dinsdag 19 oktober 2010

Een indruk van echtheid - Joost Pollmann

Als ik strips bespreek, zoals de laatste tijd steeds vaker gebeurt, voel ik me een beetje als een olifant in de porseleinwinkel. Eentje die weliswaar zijn slurf intrekt, maar met dat logge lijf van 'm geen blijf weet. Mijn opmerkingen klinken nogal zuur, verpest als ik ben door al dat prozagelees en daarom strips te zeer afreken op tekst en scenario. Althans, ik merk het aan de wrevelige reactie van de kameraad die me al die strips uitleent. "Zeg, een strip is geen roman, hé."

En toch. Met diezelfde vriend heb ik weleens de Parijse stripwinkels afgeschuimd — Frankrijk schijnt met Japan het enige land te zijn waar nog goed te verdienen valt aan beeldverhalen — en dan raakte ik altijd weer bedrukt door het kapitaal dat daar lag opgeslagen aan peperdure hardcovers met geairbrushte fantasy'tjes. Ik denk echt dat de volwassenstrip nog in zijn kinderschoenen staat.

Om te ontdekken wat ik mogelijks over het hoofd zag, las ik deze bundel met essays over strips, een gratis boekje dat ik scheefsloeg op dat o zo gezellige Boekenfestijn. Auteur Joost Pollmann liet zich inspireren door de semiotische traditie die loopt van Barthes over Eco naar Mutsaers — schrijvers die de alledaagse werkelijkheid graag lezen als een literaire tekst, en met de nodige frivoliteit hoge en lage cultuur met elkaar in verband brengen. "Het was mijn eerste kennismaking met een houding die mij blijkbaar fascineerde: iets bijzonders durven zien in wat algemeen beschouwd wordt als vulgair. Een mineraal in een hamburger."

In tegenstelling tot met wat je zou verwachten, levert dat vooral essays op die eerder documentair dan bespiegelend zijn. 'Kraut, een biografiek' gaat over de verstripping van het leven van Pollmanns foute vader ("Voor de jonge Joop waren Europese dictators misschien zoiets als indianenopperhoofden: sterke mannen, voor niets bevreesd.") 'Geen muilperen, wel klessebesjes' behandelt het werk van Guido van Driel. 'Donald is een Duitser' dat van Carl Banks. 'Terug naar Ouagadougou' biedt een overzicht van hoe zwarten worden geportretteerd in strips. 'Het Swiebertje-effect' doet hetzelfde voor de zwerver in het beeldverhaal. 'Papieren drama's' onderzoekt dan weer de relatie tussen theater en strips.

Pollmann laat veel verschillende albums aan bod komen, en verliest nogal wat tijd en ruimte met het samenvatten van de inhoud. Ik zou ook niet direct weten hoe het anders moet, maar Pollmann laat het me iets te vaak daarbij, bij de synopsis. Omdat in Een indruk van echtheid weinig illustraties zijn opgenomen, heeft dat hetzelfde effect als wanneer je de lezer eerst blinddoekt, en vervolgens gaat uitleggen wat er te zien is.

Het meest had ik aan de opmerkingen over het genre in het algemeen, die Pollmann gelukkig ook maakt. Hij komt bijvoorbeeld vaak terug op de vraag of strips nu kunst zijn of niet, een vraag die (in het geval van graphic novels) begrijpelijk is voor een genre dat nog jong is. Het hoofdstuk 'Grootheidswaan van een kleinkunst' is zelfs helemaal gewijd aan protserige theorieën over strips, en de dure verwijzingen van critici naar moderne schilders om iemands stijl en intentie te duiden. "Er wordt gesnakt naar erkenning alsof het zuurstof is, want overleven gaat niet vanzelf."

Idioom
Pollmann komt tot de — enige juiste — conclusie dat het antwoord op die vraag — kunst of niet? — geen kwestie is van de status van het ambacht, maar van het talent van de individuele ambachtsman. Strips is "een containerbegrip is waarin alles past: groen en rijp, kaf en koren, mainstream en avant-garde. Als het maar een cartoon is, een reeks opeenvolgende grafische afbeeldingen, sequential art of welke definitie je ook mag hanteren." Een cartoon beslaat één plaatje. Een gag neemt een pagina in beslag. Een graphic novel kan tot romanlengte uitgroeien. Allemaal zijn het strips; alleen al in het Nederlandse taalgebied worden er circa 50.000 titels gepubliceerd, naar verluidt. Zeker nu de beeldromans in de lift zitten, vullen uitgevers graag paperbacks met tekeningen om ze als 'graphic novel' te kunnen verkopen.

In een stuk over een aandoenlijke reeks geïllustreerde klassieken, waarin Odysseus, Hamlet en Willem Tell ineens als striphelden opduiken, komt Pollmann de zin van het beeldverhaal op het spoor. Die bestaat er alvast niet in de concurrentie aan te gaan met de tekstbehandeling van een roman. Zoals Rudy Kousbroek in Anathema's 4 schreef:

Alles wat met een strip kan worden uitgedrukt kan goed worden uitgedrukt, maar er is ook heel veel dat helemaal niet kan worden uitgedrukt. Het stripmedium is ontoereikend voor de weergave van iets als: 'De tweede februari 1900, een vrijdag, was vochtig en vorstvrij. De pannendaken waren nat zonder dat het had geregend, op de onverharde wegen glom de kei en door de lichte nevel heen kon je in Blauwe Sluis de misthoorns van zowel de Maas als van de verder gelegen Waal horen. Andere geluiden waren er niet veel: een stille dag, die twijfelde tussen winter en voorjaar.'
Neen, de enige manier om de literaire en artistieke mogelijkheden van de strip volledig uit te buiten, is geraffineerd gebruikmaken van zijn eigen beeldtaal. Om te beginnen is de strip, in tegenstelling tot de film, een interactieve vertelkunst.
Een film is ‘vloeibaar’ doordat een lange reeks nauwelijks van elkaar te onderscheiden beeldjes razendsnel langs een lamp wordt gedraaid. Strips missen die vloeibaarheid; het is de perceptie van de lezer die de leemtes tussen de beelden (tussen de stills) overbrugt. Een roman is eveneens een continuüm: de woorden rijgen zich aaneen tot zinnen tot alinea’s tot hoofdstukken. In een strip is de tekst verbrokkeld weergegeven: hier een stukje tijdsaanduiding, daar een wolkje gedachten, ginds een onomatopee. Het is aan de lezer om de bouwstenen van de vertelling samen te voegen en er een geheel van te maken.
Een striptekenaar kan zich op vele wijzen verdienstelijk maken. Bijvoorbeeld door als een fotojournalist telling moments te fixeren in zijn tekeningen, en in de vloeiing van de lijn zijn persoonlijke stempel te drukken. Maar het stripidioom is veel meer dan dat, en strekt zich uit van de "symfonische" herschikking van de kaders, over de keuze van de camerastandpunten, tot het non-verbaal vocabulair van suggestieve grafische tekens. Een striptekenaar weet vaak beter dan de romancier de motoriek van mensen en voorwerpen suggereren, om maar iets te noemen. De intrige van een strip kan dus vrij karig zijn, en toch boeien door wat (opnieuw) Kousbroek ‘de logologische ruimte’ heeft genoemd: "een gebied waar taal en werkelijkheid elkaar de loef proberen af te steken."

Realisme is daarbij absoluut geen noodzaak. Pollmann: "Kuifjes gezicht is een ideogram — of misschien moet je het hedendaags een emoticon noemen — dat bestaat uit stippeltjes en streepjes, opdat de lezer zichzelf moeiteloos op dat schema kan projecteren." In Engelse striprecensies valt het begrip iconic vaak, verwant aan icoon — de benaming voor de gestileerde vlakke voorstellingen van Christus en de heiligen in de Byzantijnse kunst.

Sommigen — de striptekenaars verbonden aan de OuBaPo-groep (de stripvariant van OuLiPo) — houden ervan zich nóg meer in te snoeren binnen de limieten van het beeldverhaal, en leggen zichzelf bijkomende formele beperkingen op: Wat gebeurt er als elke volgende horizontale strook tekeningen kleiner is dan de voorafgaande?

Maar goed, stel nu dat een tekenaar toch zo natuurgetrouw mogelijk te werk gaat, bijvoorbeeld bij het weergeven van de centrale held. Doen dat soort illustraties dan inderdaad afbreuk aan het onbestemde karakter van een personage, zoals Flaubert beweerde in een brief aan Ernest Duplan, en laten ze de lezer werkeloos aan de zijlijn staan? Is het zoals bij de academici van Laputa (Swift), die alle mogelijke objecten bij zich hebben, om desgevallend aan te wijzen tijdens een gesprek?

Neen, om aan "het spook van de redundantie" te ontkomen, schrijft Pollmann, "moet de stripmaker een zintuig hebben voor het raadselachtige, het onverwachte en het oorspronkelijke". En omdat een strip met stilstaande beelden werkt, kan de lezer zich laven aan de details van voorwerpen, hun textuur (zeker als de illustrator met verf werkt) en hun stilering: "Kijk eens hoe Milton Caniff met een paar penseelstreken plooien in een vliegeniersjack weergeeft. Daar blijft het oog aan hangen, reden waarom beeldlezen heel tijdrovend kan zijn." Pollmann haalt een mooi citaat van Whit Spurgeon aan, waar die het heeft over hoe aangenaam een striplezer kan slenteren langs de plaatjes, en steeds kan terugkeren naar zijn favoriete stills.


La vie sexuelle de Tintin: de Vlaamse anarchist Jan Bucquoy rekent af met het aseksuele Kuifje; strip niet behandeld in dit boek; zie ook hier

Rhopografie
Een indruk van echtheid
schenkt tot mijn vreugde ruime aandacht aan een genre waarin deze poëzie van het alledaagse centraal staat. De graphic novels van Chris Ware, Daniel Clowes en Jirô Taniguchi — ook mijn helden — die zoetjes aan het stilleven introduceren in het beeldverhaal. Geen superhelden, geen explosies, maar non-gebeurtenissen in non-stijlen. "De hoge bloeddruk neemt af, de gejaagde ademhaling komt tot rust en het beeldverhaal wordt wat ooit het schilderij was: een venster op de wereld." ‘Unassuming masterpieces,’ noemt Robert Crumb ze.

Pollmann linkt dit "poëtisch verisme" en "revolutionair humanisme" aan de theorieën van André Bazin over de Italiaanse realistische filmschool, en aan het begrippenpaar 'rhopografie' en 'megalografie' dat de Engelse kunsthistoricus Norman Bryson introduceerde in zijn studie Looking at the overlooked : four essays on still life painting.
Om met de tweede term te beginnen: de megalografie is het artistieke domein van de heroïek, van de hyperbool en de hemelwaarts gerichte blik. In de stripwereld komen we megalografische verschijnselen overvloedig tegen, met name in de Amerikaanse comics en Japanse manga, waar het wemelt van de bovenmenselijke krachtpatsers.
De rhopografie is precies het tegenovergestelde: dit is het domein van het stilleven, van het understatement en de neerwaarts gerichte blik. In de stripgeschiedenis komen weinig stil- of zelfs maar traaglevens voor. Spanning en sensatie bepalen doorgaans het tempo, de lezer mag zich geen moment vervelen. De stripindustrie gaat (ging) ervan uit dat de lezer geboeid blijft zolang er een intrige is die zich ontspint met de snelheid van een vliegwiel. Maar misschien zijn er ook lezers die pas geboeid raken als het beeldverloop tot rust komt en het detail begint te spreken. Waarom zou het meeslepende altijd moeten zitten in het avontuur? En waarom moet het gevaar altijd worden belichaamd door een extraterrestrial of moordlustige zombie als de ware gruwelen onze eigen hersenspinsels zijn?
In de meeste strips gebeurt te veel. Er wordt meer gefantaseerd dan gefilosofeerd en meer bedacht dan gedacht. Het verre verleden en de verre toekomst leveren maar al te vaak het decor. Nergens voor nodig. Egon Erwin Kisch, de razende reporter, schreef in de jaren twintig: 'Niets is zo verbluffend als de simpele waarheid, zo fantastisch als de zakelijkheid. Er is niets ter wereld zo sensationeel als de tijd waarin wij leven.'
De peetvader van de graphic novel is Will Eisner. Hij had faam verworven met The spirit, maar had op zekere dag genoeg van helden. Eisner wilde zijn eigen joodse jeugd in de Bronx in beeld brengen en besloot alle beperkingen (lengte, formaat, spectaculair plot) die de klassieke stripvorm hem oplegde, aan de kant te schuiven.
Hij wilde van epiek naar lyriek. De manier waarop hij dat deed was, zoals Amerikanen zeggen, seminal. Als stripmaker bevrijdde hij zichzelf van de verplichting om plaatjes-met-praatjes te tekenen die strak in het gelid staan en koos voor een veel lossere ritmiek, waarbij zowel de grootte van de tekeningen als die van de typografie varieert in harmonie met de verhaalontwikkeling. Soms overheerst de tekst, soms het beeld, sommige pagina's zijn conventioneel opgebouwd, andere experimenteel. Eisner is de componist die heerst over fortissimo en pianissimo. Big deal, zeggen we nu misschien, maar elke kunstvorm heeft iemand nodig die als eerste inziet dat de traditionele werkwijze niet de zaligmakende is. In zijn pogingen om het medium strip te emanciperen heeft Eisner ook de term sequential art gemunt, seriële kunst, maar die heeft geen algemene ingang gevonden.
Omdat er relatief weinig gebeurt in dit type graphic novels is sfeer uitermate belangrijk. Eén manier om sfeer is te brengen is door uitgekiend kleurgebruikt. Chris Ware is er een meester in. Zoals Pollmann schrijft: "Buiten Hergé is er vrijwel geen tekenaar te vinden die stemmingswisselingen en weersomstandigheden zo doeltreffend — en zo simpel — kan suggereren. Ochtendzon in een snackbar. De bedomptheid van een bejaard vertrek. Maanlicht boven een tankstation."

Het laatste idiomatische wapen van de striptekenaar wordt door Joost Pollmann behandeld in het mooie hoofdstuk 'Klanken tonen'. Het is de onomatopee, de klanknabootsing. Een complete stripkunstenaar moet niet alleen een goed oog hebben, maar ook een goed oor.
Ik moet bekennen dat ik nooit veel gegeven heb om de Michel Vaillant-reeks, mede omdat zijn geluidsweergave zo volstrekt monotoon is. Een beetje autoliefhebber zou moeten horen dat een Porsche 911 een heel ander gebrul voortbrengt dan een Renault Alpine, maar in de boeken van Graton klinkt alles precies hetzelfde, en voor een tekenaar die zijn leven heeft gewijd aan het afbeelden van racewagens is dat nogal treurig.
Hoewel onomatopeeën de lezer bijkomend informeren, springen veel graphic novelists zuinig om met de klankband van hun verhaal. Een klassiek striptekenaar als Edgar P. Jacobs had dan weer zo'n tautologische manier van schrijven dat hij een man tekende die zich naar een deur haast en dat gegeven ook nog eens letterlijk in het inzetje formuleerde. Jacobs wou niet dat zijn strips als stomme films werkten.

De Japanse strip gaat het verst met onomatopeeën. Werkelijk alles wat de striplezer ziet, wordt hoorbaar gemaakt. Niet alleen auto's, motoren of atoombommen (go-go-go), maar ook gebloos, het dwarrelen van een blad en opkomende erecties (bii). In de onomatopee kan de striptekenaar de gekste neologismen kwijt.

Een bijzonder soort klankband wordt gecreeëerd door zogenaamde symboolwolkjes. Geen tekstballonnetjes, maar ballonnetjes opgevuld met pictogrammen, schreeuwerige letters en andere extravaganza. Denk aan het klassieke grapje van Uderzo & Goscinny. Wanneer de Galliërs mensen uit Hellas ontmoeten, spreken deze Grieks, dat wil zeggen: de lettering oogt antiek. Als ze Goten tegenkomen, hebben die een Gotisch accent en de Egyptenaren spreken in hiëroglyfen.

Zijdelings heeft Joost Pollmann het ook nog over de voorvaders van de strip. Een Rodolphe Töpffer. Een Hokusai, die met zijn Japanse houtdrukkunst (ukiyo-e, beelden van het vlietende leven) de basis zou leggen voor de manga.

Mooi. Wat Een indruk van echtheid evenwel completer had gemaakt, was aandacht voor de taalvirtuozen onder de striptekenaars. Gummbah, Glen Baxter, Bill Griffith. Wat Johan Anthierens heeft betekend voor Kobe de Koe.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie met leestips in de commentaren hieronder
> Abecediarum van de grafische roman [een van de hoofdstukken in dit boek]

> http://www.cartoonbank.com/
> http://www.cartoonstock.com/

Joost Pollmann, Een indruk van echtheid : stukken over strips
193 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 2005
____

4 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Strips en graphic novels:

Kraut - Peter Pontiac
De reis - Baudoin
Mon livre d'heures - Frans Masereel
The spirit - Will Eisner
City of glass - Paul Karasik en David Mazzucchelli (naar Paul Auster)
Mean muse - Peter Pontiac
A day in Julie Doucet's life - Julie Doucet
Eefje Wentelteefje & het gekke geld - Jeroen de Leijer
L'homme qui marche - Jiro Taniguchi
Extraits naturels de carnets - Lolmède
Fietsendief - Pentti Otsamo
Eightball - Daniel Clowes
Caricature - Daniel Clowes
Elkerlyck - Jaap Vegter
Storeyville - Sirk
Nègres jaunes - Yvan Alagbé
Om mekaar in Dokkum - Guido van Driel
Little Nemo - Winsor McCay
Harlem Blues - Crepax
Deogratias - Jean-Philippe Stassen
Le chemin d'Amérique - Baru
Le pygmée géant - Fromental en Jano
Happy hooligan - Frederick Burr Opper
Pete the tramp - Clarence D. Russell
Mythic - De Lazare en Walthéry
Kimi ha pet - Yayoi Ogawa
Sigmund - Peter de Wit
Lysistrata - Ralf Köning
The cartoon Shakespeare series
Woyzeck - Amok
Dream watcher - Aleksander Zograf
De raadselachtige meneer Barelli - Bob de Moor
Een schrijver op zoek naar zes personages - Milo Manara
Peanuts - Charles Schulz
Chunky rice - Craig Thompson
Schlager - Hanco Kolk
Marcel Labrume : à la recherche du guerres perdues - Micheluzzi
Mombassa road - Micheluzzi
Barefoot gen - Keiji Nakazawa
Prisoners of war - Harvey Kurtzman
De loopgravenoorlog - Jacques Tardi
Dilbert - Scott Adams
The jew of New York - Ben Katchor
Fantastic four special - Walter Simonson
Pogo - Walt Kelly
Chère Julia - Brian Biggs
Heinz - Windig en De Jong
Space dog - Hendrik Dorgathen
Gutsman - Erik Kriek
All in line - Saul Steinberg
The art of living - Saul Steinberg
The passport - Saul Steinberg
The labyrinth - Saul Steinberg
The new world - Saul Steinberg
Le masque - Saul Steinberg
The inspector - Saul Steinberg
The dream of E - Saul Steinberg
Philémon en de drenkeling van de A - Fred
L'ascension du Haut-Mal - David B.
It's a good life if you don't weaken - Seth
Hicksville - Dylan Horrocks
Getijdenboek - Frans Masereel
God's man - Lynd Ward
Flood! - Eric Drooker
Op zoek - Plomp en Vroom
Petit populair - Arjan Ederveen, Tosca Nieterink en Ruud van Empel
Souvenir d'une journée parfaite - Dominique Goblet

Achille van den Branden zei

Adolf - a tale of the twentieth century - Osamo Tezuka
Rampokan - Peter van Dongen
Pindakaas - Gerrie Hondius
Meccano - Hanco Kolk
De Avonden - Dick Matena
Lucretia - Toine Moerbeek
Horizon - Lian Ong
Lettres au maire de B. - Alex Barbier
L'autoroute du soleil - Baru
Courts-circuits géographiques - Jochen Gerner
Cardiogramme - Anne Herbauts
Passage en douce - Helena Klakocar
Ophélie et les directeurs des ressources humaines - Eric Lambé
Journal I, II, III - Fabrice Neaud
Ibicus - Pascal Rabaté
I never liked you - Chester Brown
Ghost world - Daniel Clowes
Stuck rubber baby - Howard Cruse
My New York diary - Julie Doucet
The summer of love - Debbie Drechsler
A contrac with God - Will Eisner
Marbles in my underpants - Renée French
Jar of fools - Jason Lutes
The poor bastard - Joe Matt
Cages - Dave McKean
V for vendetta - Alan Moore en David Lloyd
Safe area Gorazde - Joe Sacco
The chuckling whatsit - Richard Sala
Cerebus - Dave Sim
Gemma Bovery - Posy Simmonds
Maus - Art Spiegelman
Heart of empire - Bryan Talbot
Blankets - Craig Thompson
Jimmy Corrigan, the smartest kid on earth - Chris Ware
5 is het perfecte getal - Igort
De man aan het raam - Lorenzo Mattotti
Woestijnschorpioenen - Hugo Pratt
Persepolis - Marjane Satrapi
L'homme qui marche - Jiro Taniguchi
Panorama de l'enfer - Hideshi Hino
Hunder Ansichten der Speicherstadt - Martin tom Dieck
Die Hure H - Anke Feuchtenberger en Katrin de Vries
Promenade in Saturnia - Markus Huber
Damendramen - Anna Sommer
Herinneringen - Rudolf Kahl
Actus tragicus - Itzik Rennert, Batia Kolton, Mira Friedman, Rutu Modan en Yirmi Pinkus
Kekkonen - Matti Hagelberg

Achille van den Branden zei

Boeken:

De mysterieuze vlam van koningin Loana - Umberto Eco
Comic books as history - Joseph Witek
A contract with God and other tenement stories - Will Eisner
Het filmrealisme en de Italiaanse school van de bevrijding - André Bazin
Mortification - Robin Robertson
Black images in the comics : a visual history - Fredrik Strömberg
Traits contemporains : nouvelles tendances de la bande dessinée internationale - [stripfestival Angoulème]
Barbie : four decades in fashion - Marco Tosa
De winter onder de tafel - Roland Topor
Hiëroglyfen - Ron Kaal
The theatre of images - Bonnie Marranca
Wer ist Carl Barks - Gottfried Helnwein
The art of Babar - Nicholas Fox Weber
Schijnhelden en nepschurken - Rudi Fuchs en Rudolf Geel
The amazing adventures of Kavalier & Clay - Michael Cabon
Du bout des lèvres - Anouchka Moulart
Alles blijft zoals het was - Jacques Koch
Striphelden op de divan - Jaap van Ginneken
Superman on the couch - Danny Fingeroth
Une psychologie amusante : Tintin à la lumière de Lacan - Michel David
The 101 best graphic novels - Stephen Weiner
Theorie des Bildromans - Alexander Roob
Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen - Rodolphe Töpffer
Dinner with Persephone - Patricia Storace

Achille van den Branden zei

En verder:

het tijdschrift Raw
het Zuid-Afrikaanse tijdschrift Bitterkomix
het Nederlands Stripmuseum Groningen
het Franse satirische blad Fluide Glacial
het Engelse satirische blad Viz (Not for sale to children)
het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal
het Musée de la Bande Dessinée in Angoulme

Vrouwelijke tekenaars van graphic novels: Lian Ong, Lily Lau, Debbie Drechsler, Julie Doucet, Batia Kolton, Anna Sommer, Barbara Stok en Dominique Goblet, Gerrie Hondius, Jenni Rope, Anke Feuchtenberger, Posie Simmonds, Dwinita Larasati, Florence Cestac

Related Posts with Thumbnails