maandag 23 augustus 2010

Laat nooit deze brief aan iemand lezen - Hugo Claus en Simon Vinkenoog

Moet iemand eens een psychoanalytisch thesisje aan wijden: wanneer ik de brieven van twee schrijvers lees, komt het me vaak voor dat de minst getalenteerde auteur het meest investeert in de correspondentie. In dit dikke boek is het niet anders. Vinkenoog de drukdoende netwerker versus Claus de goed doserende ambachtsman. De zeer menselijke preoccupaties van beide heren ondermijnen ook het beeld van de Vijftigers als romantische duivelskunstenaars.

De schrijvers
Hugo Claus en Simon Vinkenoog ontmoetten elkaar voor het eerst begin november 1950 in Parijs. Intellectueel was Claus de rijpste van de twee. Tijdens de oorlog was hij al in aanraking gekomen met expressionistische literatuur. In 1948, het jaar dat hij naar het Oostendse Hôtel de Londres verhuist en in contact komt met de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte (die een uitgebreid netwerk aan internationale schrijverscontacten onderhoudt) heeft hij zich onderdompeld in het surrealisme: Apollinaire, Daumal, Éluard, Michaux, Supervielle. De Amerikaanse poëzie — Crane, Cummings, Eliot, Pound en Stein — leert hij kennen via de bloemlezing van Selden Rodman, 100 American poems (1948). Zelf publiceert Claus poëzie in Podium en is hij redacteur van het blad Tijd en Mens.

Het jaar 1950 is dat van Claus’ doorbraak. Het manuscript van zijn eerste roman De Metsiers, in ijltempo geschreven op eenentwintigjarige leeftijd, wordt bekroond met de Leo J. Krynprijs en wordt integraal gepubliceerd in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Georges Wildemeersch schrijft in zijn inleiding: "Omdat men een nieuwe miskenning à la Paul van Ostaijen wou vermijden werd hij door de grote poort binnengehaald in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Zowat alle tenoren van de toenmalige Vlaamse literatuur — Raymond Brulez, Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Raymond Herreman, Maurice Roelants, Herman Teirlinck, Gerard Walschap — waren lid van de redactie."

Terwijl Claus dus een aanstormende, wereldwijze schrijver was, is Vinkenoog in 1950 nauwelijks het circuit van gestencilde blaadjes ontgroeid. In 1948 is de Nederlandse auteur met zijn aanstaande tweede vrouw, de acht jaar oudere Judith, naar Parijs getrokken, waar hij ging werken voor de Unesco, als medewerker op de afdeling boeken en publicaties. Tussendoor brengt hij verslag uit van het culturele leven in Parijs voor enkele literaire tijdschriften. Zijn liefde voor het surrealisme ontluikt in de bruisende kunststad. De literatuur uit de jaren twintig — Ernest Gengenbach, Jacques Vaché — spreekt 'm meer aan dan de naoorlogse literatuur.

Vinkenoog vestigde voor het eerst de aandacht op zich eind april 1950, met het literaire tijdschrift Blurb. In de periode 1950-1951 verschenen van dit blaadje acht nummers, gestencild en in kleine oplage. Tot nr. 4 was het een eenmanspublicatie. Daarna werkten andere experimentele schrijvers mee, zoals Andreus, Armando, Claus, Hanlo, Hermans en Lucebert. Ook publiceerde het blad poëzie van de jong gestorven Lodeizen. Samen met het concurrerende blad Braak (Campert en Kousbroek) luidde Blurb het tijdperk van de Vijftigers in. In 1950 debuteerde Vinkenoog als dichter met Wondkoorts in de poëziereeks De Windroos.

Door zijn ijver, vuur en sociale talent was Simon Vinkenoog het bindmiddel tussen de verschillende schrijvers en kunstenaars te Parijs. Hij correspondeerde intensief met Andreus, Elburg, Hanlo en Rodenko, en zijn adres in de Rue Santeuil was zo'n beetje het Parijse verzamelpunt van de Cobra-beweging. Vinkenoog was ook zowat de enige kunstenaar die vlak na de oorlog een baan had en geld verdiende, wat hem onder zijn collega's zeer populair maakte. Het was op zo'n dag, toen de schilders Appel en Corneille kwamen aanbellen, dat Vinkenoog en Claus elkaar ontmoetten. Corneille had een Belgische kennis meegebracht. Het klikte. Wildemeersch:

Wat Vinkenoog in Claus herkende was niet alleen de gedrevenheid, maar ook de richting van die gedrevenheid. Vroegrijp, streetwise en uitermate nieuwsgierig hunkerden zij allebei, als zichzelf emanciperende autodidacten, naar inzicht en kennis. Zij voelden zich niet thuis in de bestaande patronen en verfoeiden de geruisloze restauratie van de vooroorlogse waarden en conventies.
Van 1950 tot 1953 zal Claus in Parijs blijven wonen. Hij en Vinkenoog vinden elkaar in de kosmopolitische instelling, de gedeelde kennis van de Franse literatuur en herkenbare schrijversverzuchtingen. Wanneer één van beiden tijdelijk afwezig is in de lichtstad, wordt er verder gecorrespondeerd per brief. Wanneer Claus en zijn vriendin begin 1953 naar Rome verhuizen, wordt de briefwisseling drukker. Elly Overzier (onder de naam Elly Norden) probeert in Italië een acteercarrière uit te bouwen en speelt in films van Federico Fellini, Jacqueline Audry en Alberto Lattuada.

Wildemeersch oppert dat de ontmoeting met de dubbeltalenten Claus en Lucebert van groot belang was voor de artistieke richting die Vinkenoog zou inslaan. Door de persoonlijke kennismaking met de schilders van Cobra en met de dichters van Braak kwam Vinkenoog in relatief korte tijd in een uitgesproken experimentele omgeving terecht, terwijl hij daar in het eerste nummer van Blurb nog op had afgegeven.

Een en ander zou in 1951 leiden tot de publicatie van de roemruchte bloemlezing Atonaal, die geldt als het eerste publieke manifest van de Vijftigers, die zich atonale dichters noemden. Elseviers Magazine was kort daarvoor met een drukbesproken enquête gekomen waarin gevestigde waarden als Bloem, Ritter, Roelants en Hendrik de Vries de vernieuwende tendenzen in de poëzie ontkenden. Uitgever Stols stelde Vinkenoog prompt voor een bloemlezing uit de jongerenpoëzie samen te stellen. De jonge hond toog aan het werk en op grond van zijn contacten maakte hij een persoonlijke selectie.

Eind 1951 verscheen Atonaal met gedichten van Andreus, Campert, Claus, Elburg, Hanlo, Kouwenaar, Lodeizen, Lucebert, Rodenko, Schuur en Vinkenoog zelf, met tekeningen van Appel en Corneille. Het werd een canonstuk in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Voor wie weinig voeling heeft met de reden waaróm, kan dit boek behulpzaam zijn. In Laat nooit deze brief aan iemand lezen wordt verwezen naar een stuk van Bertus Aafjes uit 1953 in datzelfde Elseviers Weekblad, dat mooi de geest uitdrukt waarin de naoorlogse querelle des Anciens et des Modernes plaatsvond.
De bezwaren die ik in mijn drie essays formuleerde zijn bezwaren tegen het extreme experimenteren, dat maar al te vaak het onderbewustzijn in scène zet en doorlopend, met éen voet in de emotionale wartaal, met de andere voet in de intellectuele wartaal belandt. Mijn bezwaren zijn gericht tegen de Laokoongroep Lucebert-Claus-Vinkenoog, die haar motto “de poëzie omhelst in het vers de poëzie” dermate theatraal in haar handel en wandel toepast, dat dit driemanschap door de al te stevige omhelzing welke zij van de poëzie eist, zich met vers en al wurgen laat.”
De Vijftigers waren een vriendengroep die kortstondig samenklitte omwille van negatieve motieven: gezamenlijk verzet tegen het voorgaande. Meningsverschillen werden bij voorkeur binnenskamers gehouden omdat het groepsbelang primeerde. Dat Vinkenoog met zijn grote bek als woordvoerder werd gezien, zorgde soms voor wrevel. Claus zelf ging zich al snel ergeren aan het dogmatisch volgehouden primitivisme van de Cobra-schilders. De groep, zoals die zaken gaan, viel alras uit elkaar.

De brieven
Laat nooit deze brief aan iemand lezen maakte voorgoed komaf met het beeld van de Vijftiger als achteloze, expressieve, wereldverzakende schrijver dat misschien nog ergens bij mij leefde. De correspondentie laat juist twee ambitieuze, zelfbewuste kunstenaars zien, die met boekhoudkundige nauwkeurigheid elk krantenartikeltje over hun werk uitknippen voor het plakboek. De correspondentie gaat vaak over typische schrijversneurosen: aandacht (gebrek daaraan), centjes (idem dito), geweigerde werkstukken en een onwillige muze. Claus, december 1951:
Cher Simon,
hierbij knipsels. Wil het staaltje vlaamse humor aan Corneille overhandigen. Ik schrijf nog steeds aan mijn boek dat aan de helft is. Het wordt geloof ik een dichterlijk boek. Oeioeioei. Ja, hoe kan ik het anders gaan noemen als er geen van de classieke attributen van de moderne roman in voorkomen: géén lévende mensen, geen psychologie, geen dynamische jacht naar het einde en dan weer naar het begin, geen stellingname, geen tragiek, geen niets, geen geen, maar een beetje van alles en onvolledig een beetje nog. Enfin, tu verras bien als ik het je te lezen geef. Ik ben eigenlijk al over de helft. Schrijf als een employé elke dag een stukje, maar verspreid wandelend door het boek. Question d’unité. (…)
Interessanter vond ik het tijdsbeeld dat uit de concrete mededelingen oprees. Maurice Roelants en Urbain van de Voorde zijn in het Vlaanderen van die dagen nog gezaghebbende critici. Van Oorschot, Stols, Querido, Arbeiderspers, Nijgh en van Ditmaar en Daamen zijn de belangrijkste uitgevers van de jaren vijftig. (En De Bezige Bij natuurlijk, een coöperatieve vereniging waarvan de schrijvers lid konden worden.) De heren zijn ook mooi mededeelzaam over hun lectuur. Aan de lopende band worden boeken en tijdschriften uitgewisseld — spullen die Vinkenoog gratis kan versturen dankzij zijn baan bij het Parijse kantoor van de Unesco.

Claus leest een paar boeken die van kapitaal belang zijn voor zijn ontwikkeling. Hij neemt de Notebooks van Henry James tot zich, de brieven van Alexander Woolcott, The golden bough van James G. Frazer (althans, de abridged edition uit 1922). De Gorgelrijmen van Buddingh' worden afgedaan als "kák", The old man en the sea wordt "dommer en oppervlakkiger en spiritlozer" bevonden dan Rock Wagram.

Al even aardig zijn de vele schrijvers die door Claus en Vinkenoog worden genoemd die vandaag zo goed als vergeten zijn: Bernard Frank, Budd Schulberg, Albert Simonin, Uys Krige, René Fallet, Gelett Burgess, Pierre Gascar, Eugene Walter, Jean-Paul Clébert, Kenneth Patchen, Joyce Cary...

Om de verveling en het isolement in den vreemde te doorbreken, wisselen de schrijvers literaire en amoureuze roddels uit, al is Vinkenoog daar een stuk bedrevener in dan zijn correspondentiepartner. Claus toont zich een dankbaar afnemer, dat wel. "Je hebt weinig rekening gehouden met mijn op sensatie levend temperament en je verhaal over de liefdesontknoping was eerder vlak en abstract" moppert hij ergens. Vinkenoog moet daarna wel het hele verhaal doen (p. 116-).

Vinkenoog is in zijn brieven langer van stof en openhartiger dan zijn vriend. Claus stileert duidelijk en verbergt zich achter grapjes en linguistische vondstjes. Hij is ook domweg de betere schrijver. De meeste brieven die ik in zijn geheel heb aangekruist komen van hem. Claus — loom, speels, verveeld — mengt weleens Frans, Italiaans, een kitscherig stafrijm en fonetische kleutertaal in zijn brieven. Op andere momenten, vooral in Rome, schudt hij moeiteloos een prachtig romaneske sfeerbeschrijving uit zijn mouw (p. 194-). Soms wordt er gekoketteerd met de dagelijkse armoede — er dient stiekem veranderd van hotel, een tikmachine wordt in beslag genomen — en vormen de brieven een levensechte aanvulling op de Parijse verhalen van Ethel Portnoy.

Claus is de meest zelfstandige van de twee. Hij lijkt Vinkenoog vooral te zien als praatpaal en boodschappenjongen, terwijl Vinkenoog van zijn kant eerder om bevestiging en advies zoekt bij zijn hooggewaardeerde vriend. Claus neemt die taak ook op zich. Wanneer Vinkenoog hem het manuscript van zijn debuutroman Zolang te water voorlegt, augustus 1952, schrijft hij een grondige bespreking die het verdient in zijn geheel geciteerd te worden — omdat ze veel pijnpunten van debuten tout court blootlegt:
beste Simon,
Je boek is op zijn zachtst uitgedrukt: niet goed. Ik weet dat deze brief een teleurstelling kan zijn voor je, maar wat geeft het dat ik je zoals B. Schierbeek zeg dat het een aardig boek is maar dat je er nog wat moet aan veranderen? Er is, geloof ik, niets aan het boek te veranderen en als je het zelfde boek wil houden, uitgeven bvb. Moet je het voor mijn gevoel helemaal opnieuw schrijven. Het was werkelijk een ontgoocheling voor mij en dit niet alleen omdat je mij erover gesproken had en dat ik aldus willen of niet je opgezet gewaargeworden ben. Het heeft geen zin in naam van de vriendschap en het eten enz. je aan te moedigen, dat doen anderen wel in mijn plaats en ik heb geen zin het boek opnieuw — het zoveelste — te beschouwen als de onontkoombare eersteling met de vereiste fouten, geen zin jou en jouw problemen te proberen ontdekken. Ik houd mij aan het manuscript.
Ik stuit op literaire foefjes. Op bladzijden en bladzijden inerte vertellerij. Geen enkele van de situaties (die ik natuurlijk kende en waardoor dus de twijfelachtige charme van de chóc verloren ging) werd aangevoeld in zijn essentie, althans niet weergegeven. Je raakt niet tot aan de kern, maar blijft aan de uiterlijkheden van het verhaal hangen. Nu kan je me vertellen: dat wilde ik niet, het boek gaat alleen over Simon en die ziet die situaties niet scherp tot op het merg, probeert het ook niet. Dan ontgaat Simon enorm veel. Tot daar. Maar het andere: Simon alleen in het niets, in het alleen maar niets en Ferdina: nu, dat blijft opnieuw aan de oppervlakte (opnieuw uiterlijk) van het overduidelijk verklaren, roepen: ik ben niets, gij zijt niets, waar zijn wij? wie hoort ons aan? waar is de tijd? en deze kreet van het enfant du siècle heeft geen allure, is niet rauw genoeg gesteld, dringt niet tot mij door. Het accent (vals of eerlijk) is er niet.
Dat je niet te leven weet, te beminnen, niets weet hoe of wat en dit in tientallen stereotiepe zinnetjes vertelt, wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt. En dat doet je boek niet, omdat ik op elke pagina merk dat je jezelf toegevingen hebt gedaan, aan een ik weet niet welke magere trots hebt toegegeven: ik zal schrijven en daarmee is alles gezegd, de uitdrukking komt vanzelf, de sfeer komt vanzelf uit de literair mooie situatie die ik heb meegemaakt, die ik probeer te vertellen, het geeft niet hoe, het gaat mij niet aan. Er zijn pagina’s die een zekere vaart hebben en vooral het begin is stimulerend, en het boek heeft kwaliteiten, vergeet dit niet, het is ook in een bepaalde mate een curiositeit, maar dit is mij niet voldoende. Er spreekt geen sensibiliteit in uit, geen perceptie, geen aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan. Daarom, het boek is ongetwijfeld een heilzame belevenis geweest voor je, een goede kuur, een ontlading (en dat is de fout van het geval, je zat er te dichtbij, te zeer op gebonden als op een hollend paard opdat je de nodige recul had die elk boek heeft (zelfs (en vooral bijna) Molloy), Maldoror en je lievelingsboeken). Berg het boek op ergens in een lade en begin een nieuw waar je je op bezint, bezinnen kan. Geloof ook niet dat ik iets anders heb beoogd – aan iets anders heb toegegeven — dan mijn waarheid tegenover dit manuscript. Hugo Claus. Geen zalf en geen pil.
Georges Wildemeersch ziet in de correspondentie een boeiende clash tussen twee schrijversstypes. Grosso modo vindt men de tegenstelling van openheid en geslotenheid immers ook terug in hun werk, zegt hij. Neem alleen al de vrijmoedige omgang met seksualiteit van Vinkenoog, tegenover de metaforisch verpakte afstandelijkheid tegenover seksualiteit in pakweg De Oostakkerse gedichten van Claus.
Vinkenoog is de romantische, expressieve dichter in de trant van Walt Whitman en Allen Ginsberg, het type dat zweert bij het spontane en het ongeremde en dat de literatuur in eerste instantie ziet als een elementaire schreeuw van leven. Claus is niet minder lebensbejahend, maar hij heeft meer oog voor het artistieke effect. Hij is veeleer de klassieke vakman, de autonomistische dichter in de trant van T.S. Eliot en Ezra Pound, het type dat ervan uitgaat dat je je elementaire, eerlijke schreeuw, als die niet goed gepland is, beter kunt laten.
Wanneer in 1955 Hugo Claus vanuit Italië terugkeert naar Vlaanderen, en Simon Vinkenoog in 1956 vanuit Parijs terugkeert naar Amsterdam, behoren ze tot het establishment van de Nederlandse literatuur. Daarom kan deze briefwisseling beschouwd worden als een inkijkje in een van de belangrijkste kraamkamers van de Nederlandse experimentele literatuur. Wie echter niet in literatuurgeschiedenis geïnteresseerd is, zal aan deze brieven niets hebben. Daarvoor zijn ze te onbenullig.

In dat licht wordt een hypergeannoteerde editie als Laat nooit deze brief aan iemand lezen zelfs een potsierlijk product. Elk feitje wordt gestaafd met secundaire literatuur van Borgers, Buelens, Calis, Fokkema en Joosten. Wanneer Claus in een brief uit januari 1955 aan Vinkenoog schrijft: "Dit lange blad om je te signaleren dat ik geen nieuws heb", krijgen we bij 'lange blad' als noot te lezen: "Het gebruikte papier is langer dan het courante A4-formaat". Terwijl de opname van de vele onachterhaalbare polemiekjes waar het tweetal naar verwijst, nuttiger ware geweest.

Punt is ook dat ik literatuurvorsers niet meer geloof wanneer ze bovenmatig veel belang hechten aan periodiekjes die uiteindelijk door anderhalve man en een paardekop werden gelezen. Een Wim Zaal bijvoorbeeld heeft met meer afstand en inzicht over literaire tijdschriften geschreven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Hugo Claus en Simon Vinkenoog, Laat nooit deze brief aan iemand lezen
De briefwisseling tussen 1951-1956

495 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008
Samenstelling, inleiding en aantekeningen Georges Wildemeersch


Nog een paar hoogtepunten:

Vinkenoog over De Metsiers, p. 45
Vinkenoog over De hondsdagen, p. 81
De herkomst van Claus, 'keizer', p. 126
Claus' recht van antwoord naar Elseviers Weekblad, p. 160
Over de goedgelovigheid van Nederlanders, p. 452

____

2 reactie(s):

ijsbrand zei

Moet iemand eens een psychoanalytisch thesisje aan wijden: wanneer ik de brieven van twee schrijvers lees, komt het me vaak voor dat de minst getalenteerde auteur het meest investeert in de correspondentie.

Dit klopt bijvoorbeeld niet voor _Machines en emoties_, waaruit blijkt dat Hermans veel meer in de correspondentie investeerde dan Kousbroek. Tenzij ik het anders interpreteer, en de brieven van Ethel Portnoy meetel. Die het minste tal brieven schreef, maar misschien weleens boeken kan hebben uitgebracht waarvan de inhoud langer beklijft dan die van de twee mannen -- die zo gekleurd zijn door al hun tijdsgebonden testosterongedreven polemiek.

Achille van den Branden zei

Misschien moet ik het anders formuleren en zeggen dat de beste schrijver vaak het meeste schrijver blijft in de brieven.

Ik denk aan Meijsing en Freriks. Meijsing componeert brieven als in zichzelf pratende kunststukjes. Freriks probeert nog weleens te informeren hoe het de ander vergaat (= wat ik versta onder investeren in de correspondentie; niet het aantal brieven, maar het gesprek dat daaruit kan volgen).

Related Posts with Thumbnails