maandag 20 september 2010

Boze geesten - Fjodor M. Dostojevski

Wie Dostojevski leest, gaat een wereld binnen van heilige dwazen, woeste revolutionairen en toornige patriarchen. In Boze geesten is dat niet anders. Toch werd dit niet het vakantieboek waarop ik zo op had gehoopt. Waar De rechtvaardigen — het toneelstuk van Albert Camus geïnspireerd op dit boek — een wonder is van economie, heeft Dostojevski zijn roman aangelengd met uitwijdingen en nevenplots die niet ter zake doen. Onmogelijk om gefocust te blijven.

Waarom lezen we Fjodor Michajlovitsj Dostojevski? Omdat hij als weinig andere schrijvers personages kan scheppen die helemaal opgaan in hun ideeën. Iemands wereldbeschouwing is bij deze schrijver letterlijk een zaak van leven en dood en dat levert een ongeëvenaard spektakel op. Het melodrama, de vele rolberoertes en Dostojevski's vlucht in panslavische religiositeit neem je op de koop toe.

Dostojevski maakt altijd indruk, zoals een krachtpatser altijd indruk maakt. Boze geesten telt zevenhonderd bladzijden en dat zijn zevenhonderd bladzijden puur: voor de eerste keer valt me op hoe weinig beschrijving Dostojevski voor een negentiende-eeuwer opneemt in de tekst. Weinig over het uiterlijk van mensen, zo goed als niets over het interieur. Er wordt alleen maar gepraat, getwist en luidop nagedacht.

Ik ken de wordingsgeschiedenis van Boze geesten niet — Coetzee's De meester van Petersburg schijnt daarover te gaan — maar ik vermoed dat Dostojevski de namen van zijn personages over een blad verdeelt en dan pijltjes trekt: die moet nog met die praten, en die met die. Vijf personages levert dan al tien combinaties en confrontaties op, à raison van vijftien pagina's elk. Er worden dus vele, vele bezoekjes afgelegd in Boze geesten. Soms loopt iemand twee, drie huizen af — drie staties — baggerend door de modder en de avondlijke nevel van het stadje waar het verhaal speelt.

Ik las Boze geesten in de eerste plaats om te kijken of het boek relevant was om het hedendaagse terrorisme te begrijpen. Daarom was ik teleurgesteld dat de strikt politieke discussies minder talrijk waren dan gedacht. Er is veel gedoe met vrouwen dat het verhaal niet vooruit helpt, en Dostojevski vindt ook geen manier om het abstracte doelwit van de revolutionairen — 'de maatschapij' en de 'wantoestanden' daarin — tastbaar te maken. Op een bepaald moment laat hij zeventig arbeiders op straat komen, maar de lezer komt nooit echt aan de weet waarom.

Zeker in de eerste tweehonderd bladzijden is Dostojevski druk doende met het schetsen van de voorgeschiedenis van alsmaar nieuwe personages. De lezer heeft van zijn kant de grootste moeite om de basisgegevens van het verhaal te rangschikken en met elkaar in verband te brengen. Hij trekt streepjes naast belangwekkende discussies, omcirkelt namen die mogelijks een belangrijke rol kunnen spelen. En toch, na tien uur ploegen en ploeteren bekruipt hem nog veel te vaak de vraag: waarom lees ik dit? Probeer ook maar eens de onmogelijke nuances te volgen die Dostojevski aanbrengt. Welke acteur kan een regieaanwijzing als dit naspelen:

Op de avonden echter, dat wil zeggen in het priëel, begon zijn gelaat als het ware onwillekeurig een grillige en ironische uitdrukking aan te nemen, iets behaagzieks en tevens hooghartigs.
Dostojevski heeft dus een beperkte waarde om het hedendaagse terrorisme te begrijpen. Daarvoor is hij te veel geworteld in de negentiende eeuw. Czesław Miłosz zag in Boze geesten wel een roman waarin de spirit achter de Russische Revolutie werd voorspeld. Dat lijkt me juist. Wie de blinde haat kent tegen iemand als Trotski — ook nu nog, op marxistisch-leninistische weblogs — herkent daarin de berekening waarmee de terroristen van Dostojevski een afvallig lid monddood maken en trouw zweren aan de orthodoxie van hun idealen.
Niemand zal het in zijn hoofd krijgen, iemand van ons te verdenken, vooral niet als jullie je behoorlijk weten te gedragen; zodoende hangt alles dus in hoofdzaak af van jullie zelf en van je volledige overtuiging, waarin jullie, naar ik hoop, morgen versterkt zullen worden. Daartoe, onder andere, hebben jullie je dan ook aaneengesloten tot een afzonderlijke organisatie, tot een vrije vereniging van gelijkgezinden, om in het belang van de algemene zaak aldaar, op een gegeven moment, van je energie mee te doen en, zo nodig, elkaar in het oog te houden en te bespieden. Ieder van jullie is een hogere verantwoording schuldig dan gewone mensen. Jullie zijn geroepen, een gemeenschap, die aan ouderdomszwakte lijdt en door stilstand begint te stinken, te vernieuwen; houdt dat steeds voor ogen ter aanmoediging. Jullie hele streven moet er voorlopig op gericht zijn, dat alles ineenstort: het rijk en zijn moraal.
Historische achtergrond: een generatieconflict
Boze geesten
speelt in het milieu van de Russische intelligentsia. Tijdens de negentiende eeuw drongen vanuit het westen heel wat nieuwe ideeën in Rusland binnen onder de leuzen vrijheid, gelijkheid en broederschap van de Franse Revolutie. Russische hervormers discussieerden over het lot van de mensheid en zonnen op manieren om verlichting te brengen voor Rusland. Ideologie groeide uit tot de nieuwe religie: God mocht dan wel dood zijn, de mens zou Zijn plaats innemen. De nieuwe ideeën werden bij voorkeur ontleend aan het socialisme en liberalisme.

Het bleef niet bij theorieën. Er bewoog ook werkelijk wat in de Russische maatschappij. In 1861 werd het lijfeigenschap afgeschaft, wat toegejuicht werd als de bevrijding van de boeren. Vroeg in Boze geesten geeft Dostojevski een mooi beeld van deze wankele epoche.
Men sprak over het afschaffen van de censuur en van bepaalde letters, over het vervangen van de Russische lettertekens door Latijnse, over iemand die de vorige dag in ballingschap was gestuurd, over een schandaal in de Passage, over het nut van een verdeling van Rusland volgens zijn volksstammen in vrij federatief verband, over het afdanken van leger en vloot, over het herstel van Polen tot aan de Dnjepr, over de bevrijding van de boeren en de proclamaties, over het afschaffen van erfrecht, familie, kinderen en geestelijken, over vrouwenrechten (...), enz. enz.
Bij wijze van tegenstem introduceert Dostojevski later in het boek, omstreeks pagina 500, een gek die op een groot literair festival het podium beklimt en zijn wantrouwen tegen de nieuwe gang van zaken uitschreeuwt.
Steeds meer universiteiten werden geopend. Het exerceren werd een legende; er kwam gebrek aan officieren; duizenden kwam men er te kort. De spoorwegen verslonden alle kapitaal en bekleedden Rusland als met een spinneweb, zodat men over vijftien jaar misschien overal heen zal kunnen reizen. Bruggen verbranden nu nog maar zelden, maar steden verbranden regelmatig, op hun beurt, in vaste volgorde, in het brandseizoen. De rechtbanken geven Salomons-oordelen en de juryleden laten zich alleen nog maar omkopen door de strijd om het bestaan, als ze op het punt staan, van honger om te komen. De vrijgekomen lijfeigenen tuigen nu elkaar met sokken af in plaats dat zoals vroeger hun grootgrondbezitters het doen. Zeeën en oceanen van wodka worden gedronken tot steun aan de staatskas en te Nowgorod heeft men tegenover de oude en onnutte Sofiakerk plechtig een kolossale bronzen bal geplaatst als gedenkteken aan de verstreken duizend jaar van wanorde en anarchie. Europa’s hemel betrekt en het begint weer ongerust te worden… Vijftien jaar van hervormingen! Maar inmiddels is Rusland nog nooit, zelfs in de bespottelijkste periode van zijn wanorde, zó diep…
De negentiende-eeuwse hervormers wilden de armoede uit de wereld hebben. Daarom pleitten ze voor gemeenschappelijk bezit; liefdadigheid was toch maar een sussende, contraproductieve bourgeois-reflex. Hun idee van vooruitgang was gebaseerd op de trias verstand, wetenschap en techniek. De conservatieve, religieuze, slavofiele Dostojevski had uiteraard lak aan de hervormers, die geen eerbied toonden voor familie, huwelijk, tradities, aristocratie, wetten, regering, moraal, godsdienst en de tsaar. Omdat ze zo systematisch de grondslagen van de samenleving ondermijnden, deed Dostojevski hen af als nihilisten. Voor hem vormden ze een ras van ordinaire criminelen, dieven, plunderaars, brandstichters, moordenaars en zelfmoordenaars. Tegelijk bekritiseerde hij fel de conservatieve elite, die alles maar liet begaan en geen passend antwoord vond op de opmars van de nieuwlichters.

Boze geesten was in feite Dostojevski's antwoord op Vaders en zonen (1862), de beroemde roman van Toergenjev over het nihilisme. Toergenjev had naar Dostojevki's smaak in de figuur van Bazarov een veel te romantisch beeld opgehangen van het nihilisme. Toergenjev wordt door Dostojevski in Boze geesten dan ook geregeld te kakken gezet (zie o.a. p. 90 en 386) in de figuur van Semjón Jegórowitsj Karmazinów, een praatjesmaker van een schrijver, die ook door de verteller meermaals op de hak wordt genomen.

Concrete aanleiding voor Dostojevski om de roman te gaan schrijven was een politieke moord in 1869. In een Moskous park werd door een revolutionaire cel van 'De vergelding van het volk' een student uit de weg geruimd die een politiespion zou zijn. De moord werd door de publieke opinie streng veroordeeld omdat de student een vriend bleek van de samenzweerders. De samenleving daverde op zijn grondvesten: blijkbaar gingen deze jonge revolutionairen echt over lijken.

Dit gegeven krijgt in Boze geesten gestalte in de vorm van 'het Genootschap', een schimmige, paranoïde organisatie die tot doel heeft de maatschappij via allerlei acties (brandstichting, pamfletten, opruiing van arbeiders) te ontwrichten, maar ook het vermoorden van afvalligen binnen de eigen rangen niet schuwt. Een van de ex-leden, Ivan Sjatow, wordt als een spion beschouwd die op het punt staat het ondergrondse vijftal aan te geven — daarom moet hij geliquideerd worden. Pjotr Werchowenski, de drijvende kracht achter de revolutionairen, beslist zonder veel boe of ba over diens leven en dood.

Een van de aardige aspecten van Boze geesten is de manier waarop Dostojevski het sfeertje van intimidatie en onderlinge verdachtmaking vormgeeft. Medeplichtigheid aan het beramen van de moord en het bloed van Sjatow, dienen als kleefstof om de groepjes aan elkaar te plakken.
- Als iemand van ons wist, dat een politieke moord werd beraamd, zou hij die dan gaan aangeven, met alle gevolgen voor ogen, of zou hij thuis blijven en de dingen op hun beloop laten? Hier kunnen de opvattingen uiteenlopen. Het antwoord op deze vraag zal duidelijk maken of we uiteen moeten gaan of tezamen kunnen blijven, en dan geenszins alleen voor deze avond. Staat u me toe, dat ik me het eerst tot u wend, richtte hij zich tot de manke.
- Waarom juist het eerst tot mij?
- Omdat u erover bent begonnen. Weest u zo goed, er niet omheen te draaien, aan handigheidjes hebben we hier niets. Maar overigens zoals u wilt; ’t is uw vrije verkiezing.
- Neemt u me niet kwalijk, maar een dergelijke vraag is niets minder dan beledigend. - Neen, ik wilde graag een duidelijker antwoord van u hebben.
- Ik ben nog nooit agent van de geheime politie geweest, meneer, sprak de ander nog ontwijkender.
- Doet u me een genoegen, duidelijker, houdt u ons niet op.
De manke meneer werd zo boos, dat hij helemaal geen antwoord meer gaf. Zwijgend keek hij met een nijdige blik van onder-op naar zijn kwelgeest.
- Ja of neen? Zoudt u aangifte doen of zoudt u geen aangifte doen? riep Werchowenski.
- Natuurlijk niet! riep de manke nog eens zo hard.
- En niemand zou het doen, natuurlijk niet, klonken verscheidene stemmen.
Ook ingenieus is hoe Dostojevski zich bedient van omissies. De precieze aard van de revolutionaire club blijft duister — ook voor de meeste leden zelf. De leiders stellen het graag voor alsof Rusland een eindeloos net van revolutionaire knooppunten is. Elk cel afzonderlijk stelt zich in dat scenario tot taak om proselieten te winnen, de invloed van plaatselijke machthebbers te ondermijnen, misverstand, cynisme en schandalen in de hand te werken, en de dorst naar beters te verspreiden. Maar telt Rusland echt "duizenden kernen" van staatsgevaarlijke elementen? Of hebben we gewoon te maken met zeven "hangoren van tweeëntwintig jaar"? Bestaat de centrale instantie die betrekkingen heeft met de socialistische Internationale in Europa écht?

Net als in De gebroeders Karamazov (en Toergenjevs Vader en zonen) is een generatieconflict een belangrijk structurend element in Boze geesten. De vertelling pendelt voortdurend tussen twee generaties revolutionairen. Stepan Werchovenski en Warwara Stawrogina vertegenwoordigen de oudere generatie keetschoppers (ca. 1840), die hun idealen hebben verloochend en inmiddels zijn teruggevallen op een braaf burgerbestaan. Hun leventje wordt opgeschrikt als hun zonen in het stadje (een provinciestadje in de omgeving van Sint-Petersburg) arriveren. Pjotr is de zoon van Stepan en zal zich zoals gezegd ontpoppen tot een meedogenloze manipulator. Nikolaj is de zoon van Warwara (én de geestelijke zoon van Stepan, zijn vroegere leraar) en wordt door Pjotr als bendeleider gebombardeerd, hoewel Pjotr aan de eigenlijke touwtjes trekt. Om uiteenlopende motieven is deze nieuwe generatie revolutionairen (ca. 1860) uit op de vernietiging van de wereld van hun ouders. De oude generatie, van haar kant, schrikt van zoveel daadkracht.

Voeg daarbij nog de morbide zelfmoordkandidaat Kirilow en je hebt de vijf belangrijkste personages die samen het hele ideologische spectrum van het laat-negentiende-eeuwse Rusland (en de daarbij horende chaos) belichamen. [Zie onderaan deze recensie voor een profiel van alle personages in het boek, kenmerkende citaten incluis.]


Still uit Charles Dizenzo's toneelstuk The possessed, naar Camus' bewerking van Boze geesten. Opgevoerd aan Yale University in 1974, met onder meer Christopher Lloyd en (niet op de foto) Meryl Streep. [via]

Lezen in Boze geesten: verloop en hoogtepunten
Wie uit is op leesplezier kan Boze geesten alleen maar een monsterachtige mislukking vinden. Honderd bladzijden lang denk je dat Dostojevski vreselijk traag op gang komt (zelfs naar zijn normen). Om dan langzaam te beseffen dat dit gewoon het verteldebiet is van het hele boek.

De eerste driehonderd pagina's trekt de lezer zich vooral op aan de mysterieuze figuur van Stawrogin, Dostojevski's knuppel in het hoenderhok. Hij zet de andere personages te kijk met zijn spottende levenshouding. Hoogtepunt van zijn "onlesbare dorst naar contrast, die duistere achtergrond van het schilderij, waartegen hij schittert als een diamant" is allicht de relatie die hij aanknoopt de zwakzinnige Maria, een schepsel dat door iedereen met de nek wordt aangekeken.

In twee Tarantineske scenes in de eerste helft van het boek (p. 211- en 294-) incasseert hij onbewogen een muilpeer van Sjatow (diens vrouw Maria Sjatowa heeft een verhouding gehad met Stawrogin in Parijs) en stelt hij zich nauwelijks te weer waneer hij tot een schietduel wordt uitgedaagd nadat hij sociëteitsbestuurslid Gaganow in zijn kuif heeft gepikt. Het is trouwens diezelfde Stawrogin die Sjatow waarschuwt dat het Genootschap hem wil vermoorden.
- Ziet u, strikt genomen behoor ik niet eens tot dat genootschap, ik heb er ook vroeger niet toe behoord en ik heb veel meer recht dan u, hun de rug toe te keren, omdat ik geen lid ben. Integendeel, van meet af aan heb ik verklaard, dat ik niet hun kameraad ben, en als ik ze terloops weleens heb geholpen, heb ik het veeleer gedaan uit gebrek aan andere bezigheid. Ik heb ten dele geassisteerd bij het reorganiseren van het genootschap volgens een nieuw systeem, dat is alles. Maar zij hebben zich nu bedacht en in zichzelf overlegd, dat ook ik niet zonder gevaar kan worden losgelaten, en naar het schijnt, sta ik ook al in het verdoemboekje.
- O, bij hen is het al doodvonnissen, wat de klokt slaat, en allemaal volgens de voorschriften, op gestempelde formulieren, die worden ondertekend door drie man en een paardekop! En u gelooft, dat ze ertoe in staat zijn!
Later, rond bladzij 400, geeft Stawrogin ineens nuttige adviezen aan Pjotr Werchowenski over hoe je een revolutionaire cel samen kunt houden. Pjotr houdt er een strikte verdeel-en-heers-hiërarchie op na met secretarissen, voorzitters, penningmeesters en administrateurs, en speelt in op het gemoed van de leden, hun dromen, idealen en schaamte. Stawrogin komt met een solider plan.
Al die bureaucratie en sentimentaliteit — dat is een heel goed kleefmiddel, maar er bestaat nog een iets beter kunstje: haalt u vier leden van de groep over om nummer vijf van kant te maken, doordat u ze op de mouw speldt dat hij ze anders zou aanbrengen, en op slag kunt u ze allemaal met vergoten bloed als met een enkele knoop aan elkaar binden. ’t Zullen uw slaven worden, ze zullen niet in verzet durven komen of rekening en verantwoording vragen. Ha-ha-ha!
Wat ook indruk maakt in de eerste driehonderd bladzijden zijn de zelfmoordtheorieën van Kirilow (p. 119, 245). Door zijn ratio te gebruiken probeert deze krankzinnige man zijn angst voor de dood te bezweren. De logica: als een steen als een berg op je valt, doet dat dan nog pijn? Neen. Toch zal iedere grote geleerde, de knapste dokter vreselijk in angst zitten. Pijn is dus een vooroordeel. De steen doet geen pijn, maar de angst voor de steen doet pijn. Op dezelfde manier is God de pijn van de doodsangst. Wie pijn en angst overwint, zal dus zelf een god worden. Kirilow, blijkt later, wordt door de andere revolutionairen vooral als een nuttige idioot beschouwd, van wie de doodsverachting nog goed van pas kan komen.

Tussen bladzijde driehonderd en vijfhonderd wordt de paranoia in het stadje opgevoerd. Een luitenant blijkt politieke pamfletten in zijn zak te hebben zitten. Misschien circuleren dat soort geschriftjes ook wel op de fabriek van Sjpigoelin, "een broeinest van cholera" waar vijfhonderd arbeiders werken! De geest van Alexander Herzen lijkt overal. Daarnaast is er de narcistische gouverneursvrouw Joelia die de voorbereidselen treft voor een groot feest en tegen de zin van haar man ook allerlei potentiële oproeikraaiers uitnodigt met wie ze het goed kan vinden. (Uiteindelijk zal het feest katalysator, dekmantel en rookgordijn worden voor allerlei onheil dat door de revolutionairen wordt aangericht.)

Pas vanaf pagina 380 komt er wat vaart in het complot dat de revolutionairen beramen tegen hun voormalige lid Sjatow. Dit thrillerelement helpt de gemiddelde lezer ontegensprekelijk om het einde van het boek te halen. Dostojevski schuwt de truken van de foor ook niet om bij die lezer grotere betrokkenheid bij het slachtoffer op te wekken: Sjatow krijgt een kindje ("een nieuwe geest volledig, voltooid en wel, zoals geen mensenhand er een kan maken").

De lezer krijgt de laatste honderd bladzijden nog twee hoogtepunten, wat mij betreft: hetgeen met Sjatow gebeurt in het park ("een zeer somber oord", p. 619); en de confrontatie tussen Kirilow en Pjotr Werchowenski (p. 631), die de zelfmoordenaar net voor zijn dood de schuld op zich wil laten nemen in een schriftelijke verklaring.
- Ik ben verplicht, mijzelf dood te schieten, omdat het hoogste punt van de vrije wil hierin bestaat — zichzelf het leven te benemen.
- Wel, u is toch niet de enige, die zich van kant maakt; er zijn heel wat zelfmoordenaars.
- Uit een oorzaak. Maar zonder enige oorzaak, uitsluitend om de vrije wil te tonen — alleen ik.
De roman kent een lyrisch maar ongeloofwaardig slot — een christelijke catharsis die herinneringen oproept aan Misdaad en straf. De titel Boze geesten verwijst niet toevallig naar een van de motto's van de roman, een passage uit de Bijbel waar Lukas (8:32-36) vertelt over de duiveluitdrijving door Jezus. Jezus drijft de boze geesten van een man uit naar een kudde zwijnen; de zwijnen stormen het meer in en verdrinken. De passage verzinnebeeldt de aftermath van Boze geesten.
Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan, daarin te varen. En Hij stond het hun toe. En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen; en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk. Toen de herders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en berichtten het in de stad en op het land. En de mensen liepen uit om te zien, wat gebeurd was; en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, en zij werden bevreesd. En zij die het gezien hadden verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was.
Vroeger werd Boze geesten in het Nederlands (net als in het Engels) ook uitgebracht als Demonen of zelfs De bezetenen. In zijn recente vertaling koos Hans Boland voor Duivels. Dat is zeker te rechtvaardigen, gezien alle staande uitdrukkingen in de roman die Hans Leerink al enkel met duivel kon vertalen: "uitgekookte duivel", "Alle duivels!", "Loop naar de duivel", "De drommel mag weten wat die duivelen in hun schild voeren".

Die verouderde vertaling van Leerink deerde me trouwens niet. Ware het niet dat een of ander kieken in mijn bibliotheekexemplaar elke tweede t had doorstreept in 'litterair'. Met balpen.

(Gelezen tussen 3 en 7 augustus 2010.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Fjodor M. Dostojevski, Boze geesten
785 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1959
Oorspr. Бесы (1872)
Vertaald door Hans Leerink



Voor de figuur van Pjotr Werchowénski [cf. infra] heeft Dostojevski zich laten inspireren op Sergei Netsjajev, student in de theologie en volgeling van Bakoenin, die het principe van zijn leermeester, dat van de 'destructie als creatieve passie' toepaste in zijn Catechismus van een revolutionair uit 1868. Hij betoogde daarin dat het doel de middelen heiligde — met inbegrip van chantage en moord.


De belangrijkste personages in
Boze geesten
[accent aigu op de klemtonen]:

Stepán Trofímowitsj Werchowénski vertegenwoordigt de oudere generatie revolutionairen. Hij is een francofiele aristocraat die zich vanuit zijn comfortabele maatschappelijk positie het air van revolutionair aanmeet. Hij is 53 jaar oud, pleger van een ridicule eindverhandeling, gerateerde schrijver en een "volwassen kleuter" die zich laat onderhouden door Warwara Stawrogina. Vroeger was hij als een vaderfiguur voor haar zoon Nikolaj Stawrogin. Twee maal getrouwd, maar nu weduwnaar. Pjotr Werchowenski is de zoon uit zijn eerste huwelijk, een jongen waar hij nooit veel naar om heeft gekeken. Zijn inkomsten haalt hij uit het begeleiden van studenten. Waant zichzelf een staatsgevaarlijk denker (in werkelijkheid wordt hij door de hardliners uitgelachen wanneer hij laarzen minder waard acht dan Poesjkin). Dostojevski gebruikt het netwerk van Stepan Werchowenski om de personages van zijn roman aan elkaar te linken. Werchowénski staat voor het type liberale hervormer uit de jaren veertig van de negentiende eeuw, die Dostojevski verantwoordelijk acht voor de nihilistische generatie uit de jaren zestig.

Warwára Petróvwna Stawrógina is een generaalsweduwe die Werchowénski onderhoudt en bijgevolg onderdanigheid van hem verlangt. Warwara is de moeder van Nikolaj Stawrogin. Hoewel schatrijk meet ze zich een links-revolutionair imago aan. Vroeger zijn Stepan en Warwara samen naar Sint-Petersburg gereisd om zich op de nieuwe ideeën te werpen, zich aan te sluiten bij de vernieuwers en relaties aan te knopen met de hoogste kringen. Maar ze werden door het milieu uitgespuwd als te reactionair. Terug in de provincie kneedt Warwara Werchowénski volgens haar beeld, tot in zijn kleding toe.
Deze kroes is nuttig, omdat je er water in kunt doen; dit potlood is nuttig, omdat er je ermee kunt schrijven, maar daar [Sixtijnse Madonna] zie je alleen maar een vrouwegezicht, dat minder waard is dan welk ander levend gezicht in de natuur ook. Probeert u eens een appel te tekenen en legt u er een echte appel naast — welke zult u dan nemen? U zult zich beslist niet vergissen. Dit is, wat er overblijft van al onze theorieën, zodra het licht erop valt van het vrije onderzoek.
Iwán Sjátow is geboren als lijfeigene van Warwara. Na zijn studententijd werd hij huisleraar van een koopman. Aanvankelijk was hij toegetreden tot de rangen van de nihilisten-socialisten, omdat ook hij zijn geloof kwijtraakt. Tijdens een reis door de Verenigde Staten heeft hij echter het leven van de Amerikaanse arbeiders bestudeerd (p. 144), om tot de conclusie te komen dat ze er nog veel erger aan toe zijn dan de Russen. Daardoor heeft hij zijn vroegere socialistische opvattingen achter zich gelaten en ingewisseld voor een leven als pleitbezorger van Rusland en de Grieks-orthodoxe godsdienst. Wie niet orthodox is, kan in Sjatows ogen geen Rus zijn. Het Rooms-katholicisme is geen zuiver christendom meer, want streeft naar wereldlijke macht. Voor zijn denkbeelden baseert Sjatow zich op de geschiedenis: alle grote volkeren — joden, Grieken, Romeinen en Fransen — hadden een onvoorwaardelijk geloof in de eigen God, de eigen waarheid, het eigen gelijk en verwierpen alle andere goden zonder enig voorbehoud. Nu is Rusland bestemd om de wereld te vernieuwen en de tredden.

Sjatow staat voor de gemiddelde slavofiel. Hij meent dat geen enkel volk is georganiseerd op basis van wetenschap en verstand. "Verstand en wetenschap hebben in het leven der volkeren altoos, zowel thans als sinds de oudste tijden, slechts een tweederangs en diende functie vervuld; die zullen ze ook blijven vervullen tot het einde der tijden." En: "Het verstand is nog nooit bij machte geweest, goed en kwaad te omschrijven of zelfs maar het goede van het kwade te onderscheiden, zij het ook slechts bij benadering; integendeel, het heeft ze altijd jammerlijk en miserabel door elkaar gehaald; de wetenschap immers gaf slechts plompe uitspraken." De afvalligheid van Sjatow is Werchowenski reden genoeg om hem te vermoorden. Hij doet het de rest van de revolutionaire cel voorkomen alsof Sjatow hen allemaal wil aangeven.

Nikoláj Wsewolódowitsj Stawrógin is de enige zoon van Warvara Stawrogina, een knappe en intelligente jongeman met een prinselijk voorkomen. Stawrogin kent god noch gebod en bezondigt zich aan bandeloos gedrag en onverklaarbare brutaliteiten. Verhalen over losbandigheid in Sint-Petersburg, Frankrijk en Zwitserland snellen hem vooruit. Stawrogin laat niemand in het boek onberoerd. Hij doet Stepan Werchowenski (zijn vroegere leraar) denken aan prins Harry, die in Henry IV streken uithaalt met Falstaff, Poins en mrs. Quickly. Door Pjotr Werchowenski wordt Stawrogin gezien als de ideale leider van zijn revolutionaire clubje. Sjatow stelt zich vragen bij Stawrogins gedrag.
Is het waar, dat u heeft verzekerd, dat u geen onderscheid in schoonheid weet tussen de een of andere wellustige, beestachtige streek en onverschillig welke heldendaad, al was het er een, waarbij men zijn leven opoffert voor het mensdom? Is het waar, dat u in die beide uitersten dezelfde schoonheid en een soortgelijk genot beweerde aan te treffen?
Stawrogin is echter meer een showman, een provocateur dan iemand met rechtlijnige politieke ideën. Sleutelmoment is zijn (aanvankelijk door Dostojevski's uitgever gecensureerde) biecht bij bisschop Tichon. Daar bekent hij dat hij een klein meisje uit een volksbuurt heeft verleid en haar tot zelfmoord heeft bewogen. Zeker in het eerste deel van de roman is Stawrógin door zijn ongrijpbaarheid het meest fascinerende personage. Hij sleept een man aan zijn neus door de kamer, kust andersmans vrouw op een feestje, bijt in het oor van de gouverneur, laat zich een oorvijg van de jaloerse Sjatow welgevallen en huwt voor de grap de zwakzinnige Maria (die hij later laat ombrengen door de gewezen dwangarbeider Fedjka).

Pjotr Stepánowitsj Werchowénski is de ware nihilist in de roman, de meest actieve onruststoker en een genadeloze idealist. Hij is 27 jaar oud en het enige kind van Stepan Werchowenski. Hij streeft niets minder na dan de volledige vernieting van de oude maatschappelijke orde. Het doel is om op de ruïnes van de oude wereld een nieuwe wereld te laten ontstaan — een nieuwe wereld waarvan hij overigens geen duidelijke voorstelling heeft. Hij rekent erop dat Nikolaj na de vernietiging op zal staan om als een revolutionaire Jezus de overlevenden te redden. Voor de figuur van Pjotr Werchowenski heeft Dostojevski zich laten inspiren op Sergei Netsjajev, student in de theologie en volgeling van Bakoenin, die een principe van zijn leermeester, dat van "de destructie als creatieve passie" toepaste in zijn Catechismus van een revolutionair uit 1868. Hij betoogde daarin dat het doel de middelen heiligde — met inbegrip van chantage en moord. Een jaar later vermoordde Netsjajev een van zijn kameraden omdat hij de bevelen niet had uitgevoerd. Pjotr Werchowenski zal in Boze geesten Sjatow laten ombrengen.

Alekséj Nílyitsj Kirílow is bouwkundig ingenieur en een nihilistische gek. De uitoefening van de vrije wil is voor hem het hoogste. Daarom wil hij om revolutionaire redenen zelfmoord plegen. Een man kan in zijn optiek pas echt vrij zijn als hij vrij is van doodsangst, zo luidt de redenering, en alleen door jezelf van kant te maken kan je je boven je doodsangst zetten. Er is geen God, maar in de ultieme zelfgekozen daad wordt de mens God. Kirilow brengt zijn dagen door met tobben en gymnastiek. Hij is zowat het enige personage dat de aandacht opeist van de makkelijk door mensen verveelde Stawrogin. Een paar van de beste hoofdstukken bestaan uit conversaties tussen de twee. Kirilov zal later een rol spelen in De mythe van Sisyphus, het vertoog van Albert Camus over het absurde.

Sjigálew is de ideoloog van het Genootschap en de enige met een samenhangend nihilistisch verhaal. Hij wil niet, zoals de anderen, het oude klassenverschil tussen aristocratie en volk wegnemen; vertrekkend van de onbeperkte vrijheid komt hij immers tot de onbeperkte dictatuur (zie p. 418-428). Als definitieve oplossing stelt hij voor om de mensheid in twee te verdelen: 10 procent van de mensen kunnen vrij beschikken over de overige 90 procent. Deze laatsten moeten werken, volstrekt gehoorzamen, hun persoonlijkheid verliezen en terugkeren naar de oorspronkelijke onschuld van het aards paradijs. In de kudde is gelijkheid, want allen zijn slaven en in die slavernij aan elkaar gelijk.

Het Sjigalevisme is een zeer materialistische leer ("We hebben een ambacht geleerd, iets anders hebben we niet nodig"). Het heeft geen behoefte aan genialiteit, beschaving, familie of liefde en laat een ongekend zedenbederf toe. Hoogbegaafde mensen zoals Cicero, Copernicus en Shakespeare brachten immers meer verderf dan nut. (432-439). Sjigálews Nietzscheaanse ideeën avant la lettre doet denken aan deze van Raskolnikov uit Misdaad en straf en Ivan uit De gebroeders Karamazov.

Tichon is de bisschop die de biecht van Stawrogin aanhoort. Hij krijgt van Stawrogin een brief te lezen waarin deze een zedenmisdrijf met een minderjarig kind bekent. Uiteindelijk krijgt Stawrogin geen vergeving van Tichon: de bisschop verdenkt Stawrogin ervan verliefd te zijn op zijn eigen psychologie, en zich vast te klampen "aan elk detail om de lezer maar in verbazing te brengen door zóveel gevoelloosheid en schaamteloosheid die hem misschien helemaal niet eigen zijn".
Dit document [de brief] is volgens mij een pathologisch produkt, een produkt van de duivel, die deze heer in zijn macht had. Het doet denken aan een zieke, die erge pijn heeft en in zijn bed ligt te woelen omdat hij een houding wil vinden, die hem een ogenblik verlichting geeft. Zelfs verlichting geeft het hem niet, maar althans vervangt het, al is het maar voor een ogenblik, zijn vorige pijn door een andere. Zo iemand let natuurlijk niet op de schoonheid of redelijkheid van zijn houding. De grondgedachte van het document is een hartstochtelijke, ongekunstelde behoefte aan straf, een behoefte om gekruisigd, om publieke terechtgesteld te worden.
Anton Lavrentevich G—V is de verteller van Boze geesten. Een mistige figuur wiens naam we pas laat in het boek aan de weet komen, uit de mond van zijn goede vriend Stepan. Hij neemt deel aan een paar bijeenkomsten; verdere wetenswaardigheden hoort hij uit de mond van andere personages of zijn transcripties van algemene geruchten die de ronde doen in het stadje. Soms is wat hij vertelt zelfgebrouwen speculatie. Pagina 477 is exemplarisch voor de toon van dit heerschap.
In elke overgangsperiode komt dit uitvaagsel naar boven, dat zich in iedere samenleving bevindt, en niet alleen zonder enig doel, maar zelfs zonder een spoor van gedachte te hebben, en dat er uitsluitend uit alle macht naar streeft, onrust en ongeduld te verpersoonlijken. Dit gespuis, inmiddels, komt, zonder het zelf te weten, bijna altoos onder het commando te staan van dat kleine groepje ‘leiders’, die een bepaald doel voor ogen hebben, en dit stuurt al dat uitvaagsel, waarheen hen wil, als het tenminste zelf niet uit volslagen idioten, hetgeen overigens ook voorkomt. Zo zegt men thans bij ons, nu alles achter de rug is, dat Pjotr Stepanowitsj geleid werd door de Internationale, en dat Pjotr Stepanowitsj zelf weer Joelia Michajlowna leidde, die op haar beurt naar zijn bevel allerlei gespuis de richting aangaf.
Antons eigen motieven en bijdrage aan de voortgang van het verhaal zijn vaag; de lezer kan hem niet eens onderbrengen in de oude (jaren zestig) dan wel jonge (jaren veertig) groep revolutionairen.

Andrej Antonovitsj Von Lembke is de provinciegouverneur en belichaamt de makke autoriteiten die zich geen raad weten met staatsgevaarlijk extremisme. Lembke moet de vriendschap tussen Pjotr Werchowenski en zijn vrouw gedogen. Pogingen om Pjotr een hak te zetten, lopen op niets uit.
Met de onschuldige bedoeling, hem door zijn liberalisme te ontwapenen, had hij hem zijn particuliere geheime verzameling laten zien van alle mogelijke socialistische proclamaties, Russische en buitenlandse, die hij zorgvuldig bewaarde sinds 1859, niet als liefhebber van zulke dingen, maar eenvoudig als leerzame curiositeit. Pjotr Stepanowitsj, die wel kon raden wat zijn bedoeling was, had lompweg opgemerkt, dat in één regel van sommige dier proclamaties meer verstand was te vinden dan in onverschillig welke gehele kanselarij, “de uwe trouwens niet uitgezonderd”.
Lembke had een scheef gezicht getrokken.
Jóelia Michájlowna von Lembke is de eerzuchtige gouverneursvrouw die iedereen wil verenigen in verafgoding van haar eigen persoon. Ze probeert aristocraten te verzoenen met revolutionaire socialisten. In haar salon vertroetelt ze de jonge revolutionairen en denkt ze zo te kunnen weerhouden van de afgrond. Pjotr Verchovenski wordt haar grote gunsteling en heeft zo’n grote invloed op haar dat het voor spanningen zorgt binnen haar huwelijk met de gouverneur. Belangrijkste wapenfeit van Joelia is het groot feest dat ze organiseert ten voordele van een liefdadig doel, maar uiteindelijk allerlei gepeupel aantrekt dat de boel in het honderd wil doen lopen.

Maria Timofeevna Lebjádkin is de kreupele, zwakzinnige vrouw van Stawrogin. Haar broer, kapitin Lebjakin, is een gewezen officier met een drankprobleem die geregeld stennis schopt en ondoordachte uitspraken doet. Broer en zus Lebjadkin waren haveloze zwervers toen ze Stavrogin leerden kennen in Sint-Petersburg. Maria werd een tijdje in een klooster ondergebracht, kreeg een aanzienlijk jaargeld van Stavrogin en raakte verwikkeld in zijn hartstochten.

Sergéj Wasíljewitsj Lipóetin is gouvernementsambtenaar. Hij staat bekend als een liberaal en atheïst. In de bijeenkomten met Werchowenski is hij de graag geziene roddelaar van de bende.

Fedjka is een dwangarbeider die weg is kunnen komen uit Siberië. In een vroeger leven was hij een lijfeigene van Pjotr Werchowenski. Voor een aanzienlijke soms gelds is Fedjka tot veel bereid, ook tot moord, waardoor hij door het Genootschap wordt ingehuurd. Stawrogin huurt hem in om zijn zwakzinnige vrouw en haar broer te vermoorden.

____

3 reactie(s):

tom zei

Puike bespreking. Zelf vond ik de vier grote romans van Dostojevski zo overdonderend dat ik het moeilijk gevonden zou hebben om er achteraf veel zinnigs over te vertellen. Het helpt als je zijn romans met de nodige zin voor humor (klinkt contradictorisch, ik weet het) benadert en een zekere smaak hebt ontwikkeld voor absurditeiten. Vooral deze roman en De Idioot zijn uit hun voegen barstende gekkenhuizen waarin ik het ondanks alles fijn vertoeven vond :-) De dolle opeenvolging van revolutionaire stromingen en de bijbehorende stoet van halvegare revolutionairen bij de Russen in de tweede helft van de 19e eeuw wordt trouwens treffend beschreven in het boek van Orlando Figes over de Russische revolutie. De werkelijkheid was nog waanzinniger dan Dostojevski hier doet vermoeden ... De roman van Coetzee over Dostojevski vond ik ook de moeite al is mijn geheugen wat dat boek betreft aan opfrissing toe ... Hint hint ...

Achille van den Branden zei

Ik heb voor deze bespreking wel een paar wiki-bladzijden nodig gehad als skelet. Helemaal van nul beginnen is onbegonnen werk bij de grote Dostojevski's. Trop is te veel.

Die dikke Figes staat al langer op mijn verlanglijstje. Had 'm voor volgend jaar gepland. Dat alles nog gekker was dan hier beschreven, maakt me wel héél nieuwsgierig. Dank voor de tip.

Coetzee ging ik toevallig al vrijdagavond lezen. Bespreking waarschijnlijk ergens in de loop van volgende week.

'De idioot' las ik vorige zomer. Bespreking zou nog voor het einde van het jaar moeten komen.

'Misdaad en straf' en 'De gebroeders Karamazov' (geleden van mijn studententijd) herinner ik me inderdaad als heel wat strakker gecomponeerde boeken.

'Misdaad en straf' blijft mijn favoriet. Een van mijn favoriete boeken ooit.

tom zei

'Misdaad en straf' is ook een van mijn persoonlijke favorieten en heb ik ook in mijn studentenjaren gelezen, zoals dat hoort ... Nu, een jaar of vijftien later, zou het boek misschien niet meer zo'n grote impact hebben. De Gebroeders Karamazov heb ik pas een paar jaar geleden gelezen, als laatste van de grote vier, maar zou ik ook zo in mijn top 10 of 15 aller tijden pleuren ...

Related Posts with Thumbnails