Vlak bij Vlaanderen - Wim Zaal
Wie over Nederlandstalige schrijvers wil lezen, maar uitgekeken is op zwaar aangezette heldenromantiek à la Brouwers en Brijs, moet de boeken van Wim Zaal hebben. Een voortreffelijk stilist, Zaal, die in zijn kroniekjes altijd het juiste evenwicht vindt tussen ironie en betrokkenheid. De man — journalist, essayist, bloemlezer, recensent — heeft een hart voor Literatuur, maar ziet ook dat de meeste schrijvers die zich in Haar naam in het zweet werken, nooit het droogneuken te boven komen.
Ik zocht het lemma 'Zaal' op in het Oosthoek Lexicon Nederlandse & Vlaamse literatuur. Het staat er niet in, en ik vraag me af waarom. Ik acht een boekje als dit betrouwbaarder dan de meeste literatuurgeschiedenissen. Professoren in de letteren hebben nogal eens de neiging hun vakgebied op te pompen, en gewichtig te doen over elk literair tijdschriftje dat ooit anderhalf nummer en drieëntwintig abonnees lang heeft bestaan. Niet zo Wim Zaal.
Zaal houdt al vanaf zijn negende dagboeknotities bij. Af en toe herwerkt hij die aantekeningen tot een boekje. Zestig jaar in de beschaving werd een soort autobiografie in marstempo. Buitenbeentjes was een verzameling portretten van 36 schrijvers die hij van nabij heeft gekend. In Vlak bij Vlaanderen (1986) blikt hij terug op dertig jaar ervaringen (en aanvaringen) met de Vlaamse literatuur.
Hier is een schrijver aan het werk die de gave bezit van de kernachtige typering; Zaal doorziet mensen en paart sfeerschepping aan aantrekkelijke details. Het beeld dat hij schetst van Vlaanderen is dat van een in zichzelf gekeerd land zonder echte leescultuur. Zelfstandige uitgevers zijn er nauwelijks. Schrijvers worden gecastreerd door het katholicisme en worstelen met hun grondstof, de Nederlandse taal. Vlaamse literatuur is er een van de brave middelmaat. De meer avontuurlijke geesten wanen zich, bij gebrek aan referentiepunt, al snel van internationaal niveau.
De jonge Zaal zat op de jezuïetenschool in Amsterdam, alwaar hij ook Vlaamse reuzen als Gezelle, Timmermans, Rodenbach en Van Ostaijen kreeg toegediend — zijn eerste kennismaking met de Zuid-Nederlandse letteren. De paters zelf gaven het behoudende literaire tijdschrift Nieuwe Stemmen uit, in de jaren vijftig het toevluchtsoord van Vlaamse katholieke jongeren. De Vlaams-nationalistische literatuur — August Borms, Flor Grammens, Ward Hermans — leerde hij later kennen, in de slipstream van het twijfelachtige maandblad Aristo van Wouter Lutkie.
Van de modernistische schrijvers toen nog geen spoor. Dat veranderde toen Zaal op De Kappellekensbaan (1953) botste, een van zijn eerste liefdes toen de "tijd van eigen ondervinding" aanbrak. Hij begon interesse krijgen in wat zich beneden de Moerdijk afspeelde, stak de grens over, bezocht het Gentse Erasmusgenootschap (een Vlaamsgezinde volkshogeschool) en bezocht poëziedagen in onooglijke Vlaamse dorpjes.
Hij trof een bedompt Vlaanderen aan, waar het katholicisme, naast voorname literatoren als Gezelle, Verriest, Verschaeve, Helderenberg en Van Wilderode, ook veel middelmaat had gebracht. Dat een katholieke activist als Wies Moens veel belabberd werk had afgeleverd, werd er bijvoorbeeld met de mantel der liefde bedekt.
Grote delen van de Vlaamse literaire traditie waren nu eenmaal verbonden met de katholieke kerk, de Vlaamse beweging en de volksverheffing. De clerus had lang de geestelijke overmacht. Hun achterban was volgzaam en hoffelijk, ontweek verantwoordelijkheid, conformeerde zich naar de wensen van "wattige woordmakers". Vlaanderen ging prat op haar rijke cultureel verleden — de barokschilderkunst! — en zwaaide duchtig met de leeuwevlaggen.
Wat mij alleen verwondert is dat haar [= de Vlaamse traditie] aanhang die rechten zo zwaarwichtig opeist, omgeven door emblemen waarvan geen spitsmuis meer onder de indruk komt: blazoenen met gotische letters, middeleeuwsch aendoende spellinghe, houtsneden van navolgers van epigonen van imitators van Masereel, zwatelpraat van Bert Peleman, stapliederen, meisjesvlechten met een gummibandje rond de kwast, heldenhuldezerkjes en verbazend veel eikehout dat bij nader toezien van plastic is. Ook veel ernst, bier en wrok. Wee het rosse roofdier, dat tussen de benen van het Eyghen-Scoon-Geselscap v.z.w. door zou willen glippen om aan hun kamgaren z’n pis af te slaan, het zou fluks worden doodgemept, een bontje voor madam. Reinaert is er te slim voor, en de doortrapte Tijl denkt: wanneer is er voor het laatst een vertaling van Charles de Costers boek over mij in Vlaanderen verschenen? Wel ooit?Niet dat Nederland minder provinciaal is of was, zegt Zaal, maar politiek en religieus is de samenleving er veel gefragmenteerder, zodat geen enkele groepering de macht bezit om zware druk uit te oefenen. Vlaamse schrijvers stonden voor een monolitisch blok. In een bespreking van het oeuvre van de nu vergeten schrijfster Rose Gronon ("een door conventies bedorven kans") ziet Zaal het katholicisme en de daaruit voortvloeiende zelfcensuur als een van de redenen waarom er zoveel grijze doorsnee werd gemaakt.
Hoe komt het dat niemand dit konflikt tussen kunst en conventie ooit aan de orde heeft gesteld? Heel eenvoudig: je had de mensen die haar [Gronon] bewonderden — grotendeels een katholiek en behoudend publiek — , en de anderen die haar juist vanwege haar omgeving en aanhang de rug toekeerden. Dit betekende tevens dat zij aan die omgeving en aanhang was uitgeleverd. Waar de grens tussen zelfcensuur-uit-aanleg en misvorming-uit-conventie te trekken is, valt niet te zeggen.Jarenlang was Manteau haast de enige vrijzinnige uitgeverij van literatuur in het zuiden. Angèle Manteau, een kille Waalse uit Dinant, stond erop goede literatuur uit te geven, wat de zedelijke waarde daarvan ook was: Teirlinck, Daisne, Boon, Claus, Ruyslinck, Vandeloo. In het katholieke Vlaanderen kreeg ze echter nauwelijks armslag, zodat vele van haar fondsauteurs naar Nederland verkasten. Bovendien moest ze hard werken om het vertrouwen van de Hollandse boekhandel te winnen.
Kleine zelfstandige uitgevers waren helemaal gedoemd tot een leven in de marge. Zaal noemt de eenmansbedrijfjes van Jan Berghmans, Walter Soethoudt en Robert Lowet de Wotrange. Berghmans durfde wel eens indianenverhalen de wereld insturen met het oog op een grotere pers. Soethoudt combineerde een eerbiedwaardig fonds noodgedwongen met porno. Het uitgeverijtje van Wotrange, Pink Editions & Productions, was de stal van de pink poets. (Al kwam een pink poet soms terecht bij uitgeverij Contramine van Tony Rombouts en zijn vrouw Maris Bayar. De uitgaafjes werden thuis met de degelpers in elkaar gedraaid: "Voor een dun boekje in een oplaag van 170 exemplaren: 11.610 maal met de linkerhand aan het vliegwiel draaien en 23.220 maal met de rechtervoet op het pedaal".) Zaal zelf had niet zoveel op met de rooskleurige fijngeesten.
Zij vormden een sterk geurend gezelschap. Het bestond uit poëten die Hugues C. Pernath als ‘gouverneur’ hadden gelijmd (een dichter van distinctie onder dandies) en het roze wimpeltje der vlekkeloze schoonheid hesen. Komt en ziet, je gelooft je ogen niet. Jaren van engagement en contestatie verliezen ’t aan de Scheldekaaien van de Gratie.In de vroege jaren zestig komt Zaal terecht bij Elseviers Weekblad. Het is een bruisende tijd, die ook een aarzelende ommekeer laat zien in het literaire klimaat. Flyers met gedichten worden uitgedeeld, dichters komen van de mons olympus af en treden op in rokerige cafés of organiseren alternatieve boekenbeurzen. Literaire jongerentijdschriftjes schieten als paddestoelen uit de grond — ook in Vlaanderen, maar dan onder de waterlijn: Pelion, De Tafelronde, Het Kahier, Baal, Stuip, Sinteze, Nul, Ruimten, Punt 5, Kontrast, Taboe, Django, Labris, Het Vijfde Wiel, Revolver, Standpunt, Monas, Lepel, Yang en Kruispunt, Cyanuur en Gard Sivik…
Een dichter-dandy kan een pauwoogvlinder zijn, een kolibri misschien; maar dat geldt niet meer voor een rij van tien. Het had iets heel provinciaals, die stoet van roomblanke kostuums, te breedgerande hoeden, te glimmende lakschoenen, als in een afgedankt kunstenaarsdorp, waar de meesters hun aanzien met flambards en sikken moeten ophouden. Daar kwam bij dat de kostuums nooit weden gestoomd.
De Vlaamse experimentelen hadden deze blaadjes hard nodig. Het zuiden kende immers maar drie grote literaire maandbladen (Dietsche Warande, Vlaamse Gids en Nieuw Vlaams Tijdschrift) tegen wel een dozijn in het noorden. Een literair blad dat aanspraak wilde maken op subsidie van de Vlaamse overheid moest bovendien een eigen nestgeur hebben. Dietsche Warande en Belfort was van oudsher het blad van de katholieken, De Vlaamse Gids kon rekenen op de steun van de liberalen, Diogenes hoorde bij de Volksunie en het Nieuw Wereldtijdschrift werd gezalfd door de socialisten. Al bij al bleef hun publiek marginaal.
Wie in Vlaanderen buiten de kring van volksvertellers treedt, hetzij met taalexperimenten, probleemromans of ander werk met smalle doelgroep, bouwt maar hoogst zelden een eigen publiek op. Hij schrijft voor een paar dozijn kenners, eer geneigd tot analyse dan tot overweging. De noodzakelijke weerklank blijft uit, wordt tenslotte ook niet meer gezocht, en verpietering of zwijgen is het gevolg. En waar complete leescultuur ontbreekt (te weten een publiek dat uit vele lezersgroepen is samengesteld) staat de schrijver zijn leven lang met de rug tegen de muur.Zaal leerde de two cultures — het progressieve en het reactionaire Vlaanderen — van nabij kennen. Enerzijds zetelde hij in plattelandelijke poëziejury’s waar krasse knarren als Urbain van de Voorde, Jan Vercammen en Walter Haesaert (die stiekem ook gedichten inzond) de plak zwaaiden, en had hij heel wat te stellen met de achterbakse Vlaamse cultuurpaus Maurice Roelants, die net als Zaal bij Elsevier werkte. Anderzijds kwam Zaal ook in de artiestencafés waar hemelbestormers van allerlei slag hun projekten op hem uitprobeerden. Jonge kunstenaars kwamen naast hem zitten, "lichtten hun begaafdheid toe" en kloegen dat ze ondanks hun talent gedoemd waren tot een leven in de "beambtenkooi" of het klaslokaal. Enig lichtpuntje: de onbenullige poëzieprijsjes die hun ten deel konden vallen.
Een artistieke bekroning heeft pas bestaansrecht als ze aan minstens één van de drie volgende voorwaarden voldoet: een jury van gezaghebbende mensen, van groten in hun vak; een geldbedrag minstens gelijk aan het maandloon van een arbeider; of een krachtige promotie van het gelauwerde werk, door exposities als het schilderijen zijn, boekuitgaven als het om teksten gaat, uitvoeringen als het muziek betreft, enzovoorts. Alle andere prijzen zijn zelfkietelarij en komedie. Kunstenaars moeten zich niet lenen als cultureel excuus voor dikdoeners.De mooiste bladzijden uit Vlak bij Vlaanderen gaan over dit soort dorpsgenieën. Zaal doorziet hun pretenties, maar tekent hun portret met bewonderenswaardig mededogen. Dorpsgenieën vormen een onuitroeibaar ras; denk tegenwoordig aan alle nutcases die hun wagentje dankbaar aan grote literatuursites haken. Ze schrijven wollig en slordig en vallen iedereen met hun manuscripten lastig. Ze maken woordenrijke manifesten en prediken de algehele wereldrevolutie. Ze doen luide uitvallen en stoeien met allerlei –ismes en andere woorden die zó ruim zitten dat ze je van feitenkennis over de echte wereld ontslaan. Als typevoorbeeld mag een zekere Leon van Essche gelden; Zaal citeert de aanhef van diens gedicht ‘Vomito’:
KLEURZAAFERTaalzuiverheid is het laatste heikele punt in Vlaanderen. Zaal haalt het bekende verhaal van Jeroen Brouwers op, als zouden de boeken van Marnix Gijsen duchtig door Hollandse redacteurs van taalfouten verschoond zijn. Hij citeert enkele voor zichzelfsprekende fragmenten uit brieven van Gijsen die hij bezit.
STOOTSNOERKRAAL
RADIKSSTEENWEG
RETROKLOZAAL
SNIKDIAFAAN
SPOOGJUNGLEMIST
BRAAKNOOTKRAAK
ZWOEGLAATDOOD
Hijzelf omschreef zulk werk als surreële inhoudscollages in typografisch kubisme met diagonale woordsnijding. Nu deed Van Essche niet als enige aan dichterlijk gefröbel, de krasse woordverbindingen waren aan de orde van de dag; vooral tempeltepels en tepeltempels gingen erin als klokspijs. Maar het bleven experimenten in een luchtledig. De dichters waren onbekend met elk verleden, zij konden zelfs het bordje ‘doodlopende weg’ niet lezen en herhaalden onder veel misbaar taalproeven die al duizendvoudig hadden dienst gedaan. Voor een experiment dat kans op succes biedt, kun je niet buiten materiaalkennis.
Ook Van Essche’s glibberige uitleg via formules die de zaak alleen verwarden, was geen zeldzaamheid. Toen in februari ’61 zijn bundeltje XIII kankerremedies verscheen en in ’t Pagadderke in Antwerpen een expositie van zijn schilderijen werd geopend, ging de huldetoespraak uitsluitend over de tertiaire implosies van de retrofuneraire ombrikaties in het ogivale cordon van zijn balneaire fregattiek. Altegader pueriele peroraties.
Regionalisme, zegt Zaal, kan alleen maar werken als het onderdeel is van een nationaal bewustzijn. Het Nederlandse staatsverband heeft dat nationale kader beter kunnen verschaffen dan België of Vlaanderen. Ook een samenwerkingsverband als de Taalunie zal nooit een volksbeweging worden.
Daartoe heeft Nederland teveel genoeg aan zichzelf, heeft Vlaanderen nog teveel particularistische trekken en ontbreekt het op allerlei gebied aan een onbevangen uitwisseling, dus zonder angst iemands gevoeligheid te kwetsen of een tik op de vingers te krijgen.> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van door Zaal behandelde schrijver in de commentaren hieronder
Wim Zaal, Vlak bij Vlaanderen : een Hollander over het zuiden
132 p.
Uitgeverij Manteau, 1986
____

1 reactie(s):
KLASGENOTEN
Johan van Mechelen
James Holmes, Anne Dellart, Marc Andries, Jos Daelman
Fernand Handtpoorter
Roger Serras
ZONDER TREMOLO’S
Willy Tergat
Marc Braet
HANDLANGERS
Paul de Vree
Leon van Essche
Ben Klein
Gerard Walschap
Marcel van Maele
SINTE GODELIEVE
Rose Gronon
MET TAAL EN DAAD
Marnix Gijsen
DRIE KUSSEN
Louis Paul Boon
Hubert Lampo
Hugo Claus
MARGINAAL
Jan Berghmans
Walter Soethoudt
Robert Lowet de Wotrange
DE PRIJS VAN EEN GLIMLACH
Over Ward Ruyslinck
VAKBROEDERS
Paul Koeck
Lucienne Stassaert
EEN WANDELING
Alstein
Een reactie plaatsen