dinsdag 17 augustus 2010

In het sanatorium - David Vogel

David Vogel (1891-1944) was een buitenbeentje — een jood die in het Hebreeuws schreef, maar toch geen zionist was en in zijn kleine oeuvre enkel Europese, goed geassimileerde joden opvoerde. De Nederlandstalige uitgave van Vogels verzameld werk staat op til, en daar zal ook dit prozadebuut bij zitten. Door zijn setting triggerde de novelle vooral herinneringen aan mijn mooiste leeservaring ooit. Twee langoureuze weken in juli 2001: De Toverberg van Thomas Mann.

Een schrijver als deze lees ik om de sfeer. David Vogel is zo'n typisch Midden-Europese landschapsschilder. Hij penseelt eerst sentimentele tafereeltjes en laat zijn doek dan onbarmhartig beslaan met roet. De personages weten de weg naar de idylle, maar kunnen er niet meer heen door de obstakels die de schrijver voor hen heeft uitgezocht.

Vogel werd geboren in de regio Podolië, in het westen van de Oekraïne. Al vroeg leerde hij armoede en ontberingen kennen. In 1909 vertrok hij naar Vilna en later naar Lvov en vestigde zich uiteindelijk in 1912 te Wenen. De armoede "krenkte zijn gevoel van trots en onafhankelijkheid", staat er in een korte bio te lezen. Schrijven — aanvankelijk poëzie — werd een uitlaatklep.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Vogel gearresteerd als Russische vijand en zat hij 23 maanden gevangen. Hij trouwde in 1919 met de aan tbc leidende Ilka (waarvoor ook Vogel zelf enige tijd werd behandeld), om in 1923 weer van haar te te scheiden. Van 1929 tot 1930 verbleef hij in Palestina, om vervolgens naar Berlijn te gaan. Eind 1933, inmiddels hertrouwd, verkaste hij naar Parijs, opgejaagd na de machtovername door Hitler. In 1944 werd hij nabij Lyon gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, waar hij in datzelfde jaar om het leven kwam.

Zijn ervaringen met tbc verwerkte Vogel duidelijk in dit boekje. In het sanatorium opent met een imposante rij patiënten op witte, ijzeren rustbedden die pal naast elkaar liggen in de gehele lengte van een smalle ruimte. Het sanatorium kijkt neer op het (fictieve) Albanodal, ergens in Tirol. Het riekt er naar jodium, codeïne, cognac, Odol en zeepkruid. De kwispedoor staat klaar naast het bed. Patiënten hebben koorts, lijden aan slapeloosheid, geven bloed op. De dokters schrijven jodium voor.

‘Ah, Orniek…’
‘Goedemorgen, Orniek!’
‘Hoe hoog is je temperatuur?’
‘En hoe is het slijmgehalte?’
De jongens hebben weinig meer omhanden dan het gadeslaan van hun symptomen, in de hoop op verbetering. Reikhalzend wordt uitgekeken naar de weegschaal; elke week moet er een kilo bij — "de aangetaste plekken van de long van een flink laag vet voorzien". Wat men aantreft in de beperkte actieradius van de gezondheidswandeling wordt willens nillens als een spiegel opgevat van de eigen toestand.
Het groenkleurige water van de Passer, dat in deze tijd van de winter erg laag staat, brult en bruist door zijn snelle stroming in de brede en diepe rivierbedding, nu eens in het midden en dan weer aan de kant, het water gaat om grote en zo lijkt wel met wit stof bedekte steenrotsen heen, splijt op sommige plaatsen in twee smalle stromen uiteen, die zich enkele meters verder weer verenigen. Hier worden verborgen krachten geopenbaard die in alle hevigheid om hun bestaan strijden. Adler krijgt weer hoop. Zijn zieke long zal vast en zeker genezen. Alles zal zich ten goede keren. Hij voelt zich plotseling volkomen gezond.
Soms vergeten de patiënten de reden waarom ze op bed liggen. Dan verschijnen "droombeelden van jonge vrouwen in witte zomerjurken, met naakte, door de zon verbrande armen" voor hun geestesoog. Enkele jongemannen proberen contact te leggen met de vrouwelijke patiënten die op een andere verdieping in het sanatorium liggen. Die keurige dames hebben tot de verbeelding sprekende namen: Trudy Wiesel, Ljuba Goldies en Rachel Portugal... Maar ook de blanke benen van een sjikse (Jiddische uitdrukking voor een niet-joods meisje) slaan de heren niet af.

In die vreemde mix van sarcasme, kwajongensstreken en vormelijkheid ("Als u het goedvindt, juffrouw, zou ik u gaarne een stukje begeleiden") maken we onder meer kennis met de bijziende Ritter, die bedelbrieven om geld naar zijn oudeheer stuurt; de brutale, wereldwijze Adler die er alles aan doet om het gezag van de sanatoriumdirectie te omzeilen; en de dikke, grote hypochonder Orniek, op wie de knappe Gretty Finger zijns ondanks een oogje heeft.

Orniek heeft ouders die zich het brood uit de mond sparen om hun zoon nu al anderhalf jaar te laten verzorgen. Daarom staat hij zichzelf geen verzetje toe. Alles is gericht op zijn aandoening. Een ziek mens heeft ook het recht niet om anderen tot last te zijn, vindt-ie. De toenaderingen van Gretty hebben te lijden onder de zwijgzaamheid en de tobzucht van Orniek. Omgekeerd begrijpt deze niets van vrouwen.
Ogenschijnlijk is alles dik in orde. Maar Gretty Finger zoals ze is steekt Orniek als een botje in zijn keel. Hij kan het wispelturig gedrag van het meisje maar moeilijk begrijpen. Hij weet niet hoe zij in feite is en begrijpt evenmin wat haar relatie met hem voorstelt. Aan de andere kant is het voor hem nu des te belangrijker om het wel te weten en hij piekert daar vergeefs over: overdag wanneer hij op zijn rustbed ligt. En ’s nachts wanneer hij de slaap niet kan vatten, dan analyseert hij elke terloopse opmerking die hij uit haar mond heeft opgetekend en alles waarover ze gesproken heeft, maar het wil hem absoluut niet lukken.
Behalve sfeertekening heeft deze novelle verder weinig om het lijf. Vogel heeft lang in Wenen verbleven en dat heeft onmiskenbaar een invloed gehad op zijn schriftuur. Grove symboliek is niet van de lucht (buitenwereld-binnenwereld; het dal en de besneeuwde bergen; als de lente aanbreekt ontdooit ook de hoofdpersoon), een neurotische droom neemt een prominente plaats in, en de novelle kent zo'n tragisch einde dat het slotbeeld wel even blijft hangen.

Vogel heeft het verlangen van de jongens naar erotiek (eentje maakt pornografische schetsjes) gebruikt om de sterfelijkheid van deze patiënten extra schrijnend te maken. De belangrijkste poging om uit de tredmolen van ziekte en dood te breken, mondt uit in een dwaaltocht, en erger.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

David Vogel, In het sanatorium : novelle
101 p.
Oorspr. Beweet hamarpé (1926)
Vertaald door Kees Meiling

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails