De vergeten twintigste eeuw - Tony Judt
Ik ben een kind van de jaren tachtig. Eentje dat bovendien mooi aan het clichébeeld beantwoordt: individualistisch, nostalgisch, maar vooral: op een verwende manier verstoken van elk idealisme. Jeuk krijg ik van de wereldbeteraars uit de jaren zestig en zeventig en hun grote verhalen. Dat ik die generatie niet begrijp, is voor een groot stuk te wijten aan mijn gebrekkige kennis van het culturele en intellectuele klimaat in het naoorlogse Europa. Blijkt nu.
Dit prachtige boek van Tony Judt vult die leemte voor een groot deel op. We leven inderdaad in een tijd van "ideologische demobilisatie", schrijft de Britse historicus in de inleiding. In 1989 werd het communisme officieel dode letter in Europa. De communistische heilsleer kwam in botsing met het liberalisme en verloor in ideologisch en praktisch opzicht. De beloftes van de profeten kwam niet uit. Het liberalisme en de vrije markt rukten op, en de welvaart die daaruit voortkwam deed bepaalde intellectuelen alvast het einde van de geschiedenis uitroepen. Zelfs in voorheen communistische landen in Midden-Europa zijn de nieuwe collectieve doelstellingen ‘de opbouw van het kapitalisme’ en ‘rijk worden’, terwijl men de democratie daarbij als iets vanzelfsprekends en soms zelfs als iets hinderlijks beschouwt.
In het naoorlogse Europa bestaat er bovendien algemene acceptatie van de idee dat de moderne staat een verzorgende rol moet vervullen: de verzorgingsstaat of l’état providence. De privatisering van publieke diensten en nutsbedrijven wordt daarbij als een vanzelfsprekend goede ontwikkeling beschouwd. Judt tekent tussen haakjes aan dat de welvaartsstaat geen produkt is van het socialisme, maar van een consensus door alle partijen heen. In het merendeel van de gevallen werd het ingevoerd door liberalen en conservatieven.
Judt stelt vervolgens een vraag: "Zijn vrede, democratie en de vrije markt echt definitief?" Om vlug het antwoord te geven: neen, onze stabiliteit wordt ten onrechte als iets vanzelfsprekends beschouwd. We zijn vergeten hoe we politiek moeten denken. We zijn vergeten hoe ideeën de wereld kunnen scheppen en verwoesten. Vroeger was dat anders. De twintigste eeuw wordt door Judt "de eeuw van de intellectueel" genoemd: een eeuw vol mannen en vrouwen uit de wereld van de wetenschap, literatuur en kunst die zich erop toelegden de publieke en het overheidsbeleid te bediscussiëren en te beïnvloeden.
De intellectueel was per definitie betrokken, ‘geëngageerd’, meestal bij een ideaal, dogma of project. In landen waar openbare oppositie en kritiek werd onderdrukt namen individuele intellectuelen de rol op zich van woordvoerder van het algemeen belang en het volk, tegen het gezag en de staat. Sommigen wisten niet waarover ze praten (economie, oorlogsvoering), veel legden een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef aan de dag door aan te dringen op het gebruik van geweld. Velen kwamen uit de joodse gemeenschappen in Oost- en Midden-Europa, uit steden en streken die zich in de periferie bevonden. Ooit waren hun boeken verplichte kost voor elke student; nu is het voer voor een klein groepje fijnproevers.Die verdwijning van ‘intellectuelen’ in de eenentwintigste eeuw — op zijn minst: de verdwijning van hun invloed — is nieuw, zegt Judt. De Franse Revolutie greep duidelijk terug op de Verlichting; de bouwstenen van de wereld na 1918 (liberalisme, marxisme, revolutie) kwamen uit de negentiende eeuw. Wat nu wordt herdacht, zegt Judt, zijn vooral grote mannen en grote overwinningen, en "pedagogisch verantwoorde morele gedenkplaatsen": Auschwitz, Goelag, Bosnië. Het probleem is de boodschap: dat het allemaal achter ons ligt. Het zijn selectieve fragmenten uit verschillende culturen die ons niet verbinden met een gemeenschappelijk verleden. En dat in een tijdperk waarin de communicatie en de informatie én de toegang daartoe alsmaar toeneemt. Buiten een kleine elite ontbreekt het aan een gemeenschappelijke cultuur.
In de visie van Judt loopt vooral het marxisme als een dikke aorta door de ideeëngeschiedenis van de twintigste eeuw. Judt legt uit: de conventionele geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw begint met de ineenstorting van de keizerrijken op het vasteland van het continent, in de loop van de Eerste Wereldoorlog. Vanaf de revolutie van Lenin in 1917 maakte een visie school die geleidelijk zou uitgroeien tot wat werd gezien als het enige alternatief voor een groot deel van de beschaafde wereld voor het fascisme. Na de heroïsche strijd in de Tweede Wereldoorlog en het verslaan van het fascisme leek de keuze van de denkende mens zich toe te spitsen op het communisme en de liberale democratie. En wat bleek? Het marxisme oefende een ontzettende aantrekkingskracht uit op de weldenkende, nadenkende intellectueel.
De vergeten twintigste eeuw is zeker voor een kwart een langgerekte portrettengallerij van intellectuelen die zich met het marxisme hebben ingelaten — vaak ook lang nadat de totalitaire excessen in de Sovjet-Unie aan het licht waren gekomen, waarbij Judt zich dan ook telkens afvraagt hoe dat is kunnen gebeuren. Het is een ernstig probleem. Buiten Noord-Korea is er niemand ter wereld van onder de veertig die nog een volwassen herinnering heeft aan hoe het leven in een communistische maatschappij was. Terwijl we de wereld waar wij vanuit het recente verleden zijn voortgekomen slechts kunnen begrijpen als we ons realiseren hoe sterk zulke idealen kunnen zijn.
De aantrekkingskracht die het marxisme die het uitoefende op de beste, slimste mensen heeft verschillende redenen. Judt noemt ze. Het marxisme is om te beginnen een heel groot idee dat alles wil uitleggen en begrijpen, en zoiets spreekt mensen aan die zich met ideeën bezighouden. Sterker nog, stelt Judt vilein, "het was een instrument dat mensen in staat stelde het hele terrein van de geschiedenis en de economie te beheersen zonder zich erin te hoeven verdiepen". Bovendien oefenden ideeën onder het marxisme een soort "institutioneel gezag" uit: de intellectuelen spraken namens het proletariaat en hadden — heel uitzonderlijk — de macht. Daarnaast was het marxisme de onderliggende structuur van een groot deel van de progressieve politiek.
Het marxistische taalgebruik of een taal die op marxistische categorieën parasiteerde heeft vorm en een impliciete coherentie gegeven aan vele uitingen van het moderne politieke protest, van de sociaaldemocratie tot het radicale feminisme.Tot slot is er nog de morele ernst van Marx — de wil om de zaken ten goede te keren: het marxisme was de meest invloedrijke reactie op de tekortkomingen van de kapitalistische samenlevingen en de liberale traditie. Voor joodse intellectuelen uit Midden-Europa na 1945 was er ook de bijkomende noodzaak om, letterlijk, een geheel nieuwe wereld op te bouwen.
We doen er goed aan nog eens terug te blikken op de manie waarop onze voorgangers in de twintigste eeuw reageerden op dilemma’s waarvan vele ook de onze zijn, zegt Judt. We ontdekken dan misschien, net als zij, dat een collectief in stand gehouden stelsel van sociale voorzieningen en een zekere beperking van de ongelijkheid in inkomen en vermogens belangrijke economische variabelen zijn. Die zorgen immers voor de cohesie in de samenleving en het vertrouwen in de politiek die voor een duurzame voorspoed nodig zijn, en alleen de staat heeft de middelen en het gezag om die diensten, voorzieningen en beperkingen uit ons aller naam vorm te geven.
We zijn tegenwoordig geneigd de twintigste eeuw te beschouwen als een tijdperk van politieke extremen, tragische vergissingen en foute keuzes, als een periode van waanideeën waar we nu godzijdank van genezen zijn. Maar leven we nu niet net zo goed naar waanideeën? Hebben wij met onze hedendaagse verering van de particuliere sector en de markt het geloof van een vorige generatie in ‘publiek bezit’, ‘de staat’ en een ‘geleide economie’ niet gewoon totaal in zijn tegendeel laten verkeren? Niets is immers ideologischer dan de opvatting dat alle zaken en elk beleid, zowel publiek als particulier, ten dienste staan van een geglobaliseerde economie met zijn onvermijdelijke wetten en zijn onverzadigbare vraag. Sterker nog, deze aanbidding van de markt en zijn ijzeren wetten vormde ook een van de fundamentele uitgangspunten van het marxisme.Judt spreekt uit ervaring. Aanvankelijk een gepassioneerd links zionist, verloor hij vroeg zijn geloof in het marxisme om in zijn eigen woorden een "universalistisch sociaal democraat" te worden. Het marxisme — niet: het communisme — werd hem met de paplepel ingegoten. Zijn familie was afkomstig uit dat deel van het Oost-Europese jodendom dat de sociaaldemocratie en de Bund (de joodse arbeidersbeweging uit het vroeg-twintigste eeuwse Rusland en Polen) had omarmd, en was anticommunistisch in hart en nieren. Het bolsjewisme was in hun ogen niet slechts een dictatuur, maar bovendien — "en dit was zeker zo ernstig" — een bespotting van het marxisme.
De vergeten twintigste eeuw is ook een post-9/11-boek. Ons tijdsvak heeft met de Koude Oorlog gemeen dat angst nog steeds een belangrijk politiek instrument is, zegt Judt, getuige de recente (het boek dateert uit 2008) obsessie met ‘terroristen’.
Angst is aan het terugkeren als een actief ingrediënt in het politieke leven in westerse democratieën. Angst voor terrorisme natuurlijk, maar ook en misschien wel verraderlijker, angst voor de onbeheersbare snelheid van de veranderingen, angst voor het verlies van werk, angst om in een tijd van steeds ongelijkere spreiding van middelen terrein aan anderen kwijt te raken, angst om de greep op de omstandigheden en routines van het dagelijks leven te verliezen. En daar allemaal wellicht nog bovenuit leeft de angst dat het niet alleen voor onszelf steeds moeilijker wordt om ons leven richting te geven, maar ook de gezagsdragers de greep daarop zijn kwijtgeraakt, en wel aan de machten buiten hun invloedssfeer.Om op dat terrorisme terug te komen: er is ook een belangrijk verschil, volgens Judt. Terrorisme is immers niets nieuws. De middelen zijn nieuw, en de schade die ze aanrichten verschrikkelijk, maar zijzelf is niet nieuw. "We hebben een normaal gesproken alledaagse vorm van politiek gemotiveerd geweld verheven tot een morele categorie, een ideologische abstractie en een wereldwijde vijand".
Slechts weinig democratische regeringen kunnen de verleiding weerstaan om met die gevoelens van angst politiek voordeel te doen. Sommige zijn daar ook al voor door de knieën gegaan, en dan wekt het geen verbazing dat we een opleving zien van belangengroepen, politieke partijen en programma’s die op angst zijn gebaseerd: angst voor buitenlanders, angst voor verandering, angst voor open grenzen en een open communicatie, angst voor de vrije uitwisseling van onwelkome meningen.
Volgens de auteur komt ook dat door het gebruik van twintigste-eeuwse analogieën op plaatsen waar die helemaal niet van toepassing zijn. Een reden temeer om ons te verdiepen in de intellectuele geschiedenis van die eeuw. De illusies en de vergissingen van de Koude Oorlog kunnen ons misschien ook op het gebied van ideologische tunnelvisie nog wel het een en ander leren. Judt citeert Hannah Arendt: "Het grootste gevaar van het erkennen van totalitarisme als dé vloek van de eeuw is de obsessie die dat veroorzaakt en die blind maakt voor de talloze kleine en minder kleine kwaden waarmee de weg naar de hel geplaveid is." Dat gevaar is extra nijpend in Amerika, dat als overwinnaar uit de Tweede Wereldoorlog kwam, waardoor veel Amerikanen van de afgelopen eeuw vooral onthouden dat oorlog werkt.
Persoonlijke appreciatie
De meeste mensen zijn allergisch aan essays. Daarom werd deze bundel door de Nederlandse uitgever in de markt gezet als een 'alternatieve wereldgeschiedenis'. Vreselijke onzin natuurlijk, maar de lezer moet toegeven dat Judt zijn onderwerpen goed weet te kiezen. Komen aan bod: een trits Midden-Europese denkers, het typevoorbeeld van de wereldvreemde professor (en slordig denker bovendien), een paar van de grootste historici, één paus, de nieuwe toekomst van een post-communistisch land (Roemenië), de teloorgang van een welvaartsstaat (Groot-Brittannië), de vechtlust van een wereldmacht (Verenigde Staten) en de belangrijkste geopolitieke splijtzwam (Israël).
Alsof Judt me op mijn wenken wil bedienen nam hij daarnaast een paar stukken over recente Franse geschiedenis op én een informatief profiel van mijn vaderland, België (Judt woonde ooit kort in Zedelgem).
Het boek is, zoals gezegd, nuttig om te begrijpen wat de aantrekkingskracht van het marxisme is (zonder de heilige teksten van Marx zelf te hoeven lezen) en hoe de leer was ingebed in de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis. Veel stukken zijn in feite superieure boekbesprekingen, waarbij een breedbelezen specialist een breedbelezen collega evalueert. Wanneer Judt op de vuist gaat met Eric Hobsbawm is het alsof je naar twee vertoornde goden uit de antieke oudheid zit te kijken: het gebeurt boven je hoofd, je voelt je klein van zoveel eruditie. Onderstaand fragment alléén al — twee zinnetjes op vijfhonderd pagina's — verraadt wekenlange studie.
Tadeusz Borowski is cynisch en wanhopig, Jean Améry is boos en wraakzuchtig, Elie Wiesel spiritueel en bespiegelend, Jorge Semprún is afwisselend analytisch en literair. Het verslag van Levi is complex, gevoelig en ingetogen.Tegelijk blijft Tony Judt de man van de ideeëngeschiedenis; hij is geen dossiervreter die tastbare thema's aanpakt. Door Judt ga je de grote lijnen begrijpen, maar hij offreert weinig munitie om de politieke actualiteit van alledag te doorgronden of te beoordelen. Althans, in dit boek niet.
Niettemin deden veel essays stof opwaaien; na elk opstel verwijst Judt naar de respons en waar die te vinden is. Vooral zijn zeer kritische stukken over Israël werden door joodse intellectuelen (en gelegenheidsbespekers op Amazon) gehaat. Na een essay over de één-staat-oplossing in Israël en Palestina mocht hij zijn boeltje pakken bij The New Republic. Gelukkig kon hij tot zijn dood terecht bij The New York Review of Books — Judt overleed dit jaar op 62-jarige leeftijd aan de gevolgen van ALS.
De vergeten twintigste eeuw is wat er gebeurt als een historicus met een goede pen en een neus voor relevante onderwerpen voldoende publicatieruimte tot zijn beschikking krijgt. Onder deze bespreking volgt dan ook een uitgebreide samenvatting van alle essays uit het boek.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Tony Judt, De vergeten twintigste eeuw : nieuwe wereldgeschiedenis
488 p.
Uitgeverij Contact, 2008
Oorspr. Reappraisals : reflections on the forgotten twentieth century (2008)
Vertaald door Hanneke Bos en Wybrand Scheffer

'Arthur Koestler, de typische intellectueel' behandelt Koestlers verlangen (dat door velen gedeeld werd) naar een nieuwe wereldorde in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Koestler boodt rationalistische kritiek op de marxistisch-leninistische pseudowetenschap. Judt ziet fouten in Cesarini's biografie van Koestler en relativeert diens bezwaren over Koestlers seksuele mores. Hij gaat verder in op Koestlers relatie met Israël ("Hitler had joden de keuze ontnomen al dan niet jood te zijn") en bespreekt de manier waarop Koestler van de showprocessen in The God that failed dialectische conversaties maakt in plaats van de totalitaire martelpraktijken die ze in feite waren.
'De elementaire waarheden van Primo Levi' behandelt Levi's genuanceerde verslag van het leven in de kampen, dat niet altijd in het simpele verhaal over de Tweede Wereldoorlog paste. In de eerste jaren na de oorlog waren Bergen-Belsen en Dachau meer dan Auschwitz de symbolen voor de verschrikkingen van het nazisme, want de nadruk op politieke in plaats van raciale deportaties paste beter in de geruststellende naoorlogse verslagen over nationale verzetsbewegingen in de oorlog. Het beeld van het kamp dat Levi ophing als een verzameling geïsoleerde monaden in plaats van een gemeenschap van slachtoffers oogste kritiek. Judt gaat in op Levi's voorkeur voor de van elke ideologie verstoken scheikunde en zet verschillende schrijvers over de kampen tegen elkaar af: "Tadeusz Borowski is cynisch en wanhopig, Jean Améry is boos en wraakzuchtig, Elie Wiesel spiritueel en bespiegelend, Jorge Semprún is afwisselend analytisch en literair. Het verslag van Levi is complex, gevoelig en ingetogen."
'Het joodse Europa van Manès Sperber' behandelt de keuzes en de intellectuele humus in het leven van de Oostenrijkse-Franse romancier, essayist en psycholoog Sperber. Sperber leefde in het grensgebied tussen de Midden- en Oost-Europese joden, en daardoor begreep hij aan de ene kant de kosmopolitische centrale rol van alles wat Duits was, maar ook de familiale, linguïstische en ceremoniële kracht van een oorspronkelijke, plaatselijke cultuur. De Eerste Wereldoorlog verscheurde Sperbers wereld, letterlijk, want de botsing tussen de Oostenrijkse en Russische legers vond plaats in de omgeving van Zablotow. Als eenzame, bange adolescent verloor Sperber het fundament onder zijn bestaan en vertrok hij naar Wenen. In tegenstelling tot de eveneens Galicisch-joodse schrijver Joseph Roth hield Sperber afstand van Oostenrijk, schrijft Judt, zowel van de werkelijkheid van de mythe. "Roth ging in zijn zoektocht naar assimilatie verder: hij dichtte het keizerrijk in ontbinding een superkosmopolitisme toe dat de verloren joodsheid van hem en anderen zou compenseren, waardoor Oostenrijk-Hongarije een plek voor mensen zonder plek kon zijn. Roth schreef in The emperor’s tomb [De Kapucijner crypte] al dat het werkelijke Oostenrijk niet het land van de Oostenrijkse Duitsers in Graz en Salzburg was, maar het land van de Slaven, de moslims en de joden uit de periferie van het keizerrijk; alleen zij waren de kroon werkelijk trouw. En daar had Roth gelijk in." De oplossing die Sperber voor het dilemma van Roth had, aldus Judt, was niet opnieuw uitvinden van Wenen, maar het verlaten van die stad. In 1927 trok hij naar Berlijn, waar hij lid werd van de Duitse communistische partij. Dat was kenmerkend voor veel Oost-Europese joodse radicalen.
Sperbers gevoel van mislukking over het feit dat hij zich niet bij de pioniers in Palestina had aangesloten overwon hij door zich voor te houden dat het lot van de joden door de komende overwinning van het socialisme bepaald zou gaan worden. Sperber raakte klem tussen zijn afkeer van het nazisme (dat nooit tegen de belangen van het kapitalisme in zou gaan) en zijn teleurstelling in het communisme, en dat leidde bij hem tot zwijgen. Slechts een enkeling (zoals Arthur Koestler en Boris Souvarine) had de morele moed die stilte te doorbreken. Sperber verzette zich tegen de breuk met Duitsland en wilde daardoor maar langzaam het nazisme in volle omvang zien. Net als leninisme, schrijft Judt, heeft het jodendom gevoelsmatig iets absurds. "Zoals het vreemd overkomt dat een piepkleine politieke factie in Rusland historisch gezien het gezag wist te verwerven om het woord namens alle arbeiders ter wereld te voeren, zo is het toch ook wel merkwaardig te denken dat een universele God zichzelf voor de eeuwigheid aan één minuscuul rondtrekkend volkje verplicht heeft."
'Hannah Arendt en het kwaad' bespreekt de twee grote interesses van Arendt: het probleem van politiek kwaad in de twintigste eeuw en het dilemma van de jood in de hedendaagse wereld. Arendt was een Duitse jodin. Net als de Duitssprekende joden in Praag, Wenen en andere steden in het oude keizerrijk waren de joden uit Duitsland anders dan de joden uit het Oosten: door de Duitse Bildung leden zij aan het zelfbedrog dat zij ook Duitsers waren. Judt heeft het over Arendts overschatting van de invloed van ideologie op het individu en haar hooghartige distantiëren van empirische bevestiging voor de theorieën die ze ontwierp. Niet de algemeen historische aanspraken van het marxisme trokken haar aan (dat vereenzelvigde zij juist met het fenomeen totalitarisme) maar de aanval van het marxisme op de kleinburgerlijkheid en de bewieroking van het proletariaat. Arendt ging later het kwaad zien als het gevolg van eenvoudigweg niet dénken — de uitvoerenden zijn alledaagse, banale mensen. Judt acht Arendt zelf indirect enigszins verantwoordelijk voor de recente opkomst van een kritische houding tegenover de Verlichting, "met name in bepaalde Midden-Europese kringen waarin men zich heeft laten verleiden door de post-Heideggeriaanse gedachte dat de zielloze, technologische, ‘maakbare’ samenleving van onze tijd een uitvloeisel is van de goddeloze overmoed van de Franse Verlichting en de navolgers daarvan."
'Albert Camus, 'de beste man in Frankrijk'' lijkt definitief uitsluitsel te geven over wie de meest te prijzen schrijver was, Camus of Sartre. Judt legt uit hoe de autodidactische filosofische bespiegelingen van Camus, bedoeld als weerwoord tegen Sartre, zijn literaire reputatie aantastte. Camus was felgekant tegen het Franse beleid in Frans-Algerije. In de jaren zestig en zeventig, een tijd van modieus anti-humanisme waarin menswetenschappers belangrijker werden dan schrijvers, werd Camus wat vergeten. Recuperatie volgde in de jaren negentig: Camus werd gezien als een morele stem in het aflopende tijdperk-Mitterand, en een pronkstuk in een tijd dat veel literair erfgoed stond te vervallen. In de eind jaren zeventig hadden veel Franse denkers hun steun betuigd aan de repressie in China, Cuba, Cambodja, en rechtvaardigden ze met een stuitende nonchalance deze misdaden. Judt bespreekt De eerste man, Camus' ethiek van beperking en verantwoordelijkheid, en het gevaar van het contact met je wortels kwijt te raken.
'Hersenspinsels: het 'marxisme' van Louis Althusser' bespreekt het à la carte-marxisme van Althusser en de redenen van het succes daarvan in de jaren zeventig. Althusser had Marx aan mootjes gehad en die teksten of delen van teksten die in zijn kraam te pas kwamen eruit gepikt, en daaruit had hij in de woorden van Judt "de meest wonderlijk cryptische, zelfvoldane, ahistorische versie van de marxistische filosofie gefabriceerd die men zich kon denken." Althusser wilde de vroege humanistische geschriften van Marx wegfilteren. Gebruikmakend van een term van de filosoof Gaston Bachelard stelde Althusser dat er halverwege de jaren veertig van de negentiende eeuw een ‘epistemologische breuk’ in Marx' werk had plaatsgevonden. Alles voor de breuk kon genegeerd worden. In het Althusser-jargon werd het marxisme een leer van structuralistische praktijken: economisch, ideologisch, politiek, economisch. Het stond los van de menselijke wil of van menselijk ingrijpen en werd dus ook niet beïnvloed door menselijke zwakte of onvermogen.
Althusser wilde het marxisme eigenlijk in bescherming nemen tegen de twee grootste aanslagen op de geloofwaardigheid van de leer, namelijk de macabare staat van dienst van het stalinisme en het uitblijven van de door Marx voorspelde revolutie. Het was, aldus Judt, Althussers bijzondere verdienste "dat hij het marxisme volkomen uit het gebied van de geschiedenis, politiek en ervaring wist te tillen en het daarmee onaantastbaar maakte voor elke kritiek van empirische aard". Door de invoering van het begrip ‘theoretische praktijk’ werd de aandacht afgeleid van de échte praktijk. Op die manier werd Stalins misdaad niet dat hij miljoenen mensen had vermoord, maar dat hij het marxisme had geperverteerd. Met andere woorden: het stalinisme was gewoon een theoretische vergissing. De mens bleef zo buiten beschouwing, de nadruk op concepten kon overeind blijven. Ook de Franse Communistische Partij minimaliseerde Stalins misdaden, deed ze af als een anomalie die het product was van de cultus rond zijn persoon.
Althusser vermoorde zijn vrouw in een vlaag van verstandsverbijstering — naar eigen zeggen "gaf hij zijn vrouw een nekmassage en ontdekte toen dat hij haar gewurgd had". In het verlengde daarvan bespreekt Althussers narcistische memoires, vol morbide zelfmedelijden en lacaniaanse clichés, geschreven niet om te begrijpen waarom hij zijn vrouw vermoord had, maar om te bewijzen dat hij geestelijk gezond was. Het lag in het verlengde van zijn eerdere werkwijze. "Door een leer te verzinnen waarin de menselijke wil of het menselijk ingrijpen van geen enkele invloed was en theoretische bespiegelingen de ultieme praktijk waren, kon Althusser compensatie vinden voor een leven van sombere, instrospectieve inactiviteit."

'Eric Hobsbawm en de romantiek van het communisme' bespreekt de wijze waarop Hobsbawm ("hij weet niet alleen meer dan anderen historici, hij schrijft ook beter") een marxistisch historicus is, een zelfverklaarde 'Tory-communist'. Het betekent volgens Judt niets anders dan dat Hobsbawm een ‘historische’ of interpretatieve benadering heeft. In Hobsbawms jonge jaren was de stroming die niet het politieke verhaal, maar het bredere perspectief voorstond, die economische verbanden en maatschappelijke gevolgen benadrukte, nog radicaal en iconoclastisch; in Frankrijk hield de Annales-roep van Marc Bloch zich met vergelijkbare veranderingen in het vakgebied bezig. Voor de hedendaagse historicus is deze benadering zo vanzelfsprekend dat ze bijna conservatief is. Judt verwijt niettemin Hobsbawms marxistische afkeer van een niet gereguleerd tegemoetkomen aan eigen verlangens en minachting voor de weinig ontwikkelde, maar economisch ambitieuze dienstverlenende klasse van klerken en verkopers. Hij bespreekt zijn romantisering van de Sovjet-Unie en zijn zwak voor de DDR. Zijn communisme is "een blijvende trouw aan één historisch moment: het Berlijn in de laatste maanden van de Weimarrepubliek".
'In de prullenbak ermee? : Leszek Kolakowski en de marxistische erfenis' bespreekt het werk van Kolakowski, een ex-marxistische katholieke filosoof uit Polen (maar opererend in Engeland) die met Main currents of marxism een uitmuntende driedelige geschiedenis van het marxisme schreef, "een Bildungsroman van een idee" (samenvatting p. 153). Marx is als Duitse schrijver die in het mid-Victoriaanse Londen woonde uiteraard niet verantwoordelijk voor het feit dat zijn leer tot een seculiere religie uitgroeide.
Kolakowski’s these, die in twaalfhonderd pagina’s wordt onderbouwd, is simpel en ondubbelzinnig. Het marxisme moet, zijns inziens, serieus genomen worden: niet om wat het beweerde over de klassenstrijd (wat soms waar, maar nooit nieuw was), niet omdat de onvermijdelijke ineenstorting van het kapitalisme en een door het proletariaat geleide overgang naar het socialisme in het vooruitzicht stelde (een voorspelling die jammerlijk gefaald heeft), maar omdat Marx een unieke, waarlijk originele mengeling van hemelbestormende romantische illusies en een onbuigzaam historisch determinisme heeft afgeleverd.In de visie van Kolakowski onderstreept een paradox de kracht van het marxisme als geloofssysteem: het feit dat de doctrine (die de omverwerping van het kapitalisme door het industriële proletariaat voorspelde) de macht kon grijpen in een achterlijke, goeddeels agrarische samenleving. Tegenwoordig is zo'n op staten gebaseerd socialisme niet meer in de mode. Maar het Sociale Vraagstuk staat nu wel op de internationale agenda, zegt Judt. "Wat in de ogen van de welvaartslanden een wereldwijde economische groei is, is voor miljoenen anderen een verfoeilijke herverdeling van de wereldwijde rijkdom ten behoeve van een handjevol internationals en kapitaalkrachtigen. Een wereldwijde pool van goedkope arbeiders houdt de loonkosten laag en daarmee de winst op peil."
Zo beschouwd is meteen duidelijk wat er zo aantrekkelijk was aan het marxisme. Het bood een verklaring voor hoe de wereld in elkaar zit: de economische analyse van het kapitalisme en de relatie tussen de sociale klassen. Het deed een voorstel voor hoe de wereld eruit zou moeten zien: een ethiek van menselijke relaties, zoals geopperd in de idealistische beschouwingen van de jonge Marx (en in György Lukács’ interpretatie van hem, waarbij Kolakowski zich, in weerwil van zijn minachting voor Lukács’ besmette carrière, grotendeels aansluit). En het verschafte onweerlegbare gronden voor de overtuiging dat de zaken zich inderdaad op die manier zouden voltrekken, dankzij een set aannames over de historische noodzakelijkheid die Marx’ Russische volgelingen uit zijn (en Engels’) geschriften destilleerden. Deze combinatie van economische diagnose, moreel recept en politieke pregnose bleek uitermate verleidelijk, en zeer bruikbaar.
'Een 'paus van ideeën?': Johannes Paulus II en de moderne wereld' gaat onder meer in op de alliantie tusen Johannes Paulus II en de regering-Reagan in de strijd tegen het communisme. De rol van de paus blijkt veel groter dan gedacht. Judt omschrijft Johannes Paulus verder als "de paus van de reconquista", omwille van zijn zendingsdrang in Latijns-Amerika, de VS en de Filippijnen. Intellectueel omschrijft Judt de paus als een overtuigd thomist die zijn begrip van de fundamentele morele waarheden aan het geloof ontleent. Een katholieke fundamentalist was hij, die geen heil zag in oecumene, bevrijdingstheologie of modernisering. Een mysticus, die gekant was tegen materialisme en individualisme en genotzucht en geobseerd was door seks. Ook was hij een Pool, die Polen als de versterkte oostgrens van het Ware Geloof zag.
In twee noten duidt Judt de historische wortels van het Poolse katholicisme. Tegenwoordig zijn vrijwel alle Polen in elk geval in naam katholiek. Men moet echter niet vergeten dat dit samenvallen van de religieuze en de seculiere identiteit, waarvan de Kerk zo dankbaar gebruik heeft gemaakt in zijn strijd tegen het communisme, deels "het werk van de duivel" is geweest, of althans van zijn dienaren. Polen dankt zijn huidige vorm immers aan Hitler en Stalin; tot 1939 beleed nog zo’n dertig procent van de Poolse burgers een ander geloof, en van die groep was een derde joods. De collectieve belijding van het katholicisme in Polen was tot de omverwerping van het communisme niet alleen een uiting van geloof, maar ook een door velen aangehangen vorm van passief verzet tegen de autoriteiten. In de jaren na 1989 zijn de Poolse burgers hun eigen weg gegaan.
'Edward Said, kosmopoliet zonder wortels' bespreekt de twee aspecten van Edward Said, enerzijds de schrijver van Oriëntalisme, een studie over de wijze waarop het moderne Europese denken en de literatuur zich het Oosten hebben toegeëigend — een boek dat een zelfstandige discipline voorbracht — , anderzijds de bekende pleitbezorger voor de Palestijnse zaak. Said wordt volgens Judt ten onrechte gerecupereerd door de cultureel-relativisten die denken dat schrijvers slechts bijproducten zijn van het koloniale privilege, dat auteurs mechanistisch bepaald worden door ideologie, klasse of economische geschiedenis. Al even ten onrechte wordt hij betiteld als een voorvechter van geweld: Saids felste kritiek gold de heersende Arabische regimes. Judt gaat daarna in op de gronden van Saids geloof in een oplossing (van het Palestijns-Joodse vraagstuk) die één staat behelsde.

'De catastrofe: de val van Frankrijk in 1940' bespreekt de rampzalige nederlaag die Frankrijk leed in 1940. Het kostte de Duitse legers slechts zeven weken om Luxemburg binnen te vallen, via de Ardennen naar Frankrijk door te stoten, de Fransen voor zich uit te jagen en samen met de Britse en Belgische troepen bij Duinkerken in het nauw te drijven, een wapenstilstand af te dwingen bij de nieuwe Franse regering van maarschalk Pétain, Parijs te bezetten en een ereparade voor Adolf Hitler op de Champs-Élysées te houden. Judt vergelijkt zijn ideeën over hoe dit is kunnen gebeuren met die van Ernst Bloch en Ernest May. Interessanter is de opmerking dat de Fransen en Duitsers tegenwoordig in vrede naast elkaar leven, elkaar zelfs waarderen elkaar zelfs, maar dit een zeer recente ontwikkeling is. De Fransen hadden tussen 1800 en 1940 immers vijf grote oorlogen uitgevochten: in 1806, toen Napoleon Pruisen een verpletterende nederlaag toebracht bij Jena, tijdens de Pruisische wraakneming in 1813-1815 en nogmaals in 1870-1871, toen de Pruisen hun overwinning beklonken met de proclamatie van het Duitse keizerrijk vanuit het bezette Versailles, daarna weer in 1914-1918 en tenslotte in 1940.
'À la recherche du temps perdu: Frankrijk en zijn verledens' bespreekt het monumentale naslagwerk Les lieux de mémoire (7 delen, 1984-1992) onder leiding van de Franse historicus Pierre Nora, en de gesnoeide Engelse vertaling daarvan. Een team van bijna honderdtwintig wetenschappers zou in honderdachtentwintig artikelen (en evenvele lieux de mémoires) vastleggen wat het betekende Frans te zijn. Voorwaarden voor een lieu de mémoire zijn de wil om te herinneren en een ontwikkeling van de lieu de mémoire door tijd en geschiedenis. De laatste belichaming van eenheid van herinnering en geschiedenis was in de optiek van Nora de natiestaat. Wat we nu herinering noemen, is reeds geheel door de geschiedenis ingenomen: een enorme berg zinloze data, die ongelimiteerd is. De lieux de mémoire zijn losse restjes geschiedenis. Judt voegt daaraan toe dat het niet typisch is voor onze tijd dat we vergeten, wel typisch is de veronachtzaming van de geschiedenis. Elk gedenkteken parasiteert op een veronderstelde historische kennis: niet de gedeelde herinnering, maar een gedeelde herinnering van de geschiedenis zoals deze ons onderwezen is.
Frankrijk was volgens Nora het geknipte land voor zijn project. Frankrijk is niet alleen de oudste nationale staat van Europa, met een ononderbroken traditie van centraal gezag, een nationale taal en openbaar bestuur die minstens teruggaat tot de twaalfde eeuw, het was tot zeer recent ook het West-Europese land dat het minst veranderd was. Les lieux de mémoire kreeg niet toevallig vorm eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, toen de Franse identeitsgevoelens aan een crisis onderhevig waren. Er waren ineens geen traditionele aanknopingspunten meer. Furet trok de Franse Revolutie van zijn voetstuk, het marxisme verloor zijn aantrekkingskracht, het volk koos een socialistische president, het kerkbezoek nam af, en de Fransen werden zich bewust van de gekrompen internationale status van hun land.
Judt bespreekt de keuze van de onderwerpen in de reeks, en de hindernissen die zo'n aanpak met zich meebrengt. Door formele gedenktekens of replica’s van iets wat we moeten gedenken op te richten, lopen we immers het risico dat we nog meer vergeten: het feit dat we symbolen of restanten voor het geheel laten dienen, staat ons toe ons met een illusie in te laten. Wie heeft trouwens het recht een tentoonstelling te ontwerpen, een slagveld een bepaalde betekenis toe te schrijven, de tekst van een sokkel of plaquette te schrijven? Wat belangrijk is in de geschiedenis is een belangrijke oorzaak van burgerlijke verdeeldheid, want wordt gerecupereerd door groepen die in bepaalde feiten hun nationiale, regionale, taalkundige, religieuze, raciale, etnische of seksuele identiteit bevestigd zien.
'De tuinkabouter: Tony Blair en het Britse 'erfgoed' ' gaat in op de ondergang van het oude Labour en de opkomst van Blair. Die was volgens Judt slechts mogelijk door de drievoudige nalatenschap van Thatcher. In de eerste plaats verhief zij de radicale ontmanteling van de publieke sector in de industrie en de dienstverlening, en het ‘geprivatiseerde’ Groot-Brittannië dat ervoor in de plaats kwam en dat Blair zo warm aanprijst, tot norm. In de tweede plaats maakte ze en passant korte metten met de oude Labour Party en verlichtte zo de taak van de mensen die de partij wilden hervormen; Blair hoefde slechts te oogsten wat zij had gezaaid. En in de derde plaats tolereerde de bitse Thatcher geen afwijkende meningen en afvalligheid binnen haar eigen partij, die daardoor uiteenviel en kansloos werd tijdens de verkiezingen. In Londen werkt Blairs nieuwe aanpak, zegt Judt nog, maar de industrie, armoede en klassenstrijd in de rest van het land worden voor het gemak onder de mat geveegd.
'De stateloze staat: waarom België ertoe doet', een stuk uit 1999, stelt het geval België voor als voorbeeld van de risico’s die staten overal ter wereld nu lopen — een kleine, welvarende regio in Noord-West-Europa die toch vele schandalen kent: de dioxinecrisis, witwaspraktijken, omkoping en smeergeld in hoge posities, politieke moorden, ontvoeringen, pedofilie, kindermoord, een incompetent politieapparaat en ambtelijke corruptie over de hele linie. Door deze schandalen scheen het veel Belgen toe dat de staat niet meer bij machte was zijn belangrijkste missie te vervullen: de bescherming van de individuele burger. België wankelt onder politieke en economische krachten die het niet in de hand heeft en zit gevangen tussen een federalistische decentralisatie en ongecoördineerde, incompetente overheidsdiensten die het zonder middelen en respect moeten stellen. Daarmee is het het eerste ontwikkelde land dat écht aan de genade van de globalisering in al haar aspecten is overgeleverd, aldus de diagnose van de auteur. Judt legt in dit essay uit waarom een gebrek aan identiteit nefast is voor een land, en legt de historische wortels bloot van het Belgische identiteitsprobleem.
België is ontstaan als historisch toeval en is niet meer dan een samenraapsel. De staat die in januari 1831 tijdens de Conferentie van Londen aan de Nederlandse heerschappij werd onttrokken, kreeg een kersverse koning uit Duitsland, een grondwet die gemodeleerd was naar de Franse uit 1791 en een nieuwe naam. Een sterk nationaal gevoel is er niet, daarvoor werd het land net iets te veel bezet door vreemde heersers: het huis Valois, de Bourbons, de (Spaanse en Oostenrijkse) Habsburgers, Napoleon, de Nederlanders, de Pruisische Duitsers en Hitler. De loyaliteit aan de stad (zie dertiende eeuw) of de gemeenschap, niet de natie, vormt de kern van wat België anders maakt. Wat het gebrek aan eenheid in België verder in de hand werkt zijn de eeuwige taaltwisten. Lange tijd was Frans en het Franse landsgedeelte dominant:
Het Frans, de hoftaal van de Habsburgse monarchie, werd in de achttiende eeuw de taal van de bestuurlijke en culturele elite van Vlaanderen en Wallonië. Dit proces werd versterkt door de Franse revolutionairen die in de plaats van de Habsburgers kwamen, en hun Napoleontische erfgenamen. De Vlaamse boeren bleven intussen gewoon hun plaatselijke dialect spreken (maar lazen of schreven er minder vaak in). Hoewel ze de taal gemeen hadden, waren de Vlamingen en Hollanders op religieus gebied verdeeld. De Vlaamse katholieken wantrouwden de protestantse ambities van de Nederlandse monarchie, wat bijdroeg tot hun aanvankelijke enthousiasme voor een onafhankelijke Belgische staat. De dominantie van de Franstaligen werd versterkt door de industralisatie van het begin van de negentiende eeuw. Verarmde Vlaamse plattelanders trokken in groten getalen naar Wallonië, naar het centrum van de mijnbouw en staal- en textielindustrie waarop de Belgische welvaart berustte.De macht lag dus tot voor de Tweede Wereldoorlog bij de Franstalige commerciële en industriële bourgeoisie. Na '40-'45 groeiden Vlaanderen en Wallonië alleen nog verder uit elkaar door de besmetting van de Vlaamse zaak door de Tweede Wereldoorlog en door de Koningskwestie. De doodsklap voor het gevoel één natie te zijn was echter de omdraaiing van de economische rollen: Vlaanderen met zijn groeiende dienstverlenende sector werd welvarender dan Wallonië.
Alle oude politieke partijen zijn in België ondertussen opgesplitst langs communautaire lijnen. Het echte gezag berust niet bij de provincies maar bij de regio (urbanisme, milieu, economie, openbare werken, vervoer en externe handel) of bij de taalkundige gemeenschap (onderwijs, taal, cultuur en sommige sociale voorzieningen). De nationale overheid blijft verantwoordelijk voor defensie, buitenlandse zaken, sociale zekerheid, inkomstenbelasting en de (aanzienlijke) staatsschuld; ze bestuurt ook de strafrechtbanken. De Vlamingen eisen nu dat de macht over de belastingheffing, de sociale zekerheid en de rechtspraak naar de regio’s wordt verlegd. Zeven grondswetsherzieningen hebben ervoor gezorgd voor bureaucratische omslachtigheid en een absurde hang naar evenwicht — het is duur om elke dienst, elke lening, elke subsidie, elk bord tweemaal te verschaffen.
Door dit alles is België niet meer één of zelfs maar twee staten, maar een ongelijke lappendeken van elkaar overlappende en duplicerende gezagsorganen. Een regering vormen is moeilijk: het vereist een meerpartijenoverleg binnen en tussen de regio’s, een ‘symmetrie’ tussen nationale, regionale, communautaire, provinciale en lokale coalities, een werkbare meerderheid in de twee voornaamste taalgroepen en taalkundige gelijkheid op elk politiek en bestuurlijk niveau. En als er dan eindelijk een regering is gevormd, dan heeft deze weinig slagkracht, want zelfs het buitenlandse beleid — in theorie de verantwoordelijkheid van de nationale regering is feitelijk in handen van de regio’s, aangezien dit beleid in België vooral om handelsovereenkomsten draait, en die vallen weer onder de regio’s.België wordt vandaag de dag door weinig meer bij elkaar gehouden dan de koning, de munt en de staatsschuld, zegt ook Tony Judt. Dat, en het knagende besef dat het zo niet langer meer kan. Een nalatig centraal gezag zorgt ervoor dat niemand zich voor iets verantwoordelijk voelt, kijk maar naar de ongebreidelde projectontwikkeling in een stad als Brussel. Judt zag — in 1999 — wel hoop. De zuilen raken in verval, schreef hij. Jongere Belgen hebben een minder sektarische kijk op de wereld. De welvaart in Vlaanderen heeft de angel uit de politiek van het taalkundig ressentiment gehaald. Bovendien verbinden de Belgen zich niet meer in alle facetten van hun leven met één partij. De ontkerkelijking, de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en de trek van het platteland naar de steden heeft zowel de katholieke als de socialistische partij verzwakt.
Voor sommige commentatoren mag België dan wel een "postnationaal model" zijn — een vrijwel stateloze samenleving met een zichzelf besturende, tweetalige hoofdstad waar een multinationale beroepsbevolking een groot aantal transnationale organisaties en bedrijven bedient — een overheid moet toch bescherming kunnen bieden aan zijn burgers, hen een gevoel van cohesie geven en een gemeenschappelijk doel dat zich laat verenigen met de instandhouding van civiele en politieke vrijheden. Zeker nu we, aldus Judt, op de drempel van de eenentwintigste eeuw staan, en een tijdperk binnentreden waarin zaken als werkgelegenheid, veiligheid en de burgerlijke en culturele kern van naties blootgesteld zullen worden aan ongekende, ongereguleerde krachten die buiten de controle van de nationale staat liggen.
'Roemenië tussen het verleden en Europa' gaat over het postcommunistische Roemenië. Alleen alleen in Roemenië heeft deze periode tot ernstig geweld geleid. Soepeler dan elders belandden leden van de oude nomenklatoera op invloedrijke posities. De omvorming van een staatsgeleide economie naar een vrije verliep bovendien zeer moeizaam: men greep naar de onmiddellijke bevrediging van het piramidenspel; buitenlandse interesse was schaars wegens de dure sanering van verontreinigd water en vervuilde grond. Er is ook weinig Roemeens zelfonderzoek naar het communistische verleden — hoe het land decennialang door een paranoïde Roemeense communistische partij werd bestuurd, strafkolonies inrichtte, abortus verbood zodat illegale abortus de bijbehorende sterfgevallen toenamen, de economische actoren verplichtte om binnenlands geproduceerde goederen te exporteren, en stedenbouwkundige plannen ontwierp die korte metten maakten met de sociale samenhang.
Het Roemeense oorlogsverleden is al even pijnlijk: veel lokale collaboratie met de Duitsers, met name bij hun plannen om de joden uit te roeien en de late herroeping daarvan door Antonescu (toen hij zich realiseerde dat Hitler de oorlog zou verliezen). De joden waren in de ogen van veel Roemenen de sleutel tot het identiteitsprobleem waarop het land gefixeerd was, een probleem waarvoor volgens Judt de geschiedenis en de geografie in gelijke mate schuld droegen. Roemenië werd overheerst door de drie grote rijken van Oost-Europa: het Russische, het Oostenrijks-Hongaarse en het Osmaanse Rijk. Bovendien had Versailles de Roemenen wraakzuchtige buren en omvangrijke minderheden bezorgd. En ziet, kwalijke ideeën tastten ook de Roemeense intelligentsia aan. Cioran en Eliade waren in de jaren dertig prominente vertegenwoordigers van het Roemeense extreem-rechtse kamp en betuigden actieve steun aan Corneliu Zelea Codreanu’s IJzeren Garde. Mihail Sebastian was een bewonderaar van Nae Ionescu.
Roemenië, schrijft Judt, is niet Midden-Europees in geografische zin; Boekarest ligt dichter bij Istanbul dan enige Midden-Europese hoofdstad. Het maakt evenmin deel uit van Milan Kundera’s ‘Midden-Europa’: voormalige Habsburgse gebieden (Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Galicië), ‘ontvoerde’ stukjes van het Westen die in het Sovjetimperium waren opgenomen. In het land leeft de reële angst dat het land het Aziatische continent in kan glijden. Gelukkig werd Roemenië in 2007 samen met Bulgarije tot de EU toegelaten.
'Een duistere overwinning: Israël en de Zesdaagse Oorlog' en 'Het land dat niet groot wilde worden' bespreken de grote geopolitieke invloed van de verpletterende overwinning van Israël in de Zesdaagse Oorlog. In 1967 bevocht en versloeg Israël de gecombineerde legermacht van Egypte, Syrië en Jordanie in een van de kortste oorlogen uit de moderne geschiedenis, waarmee het zich een positie als regionale supermacht verwierf en voorgoed een andere wending gaf aan de politiek in het Midden-Oosten. Vóór de Zesdaagse Oorlog had Israël een ander beeld van zichzelf, en de wereld had een ander beeld van Israël. De staat Israël mag vóór 1967 klein en belaagd zijn geweest, hij werd niet algemeen gehaat, zeker niet in het Westen. Negentien jaar na zijn geboorte was het land nog doordesemd van zijn oorsprong in het arbeiderszionisme van rond 1900. De enige leiders waren Russische en Poolse immigranten uit de eerste jaren van de twintigste eeuwen. De overgrote meerderheid van de huidige Israëlitische staatsburgers was nog niet geboren. Het was de tijd van de kiboetsen, op communistische leest geschoeide gemeenschappen. Gesprekken over uitbuiting waren bon ton, Arabieren kwamen in deze wereld nauwelijks aan bod. Het was, kortom, een Europees land. De Zesdaagse Oorlog zou dit — en de perceptie van Israël door het Westen — compleet veranderen.
Tegen de tijd dat een land de leeftijd van achtenvijftig bereikt zou het, net als de mens, een zekere mate van volwassenheid bereikt moeten heben. Na bijna zes decennia te hebben geleefd weten we tegen wil en dank wie we zijn, wat we gedaan hebben en hoe anderen ons zien, inclusief al onze gebreken. We geven ons rekenschap, met hoeveel tegenzin of hoe bedekt ook, van onze vergissingen en tekortkomingen. En hoewel we af en toe nog steeds illusies koesteren over onszelf en onze vooruitzichten, zijn we inmiddels wijs genoeg om te beseffen dat het voor het merendeel inderdaad illusies zijn. Kortom, we zijn volwassen geworden.
Maar de staat Israël is merkwaardig onvolwassen gebleven (temidden van de democratieën-westerse-stijl zelfs als enige). De maatschappelijke veranderingen in het land — en zijn economische prestaties — hebben niet de politieke wijsheid gebracht die meestal met de jaren komt. Van buitenaf gezien gedraagt Israël zich nog steeds als een puber: verteerd door een breekbaar vertrouwen in zijn eigen uniekheid, ervan overtuigd dat niemand het ‘begrijpt’ en iedereen ‘tegen’ is, één en al gekwetste ijdelheid, snel beledigd en snel beledigend. Als zoveel pubers is Israël ervan overtuigd — en laat dat ook herhaaldelijk en agressief merken — dat het zijn eigen gang kan gaan, dat zijn acties geen gevolgen hebben en dat het onsterfelijk is.

'Een Amerikaanse tragedie? - Het geval Wittaker Chambers' bespreekt de rol van dit voormalig communistisch partijlid in de zaak tegen Alger Hiss. Hiss was betrokken bij de stichting van de Verenigde Naties maar werd in 1948 door Chambers beschuldigd een Sovjet-spion te zijn. Judt geeft een goed beeld van Amerika onder het McCarthyisme.
'De crisis: Kennedy, Chroestjov en Cuba' biedt Judts visie op de Cubacrisis.
'De illusionist: Henry Kissinger en het Amerikaanse buitenlandbeleid' is een recensie van een boek van William Bundy, waarin deze vernietigend is voor de mythe van de strategische originaliteit en zelfs genialiteit van het Amerikaanse buitenlandbeleid in het tijdperk-Nixon (zie p. 380).
'Wiens verhaal is het? - de Koude Oorlog in retrospectief' is een recensie van een boek van John Lewis Gaddis over de Koude Oorlog. Judts verdict: Gaddis' kennis van de geschiedenis van het Amerikaanse buitenlandbeleid gaat jammer genoeg niet vergezeld van een vergelijkbare deskundigheid op het gebied van de bronnen en de psychologie van het strategische denken in de Sovjet-Unie. Het boek bevat ook belangrijke omissies: met name de werkzaamheden van het Congress for Cultural Freedom (CCF), met personaliteiten als Franz Borkenau, Karl Jaspers, John Dewey, Ignazio Silone, James Burnham, Hugh Trevor-Roper, Arthur Schlesinger, Jr., Bertrand Russell, Ernst Reuter, Raymond Aron, Alfred Ayer, Benedetto Croce, Jacques Maritain, Arthur Koestler, James T. Farrell, Richard Löwenthal, Robert Montgomery, Melvin J. Lasky, Tennessee Williams en Sidney Hook.
Formeel gezien begon de Koude Oorlog in de tweede helft van de jaren veertig, maar we kunnen de intensiteit en de langdurigheid ervan slechts begrijpen als we inzien dat de oorsprong veel verder terug lag. De confrontatie tussen het leninistische communisme en de westerse democratieën dateert van 1919, en in de landen waar het communisme onder de intellectuele elite en de plaatselijke arbeidersbewegingen aansloeg (zoals Tsjecho-Slowakije, Frankrijk en India) is het voor een goed begrip beter de periode wat binnenlandse zaken betreft van de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren tachtig te beschouwen. In de Sovjet-Unie zelf werden de beginselen voor de omgang met ‘bourgeoisdemocratieën’ niet in de jaren veertig, maar al in de jaren twintig bepaald.'Het zwijgen van de lammeren: over de vreemde oorlog van liberaal Amerika' stelt de vraag waarom de liberale intellentsia (en vooral liberaal Amerika) zich zo makkelijk neerlegde bij het rampzalige buitenlandbeleid van president Bush; waarom we zo weinig hoorden van de liberalen over Irak, Libanon of Iran en de voortdurende aanvallen op de burgerrechten en het internationale rechtssysteem. Judt denkt aan Michael Ignatieff, Leon Wieseltier, David Remnick, maar ook aan buitenlandse waarnemers als Adam Michnik, Václav Havel en André Glucksmann. De positie van de liberale intellectueel is nu grotendeels ondergebracht bij een bewonderenswaardig bataljon van onderzoeksjournalisten die de onderste steen boven proberen te krijgen, schrijft Judt, met voormannen als Seymour Hersh, Michael Massing en Mark Danner.
Judt legt die laksheid uit als een verwatering van de Democratische partij en algemener als een gevolg van de verloren illusies van de generatie van de jaren zestig. Alle jeugdige energie wordt tegenwoordig gewijd aan de verwerving van materiële en persoonlijke zekerheden. Judt verwijt de liberalen een vertekend wereldbeeld. Ze zien de oorlog in Irak "als een schermutseling op weg naar een nieuwe wereldconfrontatie vergelijkbaar met het gevecht van hun grootouders tegen het fascisme en de houding van liberale ouders tegenover het internationale communisme tijdens de Koude Oorlog". Ook deze keer liggen de kaarten duidelijk: de wereld is ideologisch verdeeld.
Zoals de westerse bewonderaars van Stalin zich na de onthullingen van Chroestjov minder opgewonden uitlieten over zijn misdaden dan over het feit dat hij het marxisme in opspraak had gebracht, zo richten de intellectuele aanhangers van de oorlog in Irak, onder wie en andere hoofdrolspelers binnen de Noord-Amerikaanse liberale gevestigde orde, hun bedenkingen niet op de rampzalige invasie zelf (die zij allemaal steunden), maar op de incompetente uitvoering ervan.'De goede samenleving: Europa tegen Amerika' gaat over de oordelen en vooroordelen van Europa en Amerika over elkaar. Over hoe het laatkapitalistische partnerschap tussen Europa en Amerika is verworden tot een Atlantische kloof. Judt bespreekt drie boeken en brengt feitenmateriaal in, over productiviteit, welvaart en welzijn. In Judts optiek is de Europese Unie niets anders dan een voor het grootste gedeelte onbedoeld resultaat van tientallen jaren onderhandelen door West-Europese politici, die proberen de belangen van hun land en hun markt te beschermen en te bevorderen. De grootste dillema's van het oude continent zijn volgens Judt de vijandschap tussen de oorspronkelijke bevolking en een snel groeiende islamitische minderheid. Judt gaat ook in op Timothy Garton Ash’s pleidooi voor een nieuw Atlantisch bondgenootschap.
'De wederopstanding van het Sociale Vraagstuk' neemt het troosteloze Franse plaatsje Longwy als uitgangspunt. Judt denkt daar na over de reden waarom in regio's als deze, tot voor kort bastions van links, extreem-rechts nu de grootste lokale partij is. Het vrije verkeer van mensen, geld en goederen heeft dit stukje postnationale mondiaal Europa geen welvaart opgeleverd, klinkt het. Judt verwijt links visieloosheid, al blijft hij van de weeromstuit steken in algemene vaststellingen. Net zoals vroeger kan alleen de staat de voorzieningen en voorwaarden leveren dankzij welke de burger een goed of bevredigend bestaan kan nastreven, zegt hij. Daar is niets aan veranderd, hoewel die voorwaarden verschillen van cultuur tot cultuur. De nadruk kan bijvoorbeeld liggen op de burgerlijke vrede, of op solidariteit met de minderbedeelden, op openbare voorzieningen van infrastructurele of culturele aard, op de leefbaarheid van de omgeving, op gratis gezondheidszorg, op goed openbaar onderwijs. Wat links moet leren beseffen, schrijft Judt, is dat mannen en vrouwen in onzeker werk, immigranten met onvolledige burgerrechten, jonge mensen zonder vooruitzicht op werk voor de lange termijn en het groeiende aantal daklozen en mensen met ontoereikende huisvesting géén randverschijnsel zijn dat moet worden aangepakt en opgelost, maar een harde, fundamentele kwestie vertegenwoordigen.
____

3 reactie(s):
The economic consequences of the peace - Keynes
The ideas that conquered the world : peace, democracy, and free markets in the twenty-first century - Mandelbaum
Essays in understanding 1930-1954 - Arendt
Promise and fulfillment - Koestler
Spanish testament - Koestler
The scum of the earth - Koestler
Arrow in the blue - Koestler
The invisible writing - Koestler
The God that failed - Koestler
Arthur Koestler : the homeless mind - Cesarini
Arrival and departure - Koestler
The thirteenth tribune - Koestler
Shane - Jack Schaefer
Primo Levi : tragedy of an optimist - Anissimov
Remorques - Vercel
Conversations with Primo Levi - Camon
In praise of antiheroes : figures and themes in modern European literature 1830-1980 - Brombert
Foregone conclusion : against apocalyptic history - Bernstein
This way for the gas, ladies and gentlemen - Boroswski
Par-delà le crime et le châtiment - Améry
Night - Wiesel
Literature or life - Semprún
Wie eine Träne im Ozean - Sperber
The case of comrade Tulayev - Serge
Etre juif - Sperber
Imperialism - Hobson
Die Akkumulation des Kapitals - Luxemburg
Origins of totalitarian democracy - Talmon
Anatomy of the Nuremberg trials - Taylor
The truants : adventures among the intellectuals - Barrett
Between friends : the correspondence of Hannah Arendt and Mary McCarthy
Arendt, Camus, and modern rebellion - Isaac
L'opium des intellectuels - Aron
Brood en wijn - Silone
L'ere des ruptures - Daniel
Interesting times : a twentieth-century life - Hobsbawm
Our age : English intellectuals between the world wars - Annan
The burden of responsibility : Blum, Camus, Aron, and the French twentieth century - Judt
The trial of the dinosaur and other essays - Koestler
Polémiques - Aron
Journey into the whirlwind - Ginzburg
My correct views on everything - Kolakowski
Chrétiens sans église - Kolakowski
God owes us nothing : a brief remark on Pascal's religion and on the spirit of jansenism - Kolakowski
Marxism and the leap to the kingdom of freedom : the rise and fall of the communist utopia - Walicki
Capitalism, socialism, and democracy - Schumpeter
German social democracy 1905-1917 - Schorske
Marxism : an historical and critical study - Lichtheim
Karl Marx : his life and thought - McLellan
Karl Marx : his life and environemt - Isaiah Berlin
Caviar and ashes - Shore
Essais sur la condition juvie contemporaine - Aron
D'une sainte famillie à l'autre : essais sur les marxismes imaginaires - Aron
The intellectuals on the road to class power - Konrad en Szelényi
Jan Waclaw Machajski : a radical critic of the Russian intelligentsia and socialism - Shatz
In defense of globalization - Bhagwati
Karl Marx and world literature - Prawer
His holiness : John Paul II and the hidden history of our time - Bernstein en Politi
The mind of John Paul - Huntston Williams
Culture and imperialism - Said
From Oslo to Iraq - Said
Notes on nationalism - Orwell
Humanism and democratic criticism - Said
The wretched on the earth - Fanon
The politics of dispossession : the struggle for Palestinian self-determination 1969-1994 - Said
A history of modern Palestine : one land, two peoples - Pappe
Elvis in Jerusalem - Segev
Étrange défaite - Marc Bloch
Strange victory : Hitler's conquest of France - Ernest May
Past imperfect : French intellectuals 1944-1965 - Judt
Paths to war : new essays on the origins of the second world war - Boyce en Robertson (eds.)
The popular front and Central Europe : the dillemas of French impotence 1918-1940 - Jordan
How war came - Cameron Watt
To lose a battle : France 1940 - Horne
Un mythe politique : 'la république juvie' - Birnbaum
The Franco-Prussian war : the German invasion of France 1870-1871 - Howard
The snows of yesteryear - Rezzori
Nationalist ideology and antisemitism : the case of Romanian intellectuals in the 1930s - Volovici
Fantasies of salvation : democracy, nationalism, and myth in post-communist Europe - Tismaneanu
The quality of witness : a Romanian diary 1937-1944 - Dorian
We now know : rethinking cold war history - Gaddis
A tangled web : the making of foreign policy in the Nixon presidency - Bundy
The transformation of European politics 1763-1848 - Schroeder
Totalitarianism : the inner history of the cold war - Gleason
America and the intellectual cold wars in Europe - Berghahn
The United States of Europe : the new superpower and the end of the American supremacy - Reid
The European dream : how Europe's vision of the future is quietly eclipsing the American dream - Rifkin
Free world : America, Europe and the surprising future of the West - Garton Ash
Bringing the empire back home : France in the global age - Lebovics
The end of the nation-state – Guéhenno
En verder:
Alexander Wat
Alva Myrdal
Annie Kriegel
Anthony Blunt
Antonio Labriola
Boris Souvarine
Christopher Hill
Claude Roy
E.P. Thompson
Eduard Bernstein
Edward Shils
Eric Voegelin
Ernest Gellner
François Fejtö
François Furet
Frans Borkenau
Franz Neumann
George Lichtheim
Guy Burgess
Hans Sahl
Irving Howe
Isaac Deutscher
Jacques Maritain
Jean Jaurès
Kaizmierz Kelles-Krauz
Karl Kautsky
Karl Korsch
Kot Jelenski
Lucien Goldmann
Ludwik Krzywicki
Margarete Buber-Neumann
Max Adler
Melvin Lasky
Michael Polanyi
Nicola Chiaromonte
Otto Bauer
Ralf Dahrendorf
Raymond Williams
Rudolf Hilferding
Sidney Hook
Stanislav Brzozowski
Wolfgang Leonhard
Een reactie plaatsen