerikanen die overal ter wereld de democratie willen installeren.

'Hoe moeten we over Israël spreken' is een doorlichting van de courante anti-Israëlische gevoelens van tegenwoordig. In het Europese politieke discours is niet alleen antizionisme volstrekt acceptabel, schrijft Buruma, maar ook vage aantijgingen over te veel Joodse invloed in het openbare leven. Het idee dat Israël of Joodse belangen op de een of andere manier de spil zijn waar het wereldgebeuren of in elk geval de Amerikaanse buitenlandse politiek in het Midden-Oosten om draait, is wijdverbreid, en niet alleen buiten de VS. De Joodse invloed in Wall Street, het Pentagon en het Internationaal Monetaire Fonds, krijgt haast de allure van een complot.

In electorale zin, aldus Buruma, zijn christelijke fundamentalisten echter veel belangrijker voor de Republikeinen dan de Joden, die sowieso meestal op Democraten stemmen. Wat we zien is geen Joodse samenzwering, maar een merkwaardig verbond van evangelische christenen, hardliners op het gebied van buitenlandse politiek, lobbyisten voor de Israëlische regering en neoconservatieven, van wie een aantal toevallig joods is. Vanwaar dan het wantrouwen? Net als Tony Judt in De vergeten twintigste eeuw beschouwt Buruma de Zesdaagse Oorlog als het omslagpunt. (De Amerikaanse haviken zouden aan de Zesdaagse Oorlog trouwens strategische inspiratie hebben ontleend — de tactiek van de 'preventieve oorlog'.)

'De geneugten en gevaren van slachtofferschap' is een scherpe meditatie over de rol van grote historische herdenkingen. Herdenken is immers niet hetzelfde als geschiedenis bedrijven. Heeft vaak zelfs nauwelijks te maken met de werkelijke historische toedracht, die altijd complex is.
Geschiedschrijving is steeds minder een zaak van uitzoeken hoe de dingen werkelijk waren of proberen te verklaren waarom die dingen zijn gebeurd. Want niet alleen is de historische waarheid irrelevant, maar algemeen wordt nu ook aangenomen dat die niet bestaat. Alles is subjectief of een sociaal-politieke constructie. En als de lessen maatschappijleer op school ons al iets leren, dan is het om de waarheden te respecteren die door anderen — of, zoals vaker wordt geformuleerd: de Ander — worden geconstrueerd. Dus bestuderen we de herinnering, dat wil zeggen: de geschiedenis zoals die gevoelsmatig wordt beleefd, vooral door de slachtoffers ervan. Door het leed van anderen te delen, leren we hun gevoelens te begrijpen en die van onszelf te peilen.
Het gaat daarbij niet om het memoreren om dingen helder te maken, zegt Buruma. Authenticiteit neemt de plaats van verheldering in. Als alle waarheid subjectief is, zijn alleen gevoelens authentiek, en kan alleen het subject zelf weten of zijn of haar gevoelens niet echt of niet echt zijn.
Een van de meest saillante uitspraken in dezen is van de schrijver Edmund White. In een artikel over aidsliteratuur betoogt hij dat literaire uitingen over de ziekte niet beoordeeld mogen worden volgens kritische literaire maatstaven. Zoals het, wat theatraal, formuleert: ‘Ik kan mijn gevoelens nauwelijks verdedigen, alleen zeggen dat het me onbehoorlijk lijkt om cijfers te geven aan mannen en vrouwen die aan de rand van het graf staan.’ Vervolgens breidt hij de aidsliteratuur uit tot multiculturalisme in het algemeen (…). Wat ons dus authentiek maakt, als Joden, homoseksuelen, hindoes of Chinezen, is ons gevoel van trauma, en bjigevolg onze onbetwistbare status als slachtoffer.
Herdenken moeten we volgens Buruma zien als een manier om de wereld te vertellen wie je bent. Herdenken — en vooral het herdenken van gezamenlijk slachtofferschap — is een belangrijk bindmiddel in een steeds versnipperder wereld, in een wereld die weinig afweet van haar historische wortels. Want bepaalt anders de samenhang, het eenheidsgevoel van een land? De etnie? Een gedeeld verleden? De manier waarop de inwoners wensen (of gedwongen zijn) te worden geregeerd? Religie? En wat met minderheden in al die criteria die zich toch binnen de landsgrenzen bevinden?

Herdenken als bindmiddel dus. Het wordt alleen dubieus wanneer een culturele, etnische, religieuze of nationale gemeenschap zijn gemeenschappelijke identiteit vrijwel volledig baseert op de sentimentele solidariteit van een herinnerd slachtofferschap, "want in die richting," dixit Buruma, "ligt de historische bijziendheid en, in extreme gevallen, zelfs de vendetta".

Voorbeelden te over: de Chinees-Amerikanen, Armeniërs, Afrikaans-Amerikanen, Amerikaanse indianen, Japans-Amerikanen en homoseksuelen "die aids als identiteitsbewijs hebben geadopteerd". Buruma haalt Tom Segev aan — die betoogt dat de moderne Israëlische neiging om de Holocaust te veranderen in een nationale religie een reactie is op het seculiere zionisme — en geeft zelf het voorbeeld van de hindoenationalisten.
De hernieuwde opkomst van het hindoenationalisme in India is bijvoorbeeld vooral sterk bij hindoes uit de middenklassen die zich verzetten tegen de visie die Nehru had op een socialistisch, seculier India. Omdat veel stedelijke hindoes uit de middenklassen niet meer dan een oppervlakkige kennis hebben van het hindoeïsme, is het gemakkelijker te kiezen voor een agressieve hekel aan moslims. En dus hebben we in India de merkwaardige situatie van een meerderheid die zich het mikpunt voelt van een armere, veel minder machtige minderheid.
In essays als hierboven, waarin Buruma de historiek van een denktrant of de geschiedenis van een emotie probeert te duiden, vind ik 'm op zijn best. Zijn andere stukken, veelal kunstenaarsportretten, zijn eerder informatief dan synthetiserend en vrolijk combinerend zoals een goed essay behoort te doen. De teksten bestaan dan uit keurig bijeengeharkt materiaal, en blijven heel leesbaar, maar ze hebben Buruma niet nodig om geschreven te worden. Het stuk over Leni Riefenstahl is een belangrijke uitzondering.

En dat is dan weer typisch Het circus van Max Beckmann: ook de meeste mensen die Buruma wil portretteren, opereren in roerige tijden.

Toeval of niet, maar een afknapper is wat Buruma denkt te weten over België. Hij beweert ergens dat weinig Walloons — in het boek pijnlijk vertaald met 'Walloniërs' — goed Nederlands spreken. Dat is zo. Maar dat twee anderstalige Belgen die elkaar in Antwerpen of Luik ontmoeten daarom vaak overgaan op Engels??

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Ian Buruma, Het circus van Max Beckmann en andere essays
383 p.
Uitgeverij Atlas, 2008
Speciaal uitgegeven n.a.v. de Erasmusprijs 2008
Vertaald door Nelleke van Maaren



Max Beckmann, de triptiek Carnival (1943); afbeelding via Wikipedia.


Korte inhoud van de overige stukken:

'Echte levens' ligt in het verlengde van dat eerdere essay, 'Hoe moeten we over Israël spreken'. Buruma vertelt hoe Israël, dat zich in een moeilijke situatie bevindt die het maar ten dele aan zichzelf te wijten heeft, is gedwongen methoden te hanteren die maar al te veel doen denken aan ons eigen koloniale verleden. "De twee wereldoorlogen, opgepookt in de hoogoven van de Europese machtspolitiek, resulteerden in zo’n rampzalige slachtpartij dat bijna alle Europeanen, afgezien van een paar nostalgische Britten, meer dan blij waren voor altijd de politiek van de grote machten, het kolonialisme en het gebruik van militaire macht te kunnen afzweren." En: "Het zou historisch juister zijn om de onveiligheid van de wereld te wijten aan het stalinisme, religieus extremisme en tirannie in plaats van onze angsten te projecteren op de Amerikanen en de Israëli’s."

'De wraak van Mrs. Thatcher' is een korte intellectuele biografie van Thatcher: "In wezen stamden de ideeën van Popper, Friedman en Hayek uit Wenen, maar ze konden moeiteloos worden geïnterpreteerd als een anglofiele hommage aan J.S. Mill, Adam Smith, Richard Cobden en het victoriaans liberalisme." Daarnaast is het stuk een poging om Thatchers succes te verklaren. Voor een goed begrip is een doorlichting van de mentaliteit van de Britse conservatieven (p. 74, 79, 80, 81) onontbeerlijk. Thatcher bood veel mensen het gevoel dat ze hun een kans gaf om het te maken, hun maatschappelijke kastes te vergeten. In theorie geeft de jacht op geld immers ieder de eerlijke kans die hem in een op totalitaire dogma’s of geboorteprivileges gebaseerd systeem ontzegd blijft. Buruma wijst terloops op het interessante essayistische werk van Perry Anderson.

'Blogs in het apparaat' is een eerder oppervlakkige vergelijking tussen blogs en de MSM, de mainstream media. Buruma vermeldt een aantal invloedrijke blogs: Andrewsullivan.com, Talkingpointsmemo.com, Drudgereport.com, Powerline.com, Kausfiles.com, Wonkette.com en Dailykos.com

'Gemaltraiteerde logica' gaat over de morele blindheid van westerse landen die martelen veroordelen, maar het zelf doen: verdachten tegen de muur laten staan, onthouding van slaap en voedsel, blootstelling aan ondraaglijk kabaal, zakken over het hoofd trekken, mensen in pijnlijke houdingen boeien, waterboarding. In de Vietnamoorlog werd het vuile werk (elektrische schokken, aanvallen met honden) door Zuid-Vietnamezen opgeknapt. Fransen in de Algerijnse oorlog verkrachtten verdachten en dompelden ze onder in stront. Dat alles terwijl marteling zelden nauwkeurige informatie oplevert, en de beulen de discipline van een strijdmacht ondermijnen.

'Brief uit Amsterdam' is een round-up van de moord op Theo van Gogh. Een portret van Mohammed Bouyeri en Van Gogh. De reacties van Paul Scheffer, Frits Bolkestein, Geert Wilders. De complexiteit van integratie ("Zelfs wanneer ze alles hebben gedaan wat we van ze vragen, zullen ze te maken krijgen met teleurstellingen."). De naïeve morele superioriteit van Nederland voor het drama.
De Eerste Wereldoorlog ging voorbij aan Nederland, dat neutraal bleef. De Tweede Wereldoorlog niet, en dat is de reden dat de Duitse bezetting, hoewel veel minder nietsontziend dan bijvoorbeeld in Polen, zo traumatisch was. Na de oorlog, en vooral sinds de jaren zestig, gingen de Nederlanders er prat op dat ze een oase van verdraagzaamheid vormen, een soort Berkeley in het groot, waarin iedereen kon doen en laten wat hij wilde. Eindelijk bevrijd uit het korset van de godsdienst en de sociale eenvormigheid dartelden de Nederlanders, vooral in Amsterdam, rond in de verwachting dat de rest van de wereld hun perfecte polderdemocratie niet zou verstoren.
'Gewoon opdrachten uitvoeren' bekritiseert de manier waarop, bijvoorbeeld, over het martelschandaal in Abu Ghraib gerapporteerd wordt, met name de doorlichting van de persoonlijkheden van de martelaars. Buruma koppelt het voorval aan de ideeën van Hannah Arendt over Eichmann: wat bestudeerd moest worden was niet het duivelse karakter van Eichmann, maar de politieke en sociale omstandigheden die het kwaad tot iets normaals, zelfs banaals maakten. Het gedrag van Graner en Frederick is een product van de laagste vormen van Amerikaans amusement, zeker, maar niet het gevolg daarvan. Het toestaan van marteling is het gevolg van een veel bredere politieke cultuur die de Geneefse conventies omzeilt. Boeiende gedachte van Buruma: vernedering schijnt een bijna noodzakelijk stadium te zijn voordat het moorden begint. Doden is immers gemakkelijker als het slachtoffer beschouwd wordt als behorend tot een andere, inferieure soort, als iets dat minder dan menselijk is.

'Werkelijkheidscheck' gaat over de vermenging van nieuws en showbusiness. De zwendelaars in de journalistiek (Jason Blair, Stephen Glass). De glamour van de journalist sinds Woodward en Bernstein. Nieuws dat door sterren (Wolf Blitzer, Paula Zahn) of door begaafde acteurs (Jon Stewart, Rory Bremner) wordt gelezen. In artistieke films is het gangbaar geworden om documentairetechnieken te gebruiken om fictie te presenteren (zie JFK). In documentaire boeken (Kapuscinski, Jonathan Raban, Theroux) worden literaire technieken gebruikt, en is mijn dikwijls vaag over bronnen en feiten. Politici hebben altijd acteurs moeten zijn: zie Churchill, Mussolini, Reagan. Filmproducent Jerry Bruckheimer adviseert het Pentagon over hoe heldendaden te velde het best in beeld gebracht kunnen worden.

'Asia world' zoemt in op de Aziatische bouwstijl, met name de opkomst van themaparken: men kopieert beroemde gebouwen en monumenten van elders. Themaparken zijn voor het Oost-Aziatische kapitalisme "wat volksdansfestivals waren voor het communisme". Buruma speurt naar de historisch antecedenten van dit fenomeen, en gaat uitgebreid in op de modernisering en verwesterlijking van Oost-Azië, die aan het einde van de negentiende eeuw begon, het cultureel iconoclasme onder Mao Zedong, en het naoorlogse, democratische Japan.

'De cultus van het ultieme offer' stelt dat sektes als de Aum Shinrikyio (de Hoogste Waarheid) logisch zijn als je de aanblik van de gemiddelde Japanse stad bekijkt, gespeend van ieder idee van geschiedenis of geestelijk leven.

'Waarom ik mijn bedenkingen heb bij rechtszaken over kinderporno' ontvouwt kort Buruma's stelling over downloaders van kinderporno: mensen moeten niet vrij zijn om minderjarigen te misbruiken, maar ze behoren wel de vrijheid te hebben zichzelf te misbruiken.

'Op de rand van oorlog' gaat over (zelfmoord)terrorisme. Wat Buruma duidelijk wil maken: een land hoeft niet arm te zijn om een pathologische fobie voor het Westen te ontwikkelen.

Wat doen mensen als ze worden geconfronteerd met een beschaving die materieel zo superieur is als die van het negentiende-eeuwse Westen? Ze proberen zo veel mogelijk van dat Westen te leren teneinde zelf een pseudowesterse macht te worden. Dat deden de Japanners. Op zijn manier probeerde de sjah van Perzië dat ook.
Maar aanpassing aan het Westen van bovenaf is altijd selectief. Autocraten die willen verwesteren wensen niet dat hun onderdanen te maken krijgen met zulke subversieve ideeën als democratie of vrijheid van meningsuiting. Daar moet weerstand aan worden geboden alsof het schadelijk, vreemd vergif is. In Japan werden de cultus van de keizer, de geest van de samoerai en de geestelijke zuiverheid van het Japans-zijn gepropageerd als tegengif tegen westerse invloeden die de Japanse elite zelf had helpen ontketenen. Terzelfdertijd zullen dan ontevreden intellectuelen, gefrustreerd door een gebrek aan vrijheid en vernederd door hun marginale positie in een wereld die door het Westen wordt gedomineerd, hun fantasieën over geestelijke zuiverheid richten tegen de ‘corrupte’, verwesterde elite. De combinatie van politieke onderdrukking en dit soort verzet is fataal. Het bracht de Iraanse moellahs aan de macht. Het schijnt Osame bin Laden te hebben gemotiveerd. In het Japan van de jaren dertig werd, na de economische ineenstorting en het mislukken van de democratie, het spirituele tegengif een nationale pathologie.

'De weg naar Babel' onderzoekt wat het betekent een eigen taal te hebben. "Een van de grootste attracties van een eigen taal, of dialect, of slang, zelfs de voornaamste reden om een aparte taal te doen herleven of uit te vinden, is het feit dat buitenstaanders die niet verstaan. In zekere zin is de hele taal een soort codewoord. Als je die begrijpt, hoor je erbij." David Crystal: "Taal is een heel belangrijk maar geen exclusief identiteitskenmerk; culturen kunnen ook na het aannemen van een andere taal blijven voortbestaan."

Voorts over nationale talen en taalpurisme. Het voornaamste gevaar van taalpurisme is niet absurditeit, maar stagnatie en zielloosheid. Over de erkenning van het Fries in 1956 (Fedde Schurer), de Académie française die taalvervuiling haat, de Japanse taal die voor bijna 60 procent uit Chinese leenwoorden bestaat, en Engels als de lingua franca van het internationale zakenleven, de popmuziek, de luchtvaartmaatschappijen, de computertechnologie, de Europese Commissie in Brussel, Hollywoodfilms, de gemeenschappelijke valuta van de wereldwijde entertainmentindustrie en meer en meer ook de taal van de wetenschap en het hoger onderwijs. Engels is de gemeenschappelijke taal van de Indiase elites en de overheid. Het is eigenlijk de enige werkelijk nationale taal van heel India, al wordt het maar door ongeveer 5 procent van de bevolking gesproken. De Duitstalige literatuur uit Oostenrijk-Hongarije bewijst dat je cultuuruitingen hebt door schrijvers die geen Germaanse wortels hadden.

Een van de redenen dat minderheidstalen in de afgelopen twee eeuwen zijn bedreigd, is de opkomst van het nationalisme. Maar Buruma neemt ook stelling in tegen de ecolinguïsten die zich zorgen maken over het uitsterven van de taal, volgens de redenering: als talen in gevaar zijn, is dat een teken dat het slecht gesteld is met het milieu.
Is dat altijd waar? De Inuit in Nunavut, vroeger Eskimo’s genoemd, zijn inderdaad een bedreigde gemeenschap. Ze worden niet bedreigd door de Canadese regering, maar omdat ze een steeds kleiner wordende groep in de verste uithoek van de wereld vormen. Het aantal zelfmoorden is afgrijselijk hoog, maar ze spreken nog steeds hun eigen taal. Een ander uiting van hun identiteit is het schieten van zeldzame Bowheadwalvissen met .50 kaliber jachtgeweer. Het is zaak in dezen geen ongepaste grappen te maken. Die jachtpartijen gaan niet alleen om vlees. Ze worden op culturele gronden verdedigd: walvissen schieten wordt van wezenlijk belang geacht voor het behoud van de eigen identiteit. Dat is vast en zeker niet wat de ecolinguïsten voor ogen staat.
'Tot in de hemel groeien' schetst een profiel van architect Rem Koolhaas, die wordt voorgesteld als iemand die een scherp inzicht heeft in de beperkingen van de architect, en dus geen utopisch denker is. Het gaat over Koolhaas' theorie van de Generieke Stad (een polemiek tegen het Europese culturele conservatisme) en zijn idee van een nieuwe Nederlandse metropolis (door de oude stadscentra naar de periferie te schuiven, ontlast je ze en geef je ze ruimte om adem te halen.) Verder bespreking van station Euralille.

'De genius van Berlijn' analyseert de werkwijze van Alfred Döblin in Berlin Alexanderplatz — zijn collage van vluchtige impressies, het lappendeken van het gesproken woord. Buruma linkt het boek aan Walther Ruttman, George Grosz en de kubisten, en bespreekt de reducties (en het nut daarvan) in de verfilming door Fassbinder.

'Herzog en zijn helden' situeert het werk van filmmaker Werner Herzog in de traditie van geboren raconteurs als Chatwin en Kapuscinski. Werner haalde zijn schouders op over de 'boekhouderswaarheid' en koos voor 'extatische waarheid'. Zijn afkeer van technologische beschaving en zijn idealisering van het nomadendom en van levenswijzen die nog niet door onze verdoemde beschaving zijn aangeraakt, passen daarbij.

'Fascinerend narcisme' stipt de persoonlijkheid van Leni Riefenstahl aan — haar wangedrag, driftbuien, spilzucht, narcisme, opportunisme — maar onderzoekt vooral de vraag hoe inherent-fascistisch een bepaalde beeldtaal. Is een bepaalde beeldtaal per definitie fascistisch of is beeldtaal iets autonooms dat voor allerlei doeleinden, zoals propaganda, kan gebruikt worden? Buruma neigt aan de hand van het voorbeeld van Riefenstahl (en haar leermeester Arnold Fanck) naar het laatste.
Fanck zelf werd een overtuigde nazi, en de nazi’s putten vrijelijk uit dezelfde esthetische bronnen. Niettemin kan geen daarvan — de romantiek noch het expressionisme noch de Wagnerverering, laat staan de avant-gardistische visuele beelden uit de Weimarperiode — van nature fascistisch worden genoemd. Zeker, de nadruk op fysieke volmaaktheid, heroïsche zelfopoffering, mannelijke discipline, macht, zuiverheid en de grootsheid van de natuur leenden zich uitstekend voor de nazistische of fascistische stijl. Maar dat geldt ook voor de heldere, klassieke lijnen van sommige Bauhaus-architectuur. Joseph Goebbels, de auteur van een werkelijk verschrikkelijke expressionistische roman met de titel Michael, had aanvankelijk het expressionisme op het oog als de meest geschikte stijl voor het Derde Rijk. Hitler, die meer van sentimentele negentiende-eeuwse kitsch hield, drukte dat idee de kop in. Hij hield van heldhaftige naakten, wagneriaanse bombast en monumentale classicistische architectuur.
Sentiment is één ding, het voorwerp waar het zich op richt, een ander. Riefenstahl streefde naar ijzige volmaaktheid en harmonie; individueel karakter, menselijke emotie, niets van dat alles lijkt voor haar van belang te zijn geweest. Maar: het kon haar niet schelen of ze SS’ers moest fotograferen of groenten; wat haar interesseerde was de schoonheid van de compositie, van de artistieke effecten. Dat pleit haar natuurlijk niet vrij, integendeel. Die onverschilligheid is zelfs misdadig.

'Een criticus op drift: oorlog en herdenking' blikt terug op de affaire-Grass. Günter Grass, de eeuwige criticus van de macht en de corrumperende werking daarvan, was ooit lid van de Waffen-SS, blijkt uit de opgeblazen schuldbekentenis De rokken van de ui. Niet dát hij het was, veroorzaakte een schandaal in de Duitse publieke opinie, maar dat hij dat verborgen had gehouden. Buruma behandelt de rol van het geheugen in het werk van de Duitse schrijver. Als Grass zichzelf in het verleden beschrijft, gebruikt hij soms de hij-vorm, "alsof zijn oude zelf niet meer is dan een element van zijn fantasie". Buruma geeft daarnaast achtergronden bij Grass' anti-amerikanisme en de verontwaarding van een conservatief als Joachim Fest bij het voorval. Niet alleen de politieke tegenstelling tussen die twee is van belang, maar ook de sociale klassenressentimenten in het West-Duitsland onder Konrad Adenauer, waarin Nazirevanchisten naar de zijlijn werden verwezen. Als jongeman werd Grass aangetrokken door het aantrekkelijke Europese karakter van de Waffen-SS en al dat glimmende militair materieel. De roep om actie, en zijn breken met het Spiessbürgerturm van zijn familie, kent een lange Duitse traditie.
‘De Duitser denkt niet in politieke, maar in tragische, mythische, heroïsche termen’, heeft Thomas Mann geschreven. Hij had het over de Duitsers uit de kinderjaren van Günter Grass en daarvoor. Jarenlange autoritaire politiek, opgeblazen romantiek en pompeus militarisme hadden onder ontwikkelde Duitsers gezorgd voor een afkeer van de slonzige compromissen van de liberale politiek en het materialisme van de commerciële ondernemingszin. In plaats daarvan verheerlijkten ze spiritualiteit en verheven cultuur. Het Duitse nationalisme kenmerkte zich ook al vóór het Derde Rijk vaak door een soort religieuze exaltatie; op de liberale democratie en het kapitalisme, vooral het Amerikaanse soort (Amerikanismus) werd zowel ter linker- als ter rechterzijde neergekeken.
'Het circus van Max Beckmann' presenteert Max Beckmann als de grootste schilder die de korte artistieke explosie van Weimar-Duitsland heeft opgeleverd, en bekijkt de spanning tussen zijn sensualiteit en zijn spirituele aspiraties: "In navolging van de gnostici zag Beckmann de wereld als een kerker voor verloren zielen, onderworpen aan seksuele begeerten en heftige driften waaruit we moeten proberen te ontsnappen naar een betere, zuiverder staat boven de materiële schepping (…)." Interessanter is Buruma's plaatsbepaling van Beckmann tegenover andere Duitse kunstenaars uit die periode. In de ogen van spotprententekenaar George Grosz, die zijn inspiratie van de straat haalde en dol was op het bruisende en commerciële Amerika, was Beckmann een zwoegende Duitse dromer en nostalg. Beckmanns realisme hielp hem wel de morbiditeit van de Duitse inborst te boven komen. Geen van zijn schilderijen kan tot één thema worden herleid.
De Amsterdamse schilderijen behoren tot de donkerste, maar ook tot de beste werken van Beckmann. Andere bekende kunstenaars uit de Weimartijd kozen voor ‘innerlijke emigratie’ of kwijnden weg in het buitenland. Otto Dix was gedwongen kitscherige kerstlandschappen in Duitsland te schilderen. Grosz in New York verheerlijkte typisch Amerikaanse symbolen of maakte weinig geslaagde allegorische schilderijen van nazi-Duitsland. Ernst Ludwig Kirchner stierf in 1938 als een gebroken man. Emil Nolde bleef in Duitsland, maar mocht niet schilderen. Maar Beckmann droeg, net als die andere overlever Max Ernst, zijn wereld mee in zijn hoofd, en dat zie je in zijn Amsterdamse schilderijen.
'De ondergang van baron Pad' gaat over schrijver, politicus en fraudeur Jeffrey Archer. Waarom hij zo lang kon wegkomen met wat hij deed, óók temidden van het Britse establishment.

'O, wat een heerlijke oorlog!' wijst de fouten en de kitsch aan in de film Pearl Harbor. Noch aan Japanse noch aan Amerikaanse zijde speelde patriottisme (wilskracht, heldhaftigheid en zelfopoffering) een doorslaggevende rol. Het volstrekte gebrek aan ironie in de behandeling van de oorlog is volgens ook Buruma nieuw; oorlogsfilms uit de jaren zestig en zeventig die in Hollywood werden gemaakt, zaten vol satire, ironie en tegendraadse humor.

'Dansen op een deinend dek' plaatst de dagboeken van Harry graaf Kessler in zijn politiek-culturele context — het Berlijn van de Weimar-republiek, dat bruiste en toch niet vergeven was van de Amerikaanse popcultuur. Een stad ook die in politiek opzicht als een Titanic op zijn ondergang afstevende. Buruma wijst op de ambivalentie van Kessler: de republikeinse aristocraat in revolutionaire tijden, de sociaal-democraat die neerkeek op de onbeschaafde middelmatigheid van de meeste sociaaldemocratische politici, de elitaire man van de Cranach Presse die Karl Liebnecht bewonderde toen deze de opstandige arbeiders ophitste ("een slavenopstand tegen Engeland en het Amerikaanse kapitaal").

Kessler, de ‘rode graaf’, had geen hekel aan arbeiders, maar aan de middengroepen van de bourgeoisie. Buruma wijst op de gevaren van Kesslers snobisme. Kessler noemde het nationaalsocialisme de koortsdroom van de Duitse kleine burgerij, terwijl de waarheid ingewikkelder was en het nazisme mensen in alle klassen aansprak. Het was die minachting van de hogere bourgeoisie voor kleine lieden die ertoe bijdroeg Hitler aan de macht te brengen, schrijft Buruma. Want veel te veel ‘verfijnde’ Duitsers cultiveerden hun geest, maar lieten de politiek over aan mensen die ze als minder dan zichzelf beschouwden.

'Anne Franks voortleven na de dood' stelt dat de dagboeken van Anne Frank inhoudelijk veel ambivalenter zijn dan het joodse symbool dat er van gemaakt werd. Er zijn twee opvattingen over de nalatenschap: Otto Frank wilde dat zijn dochter een universele les in tolerantie zou zijn (en ging in zee met scenarioschrijvers uit Hollywood); Meyer Levin wilde dat ze Joden zou leren hoe ze goede Joden moesten zijn (een opvatting aangehangen door Cynthia Ozick). (Buruma heeft het zijdelings over het snobisme van de geassimileerde Joden (welgestelde Duitse Joden) die in het algemeen niets te maken wilden hebben met de arme, vrome immigranten en vluchtelingen uit het Oosten, de ‘Ostjuden’. ) Zijn tussentijdse conclusie:
Mensen worden juist ontroerd omdat ze zich identificeren met de slachtoffers als figuren, maar natuurlijk niet met hun lot. De internationale aantrekkingskracht van Hollywood is altijd de nadruk op karakter in plaats van op milieu geweest. De culturele en historische nauwkeurigheid lijdt daaronder. Maar een Duits publiek zich laten identificeren met Joodse slachtoffers, lijkt me, meer zin dan het voorhouden hoe je een goede Jood moet zijn.
'Het Amerika van George Grosz' is goeddeels een essay over de gevolgen van het Amerikaans staatsburgerschap (1938-) voor het werk van George Grosz. In Amerika ging Grosz charmanter werk afleveren. Hij wilde een Amerikaanse illustrator worden, geen spotprententekenaar, geen legende uit de roaring twenties. Hij had genoeg van haat, politiek en van satire (in het Derde Rijk was satire ook hoogst ontoereikend). Buruma legt uit waarom zijn Amerikaanse werk niet het niveau haalt van de Berlijns schilderijen die zijn roem veilig stelden.
Het probleem met deze allegoriën is hetzelfde als dat van zijn ‘verkoopbare’ landschappen: de détails ontbreken, de kleine dingen van het dagelijks leven, gerecreëerd door de kunstenaar, die het werk tot meer maken dan alleen geschilderde retoriek. De nachtmerries hebben geen onmiddellijkheid omdat ze niet zijn waargenomen, en Grosz moest volgens mij heel nauwkeurig observeren wat hij schilderde. Hij valt niet te vergelijken met Goya, of zelfs maar met Max Beckmann, die fantastisch schilderde waar hij ook was, in Berlijn, Amsterdam of in St. Louis. Grosz’ innerlijk leven was niet voldoende om zijn kunst te voeden.
___

1 opmerking:

Achille van den Branden zei

Cosmopolitanism : ethics in a world of strangers - Anthony Appiah
The seventh million - Tom Segev
The forgotten Holocaust of World War II - Iris Chang
Reports from the Holocaust - Larry Kramer (over aids)
Bridge across broken time : Chinese and Jewish cultural memory - Vera Schwarcz
The disenchanted isle - Charles Delheim
England in the eighteenth century - an.
Ruling Britannia - Andrew Marr
The servant : a new Machiavelli - Alistair McAlpine
Verbatim - Attali en Mitterand
A miracle, a universe - Lawrence Weschler
Albert Speer - Gitta Sereny
The Great Leap Forward - Koolhaas
War against the west - Aurel Kolnai
Vanishing voices - Daniel Nettle en Suzanne Romaine
Delirious New York : a retroactive manifesto for Manhattan - Rem Koolhaas
Rem Koolhaas : conversations with students - an.
The anarchy of the imagination : interviews, essays, notes - Michael Töteberg en Leo A. Lensing (red.)
With Chatwin : portrait of a writer - Susannah Clapp
Die Realität der Träume in den Bildern - Max Beckmann
George Grosz : Berlin-New York - an.
Beckmann - Reinhard Spieler
Berlin in lights : the diaries of Count Harry Kessler, 1918-1937
So long mit Händedruck - Hans Sahl

Related Posts with Thumbnails