vrijdag 3 september 2010

Rechts en links - Joseph Roth

Stilistisch heeft de grote Joseph Roth zijn leven lang the best of both gecombineerd: het psychologisch realisme uit de negentiende eeuw en het raffinement van het Weense impressionisme. Thematisch valt zijn oeuvre min of meer uiteen in twee perioden. Maatschappelijke romans die gelijke tred houden met de tijd waarin ze verschenen (jaren twintig) en nostalgische boeken (jaren dertig) die hevig verlangen naar het Oostenrijk-Hongarije van voor de Eerste Wereldoorlog.

In die laatste romans wordt meestal plaats ingeruimd voor een losgelagen hoofdpersoon. Joseph Roth schept dan een soldaat op de dool in de hernieuwde, naoorlogse burgermaatschappij, of een burger uit de uiterwaarden van de dubbelmonarchie, die na het uiteenvallen van het rijk zich van een duidelijke identiteit beroofd ziet.

Rechts en links is een overgangsroman. Enerzijds speelt het verhaal in het Berlijn van Roths hoogdagen als journalist. (Berlijn was toen al een stad die zich cultureel kon meten met Parijs. Een broeihaard voor extreem-rechtse krachten was het, maar de stad herbergde ook een indrukwekkend aantal beroemde schrijvers, schilders en componisten per vierkante meter.) Anderzijds, voorafspiegeling van de weemoedige Donau-walsen van Roth, is een van de hoofdpersonen een typische joodse zwerfkei uit het oosten.

Iedereen in Rechts en links probeert zich op zijn wijze te handhaven. De titel is ironisch. Hij slaat niet op de duidelijke keuze tussen de heilsleren van het fascisme en bolsjevisme, hij slaat op het geschommel van het stuurloze schip. Of nog: op een politieke graadmeter die alle kanten uitwijst. Er lijkt heel wat te bewegen in de Weimar-republiek van Paul von Hindenburg, maar die agitatie is, als we de roman van Roth mogen geloven, vooral het resultaat van de weekhartigheid van de Berlijners. De Berlijnse burgerij — bij Roth half joods, half Duits, ook weer een tussenpositie — is zo sterk als een natte krant.

Een meesterwerk is Rechts en links niet. Roth spit het denken en handelen van twee personages uit en doet dat kwiek en wereldwijs als geen ander. Waar het voor mij mis loopt is de interactie tussen beide mannen. Wat een confrontatie had moeten zijn, of een boeiende verstrengeling, wordt uiteindelijk een soort tegen elkaar aanschurken. De gevolgen zijn er niet minder om, en dat is een beetje ongeloofwaardig.

De markt is de publieke opinie
De helft van het boek houdt Roth zich onledig met de figuur van Paul Bernheim. Paul is een keurig middenklassekind — de zoon van een bankier die de hoofdprijs in de loterij heeft gewonnen. Hij woont in villa 'Sans soucie', niet ver van de stad, aan de grote weg naar het sparrenbos. De riante tuin is bevolkt met beschilderde stenen kabouters. Vader Bernheim nodigt bij voorkeur landeigenaren uit, legerofficieren en een zeer select gezelschap uit industriële en financiële kringen. De plotse verandering van een burgerlijk gezin in een rijk huis met feodale aspiraties heeft vader duidelijk goed gedaan.

Ook zoon Paul is niet verstoken van talent, maar de jongen heeft niet echt een kern. Hij danst, is een begaafd causeur en sportman, maar tekent ook, en toont interesse voor literatuur en kunst. Zijn interesses blijven in het ijle hangen en grijpen te weinig in op het echte leven. "In zijn onvermogen om iets rechtstreeks te bevatten en eenvoudig te benoemen overtrof hij al op jonge leeftijd alle kunsthistorici van naam." Paul bezit uiteindelijk meer eerzucht dan talent. Diens hartstocht noemt Roth niet meer dan "een hulpwetenschap" voor een maatschappelijke carrière.

De jonge Bernheim is een karakteristiek Roth-personage. Paul zal in het leger dienen tijdens de Eerste Wereldoorlog en daar mentaal als een lekke ballon uitkomen. Een hele generatie jongeren wordt in vier jaar tijd verkwanseld. Wie het er levend vanaf brengt, heeft de fut niet meer om het robuuste bestuur van hun vaders voort te zetten. Roth beschrijft "hoezeer dapperheid in de loop van generaties uitgeput raakt en hoeveel zwakker zoons zijn dan hun vader". Thomas Mann schreef al over het verschijnsel in 1901, in Buddenbrooks.

Eerst gaat Paul studeren in het Edwardiaanse Londen. Voor een bepaalde kring van gegoede burgers waar de Bernheims nu bijhoren is Engeland nu eenmaal het beloofde land. Vanuit Oxford schrijft Paul brieven naar zijn kille, spaarzame en op vormelijkheid gestelde moeder. Zij hecht in een man belang aan ontwikkeling en vooral de blijvende mogelijkheid om cultuur te verwerven. Het huwelijk met haar bankier beschouwt ze dan ook als een mesalliance. Eigenlijk minacht ze zaken en kooplieden.

In de manier waarop in Rechts en links de correspondentie tussen zoon en moeder wordt getypeerd, zit het hele genie van Joseph Roth verscholen: de mix van burgerlijk welbehagen en melancholie, van esthetische verfijning en sarcastisch zuur, en op het einde de bizarre vergelijking die niettemin doel treft. In de magnifieke vertaling van Wilfred Oranje:

Met regelmatige tussenpozen ontving deze en gene een brief van Paul Bernheim. Het waren modelbrieven. Brieven van een gentleman. Op in drieën gevouwen papier, dat aan perkamenten oorkonden deed denken en linksboven in opgehoogde letters Pauls donkerblauw glanzende monogram bevatte, marcheerden de brede antiqua-letters, ietwat pretentieus, ietwat aanstellerig, met grote spaties en brede kantlijnen. Nooit schreef de afzender zijn naam op de envelop. Ongeveer midden op de omslag rees in donkerblauwe zegellak het monogram op, een kunstig in de buik van de B opgeslagen P, als een vrucht in de moederschoot. In die brieven heerste meestal een zeer algemene, conventionele toon. Uit de sport afkomstige vaktermen en schokkend vreemde aanduidingen voor roei- en zeilboten wisselden af met deftige achternamen, en korte, eenlettergrepige voornamen van zijn kameraden, Bob, Ted en Pitt, waren als knalerwten in de tekst gestrooid.
Ook typisch Roth is de laconieke manier waarop hij verwikkelingen aansnijdt waar mindere romanciers graag een slaatje uit slaan. In de oorlog wordt Pauls wang door een bajonet doorboord, iets waar Roth misschien vijf zinnen aan wijdt.

Van Paul geestdrift voor vaderland, paarden en dragonders, is snel niets meer over. Hij wordt een verdediger van de vrede. Zijn pacifisme en het verlies van Duitsland in de oorlog zal hem op de hoon komen te staan van zijn jongere broer Theodor. Terwijl het geld van de familie Bernheim wegsijpelt na de oorlog, woont deze bleke nietsnut nog altijd thuis, waar hij graag zijn hand in de geldtrommel steekt. Theodor is al even leeg vanbinnen als Paul, maar zijn ressentiment vindt een uitweg in de extreem-rechtse vereniging ‘God en IJzer'.

Deze jonge bruinhemden proberen tijdens de oorlog aanknoping bij de soldaten te vinden. Ze gaan naar de gewondentransporten en worden elke dag wakker in de hoop dat de mobilisatie van hun lichting wordt aangekondigd. Maar wanneer het ten slotte vrede wordt, zweren ze wraak tegen de republiek, zoeken en vinden contact met de geheime organisaties en marcheren twee keer in de week naar de oefeningen buiten de stad.

Theodor uit Rechts en links doet onvermijdelijk denken met Theodor Lohse uit de pikzwarte roman Het spinnenweb, Roths studie van hoe niet noodzakelijk ideologisch geïnspireerde jongeren toch in extreem-rechtse klauwen vallen. Theodors slaapkamer is eigenlijk een klein wapenarsenaal. Hij herbergt er een ploertendoder, een jachtgeweer, twee pistolen en twee dolkmessen. Hij staat op scherp en houdt van grote woorden.
Hij bezat een zintuig voor wat er in de openbaarheid gebeurde en voor de grote woorden: eer, vrijheid, natie, Duitsland. Tegen elke prijs wilde hij invloed uitoefenen. Zijn angst dat hij ziek kon worden, dat hij angina, longontsteking, pleuritis kon krijgen, maakte hem ongeduldig. Hij kon amper een boek uitlezen. Maar hij had slechts tien bladzijden nodig om uitzinnig enthousiast te zijn of het boek ‘troep’ te noemen. Want hij hield ervan zich sterk uit te drukken — en dat was misschien het enige duidelijke blijk van zijn jeugd.
Op het eerste gezicht lijkt Joseph Roth aan te sturen op een contrast zo fel dat het pijn doet aan de ogen. Theodor, de bebrilde frustraat versus Paul, het gezonde zondagskind. De roep om daadkracht van Theodor versus het verbale talent van Paul. Gemeenschapszin versus individualisme. Romeins-joods recht (Theodor moet aanstonds het ouderlijk huis uit) versus Germaans recht.

Toch is Theodor, die uiteindelijk een bijfiguur zal blijken, geen typetje. Hij doet met tegenzin mee aan de gezamenlijke uitstapjes en oefeningen. Hij heeft een zwakke gezondheid, en heeft hekel aan de ruwe uitlatingen binnen 'God en IJzer'. Wat hem vooral trekt is het geheime genootschap, te kunnen verkeren onder gelijkgezinden. De verbondenheid met de natuur die wordt gepropageerd vindt hij ordinair. Hij verwacht veel meer van de techniek. En wanneer Theodor verderop in de roman met zijn politieke boezemvriend Gustav amnestie krijgt voor gepleegde wandaden, en naar Duitsland mag terugkeren, laat Roth de radicale furor van beide jongeren geloofwaardig verdampen.
Op het station namen ze afscheid. De ballingschap bereikte hier haar grens. De gedeelde gezindheid, het gedeelde leven in den vreemde was toch niet zo sterk als de gedachten aan thuis die zich plotseling van beiden meester maakten op het moment dat ze hun treinkaartjes afgaven. De stad van hun jeugd stroomde hen tegemoet. Ze bestond uit duizend onbenoembare privégeuren die niets met politiek van doen hadden, niets met de natie die de stad bevolkte, niets met het ras van haar burgers. Ze bestond uit duizend onbenoembare, concrete geluiden die, vermengd met de kinderjaren, tot op dit uur ongemerkt in hun herinnering voortgeleefd hadden en pas nu, ineens en met geweld, reageerden op de echo van hun broeders, de geuren. Het vaderland stuurde de terugkomenden de ene vertrouwde straat na de andere tegemoet, waar niets van publiek, niets van algemeen belang aanwezig was, geen ideaal, geen gezindheid, geen hartstocht, niets anders dan privéherinneringen.
Na het verscheiden van de oude heer Bernheim krijgt de rest van het gezin het zwaar. Paul neemt het imperium van zijn vader over, maar vele klanten lopen over naar de grote banken. Het geld dat omgaat wordt bovendien steeds waardelozer. Tussen 1922 en 1924 zal de mark helemaal kelderen. Er dient bezuinigd: de kokkin wordt wandelen gestuurd, moeder Bernheim stookt niet meer.

Paul is nu bijna dertig. Het dertigste levensjaar komt hem voor als "de laatste etappe op weg naar grootheid". Hij denkt met heimwee terug aan zijn geniale adolescententijd, aan zijn dode vader. Het doorsneeleven dat hij nu leidt op kantoor acht hij verraad aan zijn talenten. Vroeger kon hij zich, als hij aan zijn toekomst dacht, alleen grootheid of de dood voorstellen. Grootheid heeft hij nog lang niet bereikt, en de dood en de leegte komen aardig dichtbij. Om daaraan te ontsnappen omringt Paul zich met mensen. Halftalenten die op zijn kosten leven. Roth schetst een grandioos panorama van ondergronds Berlijn:
Allemaal bewogen ze zich op het ongewisse, onafgebakende en van omvang voortdurend veranderende terrein tussen kunst en kansspel. Ze hadden te maken met het theater, de schilderkunst, de literatuur, maar ze schreven niet, schilderden niet, acteerden niet. De een richtte een tijdschrift op dat het een week volhield. De ander nam een voorschot op een krantenartikel dat hij nooit zou schrijven. Een derde richtte een toneelgroep voor de jeugd op en werd bij de eerste voorstelling gearresteerd. Een vierde stond zijn kamers aan speelclub af, kon niet meer in zijn huis wonen en verloor in andere speelclubs de huur die hem werd betaald. Een vijfde, die medicijnen had gestudeerd, hield zich bezig met abortussen, maar kon die uit discretie alleen in zijn vriendenkring uitvoeren en ontving dus geen honorarium. Een zesde organiseerde spiritistische bijeenkomsten en werd door zijn eigen mediums aangegeven. Een zevende verrichtte spionagediensten voor de lokale politie en tegelijk voor buitenlandse ambassades, bedroog iedereen en vreesde eenieders wraak. De achtste hielp Russische emigranten aan valse passen en bemiddelde verblijfsvergunningen bij de vreemdelingenpolitie. De negende leverde de radicale bladen valse informatie uit de kringen van nationalistische geheime organisaties. De tiende kocht die informatie voordat ze openbaar werd, en ontving daarvoor beloningen van de conservatieve mannen met geld. In die dagen bleek het fatsoen van deze wereld enkel laf te hangen van de vastheid van de valuta. Een oude waarheid, die vergeten was gedurende al die jaren dat het geld een onbetwistbare waarde had. Op de beurzen van de wereld wordt de moraal van de maatschappij bepaald.
Paul heeft intussen zijn kunsthistorische en literaire voorliefdes verloren. De realiteit kan voor hem enkel nog in economische termen uitgedrukt worden: "De markt is de publieke opinie." Daarbij steekt het hem dat zoveel mensen die voor de oorlog bij hem achterlagen, hem nu voorbijsteken. Het gaat hem niet slecht, hij verdient geld. Maar niet genoeg om machtig te zijn en te weinig om de troostende bitterheid van de armoede te kennen. Alleen als Paul een goed restaurant binnengaat, wordt de twijfel minder. Door "de gedienstigheid van de kelner en de optimistische schittering van de lampen, de volle handen van de gasten, de mooie teint van de dames, zelfs de bedelende invaliden voor de ingang en de rillende agent die hen wegjaagt".


Berlijn, Potsdamer Platz, begin 20ste eeuw; afbeelding via Wikipedia

Ik heb vaderlanden gehad
Zeer raar: in het midden van het boek zet Joseph Roth het personage waarin hij zoveel heeft geïnvesteerd zogoed als op non-actief. Hij verlegt zijn aandacht naar ene Nikolai Brandeis, een joodse ondernemer uit de Oekraïne, een zakenrelatie waarmee Paul Bernheim eerder een louche transactie op het getouw heeft gezet. De scharniertjes die dit tweeluik samenhouden zijn bijzonder klein.

Fascinerend is deze Nikolai Brandeis anders wel. Uiterlijk lijkt hij "van een onbekend geslacht van breedgebouwde, hunnenachtige Mongolen af te stammen". Een sinister heerschap, met een zwart puntbaardje. In Brandeis, komende uit de versnipperde Russische steppen, kan Roth zijn obsessie met etnische diversiteit kwijt.

Brandeis heeft een ervaring achter de rug die hem als mens in één uur zo totaal van karakter heeft doen veranderen "dat hij voor de spiegel zou moeten gaan staan om zich ervan te overtuigen dat zijn uiterlijk hetzelfde is gebleven". Hij is tijdens de revolutie overgelopen naar de bolsjewieken en voerde op gegeven moment het commando over een Duitse kolonie in Rusland. Toen het denkbeeld van de bezitspreiding geen ingang wou vinden bij de boeren daar, heeft hij op een dag een weerspannige pastor geëxecuteerd. Waarop de boeren plooiden; van vreemde have was ineens geen sprake meer.

Waar Brandeis militaire dienst eerst had geassocieerd met feiten — "schietoefeningen, exercitieterreinen, rekruten en kazernes, portretten van de tsaar, ordetekens, onderscheidingen waren glashelder" — beseft hij nu hoe kneedbaar de maatschappij is voor mensen zonder scrupules. Vanaf dat moment lacht hij om mensen met overtuigingen, huizen, scholen, autoriteiten, paspoorten. "Ik heb vaderlanden gehad, ze zijn ten onder gegaan. Ik heb in overtuigingen geloofd, ze zijn vervluchtigd."

In Berlijn vergaart Brandeis zijn eerste kapitaal in het casino. In zaken blijkt de door hem beoefende onverschilligheid inderdaad een garantie voor zijn succes. Overal in de provincie zet hij stoffenwinkels en levensmiddelenzaken op. In een mum van tijd bezit hij een paar huizenblokken aan de Kurfürstendamm. Brandeis bloeit als een bloem op de mestvaalt van de inflatie. Hij geeft zijn eigen lot vorm en heeft een hekel aan de overdreven heimweeliederen van de andere immigranten in Berlijn.

Als de gelegenheid zich voordoet, steunt hij Theodor Bernheim financieel. Hij mag de jongen wel; niet omdat hij zelf een radicaal is, maar omdat hij lak heeft aan aardse rechtvaardigheid, gesymboliseerd door de orde van de staat. Hij haat culturele verfijndheid al evenzeer — kunstenaars die "mensen in lilliputters veranderden, de boerinnen in balletdanseressen, de kozakken in tinnen soldaatjes". Brandeis heeft een heftig leven achter de rug en vergeleken met zijn eigen ervaringen weerspiegelt het theater slechts een droom van het leven, gedroomd door fletse toneelschrijvers.

Bovenal houdt Brandeis echter nauwgezet toezicht op zijn onafhankelijkheid. Zijn grootste zorg is dat zijn bedrijf zo machtig wordt dat het de overhand krijgt op zijn vrijheid. Net als Roth zelf houdt de ondernemer van vreemde hotelkamers, die indien nodig als startblokken kunnen dienen om snel weer te vertrekken. Die zelfverzakende karaktertrek komt het best tot uiting in confrontatie met de bruinhemden. In een prachtige scène ontmoeten we de grimmige vaandelzwaaiers die ook soms bij Stefan Zweig opduiken. Terwijl de gedrilde bende iedereen de daver op het lijf jaagt, toont Brandeis hoe het moet.
Bij tijd en wijle konden de mensen denken dat hij er niet stond om zijn eigen kijklust te bevredigen, maar die van de anderen. Alsof het zijn plicht was degenen die marcheerden en degenen die wegrenden te laten zien hoe men moet blijven staan, de mannen met de lege blik in hun ogen hoe men moet kijken, de geagiteerden hoe men moet uitrusten, de politici hoe men moet denken, de idealisten hoe men moet onderzoeken. Ja, hoe opmerkelijk en afwijkend van de Europese norm hij er ook uitzag en hoewel hij een jas droeg en de zon niet leek te voelen, was er tussen hem, de verwachtingsvolle kruinen van de bomen en de zachte lentebries toch een verband. Maar tussen de marcherenden en deze lentedag was er geen verband. En al was aan hen te zien dat ze in marsorde waarschijnlijk rechtstreeks naar een bos oprukten, men zou eerder denken dat ze oprukten tegen het bos.
Komen we toch weer Paul Bernheim tegen. Hij is aan het afbouwen, ontslaat zijn personeel, ontruimt zijn kantoor. Bernheim telt zijn geld, is teleurgesteld, en denkt dat door een onverwacht wonder de hertelling een nieuwe som kon opleveren. Quod non. Bernheim moet kleiner. Hij vindt zichzelf een mislukt man als hij in een bus of de ondergrondse stapt. Slapen doet hij tot in de middag; en 's avonds lijkt elke inspanning sowieso nutteloos. Zijn moeder spoort hem nochthans aan tot actie, wijst hem op zijn leeftijd. Dertig: het getal treft hem pijnlijk, "alsof het een lichamelijk gebrek is".

Misschien ligt het geheim van het succes in een gelukkig huwelijk? Op een bal masqué weet hij de miljonairsdochter Irmgard in te palmen (het toeval wil dat ook Roth later een relatie zal hebben met een Irmgard, Irmgard Keun). Haar steenrijke oom Carl Enders — die een hekel heeft aan nouveaux riches en artistieke types associeert met seksuele impotentie — wordt lastiger. Paul bedelt daarom om geld bij Brandeis. Die verschaft hem inderdaad een som en maakt hem tot een van de directeuren van zijn handelshuis. Brandeis rekent immers op de nuttige connectie met Enders. De Oekraïner moet aan zijn imago denken: de Duitse industriëlen morren steeds meer over alle "piraten uit het oosten" die inpikken wat hun vaders met eerlijk zweet hebben verworven.

Probeert u maar een troon te verwerven
Zonder de finale van het boek te verklappen: in het derde deel introduceert Joseph Roth nog een vrouw, om Brandeis en Bernheim tegen elkaar uit te spelen. En na dik tweehonderd pagina's knipt Roth op een nogal bruuske wijze de draad met de lezer door. Kennelijk wist ook de schrijver niet goed hoe het verder moest.

Een en ander zal wel te maken hebben met de manier waarop Roth werkte. Schrijven deed hij in de jaren twintig het liefst buiten de deur. In lawaaiierige kroegen en weergalmende eethuizen, net als zijn collega's Egon Erwin Kisch en Erich Maria Remarque. Roth pende als een opgejaagd dier, in korte hoofdstukken die zijn boeken ook nu nog leesbaar houden. Waar nodig gaf hij het verhaal een goeie trap in de kont — een chapiter begint doodleuk met "Nu was hij in Belgrado." — maar volmaakt gecomponeerde romans heeft Roth maar weinig geschreven.

Het knappe aan Rechts en links is — zoals altijd bij Roth — de portretkunst. Roth is niet alleen hypergevoelig, hij kwam als journalist ook overal, en dat stelde hem in staat uiteenlopende mensen natuurgetrouw weer te geven: kleinburgers, emigré's, ambtenaren, lichtekooien, zelfs de lijken waarmee de wanden van de politiekazernes waren behangen.

De Weimar-republiek zoals Roth die schetst, wordt vooral bevolkt door lege hulzen. Een eerzuchtige burgerman wordt genaaid door een industrieel en een financier. Zijn broer de politieke relschopper glijdt af naar het conservatieve midden en kan aan de slag in een democratisch blad. Die weekhartigheid zal Duitsland duur te staan komen. De werkelijke macht is aan de staalharde opportunisten — zij die in staat zijn één dag of één uur voor het grijpen van de definitieve, werkelijke macht alles op te geven voor een nieuw doel. Alles is verrot en geeft zich over aan de man met een wil. Brandeis is uit het goede hout gesneden en duikt in het gat.
'U houdt mij voor een groot koopman, nietwaar? U vergist zich, kolonel! Ik heb alles te danken aan de weerloosheid en de onmacht van de mensen en hun instellingen. Niets in deze tijd verzet zich tegen uw druk. Probeert u maar een troon te verwerven en er zal een land te vinden zijn dat u tot koning uitroept. Probeert u maar een revolutie te maken en u zult het proletariaat vinden dat zich dood laat schieten. Doet u maar eens uw best een oorlog uit te lokken en u zult de volkeren zien die tegen elkaar optrekken. Binnen enkele weken, enkele maanden, een jaar zou ik er wellicht in slagen de industrie van dit land te veroveren.'
Huiveringwekkende woorden. In 1929 al.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Joseph Roth, Rechts en links
224 p.
Uitgeverij Atlas, 2009
Oorspr. Rechts und Links (1929)
Vertaald door Wilfred Oranje

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails