dinsdag 24 augustus 2010

Woorden - Victor Stevenson

Sommige boeken lees je niet, je ploegt ze om in de wetenschap dat daarna een fond ontstaat die gecultiveerd kan worden. Woorden is zo'n boek. Bijna onleesbaar, maar een noodzakelijk kwaad. Ik wil boeken gaan lezen over de geschiedenis van het Engels, het Frans en mijn eigen Nederlands, maar dan is eerst een ruimere situatieschets nodig. De geschiedenis van talen, zo is me ondertussen duidelijk, is vergelijkbaar met stamboomonderzoek.

Talen zijn immers net levende organismen. Een taal ontwikkelt zich uit een stamvader en onder gunstige omstandigheden zal hij zich ver van zijn geboortegrond voortplanten. En net als een organisme is hij vatbaar voor verbastering, verval en uitsterven.

De vergelijkende taalkunde probeert binnen een bepaalde grote taalfamilie — bijvoorbeeld de Indo-Europese — verschillen en overeenkomsten tussen de leden te ontdekken en te bestuderen. De historische taalkunde is hierbij van groot belang. Men tracht met behulp van overeenkomsten en verschillen op het gebied van de woordenschat, etymologie, grammatica en fonologie uitspraken te doen over de precieze herkomst van leden van een taalfamilie en hun historische ontwikkeling, en zodoende een beeld te schetsen van bijvoorbeeld vaste klankwetten die door de eeuwen heen gewerkt hebben. Naarmate de taalkunde verder teruggaat in de tijd, worden de voorgestelde theorieën uiteraard speculatiever. Over de oudste bewoners van Europa weten we ontzettend weinig.

Politieke onafhankelijkheid is essentieel om de spraak van mensen tot een echte taal te ontwikkelen. Het probleem van het verschil tussen officiële landstalen en dialecten gaat Victor Stevenson echter uit de weg. Terwijl erkenning van het kunstmatige van dat verschil in geen enkel boek over talen zou mogen ontbreken. Bepalend voor de mate van dialectisch zijn van een taalvariëteit gelden sociale criteria als de mate van verschriftelijking, het sociale aanzien en de mate van politieke zelfstandigheid van het gebied waarin de variëteit wordt gesproken. Een taal is dus, volgens een bekend bon mot, weinig meer dan een dialect met een vloot en een leger.

In het dagelijks taalgebruik worden variëteiten met een klein aantal sprekers vaak als dialect beschouwd van een standaardtaal waar ze nauw mee verwant zijn. In de taalkunde wordt het begrip dialect in deze betekenis liever vermeden, omdat het gebruik ervan het wijdverbreide misverstand voedt dat er een natuurlijk verschil tussen 'hogere' variëteiten (talen) en 'lagere' variëteiten (dialecten) zou bestaan. De term die in de taalkunde voor variëteiten met een klein geografisch bereik wordt gehanteerd, is streektaal.

Grote invloed van een taal wijst op de politieke, culturele en economische macht van zijn sprekers — vooral handel is een uitstekende geleider van vreemde talen. Ook het gebruik van een tweede, aangeleerde taal weerspiegelt de invloed van degenen die deze taal als moedertaal hebben. Woorden staat vol rijtjes met uitheemse termen die gemeengoed zijn geworden in een andere taal. Uit de grote inhoudelijke verwantschap van die rijtjes blijkt mooi waar de dominantie lag van de oorspronkelijke sprekers: Italiaans muziekjargon, Franse diplomatentaal, Griekse wetenschappelijke woordenschat, Engelse techneutenspeak...

Woorden is een boek over westerse talen. En daarbij valt de grote expansie van enkele talen op — Spaans, Engels, Portugees, Frans — waarvan de oorspronkelijke sprekers relatief met weinig waren. Cruciaal waren de inspanningen van de Europese ontdekkingsreizigers tussen de 15de een 18de eeuw. Dat bijvoorbeeld het Chinees voor een wereldtaal een betrekkelijk kleine globale verspreiding kent, komt omdat China nooit een machtig wereldrijk is willen worden: in het begin van de 15de eeuw hebben de Chinezen hun ontdekkingsreizen langs Indische en Afrikaanse kusten snel stopgezet.

Tegenwoordig is het Engels de lingua franca. Ergens doet Stevenson zelfs de voorspelling dat de wereldbevolking drietalig zal zijn: men zal zijn eigen taal spreken, het lokaal gebezigde Engels en de standaard Engelse schrijftaal. Naar mijn smaak legt hij echter onvoldoende uit waar de hedendaagse alomtegenwoordigheid van het Engels vandaan komt. Goed, door de economische dominantie van de Verenigde Staten. Maar waar komt die welvaart dan weer vandaan? Ze is het gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Waaruit onmiddellijk volgt dat de dominantie van het Engels nog niet zo heel oud is. Voor de Tweede Wereldoorlog stond het Frans in veel hoger aanzien. Zo was het de taal van diplomatie.

Zelfs in deze Nederlandse bewerking is er weinig aandacht voor de dialecten van de Lage Landen en de verschillen tussen het Nederlands en wat ik gemakshalve maar het Vlaams zal noemen. Al is dat eigenlijk niet meer dan terecht, en is een boek als dit nu juist een goede gelegenheid om van dat soort narcisme af te komen. Het Joegoslavische voorbeeld, waarbij al die nieuwe staatjes hun minimieme taalverschillen oppompen, verdient geen navolging.

Soit, grappig als het niet zo pijnlijk was: één kaartje in Woorden heeft het over de mij onbekende taal 'Brussels'.

Een vergelijkbaar boek dat ook niet-westerse talen aankaart, is De grote taalatlas onder redactie van Bernard Comrie, Stephen Matthews en Maria Polinsky. Een mooie algemene inleiding over het verschijnsel taal lijkt me Talen van Pieter Muysken.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Indo-European_languages
> selectie bibliografie in de commentaren hieronder

Victor Stevenson, Woorden
Een geïllustreerde geschiedenis van de westerse talen
200 p.
Uitgeverij Time-Life, 1998
Oorspr. Words (1983)
Vertaald en bewerkt door Guus Houtzager




De Indo-Europese talen tijdens de Grote Volksverhuizingen


Samenvatting in telegramstijl:

Indo-Europees. Oertaal niet in geschreven vorm bewaard. ‘Indo-Europees’ (1813). Bewijs: Sanskriet vertoonde gelijkenissen met Grieks en Latijn. (Middeleeuwse christenen geloofden dat het Hebreeuws van het Oude Testament de taal van het paradijs was en de daaropvolgende spraakverwarring de wraak van God.) Sir William Jones in 1786: ook het Gotisch (Germaans), Keltisch en Oud-Perzisch behoren tot één familie (later: Indo-Europees). Geen superras (arya) zoals de twijfelachtige mythe wil. Gedomesticeerde dieren, wol, leer, klei, landbouw, ploegen, graan, stamverband, stammenoorlogen. Germaanse klankverschuiving: p verandert in f of v (Wet van Grimm). Gissingen over woonplaats. Noordelijk klimaat. Algemeen aangenomen tussen de Karpaten en de Oeral. Ten noorden daarvan in de Russische taiga de voorvaderen van de Finnen, de Lappen en de Hongaren. Ten zuiden daarvan, ten zuiden van de Zwarte Zee en de Kaukasus de Semieten in Vruchtbare Halvemaan. Indo-Europeanen tussen in een overgangsgebied tussen de oude leefwijze van de jagers en de beschaving van de steden omgeven door akkers, zoals die nu nog bestaat. Gissingen over tijdstip: tussen 3000 tot 4000 jaar v. Chr.

Uiteenval van de Indo-Europeanen ook onzeker. Het paard en het wiel gaven de Indo-Europeanen meer bewegingsvrijheid. Een groep trok om de Zwarte Zee heen en vestigde zich in Azië: de Hittieten. Hun bestaan was kort. Een tweede groep trok naar Chinees Toerkestan. De Indo-Iraanse tak trok ongeveer 2000 jaar v. Chr. langs de Kaspische Zee en bereikte vanuit het noordwesten hun uitgestrekte rijk. Degenen die westwaarts trokken splitsen zich al snel op: Grieken naar het schiereiland, Italiërs en Kelten naar de Donau-vlakte en daarna respectievelijk naar West-Europa en ten zuiden van de Alpen. Germanen, Slaven, Balten. Het Illyrisch ter hoogte van Joegoslavië tot de Slaven binnenvielen; Albanees is misschien overblijfsel. Het Thracisch (Thraco-Frygisch) op de Balkan ten oosten van de Illyrischsprekenden en het noorden van Griekenland; aanval van het Grieks en het Latijn; bestond voort tot 6de eeuw n. Chr. Frygisch, eveneens uitgestorven gesproken door de Trojanen van Homerus; omvatte het westen van Klein-Azië na de val van het Hittitische Rijk; overblijfsel Armeens. Semitische taalfamilie heeft wortels in Noord-Afrika; taal van jodendom, christendom en islam. Ook Babyloniërs, Assyriërs en Feniciërs (het Punisch) waren semieten. Moderne semitische talen: Nieuw-Hebreeuws, Arabisch en het West-Afrikaanse Hausa.

Indo-Ariërs. ‘Verre neven’. Vijfhonderd talen in India, Pakistan, Bangladesh en Sri Lanka. Behalve de Dravidische talen (oudere cultuur) in het zuiden stammen ze af van het Sanskriet. Tussen 2000 en 1000 v. Chr. dook het Sanskriet op en vestigde zich in wat nu de Punjab heet. Sanskriet geen levende taal meer. Eerste Indo-Europese taal op schrift (Veda’s). Uitbreiding van de woordenschat door de Perzen die duizend jaar de geschiedenis van India zouden beheersen. Indische familie: Hindi (hindoes, officiële taal van India) en Oerdoe (moslims, officiële taal Pakistan), Bengali (Bangladesh, Calcutta), Assamees, Punjabi (Sikhs), Gujarati (Bombay), Marathi, Rajaitbani, Singalees (Sri Lanka). Iraanse groep: Perzisch (Iran) en het Koerdisch (onafhankelijke nomaden in Iran, Irak, Turkije en Syrië), het Baluchi en het Pasjtoe. Slavische talen hebben veel overgenomen van de Iraanse talen. Oudste teksten uit 6de eeuw v. Chr.: Gatha’s, toegeschreven aan Zarathoestra, geschreven in het Avestisch, voorgezet door de Parsen, de volgelingen van Zarathoestra die India binnentrokken. Oud-Perzisch was de taal van Achaemeniden, onder leiding van Cyrus de Grote. Nieuwe Arabische elementen door de islamitische overheersing in de 7de eeuw. Arabisch schrift. Tadzjikistaans is Perzisch in Cyrillisch schrift. Romani is de taal van de zigeuners, van Noord-India voor het eerst in Europa in de 15de eeuw. Zigeunerdialecten verrijkt door het Roemeens, Hongaars, Slavisch, Arabisch. Baskisch: p. 28 e.v.

Grieks. Eerste taal die literatuur in alle genres omvatte. In tweede millennium v. Chr. uit het noordelijke deel van de Balkan of misschien vanuit Anatolië. Stichtten hogere beschaving dan ze aantroffen: Minoïsche beschaving. Eerste schrift rond 1400 v. Chr.: het Lineair B, aanpassing van een oudere schriftvorm van de Minoërs, het Lineair A. Ontcijferd in 1952. Rond 9e eeuw v. Chr. het Griekse alfabet. Vier hoofddialecten: Dorisch, Ionisch, Aeolisch en Arcado-Cyprisch. Naarmate Athene machtiger werd zijn taal (Attisch, een Ionisch dialect) de belangrijkste taal (koinè), zelfs van de westerse wereld in de 4de eeuw v. Chr., onder invloed van Philippus van Macedonië. Atticisten: puristen. Na val van Rome werd het Grieks de officiële taal van het Byzantijnse Rijk. Na van Constantinopel werd het Grieks een taal zonder staat, beïnvloed door het Turks. In 1832 Griekenland weer vrij. Demotisch spreken en katharévousa (terugkeer naar de geleerdentaal van de Byzantijnse christenheid) schrijven.

Keltisch. Met het Latijn en Grieks grote Europese taal, gesproken van de Atlantische kust tot aan de Donauvlakte. Verdreven door het Latijn. Nu enkel in plaatselijke dialecten van Wales, Bretagne, Ierland en Schotland. De Keltoi waren een overheersend Midden-Europees ras, opgedoken rond 1000 v. Chr. Door de Grieken beschouwd als behoorlijk ontwikkelde barbaren. Rijn, Rhône, Donau. Expansie tussen 1000 en 500 v. Chr. Rond 5de eeuw v. Chr. sprak heel Frankrijk ten zuiden en westen van de Rijn Gallisch-Keltisch. Caesar schreef dat Gallië in drie volken was verdeeld: de Kelten of eigenlijke Galliërs, de Belgae en de Aquitani (die geen Keltisch spraken). Ook op Britse Eilanden. Galliërs waren woeste en kundige krijgers (tactiek, furor, paardrijkunst, gebruik van wagens). Hoogtepunt rond 390 v. Chr. Daarna overvleugeld door Rome. Keltisch familie: Wels, Cornisch, Iers (Gaelisch), Bretons, Schots Gaelisch, Manx. De taal van de Germaanse Angelen en Saksen zou in de loop der tijd de Keltische talen bijna volledig vernietigen. Door de Saint Patrick het christendom in de 5de eeuw vaste voet gevonden in Ierland onder de eerst heidense Gaels. Eerste schrift gebaseerd op kerklatijn en het Latijnse alfabet. Noorstalige Vikingen zullen ook stempel drukken op de Ierse taal. Normandische Fransen landen in 1066 bij Hastings. Engelse koning Hendrik II in 1171: begin van de Normandische overheersing. Wrede onderdrukking door de Tudors. Tegen de 18de eeuw sprak bijna de hele ontwikkelde klasse Engels, maar het Iers bleef de taal van de plattelandsbevolking en de arbeidersklasse. Ieren kwamen in de 5de eeuw in Schotland. Hun Gaelisch in de Schotse hooglanden.

Latijn. ‘Stichting’ Rome in 753 v. Chr. Latijnen behoren tot een groep verwante volken die rond 1200 v. Chr. naar Italië waren getrokken. Deze Italische stammen maakten deel uit van de wijdverspreide beschaving van het Bronzen Tijdperk langs de oevers van de Donau. Over de Alpen, op zoek naar vee? Twee groepen: Latijn en Osco-Umbrisch. Tijdje wijken voor de (niet Indo-Europese) Etrusken in het noordwesten (800-500 v. Chr.), later voor de Griekse kolonisten in het zuiden. Na Etrusken Latijnse Bond, dan overheersing door Rome. Res Publica. Veel politieke taal uit het Latijn. Kolonies vanaf de 3de eeuw v. Chr.: Sicilië, Corsica, Sardinië, deel van Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. Oudste buren van het Latijn: Venetisch, Oscisch, Umbrisch, Messapisch. Ze zijn in de eerste eeuwen n. Chr. bezweken onder het Latijn. Latijn beïnvloed door Grieks. Al vroeg twee richtingen: urbanus (beschaafd Latijn, letteren, redenaars) en rusticus (taal van het volk). Romeinse wetten hielden het rijk bijeen. Toen Latijn zijn hoogtepunt bereikte (1ste v. Chr.) onbegrijpelijk voor het gewone volk.

De reizen van het Latijn. Na nederlagen Carthago en Macedonië beheerste Rome de Middellandse Zee. Kelten in Spanje en het zuiden van Gallië onderworpen (Provincia). Pax Romana in de eerste en tweede eeuw. Toen de macht van Rome verminderde, arriveerde het christendom juist op tijd in het Westen om de neiging een gemeenschappelijke taal te gebruiken te ondersteunen. Het vulgair Latijn werd de taal van het vroege christendom, ook de taal van de kerkvaders. Met een simpele stijl een grote groep mensen bereiken, hoewel de spreektaal van de bevolking zelf bleef veranderen. Christelijk Latijn: nieuwe import van Griekse woorden. In Engeland werd het Latijn door het Angelsaksisch, in Noord-Afrika in het Arabisch verdreven, maar in Italië, Frankrijk en Spanje was het stevig geworteld. Ondanks de invallen van Franken, Goten, Lombarden en Vandalen in de vroege Middeleeuwen werd het Latijn nooit uitgeroeid, alleen veranderd. In de 9de eeuw kwam het Frans te voorschijn in de Eden van Straatsburg. Uit de 10de eeuw stammen de eerste geschriften in het Italiaans, uit de 11de eeuw ook in het Spaans. In Dacië zorgden de kolonisten dat het Latijn uitgroeide tot de nationale taal van het huidige Roemenië. Verder het Romanche, het Reto-Romaans en het Dalmatisch.

Frans. Fransen ontlenen hun naam aan een vreemd volk, de Germaanse Franken, terwijl ze eigenlijk Gallische Kelten zijn. Gedurende het grootste deel van de moderne geschiedenis is het Frans de taal geweest van de internationale politiek. Te danken aan Karel de Grote, koning van de Franken, dat de verbrokkelde Romeinse wereld weer in waarde werd hersteld. Bekering van Clovis waarborg voor het handhaven van het Latijn als taal van de kerk, de wetenschap en de politiek. Galliërs, gewend aan de Romeinse beschaving, hadden geen behoefte aan hun ruwe buren, de Franken. Wel Germaanse leenwoorden. Overheersing van de Franken wel meestal beperkt tot het noorden van Frankrijk. Daarom ontwikkeling twee afzonderlijke taal: de langue d’oïl in het noorden en de langue d’oc in het zuiden. Politieke afhankelijkheid van de edelen in het zuiden: bloei lyrische poëzie van de troubadours van de 11de tot de 13de eeuw. Zwakke opvolgers van Karel de Grote leden onder dreiging van de Noormannen. Noormannen werden Normandiërs en aan het einde van de 10de eeuw spraken zij even goed Frans als de Franken. Noormannen zorgden ervoor dat het Frans de taal van de heersende klasse in Engeland werd. Drie dialecten in het noorden: Normandië, Picardië en Ile de France. Toen de campagne tegen de ketterij van de Albigenzen eenmaal een einde maakte aan de macht van de Languedoc, werd het dialect van Parijs overal in het land de basis voor de literaire en ambtelijke taal. Italiaanse leenwoorden tijdens de Renaissance (muziek, architectuur, kunst, oorlog), met hoogtepunt tijdens de regering van Catharina de Medici. Leenwoorden van de Spaanse veroveraars ter zee. Boekdrukkunst in de 16de eeuw: typografische vernieuwingen. Vanaf 1635 zorgt de Académie Française voor de instandhouding van het Frans. Diplomatieke taal, prestige in de kunsten. Engelse leenwoorden mbt Edwardiaanse vrijetijdsbestedingen. Frans buiten Frankrijk: Wallonië, Zwitserland, de jonge republieken van Centraal- en Noodwest-Afrika. Creools in West-Indië. Canada (kenmerken van het 18de eeuwse Frans bewaard).

Italiaans. Minder afgeweken van het Latijn dan zijn verwanten. In de letterlijke betekenis de schepping van één man: Dante (1265-1321). Sardinische dialect (Sardisch) bevat nog stokoude Latijnse elementen. Nergens buiten Italië officiële taal. Zeemachten als Genua en Venetië beperkt tot de Middellandse Zee. Columbus en Vespucci voeren onder Spaanse vlag. Massale emigraties naar Amerika in de 19de en de 20ste eeuw. Germaanse invallen na val West-Romeinse rijk hebben geen nieuwe identiteit geschapen. Oost-Goten bleven te kort. Daarna Lombardijnen, leenwoorden. In de vroege Middeleeuwen bracht alleen de Kerk van Rome een vorm van eenheid in Italië, maar alleen beperkt tot de parochiegeestelijken. Arabische leenwoorden in de dialecten van Sicilië, door tweehonderd jaar islamitische overheersing vanaf 9de eeuw. Arabische leenwoorden (douanetermen, militaire termen) in het Italiaans ten tijde van Genua en Venetië toen ze de Arabische barcas van hun handelsroute verdreven ten tijde van de Kruistochten. Vanaf de 11de eeuw Noormannen in Sicilië en Napels. Daarna Germaanse Hohenstaufen. Onder Frederik II experimenten met Italiaanse spreektaal in de literatuur. Naar Siciliaans voorbeeld begon ook Toscane in de volkstaal te dichten. Dante (Florence) overtrof alle andere pogingen. Vanaf 14de pas echt overgang van vulgair Latijn naar Ialiaans, met uitsplitsing in dialecten. Italiaanse leenwoorden qua politiek, economie, oorlog, scheepvaart. Lingua franca op zee: vereenvoudigde vorm van het Venetiaans. Questione della lingua: wetenschappelijke discussies. Eerste woordenboek in 1612. Kardinaal Pietro Bembo. Meeste leenwoorden uit de laatste drie eeuwen zijn Frans. Franse Revolutie inspireerde tot een streven naar vereend Italië. Italië monarchie in 1861. In 1870 werd Rome toegevoegd. Fascisten probeerden dialecten tevergeefs af te schaffen.

Spaans. Spanje was Romes eerste grotere overzeese provincie. Keltisch-Iberische en Lusitaanse stammen onderworpen in de 2de eeuw v. Chr. Inheemse talen vervangen door vulgair Latijn. Alleen in het noorden van de Pyreneeën bleef een inheemse taal bestaan, het Baskisch, nu nog springlevend. Na val Romeinse Rijk ten prooi aan Germaanse invallen. Vandalen in Noord-Afrika, Zwaben in Galicië, West-Goten rest van het Iberische schiereiland, tot in 711 de legers van de islam binnenvielen. Arabische leenwoorden, nieuwe landbouwmethoden. Kunsten en wetenschappen bloeiden in het Moorse Spanje. Meeste Arabische wetenschappelijke termen echter niet via Spanje naar het christelijke noorden, enkel woorden met betrekking tot het leven van alledag van de Mozaraben. In de 10de eeuw Arabische beschaving op zijn hoogtepunt. Overleven Romaanse taal precair. Spreektaal in het kalifaat was afgeleid van het vulgair Latijn, de schrijftaal was overvleugeld door het Arabisch of Hebreeuws. Binnen enkele eeuwen was het omgekeerd: het Spaans en Portugees waren zelfstandige talen met belangrijke kolonies. Herovering van Spanje begon in de 11de eeuw met op kop de legers van Castilië en Aragon. Het Castiliaanse dialect (niet dat van de koninkrijken Aragon, Galicia, Leon of Navarra) werd later de officiële taal. Ontwikkeld uit het vulgair Latijn. Toen Aragon Catalonië annexeerde verloor het elke kans daartoe. Toledo hoofdstad van Castilië (Madrid pas in 1561) met belangrijke vertalersschool. In 1492 joden uit Spanje verdreven, richting Marokko en de Balkan. Koloniserende taal vanaf de 16de eeuw. Vandaag spreken zes keer meer mensen Spaans buiten Spanje dan in Spanje zelf. Hoewel qua aantal sprekers het Portugees (Brazilië) belangrijker is. Spanje echt in Europese zaken verwikkeld vanaf Karel V (1500-1558). Scheepstermen, nieuwe voedselsoorten. Vanaf de 17de eeuw eisten Successieoorlogen hun tol.

Catalaans verwant aan (maar niet afstammend van) Spaans en Provençaals. Toen de macht van de islam op hoogtepunt was stelden Franken het graafschap Barcelona in als barrière. Macht het grootst tussen 12de en 15de eeuw: heerschappij over Sicilië, Corsica, Sardinië en Griekenland. Huwelijk Isabella van Castilië en Ferdinand II van Aragon in 1469. Catalanen kozen zijde van Frankrijk in oorlog met Castilië. Nog eens opstand tijdens de Spaanse Successieoorlogen. Catalaans dreigde een dialect van het Castiliaans te worden. Daarvoor behoed door het nationalisme van de 19de eeuw.

Portugees. Groeimogelijkheden dankzij onderbevolkt Brazilië. Stamt af van het Oud-Galicisch, een van de Iberisch-Romaanse dialecten. Tijdens de Arabische overheersing sprak men dit alleen ten noordwesten van het schiereiland, met als zuidgrens de rivier die Douro. Herovering van de oude provincie Lusitanië (cf. Portugal) begon in de 11de eeuw vanuit Galicië en voltooid in 12de eeuw. Galicië werd weggeschonken door Castilië. Wat Portugal zou worden, verbrak de banden met Castilië. Onafhankelijk toen de Reconquista zijn hoogtepunt beleefde. Lissabon in 1147 van de Moren bevrijd; de Mozarabische dialecten werden opgeslokt door het Oud-Galicisch. Islam in Afrika en Nabije Oosten soort ijzeren gordijn tussen Europa en de Oriënt. Ontdekkingsreizen om die barrière te omzeilen. Madeira, Azoren, kust van West-Afrika, Kaap de Goede hoop, Indië, Brazilië. Leenwoorden uit China, Ceylon, Maleisië. Communicatie tussen Portugezen en Afrikanen van laag niveau.

Romanche. In het Oosten van Zwitserland. Behoort tot het Reto-Romaans. Romeinse provincie Rhaetia (15 v. Chr.) als onderdeel van de Rijn-Donaugrens: versterking van de natuurrlijke grens van de Alpen. Daana lieten legioenen het over aan de Alamannen en Beieren. Veel Latijnse woorden bewaard door geïsoleerde ligging. Andere Reto-Romaanse dialecten: het Ladinisch (Dolomieten) en het Friuli (ten Noorden van Venetië), maar bedreigd.

Roemeens. Overleefd wonderlijk ten midden van de Slavische talen en het Hongaars. Standaardtaal vaak Daco-Roemeens genoemd. Aroemeens gesproken door minderheden verspreid over de Balkan. Nochtans onder de voet gelopen door Goten, Gepiden, Avaran, Bulgaren en Magyaren. Door legioenen van Trajanus bezet voor slechts 165 jaar, en geen aantrekkelijke kolonie. Waar Roemenen woonden in de Middeleeuwen is niet zeker; wel geïsoleerd van het Romaans in het westen. Tot vorige eeuw (met Franse en Latijnse leenwoorden) was de helft van de Roemeense woordenschat Slavisch. Kerk-Slavisch enige schreven taal in de streek, in cyrillisch alfabet. Slavische, Hongaarse en Turkse leenwoorden. Vereniging van Moldavië en Walachije in 1859; nieuwe hoofdstad Boekarest, het centrum waaruit de moderne taal zich ontwikkelde. Frans werd het voorbeeld.

Germaans. Verre voorvader van Engels, Duits en Nederlands. Laatbloeier zonder schrift. Tijdens de bloei in de laatste eeuwen v. Chr. waren het Latijn en Grieks al vaste waarden. Voor Grieken en Romeinen primitieve bannelingen. Dialecten in het verre noorden onderscheiden zich van het Keltisch en het Latijn, maar zijn ook Indo-Europees. Geboorteplaats vermoedelijk in Zuid-Scandinavië. Ten noorden tot aan de Lappen, ten zuiden tot aan de Kelten langs de Rijn en de Romeinen langs bovenloop Donau. Drie afzonderlijke taaltakken: Oost-Germaans (Gotisch), Noord-Germaans (Oud-Noors) en vooral het West-Germaans tussen de Elbe en de Noordzee, waarvan Duits, Engels en Nederlands afstammen. Hofsteden, gemengd boerenbedrijf, visvangst, jacht, gekozen vergadering, meedogenloze wetten, wollen of bonten gewaden, pantheon. Bronnen: Tacitus en Plinius de Oudere. Gotische volksverhuizing: Zweden, Oostzee-eilanden, Oost-Duitsland en Polen. Rond derde eeuw de Karpaten over tot aan de Zwarte Zee. Daar splitsing in Oost-Goten (ten noorden van de Krim, al snel teruggedrongen naar het westen door de Hunnen, o.a. naar Bourgondië) en West-Goten (benedenloop Donau). Bijbel van de Westgotische bisschop Wulfila (4de eeuw). Oost-Goten overheersten Italië, de West-Goten trokken door Spanje en bezetten het Iberisch schiereiland. Vandalen in Noord-Afrika. Daarna in Frankrijk, Spanje en Italië van de kaart geveegd. Alleen wat leenwoorden in het Spaans. Alle moderne Scandinavische talen stammen af van het Oud-Noors, de taal van de Vikingen. Runen-alfabet (futhark) vroegste vorm van Germaans schrift. Noormannen in ook in Rusland via de Oostzee; invloed tot 12de eeuw, dan opgeslorpt door Slaven. Groenland.

Scandinavisch. Expansiedrift vanaf 9de eeuw zorgt voor splitsing in West-Noors (Noorwegen en IJsland) en Oost-Noors (Denemarken, Zweden). Beiden drukken stempel op Engels: Denen in midden en oosten van Engeland, Noren het noordwesten, eilanden ten westen van Schotland, Orkney en Shetland-eilanden. Latijnse leenwoorden. In de 10de eeuw brachten Duitse en Engelse missionarissen naar de jonge naties Denemarken, Noorwegen en Zweden, waar ze weinig weerstand ontmoetten. Erkenning door de paus was welkom. Handelstaal rond de kusten van de Oostzee was het Neder-Duits: de voertaal van de agressieve kooplieden uit de Hanzesteden (monopolie haringvisserij Oostzee) tussen 13de een 15de eeuw. Neder-Duitse leenwoorden. Boeren en jagers bleven Noorse dialecten gebruiken. In Noorwegen werd Deens de belangrijkste literaire taal. Zweden ontkwam door een verbond met de Hanze. Kloof nog groter door Reformatie met bijbel in Deense, Zweedse maar geen Noorse vertalingen. Vanaf 16de eeuw tanende Hanze: haringscholen verleggen hun broedplaatsen naar Noordzee. Vandanaf invloed van het Hoog-Duits. In de 17de een 18de eeuw invloed van het Frans. Vanaf Industriële Revolutie invloed van het Engels. Nationalisme in de negentiende eeuw: splitsing in Bokmal (Deens-Noors) en Nynorsk (Nieuw-Noors, minderheidstaal, ontwikkeld door Ivar Aasen). In IJsland IJslands, dat het meest op de oertaal lijkt.

Duits. Oudst bekende tekst uit 8ste eeuw. Toen al twee talen. Hoog-Duits niet hoogstaand, maar hooggelegen streek in het zuiden van Duitsland. Neder-Duits vanaf de Noordzee tot halverwege de Elbe, taal van de Saksen en de Friezen en de Franken aan de benedenloop van de Rijn en in Vlaanderen. Daaruit zou het Nederlands ontstaan. Oostelijke grens cf. vroegere grens Oost-en West-Duitsland. Ten oosten daarvan kwamen Saksen in aanrakingen met de Slavische Wenden. Franken wisten Gallië te veroveren, maar gaven niet hun taal aan Frankrijk. Vanuit Neder-Duitse gebieden oversteek van Angelen en Saksen naar Brittannië. Daaruit het Engels. Volksverhuizing in de Midden- en Zuid-Duitsland door de Alamannen (tot Zwitserland), de Beieren (tot Oostenrijk) en de Longobarden (tot Noord-Italië). Kelten werden overheerst, maar de Alamannen en de Beieren namen hun ongermaanse dialect over. Vanaf alfabetisering in de 11de eeuw Hoog-Duits taal van internationaal belang. Latijnse invloeden. Franse invloeden (zeker vanaf de 16de eeuw). Invloed van troubadours. Geen culturele uitwisseling aan de oostgrens. Modern Duits begint bij Maarten Luther en de Reformatie: Hoog-Duits werd voor heen Duitsland de geschreven en gesproken standaardtaal. Neder-Duits volksdialect. Luthers boodschap uitgedragen via drukpers. Nieuwe Testament in 1522; bijbel is essentiële huisraad. Grote dialectverschillen tot 19de eeuw, zeker na einde Dertigjarige Oorlog (1648). Na Napoleon eenheid en machtigste natie. Afwijkend Oostenrijks. Jiddisch ontstaan rond het einde van de 10de eeuw in het Duitse Rijnland; eerste sprekers joodse kolonie geëmigreerd uit Frankrijk. Namen het Duits over, met invloeden uit Hebreeuws (schrift, recht naar links), Slavisch, Romaans en Engels. Velen trekken mee naar Polen met Germaanse volksverhuizingen. Hoogtepunt rond Zwarte Dood. Voor WOI veel grote steden voor de helft jiddischtalig. Enorme emigratie naar VS. Rest kansloos in WOII. Duitse taalgebied, op het Russische na, grootste van Europa. Na WOII afkalving van Duits in Midden- en Oost-Europa ten gunste van de Slavische talen. Vertrek uit Polen, Oost-Pruisen, Tsjecho-Slowakije en Rusland. Nog Duitse kolonie in Roemenië.

Nederlands. Land volkomen anders dan de rest van Europa: strijd tussen de elementen. Maar welvarend geworden door de grond vruchtbaar en productief te maken en de zee te bedwingen. Overwinning op zee schonk hun onafhankelijke taal. Eigen taal: Germaanse klankverschuiving die het Hoog-Duits opleverde vond geen weerklank in de lage landen bij de zee. Oudste vorm? Tekstfragmenten uit 9de eeuw: Neder-Duits of Frankisch dialect met Oud-Saksische elementen. Vanaf 13de eeuw overvloed aan teksten: niet het Saksisch maar Neder-Frankisch zet lijn naar modern Nederlands voort. Heel de Middeleeuwen door politieke en vooral culturele invloed (Franse roman) van Frankrijk. Franse leenwoorden. Onafhankelijke natie, hoewel vorsten (zoals Willem van Oranje) in het Frans spraken. In 1585 Antwerpen onder beheer van de Spanjaarden: instorting dominante Brabant. Centrum nu verlegd naar de noordelijke provincies, vooral Holland (Amsterdam, Den Haag en Leiden, ten koste van Brugge en Antwerpen). Het Hollandse dialect werd de taal van de Nederlanden, hoewel de duizenden immigranten uit Brabant er een zuidelijk tintje aan gaven. Aanvankelijk allegaartje van Germaanse dialect groeit in de 17de eeuw tot eenheidstaal, toen de verenigde provincies uitgroeien tot een wereldmacht. Invloed van Statenbijbel, Vondel. Nederlands soepel qua buitenlandse invloeden, vooral Engels.

Fries. In zijn bloeiperiode strekte het gebied zich uit langs de Noordzee van de Rijnmonding tot het zuiden van Denemarken. Friezen in Duitsland, Nederland en Denemarken. Stadsfries (half Fries, half Nederlands) in de Friese steden. Vroeger Friese gebied veel groter (door Hanze handelsposten). Lange tijd gedacht dat Fries enig overgebleven schakel tussen het vasteland en het Engels was. Vanaf Romantiek opleving. Strijd voor erkenning van het West-Fries. Om het zo zuiver mogelijk te houden streven sommige Friese taalgeleerden naar een woordenschat die sterk afwijkt van de Nederlandse.

Afrikaans: toevallig ontstaan in de 17de eeuw doordat een klein groepje Nederlands een kolonie stichtte op Kaap de Goede Hoop als bevoorradingspost op weg naar Oost-Indië. Vereenvoudigd Nederlands als lingua franca? Aan het einde van de 19de eeuw status als schrijftaal. Ook negen andere talen bezitten nu officiële status, zoals het Xhosa, Swazi en Zoeloe.

Engels. Oorsprong: komst van de Jutten in 449 op de kust van Kent. Hun Germaanse dialect vermengd met dat van hun verwanten, de Angelen en de Saksen, werd algauw bekend als het Englisc. Jutten: Frankisch volk uit de Midden-Rijnstreek (geen Noorse elementen)? Jutten in het zuidoosten van Engeland, Angelen in het noorden en het oosten, Saksen in het zuiden en het westen. Jutten verdwenen als eersten. Oud-Engels was in hoge mate een ‘flectie’-taal (woorden hebben grammaticaal geslacht). Meer dan driekwart van de Oud-Engelse woordenschat is nu ook verdwenen. Resterende deel bevat de meest alledaagse woorden. In 597 arriveert het christendom in Engeland: leenwoorden. Invasie van de Noormannen (Denen); zij beheersen noordoosten, zuidwesten bleef Saksisch. Verwante talen, eenvoudige communicatie mogelijk, zeker wanneer in de 10de en 11de eeuw wat van de Germaanse woordeinden achterwege worden gelaten. Willem van Normandië in 1066 spreekt de langue d’oïl, vandanaf de taal van de Engelse overheidsinstellingen. Gewone man blijft eigen taal trouw. Ambtenaren en kloosterlingen brug. Chaucer stelt Engels in ere. Na Zwarte Dood (1350) krijgt de taal van de schaarser geworden handwerkslieden en arbeiders meer aanzien. Franse façade neergehaald. Normandische edelen en Angelsaksisch voetleger van vrije boer tegen de Fransen: ‘Engelsen’. Vereenvoudingsproces zet zich door, tegelijk bestookt door het Frans. Vervaging scherpe lijn aristocratie-volk in Engeland; nieuwe klassen: kooplieden en ambachtslieden. Duizenden woorden aan het Frans ontleend. Een Engels dat door iedereen verstaan werd. Ook verlatijnsd Engels (Thomas More). Tussen 1500 en 1650 tienduizend nieuwe woorden. Nieuwe woorden van Shakespeare. Geen regels. Door drukpers behoefte aan eenvormige spelling. Woordenboek van Samuel Johnson (meerlettergrepige woorden, soepel tov Frans).

Amerikaans. Engelse kolonies in Amerika begin 17de eeuw. Onafhankelijkheid VS in 1776. In het Victoriaanse tijdperk werd het Engels in alle windrichtingen verspreid. Engels in de tweede helft van de 19de internationaal gebruikt eerder dankzij groeiende rol in de internationale politiek dan dankzij het Engelse wereldrijk. Indiaanse leenwoorden. Franse en Nederlandse leenwoorden (kolonies): niet veel, maar invloedrijk. Woorden met slavenschepen aangevoerd. De regionale dialecten behoren bijna allemaal tot de oorspronkelijke gekoloniseerde gebieden, van New England tot de zuidelijke Staten. ‘Algemeen Amerikaans’ voor de rest, tweederde van het land. Grotere onderlinge verstaanbaarheid dan in Engeland. Dialecten zwakker na trek naar het westen en koloniale vermenging. American dictionary of the English language van Noah Webster in 1828. Verbreiding van talen over het continent: zie p. 146. Mencken: Amerikaans is bondig, conservatief, driest en fantasierijk: het Amerikaanse vulgaat. Eufemismen. Engelsen (gevangenen) in Australië vanaf 1788, Botany Bay. Rond 1840 transporten stopgezet. Leenwoorden van inboorlingen. Schots p. 151. Engelse leiderschap over andere talen zeer recent. J. Grimm: ‘Rijkdom en strakke eenvoud.’ In 19de eeuw nauwelijks gesproken door 20 miljoen mensen. Ware reden John Adams voorspeld: groeiende bevolking van Amerika en zijn handelsbetrekkingen met landen over de hele wereld. Voor 400 miljoen mensen eerste taal; nog meer tweede taal. Engels taal van het internet.

Slavische talen. In oostelijk Europa en een groot deel van Azië. Door vermenging en verspreiding, niet met geweld. Voor het eerst opgemerkt in eerste eeuw. Woonplaats staat niet vast. Balten en Iraniërs waren buren. Allicht tussen de rivieren de Weichsel en de Dnjepr. Bevolking allicht door ongezond moerasklimaat. Expansie opgehouden door de oostwaartse trek van de Goten en de inval van de Hunnen. Maar in 5de eeuw stort rijk van Atila en in trekken veel Germanen het afbrokkelende Romeinse Rijk binnen. Slaven vreedzame boeren (gedwee: ‘slaaf’). Via de Germanen die bleven in contact met westerse beschaving (o.a. betere landbouwmethoden). Tot aan andere kant van Elbe, tot zij voor Karel de Grote niet meer welkom waren. West-Slaven: Lusatisch, Kasjoebisch, Pools, Tsjechisch en Slowaaks. Oost-Slaven (voorouders Russen, Wit-Russen en Oekraïners) tot Moskou en Novgorod. Verder heersten de Turks-Tataarse ruiters en de Finnen. Derde groep trok naar het zuiden, de Balkan in (Slovenen, Kroaten en Serviërs) of tot in Macedonië (contacten met Byzantijnse Rijk, de latere godsdienst van Oost-Europa).

Invloed Oud-Kerk-Slavisch. In Bulgarije in 10de eeuw: Griekse religieuze teksten in een vorm van Slavisch, Oud-Kerk-Slavisch door Cyrillus (door velen goed te begrijpen vanwege de gemeenschappelijke oorsprong slechts een paar eeuwen daarvoor. Schiep schrift voor het weergeven van Slavische klanken. Missionarisschap van Cyrillus en broer Methodius in Moravië kende geen succes, maar lag wel aan de basis van de schrijftaal van Servië, Macedonië, Bulgarije en Rusland. Orthodoxe leer verspreid middels Oud-Kerk-Slavisch (hoewel al snel dode taal), cf. Latijn. Via Oud-Kerk-Slavisch, veel Griekse en Latijnse woorden onder Slavische talen. Schisma tussen oosters en westers christendom ook te zien in gebruik Cyrillisch schrift. Tsjechen in Moravië en de Polen beïnvloed door Byzantium. Slovenen en Kroaten onder Romeinse invloedssfeer (Romeins schrift). Servo-Kroatisch gebruikt beide. Roemenië nam Romeinse schrift over. Tsjechen gebruiken diakritische tekens voor hun Slavische klanken.

De Russische talen. ‘Russisch’ is eigenlijk Groot-Russisch, ter onderscheiding van Wit-Russisch en Oekraïens. Samen oostelijke Slavische taalfamilie. Nauw verwant. Vaak beschouwd als dialecten, wat in de Middeleeuwen ook zo was. Sinds ontbinding Sovjet-Unie officiële talen. Groot-Russisch is dialect van het vorstendom Moskou in de late Middeleeuwen. Voorheen (9de eeuw) was Kiev belangrijkste hoofdstad. Noorse Vikingen (Varjagen) voeren over de rivieren naar Zwarte Zee en Byzantium. Dynastie van Kiev gesticht door Rurik, Deen uit Jutland. Toen contact met Byzantium groeide: missionarissen naar Kiev om de Slaven te kerstenen. Vladimir bekeerd in 988: vaste voet, kloosterbouw. Geen plaatselijke geschreven taal, dus Oud-Kerk-Slavisch. Gaandeweg verschillen in uitspraak. In 12de meer Russisch karakter. Vanaf 1237 twee eeuwen onder invloed van de Mongools-Tataarse horde (weinig taalkundige invloed). In zelfde periode grote delen van Wit-Rusland en de Oekraïne onder Litouwse heerschappij. Aartsbisschoppelijke zetel van Kiev naar Moskou. Kozakken. Ivan de Verschrikkelijke eerste tsjaar. 17de eeuw: invoering slavernij, groei van handel, tanende invloed kloosters. Nieuwe bestuurstaal (versus literaire taal). Erkenning onder Peter de Groot. Modernisering na 1917. Leenwoorden uit Duits, Nederlands, Engels en vooral Frans (gallomanie onder 19de eeuwse aristocraten in St. Petersburg). Europese bezoeken van Peter de Grote. Na Napoleontische Oorlogen andere kijk op Frankrijk. Nationale trots. Oud-Slavisch en volkse Russisch versmelten. Oekraïens en Wit-Russisch: p. 163.

Pools. Enige belangrijke Slavische taal die beïnvloed is door West-Europa (door zijn westgrens en rooms-katholicisme). Na de Wenden vele stammen, waaronder de Polianie. In 10de eeuw christendom vanuit Moravië. Bedreiging Balten, Duitse boeren, Tataren. Latijn schrijftaal in moeilijke tijden, met Tsjechisch-Duits tintje. Toen Tataren verdwenen waren Duits invloedrijk. Kosmopolitisch koninkrijk tussen 14de en 17de eeuw. Grote aantalen joden, die Jiddisch praatten. Na eenwording met Litouwen in de 16de eeuw veel Wit-Russische en Oekraïeners onderdanen. Sterke invloed kerklatijn. Humanisme inspiratiebron in de 16de eeuw voor bloei Poolse literatuur. Franse invloed in de twee eeuwen daarop. Polen katholiek, kon dus niet putten uit het Kerk-Slavisch. Emigratie naar VS en andere landen. Annexatie van oostelijk Polen door Sovjets. Verdrijven van de Duitsers uit westelijk Polen. Paar duizend mensen in Duitsland spreken Wendisch: laatste overlevenden van de eerste grote verhuizing van de Slavischtaligen naar het Westen.

Tsjechisch en Slowaaks. Twee vormen van West-Slavisch veel gemeen. Pogingen om tijdens de eenmaking (1918-1991) ook één taal te maken. Na scheiding keerden taalgrenzen terug. Tsjechië machtigste koninkrijk van Midden-Europa in 13de en 14de eeuw. Tsjechisch als eerste een levendige literatuur. Veel Latijnse leenwoorden. Systematisering van de spel door Jan Hus (14de-15de eeuw). Godsdienstenoorlogen, conflicten met Oostenrijk. Tsjechen in 1620 onafhankelijkheid kwijt, de meest invloedrijke protestanten (die belangrijke bijbelvertaling maakten, de Kralice-bijbel) verdreven. In Bohemen en Moravië werd Duits de cultuurtaal. Cf. Slowaken onder Hongarije. Binnen de grenzen van Tsjecho-Slowakije Sudeten-Duitsers. Josef Dobrovsky: de patriarch van de Slavische filologie. Oproep om zich te ontworstelen aan het Duits. Literair Tsjechisch was gebaseerd op de taal van Praag, en stond veraf van het Slowaaks.

Servo-Kroatisch. Vaak vijandigheid tussen Slovenen, Serven en Kroaten. Afstammelingen van de Zuid-Slaven die in 6de eeuw vanuit Oost-Europa zuidwaarts naar het Balkan-schiereiland trokken. Sloten Illyrë in, veroverden Macedonië en groot deel Griekenland. 8de eeuw: koninkrijkjes Servië, Kroatië en Bulgarije. Servo-Kroatisch belangrijkste taal van voormalig Joegoslavië. Na oorlog terugkeer minieme oude taalverschillen. Verschillende alfabetten. Servië orthodoxe kerk (cyrillisch alfabet), Kroaten rooms-katholiek. Kroatië lang deel van Oostenrijk-Hongarije: invloed van Duits. Turkse elementen uit trots zoveel mogelijk verwijderd.

Sloveens. Eigen republiek rond Ljubljana. Ongestoorde leven in bergdalen. Zeer conservatieve taal. Rustige onderdanen van Venetië en Oostenrijk-Hongarije. Bijbelverbranding tijdens Reformatie. Romeins alfabet. Duitse invloed. Leenwoorden uit Servo-Kroatisch.

Macedonisch. Taal van Macedonië dat zich in 1991 afscheidde van Joegoslavië. In oudheid grensgebied tussen Grieks, Illyrisch en Thracisch. In 6de eeuw veroverd door Slavische stam. Onderdanen van Bulgaren, Byzantijnen, Turken. Opgaand in 1918 in Joegoslavië. Nauw verwant aan Bulgaars. Aan de wieg van het Oud-Kerk-Slavisch.

Bulgaars. Kleine taal maar invloedrijker in Europa dan het Russisch. Leidende rol bij het scheppen van het Oud-Slavisch, op zijn beurt van belang voor ontwikkeling van het Russisch. Bijdragen aan Roemeens en Hongaars. Hoogtepunt 10de eeuw. Daarna onderdanen van de Byzantijnen. Dan ingelijfd door de Turken. Invloed van vijf eeuwen Turkse overheersing. In 1878 bevrijd van de Turken. Strijd met Oostenrijk en Rusland over de macht in de Balkan. Alfabet dat sterk op het Russische lijkt.

De Baltische talen. Baltisch een van de kleinste onafhankelijke takken van de Indo-Europese taalfamilie. Verwantschap Litouws en Lets gaat terug tot contacten in de prehistorie. Andere dialecten (Oud-Pruisen, Borusen, Koerlanders) verdwenen. Pruisen in 13de eeuw door Duitse Ridderorde onderworpen. Litouwers laatste heidenen van Europa. Langdurige isolatie. Weinig invloeden op Litouws. Pas in 1386 gekerstend. In 1795 gingen Litouwen, Polen en Letland in Rusland op. In 1918 onafhankelijk. In 1940 geannexeerd. In 1991 onafhankelijk. Lets ‘Litouws gesproken door vreemdelingen’ = de Lijflanders, van Finse oorsprong. Overheerst door Duitse Ridderorde. Vanaf 16de eeuw eigen identiteit.

Fins, Ests en het Hongaars. Buitenstaanders: geen nakomelingen van de Indo-Europese stam. Leden van de Fins-Oegrische tak van de Oeraalse talen. Verre verwanten: onderling kunnen ze elkaar niet verstaan. Het eerste volk dat zich de Oeraalse familie losmaakte: Samojeden die in noordoostelijke richting Siberië introkken. De overblijvende talen behoren tot de Fins-Oegrische groep. Men neemt scheiding aan tussen Fins en Oegrische tak rond 400-300 v. Chr. Hongaars verwant aan het Ostjaaks en het Wogoels aan de andere kant van de Oeral. De sprekers van het Oegrisch hadden contact met Turkse nomadische herders. Hongaren voor het eerst opgemerkt in het Byzantijnse Rijk. Pas aan het einde van de 9de eeuw over de Karpaten naar de Donauvlakte. Plundertochten. Vanaf 1001 christelijk en goed gereguleerd koninkrijk, groter dan nu. Vanaf 1526 onder Turken, vanaf 1686 onder Oostenrijk tot aan het eind van WOI. Komst van Finnen en Esten in Europa minder spectaculair. Finnen kwamen niet als één volk tegelijk: Hämäläinen (vanuit Estland overzee) en Kareliërs (over land uit het oosten). Onafhankelijk vanaf 1917; daarvoor bestuurd door Zweden en vanaf het begin van de 19de eeuw Rusland. Een klein deel Finnen spreekt Zweeds. Fins en Hongaars hebben hekel aan meer consonanten aan begin van een woord. Pas na Reformatie Finse literatuur.

Turks. Valt onder de Europese talen want heeft een steunpunt op het continent. Geen verwantschap met de Indo-Europese talen. Lid van de Turkse taalfamilie (van de veel grotere groep van de Altaïsche talen), samen met de Kazachen, Kirgiezen, Toerkmeense Oezbeken en andere volken in Centraal-Azië. Turkse legers voor Wenen in 1683 verslagen.

Maltees. Sinds 9e eeuw een vorm van Arabisch. Tweede taal Engels, ook sinds onafhankelijkheid in 1964.

____

2 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Selectieve bibliografie:
The Greek language – Atkinson
A history of the English language – Baugh
The Indo-European lexicon – Beard
De wortels van het Indo-Europees – Beekes
Indo-European language and society – Benveniste
The Americans: the colonial experience – Boorstin
A history of the alphabet – Diringer
Dutch : a linguistic history of Holland and Belgium – Donaldson
The Spanish language, together with Portuguese, Catalan and Basque – Entwistle
Russiand and the Slavonic languages – Entwistle en Morison
The French language – Ewert
Voorlopers en varianten van het Nederlands – Geerts
The character of the Indo-European – Gonda
The scandinavian languages – Haugen
A reader in nineteenth-century historical Indo-European linguistics – Lehmann
Dictionnaire de la langue française – Littré
A panorama of Indo-European languages – Lockwood
An informal history of the German language – Lockwood
Languages of the British isles, past and present – Lockwood
Atlas of world population – McEvedy en Jones
The Indo-European dialects – Meillet
The American language – Mencken
The Italian language – Migliorini
Introduction to the Scandinavian languages – O’Connell
The Latin language – Palmer
A history of Hungary – Pamlényi
The families of words – Prei
The German language – Priebsch en Collinson
The tongues of Italy – Pulgram
A history of the French language – Rickard
Hooray for Yiddish – Rosten
Words and idioms – Smith
Linguistic minorities in Western Europe – Stephens
Geschiedenis van de Nederlandse taal – Vooys
English in the Netherlands – Zandvoort

Frank Scheelen zei

Hoe toevallig. Ik heb net Empires of the Word van Nicholas Ostler besteld.

recensie

Related Posts with Thumbnails