dinsdag 28 september 2010

De verbouwing - Jean-Paul Dubois

Cirkelzaag, vlakschuurmachine, betonmolen, pijpsleutel, oogjestang: de charme van dit boekje zit voor mij nog het meest in alle vaktaal. Voor de rest is De verbouwing de voorspelbaarheid zelve. Jean-Paul Dubois, die omwille van betere boeken weleens gelinkt wordt aan John Updike en Philip Roth, laat zijn hoofdpersoon erfgenaam worden van een huis dat opgeknapt moet worden. Dus krijgen we een pleiade van onbekwame stielmannen te verstouwen.

Ze slaan spijkers krom, zagen planken scheef door, laten schroeiplekken en drupsporen na, en vooral: ze laten de kosten de pan uitswingen. In Groot-Brittannië zijn dit soort verhalen uitgegroeid tot een volwaardig genre, al spelen die boekjes zich altijd in Andalusië af. Clue: als de ingehuurde krachten verdwenen zijn, blijkt er een en ander niet pluis. De autochtonen hebben het altijd gedaan.

Als ik de hotelschakelaar in de woonkamer omzette, ging er ook één geïsoleerd licht achter in de gang aan. De schakelaar in de badkamer bediende eveneens de afzuigkap in de keuken. In mijn werkkamer daarentegen moest ik gelijktijdig drie schakelaars bedienen om ergens licht te krijgen.
Waarna er een nieuwe lichting handige handen moet komen om de boel recht te zetten. Wat dan natuurlijk niet gebeurt.

Vaak komen de stielmannen per twee en laat Dubois ze een komisch duo vormen. De werf wordt opgefleurd met foto’s uit de Pirelli-kalender, het gereedschap van de eigenaar aangeslagen. Het zware werk kan beginnen — altijd met veronachtzaming van eerder geleverd werk.
In de bouw, namelijk, koesteren de beoefenaren van de verschillende disciplines een even onverklaarbare als onuitroeibare minachting voor elkaar. In de ogen van de stukadoor is de metselaar een schooier en de plaatwerker een schurk. De verwarmingsinstallateur kijkt neer op de schoorsteenveger, die weer niets moet hebben van de voeger. De elektricien, irritant elektron, op zijn beurt ziet de schilder niet staan, die vaak weer de wind van voren krijgt van de tegelzetter. De timmerman voor het grove werk is maar een ongelikte beer in de ogen van de timmerman voor het fijnere werk, die door de dakdekker als nietswaardig wordt beschouwd, terwijl de zinkwerker, albatros van de daken, geen goed woord overheeft voor de loodgieter, ongrijpbare rioolrat van het leidingsysteem.
Jean-Paul Dubois schrijft zijn ellende echter met zoveel zelfmedelijden op, dat het de lezer afstoot. De verbouwing is verstoken van goede ideeën. Dubois perst, maar er komt niets uit. Hij maakt gewag van "een Himalaya-hoog plafond", de kostenramingen "vallen even hoog uit als het bnp van Nicaragua" en een transistorradio op het dak wordt een "alkalische muezzin" genoemd.

De beste bladzijden bevatten portretkunst. Dan laat de schrijver iets zien: mensen bij wie je je iets kan voorstellen. Het verhaal van de kleurenblinde huisschilder is aardig. Een fanatiek katholiek houdt bidsessies op de werf. En dan is er nog ene meneer Harang.

Ondanks het feit dat ik me er ongemakkelijk bij voelde noemde Émil Harang me altijd ‘meester’. Hem een aanspreektitel te laten gebruiken die meer in overeenstemming was met mijn bescheiden positie, daarvan kon geen sprake zijn.
‘Waarom “meester”? Aha. Zodra ik u zag, wam!, toen dacht ik: die man is een meester. Ja ja ja. Dat kwam meteen bij me op. En ik vergis me nooit.’
Meester, die titel had hij me eens gegeven en meester zou ik blijven tot in lengte van dagen. In aanwezigheid van andere werklui of van leveranciers werd de situatie ronduit gênant. Of de bezoekers zagen me aan voor een ex-advocaat die zich had bekeerd tot de vitaliserende maoïstische leerstellingen die het ‘terug naar de werkplaatsen en velden’ predikten, of ze veronderstelden de hemel mag weten welke op dominantie gebaseerde verhouding in de twijfelachtige dialectiek meester-slaaf.
(…)
Ik mocht Harang wel. De manier waarop hij werkte was tamelijk grillig maar vindingrijk. Hij had altijd wel een goed idee achter de hand, een slimmigheid waarmee tijd of een paar meter leiding werd uitgespaard. Hij had een hekel aan geld uitgeven, aan verspillen, aan dingen aanschaffen. Hij hield niet van wat nieuw was en had in zijn busje een enorme kist vol gebruikte, uitgeteste en schoongemaakte onderdelen.
‘Nulgroei, meester, nulgroei!’ Dat was zijn prijzenswaardige obsessie. Het ongeremde fanatisme van de consumptiemaatschappij een halt toeroepen. Ritselen. Recyclen. Repareren. Telkens als hij erin slaagde een van zijn vondsten toe te passen kwam hij met zijn altermondialistische mantra: ‘Nulgroei!’

Maar ook hier wordt retoriek verward met humor. Een hardnekkige Franse kwaal.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jean-Paul Dubois, De verbouwing : hoe een Fransman zijn geduld verliest
158 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. Vous plaisantez, monsieur Tanner (2006)
Vertaald door Marianne Kaas

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails