woensdag 20 oktober 2010

Foe - J.M. Coetzee

"Met een zucht, haast zonder te plonzen, liet ik me overboord glijden. Met langzame slagen, terwijl mijn lange haar om me heen dreef, als een bloem van de zee, als een anemoon, als een kwal van het soort dat men in de wateren van Brazilië aantreft, zwom ik naar het vreemde eiland, enige tijd zwemmend zoals ik had geroeid, tegen de stroming in, en toen ineens uit de greep daarvan bevrijd, door de golven de baai in gevoerd en op het strand geworpen."

Aan het woord is mevrouw Susan Barton. Nadat een zoektocht naar haar ontvoerde dochter in de Braziliaanse streek Bahia niets heeft opgeleverd — een Engelse scheepsagent had het meisje meegenomen naar de Nieuwe Wereld — is ze ingescheept op een koopvaarder naar Europa, naar Lissabon. Er breekt echter muiterij uit, de kapitein wordt vermoord, en ook Barton moet overboord.

J.M. Coetzee laat haar aanspoelen op het eiland van ene Cruso, een man van een jaar of zestig die al vijftien jaar op het eiland verblijft met de negerslaaf Vrijdag aan zijn zijde. Cruso verschilt nogal van het beroemde romanpersonage van Daniel Defoe. Om te beginnen zijn eiland. Dat ligt honderden mijlen voor de kust van Brazilië, en niet voor de kust van Venezuela, zoals de ondertitel van Robinson Crusoë suggereert: an uninhabited Island on the coast of America, near the Mouth of the Great River of Oroonoque. Het eiland van Cruso spreekt ook helemaal niet tot de verbeelding.

Bij lezers die zijn grootgebracht met reisverhalen, roepen de woorden onbewoond eiland wellicht een beeld op van een oord met zacht zand en lommerrijke bomen, waar beekjes stromen om de dorst van de schipbreukeling te lessen en het rijpe ooft hem in de handen valt, waar hij niets anders hoeft te doen dan doezelend zijn dagen te slijten totdat er zich een schip aandient dat hem weer thuisbrengt. Maar het eiland waarop ik was aangespoeld, was een heel ander oord: een reusachtige rotsige heuvel met een vlakke top, die zich aan alle kanten behalve één scherp vanuit de zee verhief, met her en der vale struiken die nooit in bloei stonden en nooit hun blad afwierpen.
En er is meer. Waar Robinson Crusoë zich achtentwintig jaar de naad uit het lijf werkt om zijn bestaan menswaardig te maken, met steeds één oog op de horizon op zoek naar het reddende schip, heeft het vijftienjarig isolement Cruso oud gemaakt. Het eilandrijk heeft zijn blikveld vernauwd en zijn ambities geatrofieerd. Hij legt geen grote vuren aan, speurt de kustlijn niet af op zeilen, zwaait niet naar de einder vanaf zijn heuveltop, en turft de dagen niet, zoals in het origineel.

Robinson Crusoë was het verslag van een man alleen die voor zover mogelijk zijn eigen lot vormgaf. Overdag bewerkt hij het land en maakt hij met onmenselijk geduld zijn handwerktuigen; hij verbouwt graan, leert pottenbakken en fokt geiten. 's Avonds leest hij trouw de bijbel. Rousseau was dol op deze allegorie van vasthoudendheid, zelfbedruipendheid en de opvoedende waarde van de natuur. Robinson Crusoë was het enige boek dat de held uit zijn Emile, of over de opvoeding mocht lezen.

De Cruso van Coetzee is echter in de greep van de macht der gewoonte. Een soort zenmeester tegen wil en dank. Hij wil niet naar het wrak voor de kust duiken om nuttig gereedschap boven te halen. Een dak boven zijn hoofd, slapen, eten, leven — dat is hem genoeg. Gereedschap lijkt hij als een heidense uitvinding te beschouwen. Toppunt van van zijn zelfgekozen inefficiëntie zijn de twee terrasniveaus die hij heeft aangelegd en een groot deel van de heuvelflank aan de oostkant van het eiland beslaan. Op elk terras is de grond geëgaliseerd en ontgonnen, maar planten doet Cruso niet: dat is "voorbehouden aan wie na hem komt". Cruso doet in zekere zin denken aan Alberto Caeiro, dat heteroniem van Pessoa — de eenvoudige herder die zich oefende in ascese, en zich niet wou laten verleiden tot metafysische uitspraken.
'Wetten worden maar met één doel gemaakt,' antwoordde hij me, 'namelijk om ons onder de duim te houden zodra we onbescheiden verlangens gaan koesteren. Zolang onze verlangens bescheiden zijn, hebben we geen wetten nodig.'
Waar Robinson Crusoë Vrijdag civiliseert — hij bekeert hem tot het christendom en leert hem zijn moedertaal om te kunnen converseren — blijkt Cruso's eilandgenoot helemaal geen Engelse woorden te kennen. Werden die hem dan niet aangeleerd? Neen, het is een geval van overmacht: blijkt dat Vrijdags tong is uitgesneden. Door de slavenhandelaars van Afrika die hem als slaaf hebben verkocht, zegt Cruso. Maar Susan Barton vermoedt dat Cruso zelf weleens de dader zou kunnen zijn. Taal en conversatie zouden Cruso immers herinneren aan cultuur, aan alles wat hij mist. Daarom legt Cruso ook geen dagboek aan — "Niets dat ik vergeten ben, is de moeite van het herinneren waard" — tot grote ontsteltenis van Barton.
'U vergist zich!' riep ik. 'Ik wil niet met u redetwisten, maar u bent veel vergeten, en met elke dag die strijkt, vergeet u meer! Het is geen schande om te vergeten: het vergeten ligt in onze aard, net zoals het in onze aard ligt om oud te worden en te overlijden. Maar als het vanaf een te verre post wordt beschouwd, begint het leven zijn bijzonderheid te verliezen. Alle schipbreuken worden één en dezelfde schipbreuk, alle schipbreukelingen één en dezelfde schipbreukeling, verbrand door de zon, eenzaam, gekleed in de huiden van de beesten die hij heeft gedood. De werkelijkheid die uw verhaal tot het uwe maakt, en tot het uwe alleen, die u onderscheidt van de oude zeeman bij de haard die eindeloos uitweidt over zeemonsters en meerminnen, is gelegen in een duizendtal details die op dit moment wellicht van geen enkel belang lijken, zoals: Toen u uw naald maakte (de naald die u in uw riem bewaart), met behulp waarvan heeft u er toen een oog in geboord? Toen u uw hoed naaide, wat heeft u toen als draad gebruikt? Details als deze zullen uw landgenoten er op een dag van overtuigen dat het allemaal waar is, woord voor woord, dat er inderdaad eens een eiland is geweest midden in de oceaan, waar de wind waaide en de meeuwen krijsten vanaf de steile rotsen en een man genaamd Cruso heen en weer liep in zijn kleren van apevel en de horizon afspeurde op zoek naar een zeil.'
Susan Barton wil wél weg van het eiland. Niet omwille van de eenzaamheid of de primitiviteit van het leven, noch de eentonigheid van het menu, maar vanwege de wind, "die dag in dat uit in mijn oren floot en aan mijn haren rukte en zand in mijn ogen blies, tot ik soms neerknielde in een hoekje van de hut met mijn hoofd in mijn armen en in mezelf jammerde". Cruso weet niet wat hem overkomt. Na jarenlang de onbetwiste alleenheerschappij te hebben gevoerd, moet hij toezien hoe een vrouw zijn territorium binnendringt. Hij duldt geen verandering op zijn eiland.

Stem
Cruso is het personage dat me het meest interesseerde in deze roman. Daarom is het jammer dat Coetzee hem al na een bladzij of vijftig afvoert. Al is te begrijpen hoe weinig voor de rest te beginnen valt met een personage dat de complete dorheid over zich afroept. Coetzee investeert liever in de figuur van Susan Barton. Een vrouw die naar verluidt ergens voorkomt in een van de vijfhonderd boeken, pamfletten en drukseltjes die Defoe liet verschijnen, maar niet in zijn hoofdwerk.

Het middendeel van Foe bestaat uit (niet altijd even boeiende) gesprekken met en brieven aan een zekere mijnheer Foe, een man op de vlucht voor schuldeisers. Barton wil haar verhaal op papier zetten, maar omdat zij het talent mist van het geschreven woord — "Bij het opschrijven gaat een zekere mate van levendigheid verloren die door kunstzinnigheid gecompenseerd moet worden, en ik ben niet kunstzinnig" — heeft ze een professionele schrijver vandoen als intermediair. Dit wordt mijnheer Foe, die haar bekentenissen aanhoort als een "spin die wacht en gadeslaat". Na verloop van tijd kan de lezer niet meer om het feit heen dat ook Foe een afgeleide is, namelijk van Daniel Defoe.
Uw papieren bewaart u in een kast naast de tafel. Het verhaal van Cruso’s eiland zal daar bladzij voor bladzij in verdwijnen naarmate u vordert met schrijven, en boven op een stapel andere papieren worden gelegd: een telling van de bedelaars van Londen, een lijst met het aantal sterfgevallen uit de tijd van de grote pestepidemie, verslagen van reizen in het grensgebied, meldingen van vreemde en verrassende verschijningen, gegevens inzake de wolhandel, een geschrift ter nagedachtenis aan het leven en de opinies van Dickory Cronke (wie is dat?); ook boeken over reizen naar de Nieuwe Wereld, herinneringen aan de Moorse krijgsgevangenschap, kronieken van de oorlogen in de Lage Landen, bekentenissen van notoire wetsovertreders en een menigte verhalen van schipbreukelingen, waarvan de meeste volgens mij wemelen van de leugens.
Langzaamaan wordt Foe een bespiegelend boek over de relatie tussen de schrijver en onderwerp, en over de integriteit waarmee je een oerkracht als taal moet inzetten. Barton en Foe zijn van elkaar afhankelijk. Foe wil het verhaal van Barton vertellen op zijn manier, met focus op de relatie met haar dochtertje en de zoektocht in den vreemde. Tegelijkertijd hebben de waarheid en Barton hun rechten, ook al omdat hij zonder de vrouw geen verhaal heeft.
Zou Cruso uit eigen beweging naar u toegekomen zijn? Had u Cruso en Vrijdag en het eiland met zijn vlooien en apen en hagedissen zelf kunnen verzinnen? Ik denk het niet. U heeft veel sterke kanten, maar verbeeldingskracht behoort daar niet toe.
Moet de schrijver Vrijdag verliefd op Barton laten worden in zijn kroniek? Kannibalen en vraatzuchtige beesten toevoegen aan dat saaie eiland? Moet hij van Susan Barton de vrouw van Cruso maken? (Eigenlijk leidt Barton, die zich bekommert om Vrijdag terug naar Afrika te brengen, nu al het leven van Cruso's weduwe.) Wrang hoe aanlokkelijk de wetten zijn die de fictie aan de waarheid oplegt: eerder in het boek laat Coetzee de (in de literatuur weinig onderlegde) kapitein die het koppel redt Barton al aanraden als de vrouw van Cruso door het leven te gaan en voor te wenden dat ze samen schipbreuk hadden geleden.
‘Het eiland is geen verhaal op zichzelf,’ zei Foe vriendelijk, terwijl hij een hand op mijn knie legde. ‘We kunnen het alleen tot leven brengen door het in een groter verhaal te situeren. Op zichzelf is het niet beter dan een schip dat vol water is gelopen en dag in dag uit in een lege oceaan drijft totdat het op een dag, bescheiden en zonder ophef, zinkt. Het eiland mist licht en schaduw. Het is te veel van hetzelfde, door en door. Het is net een brood. Het houdt ons in leven, zeker, als we smachten naar leesvoer; maar wie zal het nog verkiezen als er smakelijker bonbons en taartjes voor het grijpen liggen?’
Foe is dus ook een roman die opkomt voor de minderheden in de literatuur. Zoals geschiedenis altijd wordt geschreven door de overwinnaars, wordt literatuur in de tijd van Defoe (én al te vaak ook in het Zuid-Afrika van Coetzee) geschreven door blanke witte mannen. Coetzee's heldin, Susan Barton, is niet alleen de stem van de vrouw maar ook — en dan letterlijk — de stem van de zwarte in de literatuur. Zolang Vrijdag stom blijft, kunnen we onszelf blijven voorhouden dat zijn verlangens ons duister zijn en hem blijven gebruiken naar het ons goeddunkt.

Bartons stilzwijgen is nog anders van karakter. Ze wil haar relaas vertellen, zonder dat ze eerst moet bewijzen dat ze een mens van vlees en bloed is.
Ik ben geen verhaal, mijnheer Foe. Ik maak op u misschien de indruk van een verhaal omdat ik mijn relaas over mijzelf niet begonnen ben met een inleiding, maar met hoe ik me overboord liet glijden en naar de kust ploeterde. Maar mijn leven is niet in de golven begonnen. Er was een leven vóór het water, dat terugging tot mijn vertwijfelde speurtochten in Brazilië, en vandaar tot de jaren nog verder terug tot de dag waarop ik geboren ben. Dat alles vormt een verhaal dat ik niet wens te vertellen. Ik wens het niet te vertellen omdat ik niemand, zelfs u niet, hoef te bewijzen dat ik een stoffelijk wezen ben met een stoffelijke geschiedenis in de wereld. Ik vertel liever over het eiland, over mezelf en Cruso en Vrijdag en wat wij drieën daar deden: want ik ben een vrije vrouw, die haar vrijheid bevestigt door haar verhaal te vertellen op de manier die zij zelf verkiest.’
Met de naam Foe (Defoe's eigenlijke naam, die ook 'vijand' betekent, denk aan friend or foe) heeft Coetzee misschien een aanwijzing over de ernst van het gevecht tussen auteur en personage willen afgeven. Dat Coetzee net Robinson Crusoë als model neemt, is wellicht ook geen toeval. In vele literatuurhandboeken wordt het boek beschouwd als de eerste echte Engelse roman. Dat Coetzee's Foe zijn boek zo lekker wil maken, krijgt zo de allure van een erfzonde.

Na het beëindigen van Foe kunnen we Robinson Crusoë niet meer lezen zonder in ons achterhoofd de gedachte dat Defoe misschien een vrouw heeft weggesaneerd. Om nog maar te zwijgen van de kannibalen die in het origineel opduiken.

Zeven jaar later zou Jonathan Swift met Gullivers reizen zijn eigen robinsonade schrijven. Een veel rijker boek, vol sarcasme over de menselijke mogelijkheden die Defoe zo hoog had ingeschat.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Coetzee kwam terug op de figuur Daniel Defoe in zijn Nobelprijsrede
> een andere variant op dit thema: Heer der vliegen - William Golding

J.M. Coetzee, Foe
158 p.
Uitgeverij Agathon, 1987
Oorspr. Foe (1986)
Vertaald door Peter Bergsma
Later uitgebracht door Cossee als Mr. Foe en Mrs. Barton

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails