dinsdag 21 september 2010

Dertig essays - Graham Greene

De Penguin Classic met de Collected essays van Graham Greene telt 352 pagina's en een stuk of tachtig opstellen. In de selectie van uitgeverij Contact blijft daar minder dan de helft van over. 'Essays' is trouwens een gevleide benaming voor een hoop boekbesprekingen. Ook voor de paar langere beschouwingen is het vertrekpunt vaak een nieuwe schrijversbiografie: "Een mens leeft zeventig jaar: hier zin in te brengen is zwaarder werk dan het verslag van slechts vier jaar oorlog op orde te brengen."

De bundel trapt af met 'De verloren jeugd', uit 1947, en je voelt meteen: dit is een klassiek opstel. Klassiek betekent hier dat Graham Greene een herkenbaar sentiment op een onvergetelijke manier formuleert. De schrijver heeft het over de bepalende boeken uit zijn jeugd. Misschien is het alleen maar in onze jeugd dat boeken een diepe invloed op ons leven hebben, oppert hij. Later kunnen we boeken bewonderen, jazeker, we kunnen geboeid zijn, het is zelfs mogelijk dat we bepaalde inzichten die we al hebben, wijzigen, maar waarschijnlijker is het dat we in boeken een bevestiging vinden van wat er al in ons hoofd zit, "zoals we in een liefdesverhouding onze eigen trekken geflatteerd weerkaatst zien".

Maar in onze jeugd zijn boeken boeken met voorspellingen die ons over de toekomst vertellen en, zoals de waarzegger die in de kaarten een lange reis ziet of de verdrinkingsdood, beïnvloeden zij de toekomst. Ik denk dat het daarom was dat we zo opgewonden raakten door boeken. En wat halen we nu nog uit het lezen dat gelijkstaat met de opwinding en de openbaring die in die eerste veertien jaar over ons kwamen? Natuurlijk zou het me interesseren als ik hoorde er in het voorjaar een nieuwe roman van E.M. Forster zal verschijnen, maar deze milde verwachting van beschaafd genoegen zou ik toch nooit kunnen vergelijken met de gemiste harteklop, de combinatie van schrik en plezier die ik voelde als ik op een plank in een bibliotheek een roman vond van Rider Haggard, Percy Westerman, kapitein Brereton of Stanley Weyman die ik nog niet gelezen had.
Als je jong bent, vervolgt Greene, liggen alle mogelijkheden nog open. Toen hij nog niet lezen kon, was hij veilig voor elke verlokking of toekomstdroom. Met de komst van boeken vergrootte hij zijn horizon exponentieel en kreeg hij zicht op wat er in de wereld allemaal te beleven was. Aan hem om te kiezen, plots. Het eindigt ermee dat Greene op zijn veertiende De adder van Milaan van Marjorie Bowen van de bibliotheekplank nam, en daardoor zelf aan het schrijven sloeg. Alle andere mogelijke toekomsten vielen weg.

Het essay over Henry James is nuttig omdat Greene er zijn belangrijkste boeken in ontsluit — altijd fijn om zoiets bij de hand te hebben van een schrijver waar je maar ten dele in geïnteresseerd bent. Opmerkelijk in het opstel is verder de opmerking dat James geen didactische doel nastreefde in zijn boeken. Hij wilde alleen "het hoogste recht laten gelden", waarmee Greene geloof ik bedoelt dat je de personages recht moet doen, ook als ze verwerpelijk zijn. Persoonlijke haat voor bepaalde opvattingen beperkt de mogelijkheden van een schrijver, maakt zijn boeken eentonig.

Erg bizar, al ligt dat misschien aan de Nederlandse selectie, is Greene's neiging om te focussen op katholieke schrijvers — zielsverwanten dus. Of om het katholieke aspect in schrijvers naar boven te halen. Bizar, omdat voor mij een even belangrijke functie van literatuur is me te kunnen verdiepen in mensen die juist heel ver van mij afstaan. Zelfs wanneer Frederick Rolfe ter sprake komt, heeft Greene het over zijn spirituele kant. Rolfe had priesterambities.

Over Georges Bernanos:
Hij heeft nooit de slimme manier om commentaar te camoufleren van Mauriac ontdekt, die de stem van de schrijver verbergt in een vergelijking of een onverwacht adjectief zoals een cineast zijn persoonlijk commentaar geeft door een camerahoek. En toch… proberen wij, nadat alles gezegd is, alleen maar arbitraire wetten te stellen die qua gezag niet verder gaan dan Flaubert? Zelfs dat tussenbeide komen, dat soms onhandig of ongedramatiseerd lijkt, vormt juist de karakteristieken die het verhaal van de pastoor van Lumbres zijn eigenaardige authenticiteit geven. Bernanos was eerder een biograaf dan een romanschrijver.
Over G.K. Chesterton:
Om politicus te zijn te zijn moet je een psycholoog zijn en Chesterton was geen psycholoog zoals zijn romans bewijzen. Hij zag de dingen in de absolute termen van goed en kwaad en zijn immense menslievendheid weerhield hem ervan toe te geven dat er een hoeveelheid gewoon, smerig bedrog bestaat in het menselijk leven. Op zijn ergst waren onze politici gevallen engelen.
Over Joseph Conrad:
Conrad was katholiek geboren en eindigde — formeel — in gewijde grond, maar alles wat hij van het katholicisme overgehouden had was een ironisch gevoel dat er een alwetendheid bestond en van de uiteindelijke nietswaardigheid van het bestaan onder de alziende blik.
Ook het naar mijn smaak belangrijkste essay gaat over een katholiek, de ook door mij bewonderde François Mauriac. In de jaren veertig al zag Greene met lede ogen aan in welke richting de Engelse roman evolueerde. Met het verdwijnen van het religieuze gevoel verdween naar zijn smaak ook het gevoel dat de menselijke daad van belang was. De romankunst werd zo zinnelijk en subjectief dat het genre een dimensie kwijt raakte: die van de zichtbare wereld. Mevrouw Dalloway van Viriginia Woolf is het typevoorbeeld van die ontwikkeling:
Een aardig, tamelijk gevoelig vers in proza was Regent Street geworden; een luchtstroming, een vleug geur, een sprankeling van glas. Maar, protesteren wij, ook Regent Street heeft een recht op bestaan, die is reëler dan mevrouw Dalloway en wij zien met heimwee terug op de eethuizen, de binnenplaatsen, de stille zondagse straten van Dickens.
Neem mevrouw Dalloway haar gave tot zelfexpressie af, zegt Greene, en er is niet alleen geen roman meer maar ook geen mevrouw Dalloway. Het allereerste belang dat François Mauriac dan ook voor de Engelse lezer heeft, is dat hij behoort tot het gezelschap van de grote traditionele romanschrijvers.
Hij is een schrijver voor wie de zichtbare wereld niet opgehouden heeft te bestaan, wiens karakters de vastheid en het belang hebben van mensen die zielen hebben om gered te worden of verloren te gaan en hij is ook een schrijver die het traditionele en essentiële recht van een romanschrijver voor zich opeist om commentaar te leveren, om zijn standpunt neer te schrijven. Want wat zijn we de dogmatische ‘pure’ roman niet moe geworden, de traditie gevestigd door Flaubert, die zijn machtige spiralende climax in Engeland heeft bereikt in de werken van Henry James. Ze doen iemand denken aan die puzzels in kinderbladen die de vorm van een doolhof hebben. Het kind wordt gevraagd met zijn potlood een pad naar het midden van de doolhof te trekken. Maar in de ‘pure’ roman begint de lezer in het midden en moet zijn weg naar de poort vinden. Hij gaat met zijn potlood wegen in die vast regelrecht naar de omtrek lopen, de wereld buiten de doolhof, waar men moreel oordeel en daden van bovennatuurlijk belang kan vinden (zelfs de manier waarop de roman geschreven is kan men beschouwen als een daad van meer belang, een intentie van meer levensbelang dan de ontrouw van de hoofdfiguur of de moord in het derde hoofdstuk), maar die hoofdkanalen kronkelen en glijden en laten hem weer belanden waar hij begonnen is en als hij goed kijkt, ziet hij dat de ontwerper van de doolhof over de enige uitgang heen heeft getekend.
Ik ontken noch de grootheid van Flaubert noch die van James. De roman was geen esthetische vorm meer en zij hebben hem tot het artistieke geweten teruggebracht. Het waren de latere schrijvers die, door het dogma van de techniek blindelings te aanvaarden, de roman tot een saaie, levenloze vorm gemaakt hebben (de vorm behield hij) die hij nu is. Het uitsluiten van de auteur kan ook te ver gaan. Zelfs de auteur, die arme vent, heeft het recht te bestaan en Mauriac herstelt dat recht.
Andere schrijvers die in Dertig essays aan bod komen zijn Charles Dickens, Hans Andersen, Saki, Arthur Conan Doyle, Rudyard Kipling, Edgar Wallace, Norman Douglas, Simone Weil en Havelock Ellis.

Een rode draad vanaf het tweede deel van de bundel is Afrika, met besprekingen van boeken over de West-Afrikaanse ontdekkingsreizigers, Livingstone, Albert Schweitzer en Mungo Park, "de grootste van alle schrijvers over Afrika". In 'Persoonlijk naschrift' gaat Greene in op de omstandigheden waarin De kern van de zaak is geschreven, in Sierra Leone.

Nog één keer keek ik op: wanneer Greene Somerset Maugham aankaart. Hij doet dan zijn zegje over The summing up ("hij neemt ons niet met commerciële directheid in vertrouwen, zoals een autobiograaf van professie zou doen") en roept Don Fernando uit tot Maugham's beste boek. Dat is een boek over de culturele bloeiperiode van Spanje, niet toevallig met figuren als El Greco en de H. Theresia van Avila. Over Maugham's kortverhalen is Greene minder te spreken:
Maugham is een schrijver met veel overleg zelfs als zijn stijl slordig is (‘brandende mond’, ‘naaktheid van de ziel’, een ‘mond als een rode wond’); hij zal nooit, dat voelt men, zijn hoofd verliezen. Hij heeft een vast standpunt. De banaliteit van de uitdrukkingen die ik zojuist opsomde, wijst niet op toegeven aan emotie; zij wijst eerder op een enigszins blasé houding ten opzichte van de details van zijn verhalen. Het vertellen is iets waar je doorheen moet voor het moment van zijn anekdote voor de dag komt en Maugham is soms wat verveeld en onverschillig tijdens dat proces. De anekdote is voor Maugham bijna alles; de anekdote en niet de karakters, niet de atmosfeer, niet de stijl is in de eerste plaats verantwoordelijk voor het tot uitdrukking brengen van Maughams houding (…).
Als er nu iets is waar ik het niet mee eens ben, is het dit wel. Ik lees Maugham net wel om zijn nuchtere mensenkennis, om zijn personages. De situaties waarin Maugham hen doet verzeilen, zijn aardig, maar doen hen vooral kleur bekennen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Graham Greene, Dertig essays
168 p.
Uitgeverij Contact, 1970
Oorspr.
Collected essays (1969) [selectie]
Vertaald door Clara Eggink

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Koraaleiland - Ballantyne
Het piratenvliegtuig - Gilson
Sophy van Kravonië - Anthony Hope
Het verhaal van Francis Cludde - Stanley Weyman
De adder van Milaan - Marjorie Bowen
Hans Christian Andersen - Signe Toksvig
Orthodoxy - Chesterton
The thing - Chesterton
The everlasting man - Chesterton
The Napoleon of Notting Hill - Chesterton
Autobiography - Chesterton
Conrad's prefaces to his works - Garnett (ed.)
Anatomy of Oxford - C. Day Lewis en Charles Fenby
South wind - Norman Douglas
Old Calabria - Norman Douglas
Fountains in the sand - Norman Douglas
They went - Norman Douglas
Looking back - Norman Douglas
London Street games - Norman Douglas
My life - Havelock Ellis
Waiting on God - Simone Weil

Related Posts with Thumbnails