vrijdag 17 september 2010

De weg naar Wigan - George Orwell

Toevallig las ik tijdens de eerste berichten over het Chileense mijnongeval een van de mooiste reportages over mijnbouw uit de hele wereldliteratuur. Met als afstootblok de miserabele arbeidsomstandigheden in de Engelse steenkoolmijnen houdt George Orwell in De weg naar Wigan (1937) een hoogdringend pleidooi voor het socialisme. Terloops legt de auteur zijn eigen verleden als salonrevolutionair bloot, wat hem een groot moreel gezag verleent.

De weg naar Wigan valt uiteen in twee delen: een reportage en een betoog. Eerst geeft George Orwell een fragmentarisch — en per fragment toch weer minutieus — verslag van zijn ervaringen in de kolenbekkens van Lancashire en Yorkshire. Hij beschrijft hoe hard de mensen er moet werken temidden van gore steenbergen, schoorstenen, kanalen en sintelpaden. Hoe ze wonen in hun krappe achterbuurthuisjes. Hoe ze met hun armoede omgaan en de demoraliserende werking die van die armoede uitgaat. In het tweede deel werpt Orwell zich op als heelmeester, en houdt hij een pleidooi voor een radicaal en afgeslankt socialisme. Niet het socialisme van makke middenklassers of marxistische studiehoofden, maar een socialisme dat uitgaat van een nuchter beeld van de werkelijkheid en zich aldus met haar kerntaken bezighoudt.

De noden van de arbeidersklasse illustreert Orwell aan de hand van de Noord-Engelse mijnwerkers. Hij kiest die groep, omdat de mijnwerker het prototype is van de handarbeider. Niet alleen omdat zijn werk verschrikkelijk is, maar ook omdat het buiten ons blikveld valt. Letterlijk: mijnwerkers zijn zo onzichtbaar onder de grond dat we makkelijk kunnen doen of ze niet bestaan. Onze beschaving, kan Orwell eind jaren dertig nog schrijven, "is gebaseerd op steenkool". De machines die ons in leven houden en de machines die de machines maken zijn allemaal direct of indirect afhankelijk van steenkool. De wereld van de mijnwerker is de absoluut noodzakelijke tegenhanger van onze bovengrondse wereld. Hoogstaande mensen kunnen alleen hoogstaand blijven, omdat arbeiders elders met hun handen werken.

U en ik en de redacteur van de Times Literary Supplement en de verwijfde dichters en de aartsbisschop van Canterbury en kameraad X, auteur van Het marxisme voor kleuters — wij allen danken het feit dat we betrekkelijk fatsoenlijk kunnen leven aan de arme ondergrondse zwoegers, die, zwart tot aan de ogen en met de keel vol kolengruis, hun schop vooruitduwen met arm- en buikspieren van staal.
Daarom slaat Orwell gade hoe steenkool feitelijk wordt gedolven. Hij daalt zelf in de schacht af, beschrijft uit de eerste hand de hitte, het lawaai, de duisternis (de mijnwerker moet zelf de huur voor zijn lamp betalen), de bedorven lucht en vooral het ondraaglijk gebrek aan ruimte waarin de mijnwerkers moeten leven. Wie heeft ooit als de schop gehanteerd terwijl hij op zijn knieën zit? Iemand een idee hoe weinig kracht je dan kan zetten?

Mijnwerkers moeten vaak een uur gebogen door het onderaardse gangenstelsel lopen eer ze aan het werk kunnen. In het begin boort men natuurlijk een mijnschacht ergens in de buurt van een kolenader. Maar als die ader is uitgeput en er nieuwe lagen aan de beurt komen verplaatst het werk zich steeds verder van de schachtbodem. Anderhalve kilometer van de schachtbodem naar het kolenfront is waarschijnlijk de gemiddelde afstand. Dan begint de echte klus: steenkool uitbreken, twee ton per uur. Gevaarlijk werk: een op de zes arbeiders raakt gewond. Het percentage ongelukken in de mijnen is zo hoog vergeleken bij andere beroepen "dat van de slachtofers bijna even weinig ophef wordt gemaakt als van de doden en gewonden in een minder belangrijke oorlog".

Orwell inspecteert vervolgens de behuizing van de arbeiders. Overal in de industriestreken heerst een nijpend woningtekort en alleen in de kleine mijndorpen waar de huizen rond de mijn liggen, wonen de mannen zonder meer dicht bij hun werk. De huizen die er zijn, zijn lelijk, zonder comfort, onhygiënisch. Denk er eens aan, vraagt Orwell aan de lezer, wat het voor een kind wil zeggen om op te groeien in een van de achterstegen waar het tegen een rij wc’s en een muur aankijkt. Soms wordt een kleine winkelier totaal geruïneerd door een of ander saneringsprogram waarin geen rekening met hem wordt gehouden. Een heel stadsdeel wordt en bloc onbewoonbaar verklaard, de huizen afgebroken en de mensen naar een kilometers ver verwijderd huizencomplex overgepoot. Wég klandizie. Een schadeloosstelling is er niet.

Orwell is zich zeer bewust van de machteloosheid van taal, zijn werkinstrument. Woorden zeggen zo weinig, klaagt hij. "Wat haalt het uit, een korte aantekening als ‘dak lekt’ of ‘vier bedden voor acht mensen’? Je blikt glijdt over zo iets heen en het dringt niet tot je door." Orwell probeert de lezer daarom bij te sturen. Wanneer hij meldt dat er woonwagenkampen worden georganiseerd om de ergste woningnood te lenigen, weet hij meteen dat het woord 'woonwagen' erg misleidend is.
Het roept een beeld op van een gezellig zigeneurkamp (bij mooi weer natuurlijk) met knappende houtvuren en bramen plukkende kinderen en veelkleurig wasgoed wapperend aan de lijn. De woonwagenkampen in Wigan en Sheffield zijn niet zo. Ik heb er verscheidene gezien, in Wigan heb ik ze zorgvuldig bekeken en ik heb nergens nog een dergelijke vervuiling aangetroffen behalve in het Verre Oosten.
Veel aandacht in het boek gaat uit naar de grote werkloosheid in Engeland. De officiële werkloosheidcijfers zijn om te beginnen al ontoereikend, omdat ze betrekking hebben op de werkloze man, en zijn vrouw en kinderen buiten beschouwing laten (met andere woorden: het het aantal mensen dat van de steun leeft). Veel mensen proberen de armenwet te ontduiken — ze vestigen zich zogezegd zelfstandig, om een aparte uitkering te krijgen. Maar de onderlinge verklikkerij is groot. Vele bejaarden moeten op hoge leeftijd alleen blijven wonen; want als een bejaarde man bij zijn kinderen woont, wordt de ondersteuning van zijn kinderen gekort.

Werkloosheid, laat Orwell duidelijk blijken, is fnuikend voor het moreel. Ook een werkloze met een particulier talent houdt zich niet nuttig bezig, ondanks de zeeën van vrije tijd. De hoop ontbreekt hem, die voor scheppend werk nodig is. Dat een man zonder werk valt, betekent ook niet dat hij ineens huishoudelijk werk verricht en de taken van zijn vrouw lichter maakt. Van ’s morgens tot ’s avonds voert de man niets uit maar de vrouw heeft het net zo druk als anders, zelfs nog drukker omdat ze met minder geld moet rondkomen. Een vrouw is een arme sloof die altijd maar ploetert zonder ooit eens een keer van het werk af te komen.

Orwell publiceert de bestedingslijsten van de gemiddelde arbeider. Waar geeft zo iemand zijn geld aan uit? Het paradoxale is dat wanneer arme mensen hun normen moeten verlagen, ze zich daarom niet alleen tot het noodzakelijkste beperken, maar zich toch nog proberen enige luxe te veroorloven. Werkloosheid is een eindeloze ellende die voortdurend verzacht moet worden — met speciale thee bijvoorbeeld, "de opium van de Engelsman". De kleine genoegens maken het leven draaglijk.
Toen Hitler het Rijnland opnieuw bezette was ik toevallig in Yorkshire. Voor Hitler, Locarno, fascisme en de dreigende oorlog had men daar nauwelijks enige aandacht, maar het besluit van de Engelse voetbalbond om de datum van de wedstrijden niet langer vooraf te publiceren (dit was een poging om de voetbalpools de nek om te draaien) bracht heel Yorkshire tot stormen van razernij.
Ruime aandacht in De weg naar Wigan is er voor zoiets essentieels als de maaltijd. "Overal zie je standbeelden voor politici, dichters, bisschoppen, maar niet één voor koks of inzouters van spek of tuinders." Orwell omschrijft een menselijk wezen primair als "een zak om voedsel in te doen". Gezond is het niet allemaal niet, wat de arbeiders naar binnen spelen, en dat heeft zijn weerslag om de fysionomie. Op straat zien de mensen eruit als holbewoners: klein van stuk, spieren die gestaald zijn door het harde labeur, slechte tanden.

Een paar opmerkingen aan het eind van deel één, preluderen op het tweede deel, met name over de naïeve opvattingen die er bestaan over de arbeidersklasse. Zo is het een fabeltje dat arbeidersjongens meer onderwijs willen — scholing die hen emancipeert en de carrièremogelijkheden verbreedt. Neen, een arbeidersjongen verlangt zo snel mogelijk van school af te mogen. Hij wil echt werk doen. Veel onderricht komt hem als ziekelijk en verzwakkend voor.

Zegt Orwell ook nog iets over het chauvisme binnen Groot-Brittannië. Zo is er de hardnekkige mythe dat hoe verder je naar het Noorden woont, hoe deugdzamer je bent. Voor de Eerste Wereldoorlog was het Noorden van Engeland het achterlijke en feodale deel, en voor zover er industrie bestond was deze geconcentreerd in Londen en het Zuid-Oosten. (In de burgeroorlog bijvoorbeeld, was het Noorden en het Westen voor de koning en het Zuiden en het Oosten voor het Parlement.) Maar toen steenkool van steeds groter nut werd trok de industrie naar het Noorden, en er ontstond een nieuw type man, de ‘self made’ zakenman — de Mister Rouncewell en de Mister Bouderby van Dickens. De zakenman uit het Noorden, "met zijn hatelijke filosofie van verdien of verdwijn", was de overheersende figuur van de negentiende eeuw. In het Engeland van de jaren dertig bestaat hij nog steeds, al heeft hij vanwege de naoorlogse crisis veel minder praatjes.

Werkelijk contact met een proletariër
Ergens in het tweede deel van De weg naar Wigan verwondert Orwell er zich over, de ellende indachtig die hij in het eerste deel aantrof, waarom het socialisme niet op grote schaal is doorgebroken. "De wereld is een vlot dat door de ruimte zeilt met een overvloedig potentieel aan goederen voor iedereen; de conceptie dat we allemaal moeten werken en ervoor moeten zorgen dat ieder een redelijke portie werk op zich neemt en daarvoor een redelijk aandeel van de proviand krijgt, spreekt zo voor zich zelf, dat je zou zeggen dat er onmogelijk iemand kan zijn die ze niet aanvaardt (...)". Het geval wil echter dat het fascisme in de jaren twintig en dertig om zich heen grijpt in Europa. In Spanje, Italië, Duitsland.

Om dat te verklaren moet je in de optiek van Orwell iets van het kastenstelsel begrijpen — in hoofdzaak de arbeidersklasse en de middenklasse, en de manier waarop die twee elkaar percipiëren. Om van het klassenonderscheid af te raken moet je allereerst begrijpen hoe de ene klasse er in de ogen van een andere uitziet. "Het komt voort uit de opvoeding waarbij een kind uit de middenstand bijna gelijktijdig wordt geleerd zijn hals te wassen, bereid te zijn voor het vaderland te sterven en de ‘lagere klassen’ te verachten."

Orwell zelf is geboren in wat je de betere middenklasse zou kunnen noemen. De betere middenklasse beleefde zijn hoogtepunt in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw, met Kipling als hofdichter. "Deze klasse was zo iets als een berg wrakhout die was achtergebleven toen het Victoriaanse welvaartsgetij afliep." Het kenmerkende van de betere klasse is volgens Orwell dat zijn tradities niet zozeer in het zakenleven lagen maar op militair en ambtelijk terrein of bij de vrije beroepen.

In deze klasse bezat men geen land, maar "men voelde zich landeigenaar in de ogen van God" en men hield er een semi-aristocratische opvatting op na door de vrije beroepen of het leger te verkiezen boven de handel. Deze klasse wist weliswaar nog hoe met huispersoneel om te gaan, exclusieve kledij te kiezen, diners te organiseren, te jagen en paard te rijden, maar had er domweg geen geld meer voor. Dat verklaarde volgens Orwell de attractie van India: ze gingen ernaar toe omdat het in India met zijn goedkope paarden, vrij schieten en horden bruine bedienden zo gemakkelijk was de gentleman te spelen.

In Orwells ogen is de middenklasse — geestelijken, schoolmeesters, Engels-Indische ambtenaren, soldaten en zeelieden, vrije beroepen en kunstenaars — de schokbreker van de echte bourgeoisie. Een soort beschermende laag tussen de bourgeoisie en de klasse die ze plundert. Het contact tussen bourgeois en de laagste klasse beperkt zich meestal tot een vluchtig contact met werknemers, bedienden en neringdoenden. De middenstand heeft wel grondig contact.

Tegelijk houdt de middenstand zich dapper aan haar stand vast, waar ze ook erg om wordt gehaat. Verschillen in opvoeding, temperament, intellect en morele principes — de middenstand heeft vóór alles een reputatie hoog te houden. Een arbeider heeft niet de loden last van het familieprestige die iemand uit een middenstandersgezin als een molensteen om zijn nek hangt. Een arbeidersgezin hangt ook wel aan elkaar zoals een middenstandersgezin, maar de onderlinge verhoudingen zijn veel minder tiranniek.

Orwell wordt een beetje lacherig van welvarende lui die vanuit hun eigen makkelijke leventje linkse idealen prediken. Idealisme is immers typisch iets voor de hogere klassen. Dat komt: iemand met een bourgeois afkomst gaat door het leven met een zekere verwachting dat hij, binnen redelijke grenzen, krijgt wat hij verlangt. Vandaar het feit dat ‘ontwikkelde’ mensen in tijden van spanning de neiging hebben om op de voorgrond te treden.

Maar is er bij zo'n progressieveling werkelijk ook maar iets veranderd behalve dat hij voortaan bij de verkiezingen Labour of indien mogelijk communistisch stemt, vraagt Orwell zich af. Neen, dat idealisme is slechts een dun laagje vernis. Een links iemand uit de betere klassen voelt zich oneindig veel beter op zijn gemak met iemand van zijn eigen klasse (die hem als een gevaarlijke bolsjewist beschouwt) dan met iemand uit de arbeidersklasse die het met hem eens zou moeten zijn.
De middenstander uit de Onafhankelijke Labour Party [de latere uiterst linkervleugel van de Labour Party — vert. Joop Waasdorp] en de bebaarde vruchtensapdrinker zijn allemaal voor een klassenloze maatschappij zolang ze het proletariaat bezien door de verkeerde kant van de verrekijker; wanneer je ze tot werkelijk contact met een proletariër dwingt — laat ze bij voorbeeld eens op zaterdagavond met een dronken vissjouwer op de vuist raken en ze kunnen ineens tot het ordinairste middenstandssocialisme terugkeren.
Wat Orwell zo geloofwaardig maakt, is dat hij ook in eigen boezem kijkt en zijn instant-socialisme op de hak neemt. Op de dure snobistische school waar hij les volgde, werd Lenin probleemloos en gedachtenloos bij de tien grootste levende mannen gerekend. Dat was in 1920, toen de gruwelen van de Russische Revolutie nog vers in het geheugen lagen. Zodoende was Orwell op de leeftijd van zeventien of achttien jaar al een snob en een revolutionair. Hij had de volledige werken van Shaw, Wells en Galsworthy gelezen, maar had weinig benul van wat socialisme inhield en besefte helemaal niet dat de arbeidersklasse uit mensen bestond. Op een afstand, en door middel van boeken, bij voorbeeld The people of the abyss van Jack London, leed hij met hen mee, maar hij haatte en verachtte hen nog altijd als hij met hen in aanraking kwam. Het accent van de arbeiders stond Orwell tegen en hun "habituele ruwheid" maakte hem woedend.


De Wigan pier was geen echte pier, maar een verhoogde spoorberm voor het vervoer van steenkool uit de naburige mijn. Rechts op de foto is nog het gekrulde uiteinde van de rails te zien, dat het makkelijk maakte de kolen in de platbodem te kippen.

De glasruit van een aquarium
Wijzer werd Orwell toen hij, nog geen twintig, naar Birma ging, in dienst van de politie voor deze Engelse kolonie. Daar bestond er niet zozeer wrijving tussen de verschillende klassen, maar tussen mensen met een verschillende huidskleur. De hamvraag was: was je blank of niet? (De weg naar Wigan bevat trouwens prachtige bladzijden over hoe een Birmaan het fysiek haalt van een blanke.) Na vijf jaar haatte Orwell het imperialisme. Indringer spelen in een vreemde beschaving en haar je wil opleggen. Mensen onderdrukken en onwilligen achter de tralies stoppen. Er bestaat een groot verschil tussen het vuile werk ter plaatse doen, zegt Orwell, en ervan profiteren in het verre, veilige Engeland.
Vreemde onderdrukking is een veel duidelijker, begrijpelijker kwaad dan economische onderdrukking. Zo laten wij ons in Engeland gedwee uitplunderen om een half miljoen waardeloze luiwamessen in luxe te laten leven, maar we zouden liever tot de laatste man vechten dan door Chinezen te worden geregeerd; evenzo zien mensen die zonder enig gewetensbezwaar van onverdiende dividenden leven heel wel in dat het verkeerd is in een vreemd land waar je niet gewenst bent de baas te gaan spelen.
Op die manier richtten de gedachten van Orwell zich op de Engelse arbeidersklasse. Hij ziet de analogie met de onderdrukten in de Engelse koloniën. Bij zijn terugkeer wil hij daarom oprecht met de onderlaag van de maatschappij in contact komen — zwervers, bedelaars, misdadigers, prostituees. Hij denkt eraan alles te verkopen, alles weg te geven, zijn naam te veranderen en met alleen de kleren die hij draagt en zonder geld een nieuw begin te maken.

Zo'n vaart loopt het niet. Maar als journalist probeert hij eind jaren twintig wel te infiltreren in de haveloze klassen van Londen (Portobello Road) en Parijs (Rue du Pot de Fer). Hij zal over die ervaringen berichten in Aan de grond in Londen en Parijs [bespreking volgt binnenkort]. Vooral de verhalen uit Parijs zijn boeiend in dat boek, vanwege de uitgebreide emigrantengemeenschap die er na de Russische Revolutie was neergestreken.

Als er iets is dat Orwell leert, is dat je weliswaar vlotjes vertrouwelijk wordt met een buitenlandse ‘intellectueel’, maar niet gemakkelijk op vertrouwelijke voet komt te staan met een doorsnee nette buitenlander uit de middenstand. "Aan alle kanten sta je tegenover het klasseverschil als tegenover een stenen muur. Of liever: het is niet zozeer een stenen muur als wel de glasruit van een aquarium; het is zo gemakkelijk te doen alsof die er niet is, en zo onmogelijk erdoorheen te komen."
Als je een bourgeois ‘intellectueel’ bent verbeeld je je ook maar al te gemakkelijk dat je door wat dan ook geen bourgeois meer bent, omdat je je zomaar vrolijk kunt maken over vaderlandsliefde en de Anglicaanse Kerk en de das van de oud-leerlingen van je vroegere public school; en kolonel Blimp [beroemde spotprent van een aartsreactionair mannetje — vert.] en de hele mikmak. Maar gezien vanuit het standpunt van de proletarische ‘intellectueel’, die althans qua afkomst werkelijk buiten de bourgeois cultuur staat, zijn de punten waarin u op kolonel Blimp lijkt misschien belangrijker dan de verschillen. Zeer waarschijnlijk beschouwt hij u en kolonel Blimp als praktisch gelijke personen.
Het drama, zegt Orwell, is dat we allemaal wel schelden op het klassenonderscheid maar er maar weinig mensen die het echt willen afschaffen. Sterker nog: iedere revolutionaire opvatting ontleent een deel van zijn kracht aan de onuitgesproken overtuiging dat er niets kan worden veranderd. Orwell noemt het voorbeeld van John Galsworthy. Eerst is deze "een fraai voorbeeld van de gevoelige vooroorlogse humanitair met een traan in het oog", maar als de wereldorde die hij altijd heeft gekend ineen begint te storten, propageert hij plots dat de Engelse arbeiders, om hun economische kwalen te genezen, als koppels vee naar de koloniën moeten worden gedeporteerd.

Orwell noemt dat het onvermijdelijke lot van een sentimenteel iemand: al diens opvattingen veranderen in hun tegendeel bij de eerste aanraking met de werkelijkheid. Wie het ook meermaals mag bekopen in De weg naar Wigan is G.K. Chesterton, "de sentimentele democratische katholiek" die in extase raakt bij het zien van achterbuurten en die smerig-zijn als een romantische versterving leek te beschouwen.

Als het imperialisme écht overboord gegooid wordt, zegt Orwell, "zou Engeland tot een koud en onbelangrijk eilandje zou worden waar de inwoners allemaal heel hard zouden moeten werken en in hoofdzaak zouden moeten leven van haring en aardappelen". Als het klassenonderscheid écht afgeschaft wordt, betekent dat dat de smaak, voorkeuren, vooroordelen, tafelmanieren, zinswendingen en het bijhorende snobisme mee afgeschaft moet worden. Dat komt neer op een volledig verlies van identiteit, want vrijwel alles wat we denken en doen is een gevolg van het klassenonderscheid.

De kermistruc met de drie erwten
Naar het einde van zijn boek probeert Orwell te analyseren waarom zoveel mensen afhaken die natuurlijke bondgenoten zouden moeten zijn van het socialisme. Hij ziet een viertal redenen.

* De socialisten zelf zijn de slechtste reclame voor het socialisme. Het linkse gedachtengoed oefent een haast magnetische aantrekkingskracht uit "op iedere vruchtesapdrinker, nudist, sandalensloffer, seksmaniak, Quaker, kwakzalver met ‘natuurgeneeswijze’, pacifist en feminist in Engeland". En daar willen fatsoenlijke middenstanders noch gewone arbeiders iets mee te maken hebben. Laat staan dat ze door hen over de streep zouden getrokken worden.

* Het socialisme concentreert zich niet op het wezenlijke. Voor de gewone werkman, het slag dat je ’s zaterdagsavonds in de kroeg tegenkomt, betekent het socialisme voornamelijk hogere lonen, kortere werktijden en niemand om je heen die je zegt wat je doen en laten moet. Daarom koestert de ware socialist geen utopische toekomstvisioenen, maar heeft hij een visie van de huidige samenleving minus de ergste mistanden en blijft hij belangstelling hebben voor dezelfde dingen als de gewone man: het gezinsleven, de kroeg, voetbal en de plaatselijke politiek.

In de praktijk zie je echter veel socialisten van het theorieboek-type, die zich vermeien met "de filosofische kant van het marxisme, de kermistruc met de drie erwten en de vingerhoed maar dan gedaan met die drie mysterieuze entiteiten — these, antithese en synthese". Dit soort onderlegden gaat er prat op honderd procent orthodox te zijn. Ze schrijven nooit over iets anders dan het feit dat ze orthodox zijn en hebben nagedacht over alle implicaties van de orthodoxie, tot de kleine details van het leven. Ze koesteren een soort theoretische haat tegen uitbuiters. Het gewoon-menselijke interesseert hen niet.
Soms kijk ik naar een socialist — het intellectuele, verhandelingen schrijvende type socialist, met zijn pullover, kroeshaar en zijn citaat uit Marx — en vraag me af wat voor de duivel zijn motief nu werkelijk is. Vaak is het moeilijk te geloven dat het liefde voor iemand is, in het bijzonder voor de arbeidersklasse waar hij van alle mensen het verst vanaf staat. Het grondmotief van vele socialisten is, geloof ik, alleen maar een ziekelijk vergroot ordebesef. De huidige stand van zaken staat hun niet tegen omdat daar ellende uit voortkomt, nog minder omdat vrijheid er onmogelijk door wordt, maar omdat de toestand rommelig is; wat ze in wezen zo graag willen is van de wereld iets maken dat op een schaakbord lijkt.
* Een andere factor is angst; echte angst voor de ideaalbeelden van de socialist. De socialistische wereld wordt altijd afgeschilderd als een volkomen gemechaniseerde wereld met een geweldig ver doorgevoerde organisatie, een wereld die op de machine is aangewezen zoals de antieke wereld van de slaven afhankelijk was. Zie de satires van Swift, Butler en Dickens. Gewone mensen wantrouwen dat, wantrouwen machines zoals ze de natuurwetenschappen wantrouwen. De toekomstbeelden van Wells en Huxley lijken vooral een paradijs te zijn van kleine dikke mannetjes. Mechanisatie leidt tot frustratie van de behoefte aan inspanning en creatieve bezigheden.

* Het klassenonderscheid wordt maar niet overbrugd. Socialistische literatuur heeft qua idioom en manier van denken bijvoorbeeld geen affiniteit met de arbeidersklasse. Schrijvers als Cole, Webb, Strachey zijn geen échte proletarische schrijvers die metaalarbeiders, mijnwerkers, katoenwevers, havenarbeiders en grondwerkers zouden kunnen bekoren. 'Socialistisch' is meestal een vaag etiket. Ibsen en Zola werden socialistisch genoemd omdat ze vooruitstrevend waren, Anatole France omdat hij antiklerikaal was. De echte socialistische schrijvers, de propagandistische schrijvers zijn dixit Orwell "altijd saaie lege windbuilen geweest" — Shaw, Barbusse, Upton Sinclair, William Morris, Waldo Frank enzovoort.

Goed. Door deze vier gebreken worden de mensen te gemakkelijk in de armen van het fascisme gedreven. Vooral het communisme valt bepaalde dingen aan (vaderlandsliefde, godsdienst) die dieper zitten dan het economische motief aan, of lijkt ze op zijn minst aan te vallen, en in die zin is het volgens Orwell waar dat communisme tot fascisme leidt. Het fascisme roept zich dan op als verdediger van de Europese traditie, het christelijk geloof, vaderlandsliefde en de militaire deugden. Een fascist voelt zich als het ware "als Roland in de pas van Roncevaux".

Een paar padvinderskreten over goede wil, hygiëne en poëzie zal het socialisme niet redden. Doctrinaire waanwijsheid, partijruzies en halfgare vooruitstrevendheid evenmin. Het enige waar socialisme om moet draaien van Orwell is vrijheid en gerechtigheid. De eeuwige tweedeling proletariër versus kapitalist voldoet niet meer. De middenklasse — kantoorklerk, machinist, handelsreiziger, middenstander, dorpskruidenier — moet bewust gemaakt worden van het feit dat ze evengoed uitgebuit wordt

Actueel
Hoe actueel is De weg naar Wigan? Niet zo actueel wat het vertrekpunt van Orwell betreft. De Engelse steenkoolindustrie werd sterk teruggedraaid onder Thatcher, hoewel er in een aantal diepe schachten in de Midlands en in het Noorden nog altijd steenkool wordt bovengehaald. Voor energieopwekking is steenkool de laatste decennia sowieso minder in trek omdat bij de verbranding ervan veel meer kooldioxide, een broeikasgas, ontstaat dan bij de verbranding van aardolie of aardgas.

In de Lage Landen was steenkoolwinning al niet meer rendabel na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig en zestig slonk het aantal mijnzetels drastisch in België. Er kwam concurrentie van aardolie en buitenlandse steenkool. In Nederland is na de ontdekking van aardgas op eigen grondgebied steenkool voor verwarming van woningen en gebouwen sinds de jaren zestig onbruik geraakt. De laatste Belgische steenkoolmijn sloot zijn deuren in 1987.

Tot de jaren zestig werden veel huizen in Nederland en België met kolenkachels verwarmd. De opkomst van het aardgas heeft de kolenkit uit de huiskamers doen verdwijnen. Belangrijke redenen voor de meeste gezinnen om op aardgas over te gaan was ten eerste dat steenkool stoken veel bewerkelijker was, men moest in de gaten houden dat er voldoende kolen op het vuur waren, de as opruimen, en men had soms last van rook in de kamer bij het aanmaken. Ook werden kolen op den duur duurder dan gas.

Ander verschilpunt: de arbeidersklasse en de middenklasse zijn inmiddels sterk naar elkaar toegegroeid, wat welvaart betreft.

Toch is Orwells boodschap makkelijk transponeren naar het heden. Wanneer je de arbeiders van Noord-Engeland vervangt door de arbeiders uit de lageloonlanden. Of door de emigranten in de West-Europese landen. In het idealiseren van de arbeidersklasse door de gegoede klasse in Orwells tijd, kan je ook makkelijk een parallel zien met de struisvogelpolitiek die politici de laatste decennia hanteerden met betrekking tot allochtonen — iets wat ze de laatste vijftien jaar hebben moeten bekopen met een ruk naar rechts van het kiespubliek.

Ook de marxistisch geïnspireerde warhoofden zijn niet van het toneel verdwenen, al spelen ze buiten Frankrijk en vele Amerikaanse universiteiten alleen nog een marginale rol. Laatst nog las ik een discussie waarin een postmodernistische dichter in ernst volhield 'politieke' poëzie te bedrijven. Daarbij volledig voorbijgaand aan de essentiële kritiek die Noam Chomsky had op de poststructuralisten en deconstructivisten: wie zich hermetisch of esoterisch uitdrukt, verbreekt moedwillig de communicatie met niet-ingewijden — niet-academici — en kan de lezer dus nooit emanciperen.

Toch moet men jammer genoeg ook de kracht van een helder boek niet overschatten. Hoe striemend Orwells kritiek is op wereldvreemde theoretici, wie die niet wil lezen, blijft er blind voor. Iedereen neemt het zijne uit een boek. Niemand valt zo makkelijk te recupereren voor het eigen gelijk als een dode auteur.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

George Orwell, De weg naar Wigan
260 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1973
Oorspr. The road to Wigan Pier (1937)
Vertaald door Joop Waasdorp

____

3 reactie(s):

ijsbrand zei

In de Lage Landen was steenkoolwinning al niet meer rendabel na de Tweede Wereldoorlog.

Er zijn historici die stellen dat de Amerikanen, als onderdeel van hun Marshall-hulp, het algemene gebruik van aardolie als brandstof opgedrongen hebben. Want daar konden ze wel aan verdienen. Aan het gebruik van steenkool niet.

Eenduidig zijn dit soort ontwikkelingen nooit.

Achille van den Branden zei

In het verlengde daarvan: in een recente bespreking van 'De utopie van de vrije markt' kloeg u over de ahistorische aanpak van Achterhuis. Is er een toegankelijk boek over economische geschiedenis dat u voor de vuist weg kunt aanraden?

[Ik maak van de gelegenheid gebruik om de bespreking van Vestdijks 'Het wezen van de angst' te loven. Zéér instructief, en toepasbaar op vele boeken. Als er ooit een rubriek 'Klassike boeklog.info' onderaan het weblog komt te bengelen, dan moet die bespreking er zeker bij.]

ijsbrand zei

Ik heb er over nagedacht, maar nee, ik weet zo geen titel. Het is eerder andersom. Juist door er over na te denken, kwam de vraag bij me op: heb ik eigenlijk ooit iets helders gelezen over de impact van de eerste mijnbouwunie, bijvoorbeeld, die later de EU zou worden?

Economische geschiedenis beperkt zich vaak óf tot de inzichten van economen, en die zijn altijd partijdig, óf gaan over politieke besluiten, en zijn dan ook niet altijd even interessant.

Dank voor de vraag. Ik moet op onderzoek uit.

Related Posts with Thumbnails