maandag 16 augustus 2010

Laat me feesten - Peter Giesen

Ik ben een fan van Theodore Dalrymple, om twee redenen. Primo: hij durft de vraag te stellen in welke mate de verzinsels van literatoren uitstaans hebben met de werkelijkheid. Secundo: hij bekritiseert de morele gemakzucht van schrijvers die een eenzijdig beeld van de werkelijkheid ophangen. Dalrymple is echter ook een zeurkous die de verwording van de planeet overal om zich heen ziet. En dat lijkt me historische nonsens.

Een van de stokpaardjes in de essaybundel Profeten en charlatans is de verloedering van de hedendaagse jeugd. Theodore Dalrymple kan in een Engelse grootstad niet meer over straat lopen zonder uitdagende blikken van jongeren te moeten trotseren, die onvermijdelijk aansturen op geweld en confrontatie. In een verklaring voor deze wantoestanden overschat Dalrymple naar mijn smaak de invloed van progressieve intellectuelen en hun gecanoniseerde werken. In Laat me feesten hoopte ik stof te vinden voor een genuanceerdere kijk op hedendaagse jongeren. Ik werd niet teleurgesteld.

In elk tijdperk maakten ouderen zich zorgen over de ontwikkeling van de jeugd. Achteraf lijken de jaren vijftig louter bevolkt door poëzie schrijvende hbs’ers, kunstminnende gymnasiasten, oplettende arbeidersjongeren, misdienaars en bezoekers van de zondagsschool. In de jaren vijftig zelf geloofden veel ouderen echter dat de jeugd ten prooi was gevallen aan een rampzalige vorm van hedonisme en materialisme. De ‘massajeugd’ leek wars van ieder streven naar geestelijke verheffing. Jongens en meisjes hingen maar een beetje doelloos rond op de hoek van de straat. Zij gingen niet meer naar de kerk, maar wel naar de dancing, de ijssalon of de sportmatch. Het probleem werd zelfs als zo nijpend ervaren dat de regering zich ermee bemoeide. In opdracht van de overheid trok een legertje sociologen en pedagogen door Nederland, op zoek naar ‘massajongeren’, in de achterbuurten van de grote steden, maar ook in Klaaswaal, Numansdorp en Ureterp. In 1952 verscheen hun rapport, Maatschappelijke verwildering der jeugd, geschreven door de destijds befaamde pedagoog Langeveld.
U begrijpt: de auteur van Laat me feesten is historicus. Peter Giesen vergeleek in het boek de jongerencultuur van de jaren negentig met die van de decennia daarvoor. Daarbij zoekt hij geen intellectuele verklaringen, maar sociaal-economische.

Want ook in de jaren negentig werd er, onder invloed van de oprukkende house- en drugscultuur, paniekerig gedaan over de morele toestand van de jeugd. Jongeren rookten meer, zo klonk het, gebruikten meer alcohol en drugs, deden te weinig aan lichaamsbeweging, doken eerder in bed met elkaar, speelden gewelddadige computerspelletjes, waren onverbeterlijke modesnobs, en werden agressief als je geen respect voor ze toonde.

Onder meer de moord op Meindert Tjoelker zette Nederland aan het denken. Het verontrustende aan de zaak Tjoelker was het profiel van de daders. Zij bleken geen kansarme werklozen die reeds op elfjarige leeftijd hun klasgenootjes in elkaar sloegen, maar brave huisvaders, gesettelde twintigers die zelfs blijk gaven van burgerzin door vrijwilligerswerk te doen in het buurthuis. De zaak-Tjoelker, schrijft Giesen, bezegelde de definitieve nederlaag voor een links-liberale elite van sociale wetenschappers, politici, journalisten en andere opiniemakers die jarenlang probeerden de toename van geweld en criminaliteit te ontkennen.
Hun wereldbeeld werd sterk bepaald door het feit dat zij zich nog maar net hadden ontworsteld aan de bekrompen moraal en autoritaire gezagsverhoudingen van de jaren vijftig en zestig. Geweld trof derhalve niet alleen het slachtoffer, maar ook hun ideaal van een vrije samenleving, waar de mens gelukkig is zonder moralisme en strenge regels.
De stemming sloeg om. Onvrijheid en sociale achterstand waren kennelijk onvoldoende om criminaliteit te klaren. Tegenwoordig is vrijheid immers vanzelfsprekend — de burger is zijn eigen autoriteit geworden. Voor het eerst in de geschiedenis is er geen rijke elite meer die een arme massa onderdrukt, stelt een economoom als Galbraith. De massa is nu zelf rijk en slechts een kleine minderheid van verliezers deelt niet mee in de algehele welvaart. Buitenlandse vijanden zijn verdwenen, de Koude Oorlog voorbij. "Natuurrampen zijn vrijwel uitgebannen en voor een rampzalige economische crisis zijn maar weinig mensen bang," voegde Giesen er ook nog aan toe, in 1999.

Geweldenaars?
We hebben het zo goed dat geweld één van de weinige zaken is die ons postmoderne gemoed nog werkelijk schokken, aldus Giesen. Alle andere taboes (seks, drugs) van weleer zijn routine geworden, maar we blijven gevoelig voor de mediaberichtgeving die grootsteden voorstelt als gevaarlijke urban jungles. En hoewel geweldstatistieken voor discussie vatbaar zijn (er is grotere aangiftebereidheid, en statistieken worden altijd beïnvloed door prioriteiten in opsporing) berust de toename van geweldsdelicten niet louter op perceptie, zoals linkse sociologen sinds de jaren zeventig stug hebben volgehouden. Het is allebei waar: geweld wordt vaker gepleegd én nog eens uitvergroot door de media.

Links beschouwde geweld en criminaliteit lange tijd als een gevolg van werkloosheid en maatschappelijke ongelijkheid. Geweld zou een uitlaatklep voor frustraties zijn, alsmede een snelle en gemakkelijke manier om een karig inkomen aan te vullen. Deze sociaal-economische verklaring is op zijn minst onvolledig gebleken. Zie Tjoelker, en zie de vele bemiddelde voetbalvandalen.

De laatste tijd, schrijft Giesen — en ook dat doet denken aan Dalrymple — is daarom een culturele verklaring voor geweld in opmars. Daarbij krijgt vooral de ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig de schuld. De sixties creëerden en levensstijl waarin persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing als hoogste goed werden beschouwd. Daarom streven veel mensen tegenwoordig naar bevrediging van eigen behoeften, zo betogen critici, zonder rekening te houden met anderen. Maar zelfs de meest oppervlakkige inspectie, vervolgt Giesen, leert al dat ook deze verklaring op zijn minst eenzijdig is. Marokkaanse jongeren, een probleemgroep bij uitstek, worden immers uiterst autoritair opgevoed, met de Koran in de hand.

Giesen ziet andere belangrijke factoren. Harde factoren, zoals schaalvergroting en welvaart. In vroeger eeuwen ontaardden kermissen, bruiloften en jaarmarkten regelmatig in veldslagen. Die bijeenkomsten waren echter zeldzaam; nu is het elk weekend kermis. Voeg daarbij het feit dat alcohol (de voornaamste risicofactor bij gewelddelicten) en drugs zeer beschikbaar zijn geworden. Bovendien is er de verhoogde mobiliteit. Jongeren gaan niet meer naar de dorps- of stamkroeg, maar naar regionale of zelfs nationale uitgaanscentra waar nauwelijks sociale controle is.

Een andere factor is de instroom van allochtonen: veel geweldsdelicten werden vroeger niet gepleegd omdat de daders behoren tot bevolkingsgroepen die er dertig jaar geleden nog niet of nauwelijks waren. Grote delen van ‘de’ Nederlandse jeugd bestonden vroeger niet. Daarbij zij aangetekend dat deze etnische onderklasse niet arm genoemd kan worden. In absolute zin bestaat armoede nauwelijks meer in Nederland. "Zelfs de Bijlmer is een Eldorado vergeleken bij de Amerikaanse getto’s, het platteland van Marokko of de sloppenwijken van Curaçao."

De jongeren uit de laagste inkomensgroepen zijn echter opgegroeid met de Nederlandse droom van welvaart en zelfontplooing — leuk werk, goed betaal en het liefst een beetje zelfstandig — terwijl de middenklasse-samenleving veel Marokkaanse jongens weinig te bieden heeft. Op school doen ze het slecht, de arbeidsmarkt biedt ondergeschikte posities tegen een laag salaris. Daar staan de verlokkingen van de straat tegenover: brothers die je beter begrijpen dan je ouders en genoeg aanbiedingen om grof geld te verdienen. Voor jongeren uit kansarme groepen zijn geweld en machogedrag een beproefd middel om respect af te dwingen. Ze creeëren een "alternatieve statusladder", waarin prestige wordt ontleend aan zaken die maatschappelijk niet aanvaardbaar zijn.

Het probleem is volgens Giesen juist dat Marokkanen en andere allochtone groepen uit een autoritaire cultuur komen (waar dus het autoritaire gezag buitenshuis wordt voortgezet met desnoods hardhandige onderwijzers en politieagenten). Daardoor zijn zij slecht voorbereid op de vrijheid en verlokkingen van de Nederlandse samenleving. Bijkomende probleem is de clan-mentaliteit van het Rifgebergte: wij tegen zij. Hierdoor ontstaat er een ingelepeld gebrek aan loyaliteit met de wereld buiten de eigen kring.

Giesen vervolgt: de toename van geweld en criminaliteit hangt samen met een bredere culturele ontwikkeling — de toenemende maatschappelijke vrijheid. Naarmate de samenleving vrijer werd, werd er ook meer gestolen, geroofd en mishandeld. Maar: het verminderde gezag van ouders berust niet uitsluitend op weekhartigheid. Ook de feitelijke machtspositie van kinderen is in de loop der jaren sterk geworden. Jongeren gingen vroeg werken, hadden minder geld, en hun vrijetijdsbeleving stond meestal onder controle van volwassenen. Nu brengen ze hun hele jeugd door op school en komen via hun leeftijdsgenoten in een jeugdcultuur terecht.

De postmoderne mens is ook autoritair gedrag verleerd, zoals vaders, ouderen, chefs en geestelijken dat vroeger aan de dag legden. Tegenwoordig moet men gezag verdienen, maar daar is op straat geen tijd voor. Eigen verdiensten (egalitaire maatschappij) bepalen iemands aanzien, in plaats van sociale afkomst (standenmaatschappij). Iedereen moet voor zichzelf opkomen en de concurrentie met anderen aangaan. Mensen worden op prestaties afgerekend.

Vroeger was het leven één grote gedragscode; een samenstel van (vaak belachelijke) regels speelde een belangrijke rol bij gewetensvorming. Mensen zagen zich tot de jaren zestig als zondig, geneigd tot het kwade. De welvaartsexplosie van de jaren zestig maakte een einde aan een lange traditie van matigheid en zelfbeheersing. De levensgenieter verving de kleinburger. Jongeren blijven tegenwoordig zo lang mogelijk bivakkeren in het feestelijke niemandsland van de jeugdcultuur: sex, drugs en rock en roll. Niet in het minst omdat de maatschappelijke weerstand tegen genotzucht afgenomen.

Slechts één ding laat de door en door tolerante samenleving niet onverschillig, aldus Giesen: verlangen naar gezondheid en veiligheid. Waar voorgaande generaties nog konden shockeren door God belachelijk te maken, drugs te gebruiken of voorechtelijke seks te praktiseren, rest de hedendaagse rebel slechts het geweld, de enige overtreding die de verveling verdrijft in een cultuur die elke andere confrontatie wil vermijden. Die fascinatie wordt mede gevoed door de media. De meeste jongeren zien gewelddadige films als louter amusement. Kwetsbare jongeren nemen makkelijker een voorbeeld aan gewelddadige helden.

Het probleem van lastige jongeren is dus niet simpelweg een zaak van een gebrek aan opvoeding of van sociale achterstand. Opvallend is dat geweld vaak de keerzijde vormt van zaken die wij als positief beschouwen, zoals mobiliteit, welvaart, een kleurrijke samenleving, vrijheid en gelijkheid.

Leeghoofden?
In de volgende hoofdstukken relativeert de auteur de opvatting dat jongeren lege hulzen zijn. Een oppervlakkige studieronde lijkt dat beeld eerst te bevestigen. Jongeren hebben een hekel aan alles wat een zekere diepte suggereert — priesters, dominees, filosofen. Ze talen slechts naar "esthetische meesters", designers die de gewenste lifestyle leveren. Materialisme overheerst. Politieke en religieuze idealen zijn verdwenen. Overheidsinitiatieven om jongeren tot de klassieke muziek, de bibliotheek, het museum of het theater te bekeren, leveren nauwelijks iets op.

Was het vroeger beter? Wie in de jaren vijftig naar hbs, gymnasium en universiteit ging, kreeg inderdaad keurig de klassieken binnen. Maar ook niet-intellectuele motieven speelden mee. In de naoorlogse jaren had houden van kunst nog iets opstandigs. En in de literatuur las je over erotiek, wat spannend was.

Met beter onderwijs nam in de daaropvolgende jaren de hoop op volksverheffing toe. Maar toen steeds meer jongeren doorleerden, nam niet het kunstpubliek toe, maar ontstonden de jongerencultuur en popcultuur. De student van nu weet meer van Super Mario dan van de wereldliteratuur. De protestgeneratie is dan ook teleurgesteld over haar opvolgers, die het gevecht voor persoonlijke vrijheid niet verderzetten maar ervan profiteren. Jongeren zijn de happy consumers bij uitstek, en worden bestookt met producten die speciaal op hen gericht zijn, en die hen helpen om hen van elkaar te onderscheiden. Merken zijn daarbij essentieel. Terwijl jongeren zichzelf beschouwen als superindividualisten, lijken zij meer dan ooit vatbaar voor de slimme trucs van marketingsspecialisten.
Individualisme is een veel dubbelzinniger begrip dan vaak wordt beseft. De individualistische consument koopt kleren en andere spullen om zichzelf van anderen te onderscheiden. Daarmee geeft hij een verklaring af over zijn smaak en identiteit. Maar zo’n statement heeft alleen zin als dat ook voor andere mensen herkenbaar is. Het zou pas echt origineel zijn om in een boerenkiel en klompen te gaan lopen, maar die keuze wordt door anderen niet als erg cool herkend. We kunnen ons dus alleen profileren met een imago dat door anderen begrepen wordt.
Je hoort vaak dat 'de jeugd van tegenwoordig geen idealen meer heeft'. Twee misverstanden spelen hierbij een rol, zegt Giesen. Ten eerste wordt een leeftijdsgebonden verschijnsel verward met een trend. Jongeren zijn altijd minder geïnteresseerd in politiek, kranten, de hogere kunsten en al die andere zaken die volwassenen zo belangrijk vinden. Wellicht met uitzondering van een korte periode in de jaren zestig, en daarmee komen we op het tweede misverstand. Sinds de jaren zestig worden jongeren gegijzeld door het beeld van de politiek geëngageerde, idealistische jeugd.
Het is echter een groot misverstand dat jongeren ‘van nature’ idealistisch zijn en dat daar pas de laatste decennia op betreurenswaardige wijze de klad in is gekomen. Normaal gesproken onderscheiden jongeren zich vooral van ouderen door hun smaak op het gebied van mode en muziek. Uit ieder onderzoek blijkt dat jongeren doorgaans niet wezenlijk anders over de maatschappij denken dan hun ouders. Slechts onder bijzondere omstandigheden krijgt de jeugdcultuur een politiek karakter. Deze eeuw [20ste] kende twee golven van jeugdig idealisme, stelt de psycholoog Ruud Abma in zijn proefschrift Jeugd en tegencultuur. In de jaren twintig en dertig propageerden bewegingen als de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en de Kwekelingen Geheel Onthouders Bond een sober leven in de natuur, zo ver mogelijk verwijderd van de verrotte, industriële samenleving. Pas in de jaren zestig volgde een tweede golf. De generaties die na zo’n protestgolf op het toneel verschijnen, verkeren in een ondankbare positie.
Babyboomers miskijken zich op de jeugd, wanneer ze zoeken naar een nieuwe voorhoede. Jongeren zijn eerder seismograaf dan een voorhoede die elke generatie opnieuw heilige huisjes sloopt. In de jaren vijftig al beschreef Joop Goudsblom in zijn boek De nieuwe volwassenen een bedaagde generatie jongeren zonder grootse visoenen, jongeren met enkel persoonlijke idealen. Goudsblom beschouwde dit nieuwe realisme als een reactie op de eerste protestgolf. De pacifisten, vegetariërs en naturisten van de jaren dertig hadden de catastrofe van de oorlog niet weten te voorkomen.

Het apolitieke karakter van de hedendaagse jeugd heeft ook te maken met een realistischer beeld van de macht van de politiek. Niet alleen het geloof in politieke oplossingen is verminderd, ook in werkelijkheid heeft de politiek steeds minder te vertellen. De macht is verspreid naar Europa, de bedrijven, het wetenschappelijk onderzoek. De beweging tegen kernenergie en kernwapens kon in de jaren tachtig zo’n hoge vlucht nemen, omdat de politiek sterk verdeeld was over deze vraagstukken. In zo’n situatie kan buitenparlementaire actie een belangrijke of zelfs doorslaggevende rol spelen. Tegenwoordig lijken de partijen steeds meer op elkaar. Bij jongeren heeft de depolitisering iets sterker toegeslagen. Politiek is "het weinig meeslepend bestuur van de B.V. Nederland".

Het engagement van jongeren komt tegenwoordig in heel andere arena's tot uiting dan dat van de protestgeneratie. Niet de studentenbeweging dus, of de politieke jongerengroepen, het actiewezen, de traditionele pers of de gesubsidieerde sector. Elke generatie maakt nu eenmaal gebruik van de openingen die de arbeidsmarkt te bieden heeft. De verschuiving heeft ook te maken met de beeldcultuur. Door het echec van de bevlogen ideeën uit de jaren zestig heeft het woord veel van zijn meeslepende karakter verloren. De jeugdcultuur is daarnaast doortrokken van te veel ironie om het gesproken en geschreven woord te gebruiken voor politieke actie. (Vooral zintuiglijke ervaringen bieden een uitweg uit dit labyrint van ironie. Het zijn directe ervaringen, die niet gefilterd worden door die schijnbaar nooit ophoudende reflectie.)

Volgens psycholoog Ruud Abma kan een tegencultuur alleen ontstaan als ook binnen de oudere generatie een scherp maatschappelijk conflict bestaat — zie de jaren zestig met zijn puriteinse eruditie versus de welvaartstaat (de gasbel van Slochteren werd ontdekt, de lonen stegen jaarlijks met tien procent, de gemiddelde opleidingsgraad steeg, na de Cubacrisis van 1962 verdween de dreiging van een kernoorlog naar de achtergrond, in 1963 werd de pil geïntroduceerd).

De strijd van de sixties kende weliswaar een politieke component — verheffing van de arbeidersklasse, revolutie in de Derde Wereld, de democratisering van de universiteit — in cultureel opzicht lagen de doelstellingen echter dichter bij huis: vrije seks, popmuziek op de radio, versoepeling van omgangsvormen. Politieke ideologie gaf kortom vooral houvast en verleende de persoonlijke bevrijding een quasi-religieuze status. Omdat hippies, krakers en socialisten zichzelf als verdrukten zagen, waren zij solidair met iedereen die in een soortgelijke positie verkeerde. Toen de arbeidersklasse echter eenmaal geëmancipeerd was, verloor de linkse beweging veel van haar vitaliteit. Tegenwoordig zijn de belangrijkste culturele doelstellingen — ‘Een eigen alles voor iedereen’ — bereikt. Links komt niet meer voor zichzelf op, maar voor anderen: allochtonen, asielzoekers, bijstandsmoeders, bejaarden, dieren, het milieu. Zorgeloosheid is geen goede motor voor sociaal engagement.

De linkse golf van weleer opereerde ook niet geheel belangeloos, zegt Giesen. Protest was sexy. Bovendien hadden de activisten een vrij scherp beeld wie het van overheidswege gesubsidieerde geluk zou gaan uitdelen: zijzelf. In de jaren zeventig stagneerde het bedrijfsleven. Gelukkig ging de expansie van het hoger onderwijs gepaard met een even sterke uitbreiding van de gesubsidieerde sector, die alle nieuwe academici en hbo’ers, de befaamde ‘-gogen en –logen’ moeiteloos opslokte. ‘Het spijkerpakkenproletariaat’, schrijft Giesen, nestelde zich in de bureaucratie, aan de universiteit en in het welzijnswerk, een comfortabel en goed betaald bestaan, in de zelfgenoegzame wetenschap dat men geen vuile handen hoefde te maken in het bedrijfsleven. Voor de pragmatische generatie van nu is de situatie omgekeerd. In de gesubsidieerde sector wordt bezuinigd; in de privé liggen de banen voor het oprapen.

De rest van het verhaal is bekend: de economische crisis maakte een einde aan het grote linkse project van de sixties. Punks en krakers waren de kinderen van de teleurstelling. Ze kwamen in verzet tegen de overheid. Ze legden vaak veel initiatief aan de dag: de doe-het-zelf-cultuur. De yuppies uit de jaren tachtig namen afstand van politiek en overheid, maar koesterden wel een collectief wereldbeeld (het vrije marktdenken), en een gezamenlijke standaard (heb ik wel geld genoeg?). De jaren negentig laten gelukkig meer diversiteit zien, ook al is het moeilijk los te komen van status en inkomen.

Dan moet er nog iets gezegd worden over het druggebruik van de jongeren tegenwoordig. Wie in de jaren zeventig opgroeide, werd grootgebracht met het beeld van de verloederde junk. In de jaren negentig werden drugs hip — geen levensstijl (zoals heroïne vereist), maar een hobby voor het weekend. Xtc is bij uitstek verantwoordelijk voor deze verandering. In de jaren zestig maakte Timothy Lear propaganda voor lsd en maakte daarmee de slapende honden van politie en justitie wakker. Xtc moest dus een elitaire ervaring blijven, maar ook dit middel bleek niet geheim te houden.

Toch hebben veel mensen een overspannen beeld van drugsgebruik (cf. cijfers p. 42). De meeste mensen gaan na hun twintigste hun druggebruik op lager pitje zetten of stoppen helemaal. Elke generatie gebruikers ervaart de wet van de afnemende meeropbrengst. De oorspronkelijke kick kan nooit meer gereproduceerd worden. Hippies geloofden vroeger ook nog dat ze via drugs een andere state of mind konden bereiken, die hen immuun zou maken voor de materialistische verlokkingen. Hedendaagse jongeren weten wel beter — ze zullen meedraaien in de tredmolen van gezin, werk en hypotheek.


Foto door Massimo Ankor, via Flickr, onder een Creative Commons license

Egoïsten?
Zijn de jongeren egoïsten geworden? Vooral geluk, succes, persoonlijke groei en liefde zijn de zaken die jongeren bezighouden, stelt ook Giesen. En ja, de welvaart heeft de collectieve strijd minder relevant gemaakt. Maar sommige cultuurpessimisten die de moderne mens week vinden, een narcist die voortdurend bevestiging wil, vergeten volgens Giesen dat mensen hun weg moeten vinden in een complexere samenleving, waarbij hun ideniteit niet langer wordt bepaald door hun sociale positie. We moeten wel een identiteit construeren, en doen dat door een lifestyle te kiezen.

Komt daarbij dat de moderne samenleving steeds hogere eisen aan het individu stelt. De concurrentie op de arbeidsmarkt is sterk toegenomen, in relaties wordt steeds meer van de partners gevraagd. Idealisme is dus niet weg; het is naar het persoonlijke vlak verhuisd: het leven is immers kneedbaar, als je maar de juiste keuzes maakt. Je moet carrière maken, geld verdienen, intelligent en leuk en sociaal zijn.

Nu zijn de carrière en de liefde geen van beiden makkelijke projecten. Liefde: vroeger speelden zeker op het platteland niet-romantische motieven een belangrijke rol bij een huwelijk; maar kil calculeren is tegenwoordig taboe; ook binnen een relatie zijn oude conventies verdwenen, zodat elke onderdeel onderhandelbaar is, in de wetenschap dat je er op elk moment een einde aan kunt maken. Carrière: het democratische ideaal van gelijke studiekansen is — voor autochtone jongeren — grotendeels in vervulling gegaan; zeker voor hoger opgeleiden ligt een aantrekkelijk leven klaar; alleen zijn er zoveel mensen die gestudeerd hebben, en begerenswaardigte positie zijn per definitie schaars; niet iedereen slaagt erin zijn eigen ding te doen, en als we falen kunnen we daar niemand de schuld voor geven, want alles is maakbaar.

Het vermeende egoïsme van jongeren zou zich volgens de oudere generatie ook uiten op moreel vlak: de samenleving is killer en egoïstischer geworden en het bindend element — moraal, God, of maatschappelijke voeling — is weg. Deze visie is Giesen echter veel te simpel. Met de overgrote meerderheid van de jongeren gaat het goed. Die kleine groep ontspoorde jongeren veroorzaakt niet alleen veel overlast, maar heeft ook het onjuiste idee van een maatschappelijke crisis doen postvatten.

Het verband tussen streng opvoeden en goed gedrag is bovendien minder duidelijk dan vaak wordt gesuggereerd. Landen met strengere omgangsvormen en waar het onderwijs meer nadrukt legt op discipline (zoals België, Duitsland of Frankrijk) kampen evenzeer met geweld op straat als het tolerante Nederland. Een autoritaire opvoeding is ook alleen effectief als ze buitenshuis ondersteund wordt: autoritair opgevoede kinderen zijn gehoorzaam zolang gezag in de buurt is. Tussen haakjes: je moet kinderen ook opvoeden tot weerbaarheid, als ze straks in een samenleving komen waar ze voor zichzelf moeten opkomen. Ouders staan voor de lastige taak daarin een evenwicht te vinden.

Of de wereld steeds killer wordt, valt ook nog te bezien. De wereld wordt steeds warmer, meent Giesen. Vanop veilige afstand zijn de jaren vijftig helemaal niet zo warm en veilig (beschut door gezin en kerk) als ze tegenwoordig voorkomen. De traditionele zuilen propageerden praktijken die we nu als harteloos beschouwen (tegen ongehuwde moeders, ‘gevallen’ vrouwen, homo’s) én een strikte hiërarchie (hetero’s boven homo’s, mannen boven vrouwen, burgers boven arbeiders, geestelijken boven ongelovigen). Machthebbers drongen hun normen en waarden op. Fatsoen was belangrijker dan warmte.

Tegenwoordig kan iedereen rekenen op hulpverleners of emo-programma’s op televisie. De sterke verkleining van machtsverschillen heeft ook het min of meer legitiem uitoefenen van geweld moeilijker gemaakt (gezin, onderwijs, politie). Collectieve fatsoensregels werden ingeruild voor wederzijds inleven, tot en met de dieren toe. Deze nieuwe moraal is wel veel efficiënter binnen het privé-domein dan daarbuiten. Binnenskamers zijn de omgangsvormen verzacht; op straat zijn de omgangsvormen inderdaad verhard.

Doemdenkers die het moreel moreel verval op een zeer eenzijdige manier bij de jaren zestig leggen (toen ontzag voor gezag voorgoed werd afgezworen), hebben het echter mis. In de jaren zestig was die genotzucht nog ingebed in een ideologie die op solidariteit was gebaseerd. Pas met het neoliberalisme van de jaren tachtig werd hedonisme ontdaan ideologie. Het uitgaansgeweld illustreert volgens Giesen op perfecte wijze de gevolgen van het huwelijk tussen de tolerante sixties en de neoliberale eighties. Ouders vinden het moeilijk gezag uit te oefenen; maar café’s vroeger sluiten ligt ook gevoelig.

Dit voorbeeld toont volgens de auteur aan hoe moeilijk geweld te bestrijden is. De toename van het aantal geweldsdelicten is geen geïsoleerd randverschijnsel, maar het onvoorziene product van een diepgaande culturele ontwikkeling die door het leeuwendeel van de mensen als positief wordt ervaren. De meeste jongeren hebben overigens geen enkele moeite met een strengere aanpak. Strengheid wordt niet meer geassocieerd met de jaren vijftig. Jongeren zijn ook bij uitstek de slachtoffers van geweld. Alleen zal een harde aanpak van anderen, van probleemgroepen alleen niet helpen. De hele samenleving moet gedisciplineerder worden. Volwassenen incluis.

Ook op het beeld van de hopeloos geatomiseerde samenleving wil Giesen wat afdingen. Verbroedering is een onderschat onderdeel van de jongerencultuur, zegt hij. Jongeren trekken in groepsverband met elkaar op, naar party’s of concerten, en zoeken op internet naar geestverwanten. Mensen zijn steeds minder vaak lid van een parochie of politieke partij, maar steeds meer actief in kleine los-vaste groepjes. Zulke nieuwe sociale verbanden zijn vaak onzichtbaar in de statistieken.

Over de gemeenschapszin van weleer hoeven eigenlijk geen al te romantisch beeld koesteren. Vroeger was veel ouderwetse solidariteit het product van armoede. Iedereen hielp elkaar, want iedereen was even arm. Mogelijkheden om de vrije tijd te besteden waren ook zeldzaam. Ook daarvoor was men op elkaar aangewezen: verhalen vertellen, kaarten...

Giesen haalt een socioloog aan, Ruut Veenhoeven, en zijn bevinding dat in een individualistischer samenleving mensen gelukkiger zijn. Familiebanden kunnen als knellend ervaren worden, en in elke hechte gemeenschap liggen intolerantie discriminatie op de loer. Daarnaast moet je het begrip 'individualisme' wat relativeren. Zelfontplooiing, de centrale doelstelling van de individualist, betekent in feite erkenning door anderen: "iemand die dj wil worden, zal zich niet ‘ontplooid’ voelen als hij met een uiterst originele en eigenzinnige set iedereen van de dansvloer jaagt." Binnen ons eigen netwerk van familie, vrienden, bekenden en collega’s willen we een geliefd mens zijn. Die status is alleen te bereiken door rekening te houden met anderen. Gezag en erkenning moeten we verdienen. Grotere samenhorigheid is trouwens niet helemaal weg: denk aan popfestivals, tuinbeurzen, sportwedstrijden. Hele stammen — skaters, milieufreaks, carrièremakers — komen samen in restaurants, cafés, musea en andere publieke plaatsen.

De samenleving wordt niet zozeer geplaagd door egoïsme, zegt Giesen, als wel door wat men ‘netwerkisme’ zou kunnen noemen. "We sloven ons uit voor de mensen binnen ons eigen netwerk, maar wie buiten een netwerk valt, heeft pech gehad." De verzuilde samenleving kende nog een infrastructuur van goede werken: winnaars en verliezers zagen elkaar nog, als lid van dezelfde kerk. Met de anonieme hulp van de verzorgingsstaat hoeft niemand meer zijn hand op te houden, en vormen de winnaars hun eigen netwerk. Hoe aantrekkelijk iemands gezelschap wordt bevonden is belangrijk geworden (‘sociale koopkracht’): wie sociaal incompetent is of een psychische stoornis heeft kan zelden terugvallen op een sociaal verband.

De verkilling van het bestaan is een hardnekkige mythe, punt. Ouders voelen zich meer betrokken bij hun kinderen. In de meerderheid van de gezinnen gaat het er harmonieus aan toe. Voor huwelijken met kinderen liggen de slaagkansen gunstig. De meeste kinderen groeien op in een warm nest. Seks zonder affectie is onder jongeren een uitzondering. Extreme seks idem dito. Het is wel zo dat er geen eenduidige seksuele moraal meer bestaat. Jongeren leven in episoden en elke episode kent haar eigen regels. Monogamie blijft de norm voor wie een relatie heeft. Veel alleenstaanden zijn op zoek naar een partner. In seksueel opzicht is het ideaal evenwicht. In de jaren vijftig niet, seks was haar plicht en zijn recht.

Besluit
De angst voor de ontsporing van jongeren past voor Pieter Giesen naadloos in een meer fundamentele vorm van onzekerheid die veel ouderen plaagt. Ouderen hebben ooit de tijd meegemaakt dat zij ‘modern’ waren en het leven feilloos in hun greep leken te hebben. Naarmate zij ouder worden, gebeuren er steeds meer dingen die zij niet begrijpen of waar zij geen affiniteit mee hebben. Jongeren zijn het symbool van, en soms een zondebok voor, die verandering.
Vaak zien ouderen vooral wat er verdwijnt en hebben zij weinig oog voor de opkomst van het nieuwe. Ze betreuren de dalende belangstelling voor klassieke muziek — een opvatting die overigens te betwisten is — maar zien de opkomst van jazz, soul, dance en wereldmuziek over het hoofd, simpelweg omdat ze er geen verstand van hebben. Ze betreuren de teloorgang van de klassieke kennis, maar zien niet dat de samenleving tegenwoordig heel andere vaardigheden vraagt. Ze missen de traditionele gemeenschap van dorp of parochie, maar miskennen dat mensen zich tegenwoordig in informeel verband organiseren. Ze hekelen het verdwijnen van de ouderwetse beleefdheid, maar zien niet dat mensen veel meer aandacht voor elkaars psychische problemen hebben.
Mensen hebben altijd de idee dat ze in een wereld leven die snel verandert, zegt Giesen Von der Dunk na. Tegenwoordig geloven we dat superflexibele informatiemaatschappij de zekerheden van de industriële samenleving omver heeft geworpen. Maar in de jaren vijftig meende men dat de industrialisatie de geborgenheid van de agrarische samenleving vernietigde.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Peter Giesen, Laat me feesten : het eeuwige misverstand over jongeren
128 p.
Uitgeverij Podium, 1999

____

4 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Stelen en steken – Marion van San
Hedendaags kwaad – Frank Bovenkerk
Hoge eisen, ware liefde – Gabriel van den Brink
Hoe overleven we de vrijheid - Herman de Dijn
Altered state – Matthew Collin
Niet nix – Ronald Giphart
Nieuw Babylon – James Kennedy
Alles moest anders – Marjo van Soest
De eindeloze jaren zestig – Righart Marjolein Kuysten
De nieuwe vrijgestelden – Herman Vuijsje
Tussen verbeelding en macht – Ruud Koopmans en Jan-Willem Duyvendak
De Ik’s van Nix – Floor van Dijk
De huwelijkse logica – Cees Straver
Correct – Herman Vuijsje
Het verhaal van de moraal – Mark Bovens en Anton Hemerijck
De straat – Gerrit Jansen
Tijdgeest – Mischa de Vreede
Zin der zotheid – Inge Mans
Hakkuh & Strak Staan – Margot van der Wal en Hetty Bleeker
Elke tijd is overgangstijd – Von der Dunk

En verder:
Poppy Z Brite
Jo Groebel
Wybren Verstegen
Richard Proctor
Todd Gitlin
Christopher Lasch
Anthony Giddens
Paul Schnabel

tom zei

Een heel interessant boek over het vroegste ontstaan van jongerencultuur en 'de tiener' is Teenage - Creation of Youth 1875-1945 van Jon Savage
http://www.guardian.co.uk/books/2007/apr/14/society

Achille van den Branden zei

Dank. Dit boek kende ik niet; wel vergelijkbare boeken. Het vliegt prompt op mijn lijst, hoewel het zich waarschijnlijk beperkt tot de VS en de UK (en daarom misschien een mooi contrast mist met Midden-Europa, ik noem maar wat).

Achille van den Branden zei

Ah toch niet, ik lees net de bespreking, met die Duitse insteek.

Related Posts with Thumbnails