De kus van Lamourette - Robert Darnton
De Amerikaanse historicus Robert Darnton heeft twee grote passies: het boek en de Franse achttiende eeuw. In deze bundel met lange essays cirkelen de thema's om elkaar heen als een dubbelplaneet met een korte omlooptijd. Als instapboek is De kus van Lamourette ongeschikt, vanwege het theoretische gepalaver over het vak geschiedenis. Maar wie ook maar een beetje bibliofiel is mag zich Darntons beschouwingen over de geschiedenis van het boek niet ontzeggen.
De kus van Lamourette is een boek "over geschiedenis, de media, en de geschiedenis van de media", staat er in de inleiding. Op mij maken de essays een ietwat samengeraapte indruk. Al geeft Robert Darnton er wel een mooie draai aan. Met de bundel heeft hij naar eigen zeggen vier bedoelingen. Hij wil aantonen hoe het verleden functioneert als onderstroming van het heden; het functioneren van de media illustreren aan de hand van een paar voorbeelden; een schets geven van een bepaalde discipline, de geschiedenis van het boek, die het mediaonderzoek een historische dimensie verleent; en ten vierde op basis van die drie punten tot een bredere discussie komen van de geschiedenis zelf en van de naaste buren van de geschiedenis binnen de menswetenschappen.
Darnton heeft een hart voor zijn vak, dat hij met iedereen wil delen. Alleen, tijdens zijn loopbaan heeft hij mogen vaststellen dat het niet gemakkelijk is om met serieuze geschiedenis — niet een docudrama-achtig afkooksel ervan — een groot publiek te bereiken. Als academicus klaagt Darnton dat de geschiedschrijving volledig is overgenomen door de monografiecultuur en een obscuur randgebeuren is geworden waar professoren boeken schrijven voor andere professoren die ze weer recenseren in tijdschriften die uitsluitend voor vakmensen zijn bedoeld. Als journalist heeft hij moeten leren dat gebeurtenissen altijd moeten teruggebracht worden tot verhalen. Die verhalen vervolgens gedrukt krijgen, heeft te maken met culturele gepastheid — met verhaalconventies en journalistieke tradities die de chaos van alledag in een bepaalde vorm gieten. Zelfs een serieuze krant als de The New York Times, die Darnton had gevraagd om zesduizend woorden over de Franse Revolutie te schrijven, vond dat hij te veel eiste van zijn lezers.
Komt daar nog de ergernis bij dat feitenkennis verdacht is geworden. Natuurlijk, zegt Darnton, is geschiedenis eerder dan een exacte wetenschap een gedachtenconstructie, iets dat steeds weer opnieuw overdacht en herschapen moet worden door de geest en het voorstellingsvermogen van de mens. Maar dat betekent niet dat we er alles van kunnen maken dat ons leuk lijkt. We kunnen de feiten niet negeren of ons de moeite besparen ze op te sporen, alleen maar omdat men ons vertelt dat alles discours is. Darnton is een historicus die best bereid is multidisciplinair te denken, het zijne neemt uit verschillende scholen en aanverwante vakken, en daar in dit boek ook uitgebreid getuigenis van aflegt. Modieus relativisme is evenwel niet aan hem besteed. Darnton is ook te geïnteresseerd in politiek en gebeurtenissen om zich helemaal thuis te voelen in de Annales-school, die zich louter focust op structuren en mentaliteitsgeschiedenis.
De eerste schok kreeg ik [als journalist] in Newark, New Jersey, toen ik besefte dat nieuws niet iets is dat in het recente verleden is gebeurd, maar iemands verhaal over wat er is gebeurd. Die les leek me duidelijk genoeg, en toch kom ik nog dagelijks professionele historici tegen, die kranten zien als leveranciers van harde feiten en niet als een vergaarbak van verhalen.In zijn twee eerste artikels zoemt Darnton in op enkele mijlpalen in de geschiedenis van twee Europese naties, om vervolgens te tonen hoe die doorwerken in het heden. 'De kus van Lamourette' is een voorbeeldig overzicht van de Franse Revolutie, een van Darntons specialismen. Hij brengt meteen een van bovenstaande lessen in de praktijk: de frivole anekdote als glijmiddel. Hij vertelt over ene Antoine Lamourette, die in het heetst van de interne strijd binnen de Jacobijnse Club voorstelde alle onenigheid op te lossen door elkander een kus te geven. De historicus legt daarna uit hoe de Revolutie een nieuwe stuwkracht ontketende in Europa, het nationalisme, hoewel de Franse natie er nog niet in slaagde een algemene taal in te voeren. Hij drukt erop dat de Revolutie ons verstand te boven gaat. Zelfs op terreinen waar oude gewoonten gehandhaafd bleven, wisten de revolutionairen hun ideeën in te prenten door alles een andere naam te geven. Het revolutionaire geweld is al helemaal moeilijk voor te stellen.
Mijn eigen ervaringen met nieuws hebben me op het glibberige hellende vlak van de narratologie gebracht. Via de literatuurtheorie begon ik overal verhalen te zien, van de geloofsbelijdenis van Nicaea tot aan de gebaren van verkeersargenten. Maar zodra je alle gedrag als tekst beschouwt beginnen die teksten zich te deconstrueren: al gauw raak je verloren in een eindeloze doolhof van spiegelsk, dwaal je door een semiotische sprookjeswereld en raak je bezeten van epistemologische waanideeën.
In mei 1981, toen ik aardig in die richting op weg was, belandde ik in Polen en kreeg ik mijn tweede schok. Probeer een havenarbeider van Solidariteit maar eens te vertellen dat data niet belangrijk zijn en gebeurtenissen triviaal. Hij zal je zeggen dat er een wereld van verschil ligt tussen 1 mei, de officiële Dag van de Arbeid, en 3 mei, de dag waarop het volk de constitutionele vrijheid viert en de poging herdenkt uit 1791 om Polen voor deling te behoeden. Een gedenkteken voor een dode soldaat in een kerk in Warschau vermeldt slechts een plaats en een datum: ‘Katyn, 1940’. Volgens de officiële Poolse geschiedschrijving is het Poolse officierskorps — de bloem van een hele generatie — door de Duitsers in een massale slachtpartij vermoord toen het Duitse leger in 1941 het door de Russen bezette gebied introk. Volgens de Duitsers heeft de moordpartij minstens een jaar eerder plaatsgevonden en hebben ze in Katyn alleen een massagraf aangetroffen. Als de gebeurtenis heeft plaats gevonden in 1940, was deze het werk van de Russen — en zo was het ook. Zo was het. Zo was het!
Broederschap, de meest ongrijpbare van de drie revolutionaire waarden, raasde in 1792 als een orkaan van volksemotie door Parijs. Wij kunnen ons nauwelijks een voorstelling maken van die kracht, want wij leven in een wereld die draait om andere zaken, zaken als eigendomsrecht, nettosalaris, bedrijfsresultaten, en wie aan wie moet rapporteren. Wij definiëren onszelf als werkgevers of werknemers, docenten of studenten, als iemand die zich op een bepaalde plek in de hiërarchie van onderling verbonden rollen bevindt. In het meest revolutionaire stadium van de Revolutie probeerde men dit soort verschillen te elimineren.'Laat Polen Polen blijven' somt de cruciale momenten op in de recente Poolse geschiedenis. Polen werd als zwakke natie zonder natuurlijke grenzen in 1772, 1793 en 1795 door Rusland, Pruisen en Oostenrijk opgedeeld. In de negentiende eeuw wist het dank zij zijn dichters en zijn Kerk uitsluitend als cultuur voort te bestaan. Na door het Verdrag van Versailles weer een natie te zijn verklaard, kon Polen toen het zich in 1920 in de oorlog tegen de bolsjewistische Russische troepen moest verdedigen ternauwernood aan vernietiging ontkomen. In 1939 werd het land door een geheime bepaling bij het Hitler/Stalin-pact verdeeld tussen Duitsland en de Sovjetunie. Dus kort nadat de Tweede Wereldoorlog was losgebarsten waren de Polen weer verdeeld. Traumatisch was de Russische massamoord op de Poolse officieren tijdens het bloedbad van Katyn in 1940. Tot slot dient Solidariteit vermeld, dat begin jaren tachtig door stakingen en andere acties de communistische regering tot verregaande concessies dwong — iets wat ongezien was: "In het marxisme is er geen plaats voor een opstand van de werkende klasse tegen een zich proletarisch noemend regime."
De twee daaropvolgende hoofdstukken schrijft Darnton om de mythische kracht van historische gebeurtenissen te illustreren: wie de mythe beheerst kan daar immers politieke macht aan ontlenen. In 'Televisie: open brief aan een televisieproducer' analyseert Darnton hoe televisiemakers de geschiedenis maltraiteren en afgrazen op alibi's om zoveel mogelijk seks en geweld in hun serie te steken. Flagrante onwaarheden en confrontaties die niet hebben plaatsgevonden worden daarbij niet geschuwd.
In 'Danton en double entendre' wordt uitgelegd waarom socialistische en communistische Franse politici gingen steigeren bij het zien van Andrzej Wajda’s film Danton. Ze zagen het als een aanval op het traditionele beeld van de Franse Revolutie dat Michelet, Jaurès, Mathiez en Lefebvre hadden opgehangen. Te weten: in het jaar van de Terreur was een republikeins Frankrijk belaagd door de samenspannende feodale machten van Europa; de republiek had gezegevierd en Danton had een belangrijke rol in dit geheel gespeeld. Punt. Of korter gezegd: de Franse Revolutie stond voor de geijkte route van klassenstrijd over Terreur naar socialisme. Wajda (met een verleiden bij Solidariteit) had echter een paar scènes verzonnen om de film onderhuids tegelijk tot een aanklacht te maken tegen stalinistische indoctrinatie en geschiedvervalsing. Darnton legt mooi uit wat de film aan associaties opriep bij de Poolse kijker. Dat de film zo’n double entendre heeft kunnen genereren wijst erop dat betekenis zelf gevormd wordt door de context, en dat de betekenis van de Franse Revolutie altijd op nieuwe manieren kan worden ingevuld, luidt de conclusie.
De twee hoofdstukken die daar weer op volgen, zijn interessant om de mechanismen te begrijpen waarom iets wordt gedrukt zoals het wordt gedrukt. 'Publiceren: reddende raad voor academische auteurs' is geënt op Darntons ervaringen als beoordelaar van manuscripten die universitaire uitgeverijen toegestuurd krijgen. In een zeer vermakelijk, Eco-achtig exposé geeft hij tips aan aspirant-schrijvers.
Ga van groot naar klein. Een titel moet fungeren als een trechter. Zuig de lezer naar binnen door iets groots aan te kondigen in de titel, en pers hem dan via de subtitel de monografie binnen:'Journalistiek: we drukken alles wat ons past' is Darntons grondige weerlegging van een communicatietheorie die twee sociale wetenschappers hadden gebrouwen. Zij stelden voorop dat elke journalist een denkbeeldige lezer in zijn gedachten heeft terwijl hij zijn artikel aan het voorbereiden is — de image person, meestal het spreekwoordelijke twaalfjarige meisje. Darntons ervaringen als misdaadverslaggever bij een New Yorkse krant vertelden hem iets helemaal anders. Omdat alles gespecialiseerder en professioneler is geworden, ook in de journalistiek, wordt men steeds gevoeliger voor invloeden uit de kring van vakgenoten, een invloed die veel ingrijpender is dan welk geïnternaliseerd beeld van het lezerspubliek ook.
Reformatie, repressie en revolutie: radicalisme in Noordwest-Engeland van 1789-1803
Wij schreven nooit voor de ‘image persons’ die de sociale wetenschap heeft bedacht. Wij schreven voor elkaar. Onze primaire ‘referentiegroep’, zoals het in de communicatietheorie zou heeten, bevond zich om ons heen op de krant zelf, ‘de slangekuil’ zoals we zeiden. Wij wisten dat niemand zo snel boven op onze artikelen zou duiken als onze collega’s, want journalisten zijn de meest fanatieke lezers. Ze moeten iedere dag opnieuw hun status bevechten door zich in inkt aan hun collegawolven bloot te geven.Darnton beschrijft kostelijk het leven op de krant. De verhouding tussen verslaggevers, redacteuren en correctors. Het gebrek aan feedback van het gewone publiek (dat überhaupt niet let op wie wat schrijft). De symbiotische relatie tussen verslaggevers en persvoorlichters. Want die is er zeker: na ongeveer een jaar op een bepaald werkterrein gaan verslaggevers zich ongemerkt identificeren met het standpunt van de mensen over wie ze schrijven, zegt Darnton.
Je hoort vaak dat veel journalisten progressief zijn of democraat, en een aantal zal in het stemhokje inderdaad links kiezen. Maar als verslaggever vond ik ze doorgaans vijandig tegenover iedere ideologie, wantrouwig tegenover abstracties, cynisch over principes, met veel gevoel voor het concrete en het complexe, en als zodanig vol begrip voor de status quo. Ze leken minachting te koesteren voor prekers en professoren en veroordeling als ‘geitewollensokken figuur’ of ‘knapste jongetje van de klas’ lagen hen voor op de tong.Waarna Darnton ook nog iets zegt over de gebruikte sjablonen op een krant. Nieuwe informatie moet in bestaande categorieën passen (wat een heel ander licht werpt op de bekende slogan van The New York Times, 'All the news that fits to print'). Veel artikels geven de indruk dat het metamorfoses zijn van oerverhalen. Het eerste dat een stadsverslaggever doet als hij een opdracht heeft gekregen, schrijft Darnton, is relevant materiaal zoeken in oude artikelen die zijn opgeslagen in het archief, de morgue (het ‘lijkenhuis’, waar de dode verhalen uit de krant van gister hun laatste rustplaats hebben gevonden).

Wojciech Pszoniak als Robespierre, Gerard Depardieu als Danton; still uit Danton, Anrzej Wajda, 1983
De geschiedenis van het boek
De afdeling 'Het gedrukte woord' is de meest informatieve uit het boek. In verschillende hoofdstukken wordt de lezer door Robert Darnton binnengeleid in de geschiedenis van het boek. Althans de studie van die geschiedenis: haar ontstaan, beoefenaars en methodologische problemen. De auteur houdt eraan man en paard te noemen, en door alle namedropping zijn deze essays minder leesbaar dan had gekund.
Het doel van de discipline, lezen we in 'Wat is de geschiedenis van het boek?', is inzicht te verwerven in de manier waarop ideeën in druk werden doorgegeven en hoe confrontatie met het gedrukte woord denken en gedrag van de mens in de laatste vijfhonderd jaar heeft beïnvloed. De geschiedenis van het boek is ontstaan uit concrete vragen op totaal ander wetenschappelijk terrein. Wat waren de originele teksten van Shakespeare? Wat waren de oorzaken van de Franse Revolutie? Wat is het verband tussen cultuur en sociale stratificatie? "Bij het zoeken naar antwoorden kwamen de wetenschappers elkaar tegen in een niemandsland dat zich tussen een stuk of zes vakgebieden in bevond. Ze besloten er een eigen vakgebied van te maken waarop de historicus, de literatuurwetenschapper, de socioloog, de bibliotheekwetenschapper en verder iedereen die belang stelde in onderzoek naar de rol van het boek in de geschiedenis welkom was."
Goed, aandacht voor het boek als medium was er altijd al, juist door bovenstaande vragen. Maar een echt nieuwe aanpak ontstond in het Frankrijk van de jaren dertig met figuren als Lucien Febvre en Henri-Jean Martin. De Annales-school hield zich niet bezig met allerlei bibliografische details maar probeerde de grote lijn te ontdekken in boekproduktie en –consumptie over langere tijd. Ze stelde statistieken op van aanvragen voor privilèges (een soort auteursrecht), analyseerde het bestand van privé-bibliotheken, en traceerde via verwaarloosde genres als de bibliothèque bleue (een soort vroege pocketboekjes) het verloop van stromingen in denkbeelden en zienswijzen. Zeldzame boeken en fraaie uitgaven vonden de Annales-historici niet interessant.
Het communicatiemodel (zie p. 107) dat Darnton gebruikt, laat zien dat de geschiedenis van de boeken zeer veel aspecten heeft. We kunnen de schrijver en de lezer bestuderen, uiteraard, maar ook de uitgever en de binder, de boekverkoper, drukker, transporteurs en leveranciers. Daarnaast kunnen we intellectuele invloeden nagaan, de rol van de economische en sociale conjuctuur op een boek, en de omwettelijke omkadering. Darnton past zijn schema toe op de publicatiegeschiedenis van Questions sur l’Encyclopédie van Voltaire, een belangrijk werk uit de Verlichting dat in het leven van veel achttiende-eeuwers die iets met het boekenvak te maken hadden een rol heeft gespeeld.
Zijn vaststelling is ontnuchterend: op grond van de momenteel beschikbare documentatie kan men niet weten wie Voltaires lezers zijn geweest en hoe ze op zijn werk hebben gereageerd. Het lezen blijft immers het moeilijkst te onderzoeken stadium in het circuit dat boeken afleggen. Over het drukken is meer bekend, via de aandacht die altijd al is gegeven aan de oorspronkelijke tekst van een boek. Ook de basisomstandigheden van het schrijverschap in grote perioden van de geschiedenis blijven duister, ondanks de talrijke biografieëen van grote schrijvers die zijn verschenen. Wanneer hebben de schrijvers zich bevrijd van het beschermheerschap door rijke edellieden en de staat door van hun pen te gaan leven? Hoe zag een literaire carrière eruit, en hoe streefden ze die na? Hoe gingen schrijvers om met uitgevers, drukkers, boekverkopers, recensenten, en met elkaar? Het blijven lastige kwesties.
Het hoofdstuk 'De vergeten tussenpersonen van de literatuur' schenkt aandacht aan de rol van uitgevers, papierfabrikanten, boekhandelaars en transporteurs. Literatuurgeschiedenis is immers meer dan grote schrijvers en meesterwerken, het is zelfs meer dan boeken, het gaat ook over de mensen die ze helpen maken. En boeken maken was zeker vroeger een risicovol beroep: vóór de aansprakelijkheidsregeling en de industriële revolutie kampte het kapitalisme met een hoog afvalpercentage onder de ondernemers. Darnton neemt als vertrekpunt voor zijn onderzoek de Société Typographique de Neuchâtel (STN), tijdens de laatste twintig jaar van het Ancien Régime een belangrijk uitgever en grootleverancier van Franse boeken.
Het hoofdstuk 'Eerste aanzet tot een geschiedenis van het lezen' is wat de titel beloofd, met de nadruk op aanzet. Veel aandacht gaat uit naar het algemene model dat Rolf Engelsing opstelde, met name de Leserevolution die hij aan het eind van de achttiende eeuw zag. Engelsing stelde dat er vanaf de middeleeuwen tot rond 1750 ‘intensief’ werd gelezen. De mensen hadden maar een paar boeken in huis — de bijbel, een almanak, een paar stichtelijke werken — die men voortdurend herlas, vaak gezamenlijk en hardop, met als gevolg dat een beperkt genre traditionele literatuur diep in het bewustzijn verankerd raakte. Tegen het eind van de achttiende eeuw was de omwenteling naar ‘extensief’ lezen voltooid. Men las toen allerlei materiaal, vooral tijdschriften en kranten, die maar eenmaal werden gelezen voor er weer snel naar het volgende werd gegrepen. Darnton plaatst kanttekeningen bij deze hypothese:
Het grootste nadeel van Engelsings hypothese is naar mijn mening het unilineaire karakter. Het ontstaan van een extensieve manier van lezen is niet de enige richting waarin het lezen zich heeft ontwikkeld. Het lezen heeft onder verschillende sociale groeperingen in verschillende gebieden zeer uiteenlopende vormen gekend. Mannen en vrouwen lazen om hun ziel te redden, hun manieren te verbeteren, hun machines te repareren, hun lief te winnen, op de hoogte te raken van wat er in de wereld gebeurde, en gewoon voor hun plezier. In veel gevallen, vooral onder de lezers van Richardson, Rousseau en Goethe, werd het lezen juist intensiever in plaats van extensiever. Toch lijkt de late achttiende eeuw een keerpunt te zijn, een tijd waarin meer leesmateriaal toegankelijk werd voor een breder publiek, en waarin men de opkomst kan zien van het massale lezen dat in de negentiende eeuw, met zijn machinaal vervaardigd papier, door stoom aangedreven drukpersen, regelzetmachines en vrijwel niet meer voorkomend analfabetisme gigantische afmetingen zou aannemen. Al deze veranderingen hebben nieuwe mogelijkheden geschapen, niet door het intensieve lezen te doen afnemen maar door de variatie te doen toenemen.In het vroeg-moderne Europa was het lezen een sociaal gebeuren, schrijft Darnton. Het speelde zich af in werkplaatsen, boerenschuren en herbergen. Het gebeurde bijna altijd hardop maar hoefde niet altijd stichtelijk te zijn. De meest voorkomende vorm van lezen onder het gewone volk van het Ancien Régime was de veillée in Frankrijk (Spinnstube in Duitsland) waarbij men ’s avonds bij het haardvuur zat en de kinderen speelden, de vrouwen naaiden en verstelden, de mannen gereedschap repareerden, en een lid van het gezelschap dat een tekst kon ontcijferen de anderen vermaakte met avonturen uit volksboekjes. In de negentiende eeuw waren er groepen ambachtslieden, vooral sigaren- en kleermakers, die om de beurt lazen of een lezer inhuurden om tijdens het werk wat vermaak te hebben. Voor beter opgeleide en meer vermogende mensen was het lezen meer een privé-aangelegenheid, maar veel van hen werden lid van leesclubs waar ze tegen een kleine maandelijkse vergoeding vrijwel alles konden lezen.
Boekhistorici zijn het in algemene termen eens over het soort boeken dat de mensen lazen. Onderzoek wijst op de neergang van het Latijn in de vroeg-moderne tijd, de opkomst van de roman en de intense belangstelling voor de wereld van de natuur in eigen omgeving en voor verafgelegen exotische landen. Na 1750 begonnen in de bibliotheken van de adel en de rijke bourgeoisie romans, reisboeken, en natuurhistorische werken de klassieken te verdringen. Alle onderzoeken laten een neergang zien van religieuze literatuur in de achttiende eeuw. Lezen als spirituele oefening was vooral in de zestiende en zeventiende eeuw heel belangrijk. In de achttiende en negentiende eeuw probeerden lezers boeken te verteren, ze te absorberen met hun hele wezen. "Niemand maakte een duidelijk onderscheid tussen de fysieke en de morele wereld." Tot aan de negentiende eeuw werden boeken gewoonlijk verstuurd in losse vellen, die de klant naar eigen smaak en draagkracht kon laten inbinden.
Frappant is dat men vroeger, zeker op Engelse en Franse scholen, kinderen eerst leerde lezen en dan pas schrijven, in plaats van beide vaardigheden tegelijk zoals nu. Dat is belangrijk. Vóór hun zevende, de leeftijd waarop kinderen gingen leren schrijven, begonnen ze vaak al te werken. Wanneer men dus geletterdheid afmeet aan het vermogen tot schrijven komt men wellicht op te lage aantallen uit, zegt Darnton. Als de mensen in het katholieke Frankrijk voldoende macht kregen over het gedrukte woord om de plichten te vervullen die de kerk van hen verwachtte, gingen veel van hen van school af. Overigens is het zo dat ook de lagere standen best vertrouwd waren met het geschreven woord — in de vorm van alledaagse lectuur zoals aanplakbiljetten, niet in de vorm van boeken.
Darnton gaat uitgebreid in op het uiteenlopende bronnenmateriaal waarop historici dit soort wijsheid baseren. In theorie vormen de brieven aan schrijvers en de archieven van uitgevers ideale informatiebronnen over werkelijke lezers. Maar dat zijn zelf al teksten, die dus interpretatie vergen, en slechts een klein gedeelte is uitgebreid genoeg en dus niet representatief. Veel Franse en Duitse historici kiezen voor de statistische aanpak en gaan de boekprivileges (een soort auteursrecht), bibliografieën, boedelbeschrijvingen, archieven van uitleenbibliotheken, censuurrapporten en boekenbeurscatalogi analyseren. Daarnaast zijn inventarisatielijsten van particuliere bibliotheken belangrijk, al is hun aantal nauwelijks te overzien. Darnton vermeldt onder meer een onderzoek van vijfhonderd achttiende-eeuwse catalogi, waarbij de boekhistoricus slechts één exemplaar aantrof van het boek dat de bijbel van de Franse Revolutie zou worden, Du contrat social van Rousseau. Een mooie relativering van de invloed van de philosophes. De bibliotheken puilden wel uit van de werken van schrijvers die later volledig vergeten zijn.
De manier waarop lezers een boek verwerken, blijft het lastigste aspect van de hele boekgeschiedenis. Uit vroeger tijden is men vooral afhankelijk van de aantekeningen die (beroemde) lezers in meesterwerken maakten. Literatuurtheoretici en historici kunnen hier elkaar tegemoet komen, hoopt Darnton. "De literatuurtheorie kan het scala aan potentiële responsen op de tekst aangeven — dat wil zeggen, de responsen op de verhaaltechnische restricties die het lezen een bepaalde richting opduwen zonder het verder te bepalen. Omgekeerd kan de geschiedenis laten zien wat er in feite gelezen is — tenminste voor zover het onvolledige bewijs dat toelaat. Aandacht voor de geschiedenis zal de kans op anachronismen bij de literatuurwetenschappers verkleinen. De historici zullen op hun beurt rekening houden met verhaaltechniek, en misschien aanknopingspunten vinden voor gedrag dat ze anders niet kunnen verklaren."

Wojciech Pszoniak als Robespierre, Gerard Depardieu als Danton; still uit Danton, Anrzej Wajda, 1983
Geschiedenissen, meervoud
De laatste hoofdstukken van De kus van Lamourette zijn gewijd aan de relatie tussen het vak geschiedenis en de aanverwante disciplines. Het zijn bladzijden die voor vakgenoten geschreven lijken, met ook hier weer veel namen die voor de gemiddelde lezer namen blijven.
In de bijdrage over 'Intellectuele en cultuurgeschiedenis' stelt de auteur vast dat zijn vak, geschiedenis, na herstructurering van het onderzoek in Amerika omgeven is "door platvloerse nieuwe varianten van sociaal-culturele geschiedenis en verbijsterende terminologie — mentalité, episteme, paradigma, hermeneutiek, semiotiek, hegemonie, deconstructie — en door allerlei gezwollen definities." Sinds de Tweede Wereldoorlog vertonen filosofen en literatuurwetenschappers de neiging de historische studie van meesterwerken te verwaarlozen, en geven ze er de voorkeur aan de linguïstische dimensies van betekenis en de structurele inhoud van teksten te onderzoeken. De nadruk kwam te liggen op discours. Een groot deel van de filosofische geschiedenis en de literatuurgeschiedenis wordt op de universiteiten dan maar aan historici overgelaten, en dit heeft onmiskenbaar een stempel gedrukt op hun wetenschappelijke werk.
Door de rassenrellen, alternatieve culturen, de radicale studentenbeweging, de oorlog in Zuidoost-Azië en de inflatie van het presidentschap in de jaren zestig viel het idee dat de Amerikaanse geschiedenis een intellectuele consensus zou kunnen zijn voorgoed in scherven. Wat in de jaren vijftig doorging voor De Volksaard zien veel jongere historici nu als de cultuur van de blanke middenklasse. Ze zien kennis als macht, als de ideologische verschansing van specifieke maatschappelijke groeperingen. Er ontstond iets als zwarte geschiedenis, de geschiedenis van de stad, van de arbeid, van de vrouw, van de criminaliteit, van de seksualiteit, van de onderdrukten. In Europa gebeurde ondertussen nog iets anders. Daar herontdekten de sociaal-historici "dat zeldzame ras", de gewone man. Ze reconstrueerden de gemeenschappelijke ervaringsvelden van verschillende groepen mannen en vrouwen, met behulp van aan de demografie, economie en sociologie ontleende methodes.
In de stukken over 'De sociale ideeëngeschiedenis' en 'Mentaliteitsgeschiedenis' toont Darnton hoe de som van twee subdisciplines meer oplevert dan de afzonderlijke delen. Eerst bespreekt hij kritisch het boek van Peter Gay over de Verlichting, met de onderliggende vraag: in welke mate sijpelden de intellectuele aspecten van de Verlichting (zoals we die kennen uit de ideeëngeschiedenis en de filosofie) door tot de gewone burgerbevolking?
Darnton is daar sceptisch over. De meeste staatshoofden voerden hervormingen in om hun macht zo groot mogelijk te maken, oppert hij ergens. "Hun hervormingen liepen via de boekhouder en niet via de filosoof, en pasten in een traditie van bureaucratisch rationaliseren die terugging op de zeventiende en soms op de zestiende eeuw." Darnton prijst ook het werk van Robert Mandrou, die studie verrichtte naar de primitieve paperbacks die bekend staan als de bibliothèque bleue — boekjes die marskramers van de zeventiende tot de negentiende eeuw samen met messen, garen en band uitventten op het platteland. Blijkt dat de volkscultuur ver achter en onder de Verlichting lag. Terwijl de filosofen grote nadruk legden op de rationaliteit en sensibilité van de menselijke natuur, schilderde de bibliothèque bleue de mens af als slaaf van zijn hartstochten, gedreven door astrologische machten en vreemde mengingen van de vier temperamenten en de vier elementen.
Door het bestaan en de aard te onthullen van een omvangrijke literatuur die ver beneden het niveau van de filosofen circuleerde, helpt het werk van mensen als Mandrou ons de Verlichting in het juiste perspectief te zien, zegt Darnton. Het zou ook een aansporing moeten zijn voor historici: we moeten de leunstoel uit en de archieven in om de impact van ideeën te onderzoeken. Want hoe kan ideeëngeschiedenis worden geschreven vanachter de muren van een bibliotheek, hoe voortreffelijk ook? Een Voltaire van de plank halen betekent nog geen contact met een representatieve sector van het intellectuele leven uit de achttiende eeuw.
Eenzelfde relativering van de officiële geschiedenis treft Darnton aan in het werk van historicus Richard Cobb. Bij Cobb — kenner van de Franse geschiedenis — leidde de belangstelling voor gewone mensen tot de studie van wat de mentalité wordt genoemd: de zienswijze van de gewone man en diens kijk op de gebeurtenissen (in plaats van die gebeurtenissen zelf te bestuderen). Cobb zocht in de archieven naar enkelingen: revolutionairen, activisten en excentriekelingen. Door hen te benaderen als individu, probeerde hij de Franse Revolutie te begrijpen. Dat was een ronduit verfrissende aanpak in een door marxistische geschiedschrijving gedomineerd Frankrijk. Het was ook nodig, aangezien de nadruk die werd gelegd op de institutionele, politieke en economische aspecten van de sans-culottebeweging steeds minder gerechtvaardigd leek.
Franse historici hebben in hun poging de Franse samenleving van de politieke bovenbouw te ontdoen om haar te kunnen ontleden, meestal gebruik gemaakt van het scherpe instrumentarium van het marxisme. Engelse en Amerikaanse historici komen echter met feiten die steeds moeilijker in te passen zijn in marxistische categorieën. George Taylor heeft aan het licht gebracht dat de economie van het Ancien Régime niet kapitalistisch was. Robert Forster heeft aangetoond dat men het feodalisme niet zonder meer met de adel kan identificeren. C.B.A. Behrens heeft laten zien hoe de privileges dwars door alle lagen van klasse en stand heensneden. David Bien en Vivian Gruder hebben de sociale mobiliteit binnen het leger en de intendantsorganisaties onderzocht en kwamen tot de ontdekking dat de tegenstelling tussen bourgeoisie en aristocratie daar nauwelijks een rol heeft gespeeld. J.F. Bosher heeft aangetoond dat men de monarchie beter kan opvatten als een samenspel van complexe gevestigde belangen dan als een klasseregeling door de adel. Klasse blijkt een te beperkt begrip voor de analyse van de complexiteiten en tegenstrijdigheden van de revolutionaire samenleving en politiek zoals die wordt ontleed in de werken van Charles Tilly, M.J. Sydenham, Isser Woloch en Colin Lucas. Het marxistische kernidee dat de Revolutie het gevolg is geweest van een tegenstelling tussen een opkomende kapitalistische bourgeoisie en een feodale adel is volledig de grond in geboord door Alfred Cobban, die het grootste deel van zijn geschut uit het kamp van zijn ideologische vijanden had gestolen.Volgt: een kritische doorlichting van Philippe Ariès’ boek over de dood. De these is bekend. Volgens Ariès vallen er vier stadia te onderscheiden binnen de Westerse houding tegenover de dood. De traditionele ‘getemde’ dood van de eerste tien eeuwen christendom, de persoonlijker dood van de daaropvolgende zevenhonderdvijftig jaar, de familiegerichte obsessie voor de dood zoals die wordt uitgedrukt door de dichters van de romantiek en die overheest van de late achttiende tot de vroege twintigste eeuw, en de ‘verboden dood’ van de laatste dertig jaar. Darnton stelt daartegenover de conclusies van het gedetailleerdere onderzoek van Michel Vovelle, die liefst negentienduizend testamenten heeft onderzocht. Hier openbaart zich mooi de wisselwerking (en rivaliteit) tussen ideeëngeschiedenis en de bredere, ook op de gewone man georiënteerde, mentaliteitsgeschiedenis.
Rest Darnton nog drie dwarsverbindingen te maken, tussen 'Geschiedenis en kennissociologie', 'Geschiedenis en literatuur' en 'Geschiedenis en antropologie'. In het laatste hoofdstuk van de drie verdedigt Darnton de aanpak van zijn eerdere boek De grote kattenslachting, waarin hij het meerduidige karakter van symbolen onderstreepte en erop wees hoe het culturele kader symbolen hun betekenis geeft. Het stuk over kennissociologie gaat onder meer over de poging van schrijvers om financiële onafhankelijkheid en sociale status te verwerven — "een lange, harde strijd tegen arrogante beschermheren, gierige uitgevers en een ongeletterd publiek". De schrijvers hebben zich pas rond 1880 volledig aan het mecenaat weten te ontworstelen en Darnton wil graag weten waarom.
Nieuwsgierig maakt vooral het stuk over Jean Starobinski, die met Jean-Jacques Rousseau: la transparence et l’obstacle het voorbeeld van een boek heeft geschreven waarin vanuit verschillende disciplines een auteur onder het ontleedmes wordt gelegd. Cruciaal in het leven van de overgevoelige Rousseau zou de traumatische jeugdervaring zijn geweest, waarbij hij valselijk werd beschuldigd een kam te hebben gebroken.
Door onrecht te ervaren, leerde hij de kloof voelen tussen de dingen zoals ze werkelijk zijn en zoals ze lijken. Niemand viel iets te verwijten over dit verlies van onschuld (...). Het falen lag in de situatie zelf, dat wil zeggen, in het menselijk lot, een staat van ondoorzichtigheid waarin het bewustzijn en de gevoelens van mensen elkaar voorbijvaren als schepen in de nacht. Ze zenden signalen en worden verkeerd begrepen.Volgens Starobinski is Rousseau in zijn schrijven van het begin af aan gedreven geweest door deze autobiografische impuls. Rousseau wenste van de weeromstuit "communicatie en transparantie van het hart". Maar na dit pad te hebben gevolgd en te zijn teleurgesteld, "koos hij voor de tegenovergestelde richting door de obstakels te accepteren en zelfs uit te lokken, hetgeen hem in staat stelde zich, zeker van eigen onschuld, terug te trekken in passieve berusting." Starobinski noemt Rousseaus werk volledig nieuw, omdat de taal bij hem voor het eerst een onmiddellijk ervaringspunt geworden is (terwijl ze tevens als instrument van bemiddeling blijft fungeren):
De taal is het authentieke zelf, maar onthult tegelijkertijd dat de volmaakte authenticiteit nog steeds niet is bereikt, dat de volheid nog veroverd moet worden, en dat bezit van die authenticiteit niet zeker is zonder de toestemming van anderen. Het literaire werk doet niet langer een beroep op de lezer in te stemmen met een waarheid die als een ‘derde persoon’ tussen de schrijver en diens publiek instaat. De schrijver schrijft zichzelf bloot via zijn werk en vraagt om instemming met de waarachtigheid van zijn persoonlijke ervaring. Rousseau heeft deze problemen ontdekt; hij heeft (naast de sentimentele romantiek die hem is verweten) werkelijk een nieuwe houding uitgevonden, die de houding is geworden van de moderne literatuur. Als eerste heeft hij de gevaarlijke samenballing ervaren van ego en taal, het ‘nieuwe verbond’, waarin de mens zichzelf tot het woord maakt.Het is deze problematische opvatting van taal die door Lévi-Strauss, en later door Derrida en Paul de Man, zwaar ter discussie zou worden gesteld.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide, selectie bibliografie in de commentaren hieronder
Robert Darnton, De kus van Lamourette
Bespiegelingen over mentaliteitsgeschiedenis
347 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1990
Oorspr. The kiss of Lamourette (1990)
Vertaald door Christien Jonkheer

2 reactie(s):
The Jacobin republic – Bouloiseau
Power and knowledge : selected interviews and other writings – Foucault
Penser la Révolution française – Furet
Peaple, society and mass communication – White (red.)
News and the human interest story – MacGill Hughes
Discovering the news : a social history of American newspapers – Schudson
The English common reader : as social history of the mass reading public - Altick
Livre, pouvoir et société à Paris au XVIIe siècle – Martin
L’imprimerie et la librairie à Rouen au XVIIIe siècle – Quéniart
L’imprimerie, la librairie et la presse à Avignon au XVIIIe siècle – Moulinas
Trois cents ans de librairie et d’imprimerie – Barbier
L’imprimerie et la librairie en Languedoc au dernier siècle de l’Ancien Régime – Ventre
The business of enlightenment : a publishing history of the Encyclopédie – Darnton
Gesellshaft und Literatur im 18. Jahrhundert – Kiesel en Münch
Aufklärung, Absolutismus und Bürgerturm in Deutschland – Kopitzsch
Vom Autor zum Leser – Göpfert
Authorship in the days of Johnson – Collins
The profession of letters 1780-1832 – Collins
A new introduction to bibliography – Gaskell
English books and readers 1457 tot 1557 – Bennett
English books and readers 1558-1603 – Bennett
The colonial printer – Wroth
Geschichte des deutschen Buchhandels – Kapp
Der deutsch-lateinische büchermarkt – Jentzsch
Free trade in books – Barnes
The implied reader – Iser
Self-consuming artifacts – Fish
Is there a text in this class? – Fish
The reader in the text – Suleiman en Crosman
Lesegesellschaften und bürgerliche Emanzipation – Dan
Öffentliche und Private Bibliotheken im 17. und 18. Jahrhundert – Raabe (red.)
Literurgeschichte als Provokation – Jauss
Volk ohne Buch – Schenda
Les origines intellectuelles de la Révolution française – Mornet
La pensée européenne au 18e siècle – Paul Hazard
Leser und Lesen im Achtzehntes Jahrhundert – Gruenter (red.)
Lesen und Leben – Göpfert
The heavenly city of the eigtheenth-century philosophers – Becker
The age of the democratic revolution – R.R. Palmer
Lire et écrire – Furet en Ozouf
Précies d’histoire de la Révolution française – Albert Soboul
A social history of the French Revolution – Norman Hampson
Literarcy and the social order – Cressy
Literacy in Colonial New England – Lockridge
Literacy and development in the west – Cipolla
What reading does to people – Waples e.a.
The library’s public – Berelson
The British working class reader – Webb
The uses of literacy – Hoggart
Origins of Western literacy – Havelock
Literacy in traditional societies – Goody (red.)
The domestication of the savage mind – Goody
The presence of the word – Ong
The printing press as an agent of change – Elizabeth Eisenstein
Society and culture in early modern France – Davis
Geschichte des deutschen Buchhandels – Goldfriedrich
The press and the American revolution – Bailyn en Hench (red.)
Book production, fiction and the German reading public 1740-1800 – Ward
Histoire de l’édition française – Chartier (red.)
Le peuple de Paris – Daniel Roche
Buchmarkt und Lektüre – Wittmann
Der Bürger als Leser – Engelsing
Histoire de livres populaires ou de littérature du colportage – Nisard
De la culture populaire – Robert Mandrou
Les cabinets de lecture – Parent-Lardeur
Small books and pleasant histories – Spufford
Reader-response criticism – Tompkins (red.)
Pratiques de lecture – Chartier (red.)
Lectures et lecteurs dans la France d’Ancien-Régime – Chartier
Lesen-historisch – Schieben-Lange
Die lesbarkeit der Welt – Blumenberg
Dictionary of ideas – Wiener (red.)
The history of ideas – Boas
Ideas and men : the story of western thought – Brinton
Consciousness and society – Hughes
The reorientation of European social thought 1890-1930 – Hughes
The obstructed path : French social thought in the years of desperation 1930-1960 – Hughes
The sea change : the migration of social thought 1930-1965 – Hughes
History at the universities – Barlow (red.)
History as social science – Landes en Tilly
Science and sentiment in America – White
The philosophy of the American revolution – White
The rise of American philosophy – Kuklick
A history of philosophy in America – Murphey
Visible saints : the history of a puritan idea – Morgan
Relgion and the American mind – Heimert
The puritan orgins of the American self – Bercoitch
The emergence of the American university – Veysey
The anatomy of scientific institution – Hahn
The physicists – Kevels
The foundations of modern political thought – Skinner
The Machiavellian moment : Florentine political thought and the Atlantic republican tradition – Pocock
The structure and form of the French Enlightenment – Wade
The mind of America 1820-1860 – Welter
Race, culture and evolution – Calhoun e.a.
The language of history in the Renaissance – Struever
Metahistory – White
History, man and reason – Mandelbaum
The idea of perfect history – Huppert
Beyond the Enlightenment – Rearick
Social theory and social structure – Merton
The social construction of reality – Berger en Luckmann
The dialectical imagination: a history of the Frankfurt School – Jay
The wolf and the lamb – Beauroy e.a.
Society and culture in early modern France – Zemon Davis
Popular culture – Burke
The crisis of the aristocracy – Stone
The family, sex and marriage in England 1500-1800 – Stone
The party of humanity : essays in the French Enlightenment – Gay
The Enlightenment – Gay
The eighteenth century – Cobban
The edge of objectivity – Gillispie
Reactions to the French Revolution – Cobb
The police and the people – Cobb
A second identity : essays on France and French history – Cobb
Social structure – Murdock
Writer and public in France – Lough
Le siècle des lumières en province – Roche
An introduction to seventeenth-century France – Lough
An introduction to eighteenth-century France – Lough
An introduction to nineteenth-century France – Lough
Ideology and utopia – Mannheim
Modern French criticism : from Proust and Valéry to structuralism – Simon (red.)
Montaigne in motion – Starobinski
20th century criticism – Lodge
Literature, politics and theory – Barker
Theory in the classroom – Nelson (red.)
The comparative perspective in literature – Koelb en Noakes (red.)
Meaning in anthropology – Basso en Selby
Een reactie plaatsen