dinsdag 7 september 2010

Blijven kijken - Abram de Swaan

Abram de Swaan behoort tot Nederlands grootste sociologen, en is niet toevallig gevormd door het oeuvre van Norbert Elias. De Swaan houdt er ook aan van de universitaire olympus af te dalen, zich te profileren als publieke intellectueel en zijn geoefende blik te exploiteren in columns en zeer leesbare essays, reden waarom hij in 2008 de P.C. Hooftprijs ontving. De Swaan staat voor: scherpe blik, brede blik, simpele pen — "Hoe kan ik dit licht genoeg beschrijven?"

Blijven kijken is een bundeling, en lang niet de eerste, van columns die eerder verschenen in NRC Handelsblad. Een hele mooie, gevarieerde verzameling is dit. Een boek dat je opzadelt met een instant-definitie van wat een goede non-fictieschrijver is: iemand die ook beter kan schrijven over iets waar hij niet voor doorgeleerd heeft dan de specialisten van dat vakgebied doen.

Zo heeft Abram de Swaan een stukje over kitschliteratuur dat nogal wat wollige essays over hetzelfde onderwerp overbodig maakt. Aan de hand van een paar regels van J. Bernlef ('Modern times') licht hij toe wat het verschil is tussen literatuur en litrak — literaire muzak.

Modern times

Zelfs een transistor
is stilte
als je hem afzet.
Dat wordt versimpeld en verfraaid tot:
Vandaag de dag

Pas als je de radio afzet,
kun je genieten
van die heerlijke stilte
overal om je heen.
Er ontbreekt nog iets aan deze omzetting: rijm.
Aan de jeugd van tegenwoordig

Van de radio geniet je,
klank en zang zo zoetgevooisd,
maar aan ’t einde van het liedje
is de stilte toch het mooist.
Misschien zijn de stadscolumns me wel het liefst in deze bundel. Voor een socioloog is kuieren door de moderne grootstad evengoed veldwerk. Daarbij haalt De Swaan het ook makkelijk van een collega-observator als Martin Bril, omdat hij de tafereeltjes waar zijn oog op valt in een groter verband kan plaatsen. Van Bril kan je je ook wel voorstellen dat hij iets zou schrijven over zwarte hangjongeren, tuk op merkkledij. Maar je hebt de soepele eruditie nodig van een De Swaan om het fenomeen tongue-in-cheek te kunnen omschrijven als "een onteigening van de middenklasse door militanten uit de onderklasse: niet van de productiemiddelen maar van de consumptiegoederen".

Het "wederzijdse negeren" is voor De Swaan een basisvaardigheid voor een stedeling. Elke buurt, elke volksgroep, elk gezin heeft zijn eigen mores, die ze alleen maar serieus kunnen nemen als ze de ogen sluiten voor de manier van doen van andere mensen. In die zin is het stadsleven één groot volkstoneel, "een reeks gelijktijdige voorstellingen, elk met een eigen bezetting en een apart scenario".

Dat negeren gaat prima. De meeste mensen zijn goed in staat datgene te vermijden wat hen voor een moreel dilemma zou plaatsen, zegt De Swaan. "Daar hoeven ze meestal niets voor te doen, ze moeten er vooral iets niet voor doen: blijven kijken." Dus doet de zakenman of hij de gangsterrapper niet ziet, hebben gezinnen met kinderen weinig uitstaans met de bontgekleurde artistiekeling, en kijken we allemaal een andere kant op bij het vrijend paartje in het stadspark. Leven en laten leven, of doen alsof, zolang het maar niet te erg wordt. Trouwens, die irritante verschillen zijn ook zeer nuttig:
Wat mensen nog meer van een stad willen, dat is vermaak, verbazing, verrassing, spanning en ergernis in precies de goede mengverhouding. De ergernis is onmisbaar, want die dient om het onderscheid met anderen te accenturen, om een afstand aan te geven en de eigen positie te markeren. Zo iemand kan in één stad leven met misbaksels, viezeriken en engerds, en er zelf heel, schoon en veilig bij blijven.
Bepaalde stadsbewoners zijn dan weer gespecialiseerd in het slechten van die sociale barrières. Ze moeten wel, de straatventers, bedelaars, lekenprekers, tippelaarsters en don juans. De Swaan kan zo'n onverwachte ontmoeting prachtig beschrijven: "Na het moment van eerste schrik bij de voorbijganger en vóórdat het rolluik van de onverschilligheid zakt, is er een tiende tot een honderdste seconde van nieuwsgierigheid, net genoeg voor één blik, één woord als een voet tussen de deur, een mes in de sponning."

In een stukje over bedelaars stelt De Swaan zich de vraag hoelang hij het eigenlijk zou uithouden zonder dak boven zijn hoofd. Hoelang hij dus, alles samengenomen, zou kunnen intrekken bij zijn Nederlandse kennissen voordat het genant wordt. In een andere column leer ik ineens wat me zo tegenstaat aan de stukjes van Jacqueline Goossens, een Vlaamse journaliste die van het wonen in New York haar beroep heeft gemaakt, en kosmopolitische verhalen doorseint voor de achtergebleven boerenkinkels. De Swaan:
Stadsbewoners bieden tegen elkaar op met verhalen over de gevaren en misstanden van het grootsteedse leven, maar daarmee laten ze ook doorschemeren dat zij in die wildernis de weg weten en er kunnen overleven, als zeelui op de wilde vaart, als legionairs in een jungle-oorlog.
Het observatietalent van een schrijver als Abram de Swaan wordt pas goed duidelijk wanneer hij een situatie neerzet die we allemaal al eens hebben meegemaakt. In augustus nam ik met mijn vrouw het vliegtuig naar Spanje, en natúúrlijk liep de vlucht vertraging op. Ik heb me toen uitgeput in sarcastische dagboekaantekeningen om de tijd te verdrijven. Maar waarom zou je? De Swaan neemt zo'n moment te baat voor een detailstudie van de menselijke verhoudingen.
Wanneer zo het ene uitstel achter het andere wordt gekoppeld begint zich in de wachtruimte een versnelde verwording te voltrekken. Je ziet voor je ogen de passagiers om je heen verleppen. Het gezinsdecorum brokkelt af. De escenering van het liefhebbende ouderpaar met hun schattebout van een dochtertje was op hooguit een paar uur berekend en nu zet een verstrengeling in waarbij warempel opeens een moederhand naar een kinderoor uitschiet. Liefdespaartjes blijken na een half uur al uitgezoend en wat erger is, na anderhalf uur volledig uitgepraat.
Voor een socioloog, staat er ergens in Blijven kijken, zijn mensen immers de resultante van hun ervaringen met anderen ("een mens is te ontbinden in actoren"). Dat dat een vruchtbare invalshoek is, bewijzen de kanttekeningen die De Swaan plaatst over de lelijkheid van massaproducten.

Uiteraard moet een product om het goedkoop te houden uit minderwaardig materiaal gemaakt zijn en kan er minder zorg aan de fabricage besteed worden. Dat is de technische lelijkheid. Veel goedkope producten moeten bovendien op dure producten lijken, "maar dan langs de weg van de minste weerstand: ze hebben veel krullen en veel verguldsel, sierstrips en namaakfineer, schijnbont, imitatieleder en pseudomerken". Dat is de tweede laag lelijkheid. Wat De Swaan interesseert is de derde, schijnbaar opzettelijk toegevoegde lelijkheid. Hij suggeert dat arme mensen zich daardoor makkelijker met dat product kunnen identificeren.
Ze willen hun lotgenoten niet jaloersmaken en vooral niet de indruk wekken dat ze zich boven hen verheven voelen. Ze moeten het gezellig houden, en dus passen ze zich bij elkaar aan. De toegevoegde lelijkheid is dus noodzakelijk bestanddeel van de saamhorigheid: de sociale solidariteit van binnenuit gezien.
Blijven kijken gaat over mensen kijken. Maar het ontbreekt de bundel daarbij niet aan zelfspot. De Swaan heeft een kostelijk verhaal over die keer dat hij zijn spulletjes kwijtraakt op de trein — "de niet-tas stond daar heel helder, stralend haast, in een bijzonder lege leegte" — en woede voelt tegen alle passanten en treinemployés die blind blijven voor dieven en tassen. Elders beschrijft hij een sociologencongres waar de vakbroeders zich steeds onbeduidender voelen temidden van de massa, maar doen alsof ze boven dat soort sociologische wetten zijn verheven.

Bijna alle sociaal-wetenschappelijk onderzoek gaat over arme en zielige mensen, grapt De Swaan, waarbij hij armoede definieert als elk maatschappelijk tekort: aan geld, gezondheid, onderwijs, woonruimte, zeggenschap of prestige. Bemiddelde lui zijn beduidend minder interessant, en minder makkelijk bij de lurven te nemen. "Machtige en rijke mensen hebben zelf onderzoekers in dienst die van nog weer andere mensen nagaan wie wel wat harder kan werken en wie nu aan de beurt is voor ontslag."

Zeer amusant is de definitie van een ontwikkeld iemand die in Blijven kijken wordt ontvouwd: voor De Swaan is dat iemand "die tenminste de moeite neemt belezenheid te veinzen". Lang voor Pierre Bayard wist de auteur al dat het middelbaar en universitair onderwijs vooral een training is in het praten over boeken die je niet gelezen hebt.
Ik ken op dit thema maar één heldenverhaal en de hoofdpersoon is Norbert Elias. Op een van de bijeenkomsten die de laatste jaren van zijn leven aaneenregen wilde iemand weten wat hij vond van een werkstuk in het oeuvre van Habermas. Nu kende Elias die Habermas heel goed, maar vooral persoonlijk en onder diens werken waren er, vermoed ik, vele die Elias nog even niet gelezen had. Maar Elias riposteerde zonder de minste hapering: Wat denkt u dat de ideeën van Habermas zouden kunnen toevoegen aan mijn werk?
Tache de beauté: in een column spreekt De Swaan over de mij onbekende Belgische kunstenaar "Rogier Raveel".

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Abram de Swaan, Blijven kijken : korte stukken
169 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1997

____

7 reactie(s):

Anoniem zei

Mooi stuk, heb zin om het boek ook te lezen - ben btw benieuwd naar het boek met al die kennis op PvD, komt daarvan nog ergens de titel voorbij?

Dan, een zijpad ... is het nou ironie van die gedichten, die versie van Bernlef 'Modern times' is toch zonder twijfel het best, fraaist?!

Achille van den Branden zei

De Swaan laat het gedicht opzettelijk degenereren van literatuur naar litrak, daarmee de mechanismen van beide genres blootleggend, zonder veel woorden te gebruiken.

Uw eerste vraag begrijp ik niet.

Anoniem zei

Tja, dat o zo kostbare gedicht van Bernlef is ook maar een niet eens zo denderende trouvaille die over drie regels is uitgesmeerd. Doe mij maar de litrak!

Achille van den Branden zei

Elk gedicht van drie regels is een trouvaille.

De Swaan nam denkelijk het kortst mogelijke voorbeeld en ging eraan sleutelen. Vond ik wel aardig.

Anoniem zei

Oke, helder. Ik had (god-weet-hoe) ergens de indruk gekregen dat Bernlefs dicht het litrak-ding was, dat leek me al vreemd ...

Wat die eerste vraag betreft, op Prins van Denemarken staat tegen het eind van De parate leugen:

Een tijd geleden, toen men zich zorgen begon te maken over het algemene ontwikkelingspeil van de Amerikaanse jeugd, verscheen er in de VS een boek waarin ongeveer alles stond opgesomd wat een mens volgens de auteurs eigenlijk behoort te weten. - ... Het is dat boek waar ik de titel van zoek :-)

Achille van den Branden zei

Als ik het me goed herinner noemt De Swaan de titel niet.

Maar goed, het regelmatig bijgewerkte boek van Hirsch is een klassieker in het genre (daar werd waarschijnlijk op gedoeld):

http://www.amazon.com/Cultural-Literacy-Every-American-Needs/dp/0394758439

Zelf vind ik deze leuker:

http://www.amazon.com/Incomplete-Education-Things-Learned-Probably/dp/0345468902/ref=sr_1_1?s=books&ie=UTF8&qid=1284051085&sr=1-1

Anoniem zei

Super, dank.

Related Posts with Thumbnails